Bijlage 1 - Onderbouwing effecten fysieke leefomgeving
Tekst van het document
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim)
Onderbouwing effecten fysieke leefomgeving 5 februari 2026
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) Onderbouwing effecten fysieke leefomgeving
COLOFON Opdrachtgever
: Egbertzwarts
Auteur
: E. Venema
Rapportnummer
: 25-206-01
Versie
: Rev. 1.0
Datum
: 5 februari 2026
INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Aanleiding Projectgebied Het omgevingsplan Leeswijzer
1 1 1 2 3
2 2.1 2.2 2.3
Projectbeschrijving Uitgangssituatie Voorgenomen ontwikkeling Inpassing bij omgevingswaarden
4 4 5 6
3 3.1 3.2 3.3
Beleid en regelgeving Rijksbeleid en rijksregels Provinciaal beleid en provinciale regels Gemeentelijk beleid
8 8 9 11
4 Aspecten fysieke leefomgeving 4.1 Algemeen 4.2 Zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand 4.3 M.e.r.-beoordeling 4.4 Cultuurhistorische waarden 4.5 Beschermen van gezondheid 4.6 Bedrijfsactiviteiten en milieuzonering 4.7 Geluidaandachtsgebieden 4.8 Luchtkwaliteit 4.9 Bodemkwaliteit 4.10 Verkeer en parkeren 4.11 Omgevingsveiligheid 4.12 Natuur 4.13 Waterparagraaf 4.14 Kabels, leidingen en beperkingsgebieden
13 13 13 13 14 16 17 18 18 19 19 20 21 22 24
5 5.1 5.2 5.3
Uitvoerbaarheid Algemeen Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid
25 25 25 26
6 6.1 6.2 6.3
Afweging en conclusie Algemeen Afweging Conclusie
27 27 27 27
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
Akoestisch onderzoek Verkennend bodemonderzoek Stikstofberekening Ecologische quickscan Uitgangspunten wateradvies
1
Inleiding
1.1
Aanleiding In het landelijk gebied tussen Hurdegaryp en Noardburgum, in het buurtschap Quatrebras, ligt het bedrijfsperceel van technisch groothandel Technim. Dit bedrijf heeft behoefte aan een uitbreiding van de magazijnruimte en laad- en losgelegenheid. Tussen de entree aan de westzijde van het bedrijfsperceel en de bestaande bebouwing is hiervoor voldoende ruimte. Het omgevingsplan van de gemeente Tytsjerksteradiel staat een uitbreiding van het bedrijf op deze plek niet toe, omdat dit buiten het gebied waaraan een bedrijfsfunctie is toegedeeld ligt en ook buiten het bouwvlak. De gemeente heeft laten weten in principe medewerking te willen verlenen aan het opstarten van een ruimtelijke procedure om dat mogelijk te maken. Hiervoor is een omgevingsvergunning Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (Bopa) noodzakelijk en aangevraagd. Deze onderbouwing vormt een toelichting op de aanvraag omgevingsvergunning en toetst het bouwplan aan de geldende beleidskaders en instructieregels en aan en de, voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten.
1.2
Projectgebied Het projectgebied betreft het perceel Rijksstraatweg 239 te Hurdegaryp. Het gaat om een terrein van ongeveer 9.000 m2 dat aan de noordwestzijde van Quatrebras ligt. Het ligt hier nabij de aansluiting op de centrale As. De ligging van het projectgebied is op een luchtfoto aangegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1
De ligging van het projectgebied
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
1
1.3
Het omgevingsplan Met ingang van 1 januari 2024 is het “Omgevingsplan van rechtswege” van kracht geworden. Dit tijdelijk Omgevingsplan bestaat uit (ruimtelijke) regels uit diverse vervallen instrumenten zoals bestemmingsplannen, beheersverordeningen en rijksregels over activiteiten (de zogenoemde) ‘Bruidsschat’. Daarnaast worden er op grond van het overgangsrecht activiteiten tijdelijk aangemerkt als omgevingsplanactiviteiten. Gemeenten hebben tot 1 januari 2032 de tijd om voor hun grondgebied het omgevingsplan vast te stellen. Het overgangsrecht en tijdelijk omgevingsplan voorkomen dat er in de tussentijd geen regels van toepassing zijn. Het projectgebied is geregeld in het Omgevingsplan gemeente Tytsjerksteradiel, onderdeel bestemmingsplan Hurdegaryp Rijksstraatweg 239. Dit bestemmingsplan is specifiek voor dit perceel vastgesteld om de uitbreiding van de destijds gevestigde koekbakkerij te faciliteren. Het oostelijk deel van het projectgebied heeft de bestemming ‘Bedrijf – 2’, waarbinnen bedrijven uit categorieën 1 en 2 van de bedrijvenlijst mogelijk zijn. De bedrijfsgebouwen zijn vastgelegd binnen een bouwvlak, dat voor 100% bebouwd mag worden tot een hoogte van 6 meter. Het westelijk deel heeft de bestemmingen ‘Agrarisch – Cultuurgrond’, bedoeld voor cultuurgrond, zowel voor bedrijfsmatig als hobbymatig agrarisch gebruik en voor sloten, bermen en beplanting.
Hier geldt ook een functieaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – zonnepanelen’ en de bestemming ‘Verkeer’. Rondom het gehele perceel ligt de bestemming ‘Groen – Groenvoorzieningen’. Verder geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Woudenlandschap’, die bedoeld is voor de bescherming van de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden van het woudenlandschap, en meer specifiek, het singellandschap. Met name het in stand houden van kenmerkende houtsingels is een belangrijk uitgangspunt. Een fragment van de verbeelding is weergegeven in figuur 1.2. Het projectgebied hiermee met rood aangeduid.
Figuur 1.2
2
Fragment verbeelding bestemmingsplan
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
Strijdigheid De beoogde uitbreiding van het bedrijfsgebouw en ook het laden en lossen is geprojecteerd in de bestemming ‘Agrarisch – Cultuurgrond’. Hier wordt niet voorzien in het gebruik of in bouwmogelijkheden voor bedrijfsactiviteiten. Activiteiten in het voor landschapswaarden beschermde gebied zijn niet direct strijdig, maar wel aan voorwaarden gebonden. Deze motivering gaat hier nader op in. 1.3.1
Andere verordeningen Er zijn voor de locatie nog geen andere verordeningen opgenomen in het omgevingsplan.
1.3.2
De bruidsschat De bruidsschat bestaat uit ongeveer 600 regels uit het voormalige Activiteitenbesluit, Bouwbesluit en het Besluit omgevingsrecht (Bor). De regels hebben betrekking op een grote diversiteit aan onderwerpen, zoals horeca, detailhandel, recreatie, lozingen, emissies van geluid, geur en trillingen door bedrijven en bouwen. De regels zijn aangepast aan de terminologie van de Omgevingswet. Dit is beleidsneutraal of beleidsarm gedaan: de essentie van de regels is ongewijzigd. De gemeente heeft de taak om uiterlijk in 2032 alle bruidsschatregels te hebben verwerkt tot eigen regels, of deze te laten vervallen.
1.4
Leeswijzer Na deze inleiding volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het project, dat met de Bopa mogelijk wordt gemaakt. Daar wordt zowel de huidige of uitgangssituatie, als de beoogde situatie beschreven en wordt ingegaan op de inpasbaarheid van dit project bij de zichtbare waarden. Vervolgens toetst hoofdstuk 3 dit project aan de omgevingsvisies en instructieregels van het rijk en de provincie en aan het gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 vormt de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij de omgevingswaarden en milieu- en gezondheidsaspecten centraal staan. Vervolgens worden in hoofdstuk 5 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid van het project besproken. Hoofdstuk 6 geeft een beknopte afweging en conclusie voor het verlenen van de Bopa.
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
3
2
Projectbeschrijving
2.1
Uitgangssituatie Dit project heeft betrekking op een bedrijfsperceel van de technische groothandel Technim. Dit bedrijf ligt aan de noordzijde van de Rijksstraatweg, tussen Hurdegaryp en Noardburgum. Het maakt deel uit van het bebouwingscluster Quatrebras. Het bebouwingslint door de komst van de Centrale As en de aansluiting daarvan op de Rijksstraatweg, sterk in ontwikkeling geweest. Ten westen van het projectgebied zijn daarbij diverse bebouwde percelen verdwenen, waarmee het nu op de rand van het buurtschap ligt. Het bedrijfsperceel zelf heeft ook in verschillende fasen een ontwikkeling gezien, waarbij in 2017 een ontsluitingsweg aan de westzijde is aangelegd en het bedrijf om twee woningen heen is gelegd. In 2019 is een bestemmingsplanherziening vastgesteld voor de uitbreiding van een destijds gevestigde koekbakkerij. Dat plan is pas in 2023 ten behoeve van het nu gevestigde bedrijf tot uitvoering gekomen. Technim is een groothandelsbedrijf dat installatiematerialen. Het totale bedrijfsperceel beslaat een oppervlakte van ongeveer 9.000 m 2. Hiervan heeft 4.000 m2 een bedrijfsfunctie en 3.900 m2 nog een agrarische functie, met mogelijkheden voor een ontsluitingsweg en voor zonnepanelen. Binnen de bedrijfsfunctie staat ruim 2.000 m2 aan bedrijfsgebouwen. De parkeervoorziening ligt langs de oostzijde van het terrein.
Het overig deel van het terrein heeft een functie als landschappelijke inpassing. Het terrein is als geheel ingepast binnen een brede boomsingel. Aan de wegzijde ligt een vijver, die aangelegd als waterberging. Een luchtfoto van de locatie en de directe omgeving is weergegeven in figuur 2.1.
Figuur 2.1
4
Luchtfoto projectgebied
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
2.2
Voorgenomen ontwikkeling De aanvraag omvat de uitbreiding van de bedrijfsgebouwen aan de noordwestzijde. Hier wordt, aansluitend op het bestaande magazijn, een aanvullende opslagruimte gerealiseerd. Deze krijgt een oppervlakte van ruim 1.000 m2. Vóór deze nieuwbouw komt een laad- en losplaats met een oppervlakte van ongeveer 900 m2. De nieuwe bedrijfsonderdelen komen allemaal binnen de bestaande landschappelijk kader. Aan de voorzijde wordt de bestaande waterberging uitgebreid met minimaal 190 m2. Hierbij wordt ingezet op een natuurvriendelijk ingerichte vijverpartij die de bijdrage levert aan de biodiversiteit op het terrein. Deze vijverpartij dient ook voor de compensatie van de toename van het verhard oppervlak. De beoogde situatie in het projectgebied is weergegeven in figuur 2.2. Enkele aanzichten van de nieuwe bebouwing zijn weergeven in figuur 2.3.
>200 m2
Figuur 2.2
Nieuwe situatie projectgebied
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
5
Figuur 2.3
2.3
Enkele aanzichten bebouwing nieuwe situatie
Inpassing bij omgevingswaarden Landschappelijke inpassing Voor de locatie en de omgeving daarvan zijn omgevingswaarden relevant. Het project vindt plaats buiten het bestaand stedelijk gebied zoals begrenst in de provinciale omgevingsverordening, binnen de landschappelijke kenmerken van het woudenlandschap. In de structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' heeft de provincie Fryslân het belang, dat zij hecht aan goede verankeringen van ontwikkelingen in het landschap, aangegeven. De voorgenomen ontwikkeling is getoetst op aan de uitgangspunten uit deze structuurvisie. Het is van belang dat de ontwikkeling op een verantwoorde manier wordt ingepast in het landschap. Volgens de kaart bij de structuurvisie ligt het plangebied in de Noordelijke Wouden. Dit kenmerkende coulisselandschap ligt globaal tussen Leeuwarden, Dokkum en Drachten. Ook de gemeente Tytsjerksteradiel heeft in het omgevingsplan ingezet op bescherming van de cultuurhistorische, landschappelijke en/of natuurwaarden van het gebied. Deze waarden worden in de Noordelijke Wouden gedefinieerd door het besloten coulisselandschap, met veel houtsingels. Deze singelstructuur is ook in het gebied rondom het projectgebied bepalend voor het landschapsbeeld. Het bedrijfsperceel, inclusief de uitbreidingslocatie, is grotendeels omzoomd met dergelijke singels.
Deze zijn in het omgevingsplan van de gemeente onder de functie ‘groenvoorzieningen’ gebracht, waarmee de instandhouding is geregeld. Deze structuur wordt met de uitbreiding van het bedrijf niet aangetast. Door de situering ontstaat bovendien een compacte clustering van de gebouwen en daarmee een beperkte ruimtelijke impact. Koppelen en verbinden De ligging in het landelijk gebied vraagt om het afwegen van mogelijkheden voor het benutten van koppelkansen voor één of meerdere opgaven voor de leefomgeving, zoals energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of het versterken van de biodiversiteit, door het maken van slimme combinaties.
6
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
Het project zet in op het versterken van het ondernemersklimaat, hetgeen bijdraagt aan de werkgelegenheid. Het bedrijf richt zich bovendien ten dele op de energietransitie. Daarbij wordt de noodzaak voor de aanleg van extra waterberging ter compensatie van versnelde afvoer van water gecombineerd met een extra grote waterpartij met een natuurvriendelijke inrichting, die de biotoop levert voor insecten en amfibieën. Op deze manier worden koppelkansen naar de aard en omvang van het project goed benut.
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
7
3
Beleid en regelgeving
3.1
Rijksbeleid en rijksregels
3.1.1
Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken. Het doel is te kiezen voor slimme combinaties van functies, uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 16 aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVEX-gebieden. Het projectgebied valt niet in één van deze gebieden. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Gezien het hoge abstractieniveau van de nationale belangen uit de NOVI, heeft het NOVI geen directe implicaties voor de ontwikkeling en kan de voorgenomen ontwikkeling in algemene zin bijdragen aan de belangen uit het NOVI. Het NOVI heeft geen consequenties voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.1.2
Instructieregels Rijk (AMvB’s) Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een aantal besluiten in werking getreden. Het gaat om het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Omgevingsbesluit. Het Bal stelt rijksregels aan (milieu)activiteiten, het Bkl gaat voornamelijk over omgevingswaarden en beperkingengebieden (onder andere natuur en water) en het Bbl stelt regels aan veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. In het Omgevingsbesluit staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering, en over het DSO. Het project wordt aan deze regels getoetst in hoofdstuk 4. Voortbouwend op de hiervoor genoemde AMvB’s, stelt de Omgevingsregeling eisen aan omgevingsplannen in aangewezen gebieden. Het gaat dan om beperkingengebieden van nationaal belang. Deze regeling volgt de voormalige Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) op. Voor het projectgebied gelden geen specifieke beperkingsgebieden die relevant zijn voor het project.
8
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
3.2.1
Omgevingsvisie Fryslân 2020: De romte diele Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk (bestemmingsplan)beleid. Dit is neergelegd in de Omgevingsvisie Provincie Fryslân. Deze is op 23 september 2020 vastgesteld. In de omgevingsvisie gaat de provincie voor een vitale economie door te investeren in omgevingskwaliteiten. Dit zorgt onder andere voor leefbaarheid en voorkomt leegstand en verpaupering van bebouwing. Daarnaast gaat de provincie voor een veerkrachtig beleid, waarin ingrijpende ontwikkelingen opgevangen kunnen worden, het behoud van de karakteristiek van de provincie, door het beschermen van de eigen identiteit en voor een gezonde leefomgeving. De provincie streeft verder naar meervoudig ruimtegebruik en natuurinclusief ontwikkelen. Ook het rekening houden met een veranderend klimaat bij nieuwe ontwikkeling een provinciale ambitie. De Provincie streeft naar ‘waterrobuust bouwen’. Dit houdt in dat gebouwen en straten op voldoende hoogte worden aangelegd en dat er voldoende ruimte is voor water in het plan. Paragraaf 4.13 gaat hier verder op in.
3.2.2
Instructieregels provincie Het projectgebied valt binnen het werkingsgebied van de Omgevingsverordening provincie Fryslân. Deze onderbouwing beperkt zich tot hoofdstuk 2, ruimtelijk omgevingsbeleid, voor zover relevant: Artikel 2.1 De omgevingsverordening gaat uit van het principe ‘Omgevingskwaliteiten als basis’. In een omgevingsplan (of afwijking daarvan) wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden, waarbij gebruik wordt gemaakt van FAMKE. Paragraaf 4.4 gaat hierop in. Voor projecten in het landelijk gebied wordt gemotiveerd op welke wijze het plan rekening houdt met de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals omschreven in Grutsk op ‘e Romte. Paragraaf 2.3 beschrijft dit. Artikel 2.2 bepaald dat voor een project dat voorziet in activiteiten met mogelijk aanzienlijke effecten op de omgevingskwaliteiten, een ruimtelijke inrichtingsplan met behulp van een omgevingstafelproces wordt opgesteld. In het voortraject is overleg geweest met de provincie. De provincie heeft aangegeven dat er geen omgevingstafel nodig is als de voorgenomen uitbreiding binnen de 50% norm blijft zoals deze in de Omgevingsverordening is opgenomen. De 50% norm geldt zowel voor de bebouwing als voor het perceel. Hieraan wordt voldaan.
De complete aanvraag omgevingsvergunning zal voor advies worden voorgelegd aan de provincie. Artikel 2.3 De omgevingsverordening vraagt bij nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies buiten het bestaand stedelijk gebied, een onderbouwing van het principe van zuinig- en meervoudig ruimtegebruik. Hierbij wordt in elk geval een onderbouwing gevraagd, waaruit tenminste blijkt dat de nieuwe functie voorziet in een behoefte en dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om gebruik te maken van een bestaand bouwperceel. En daarnaast dat de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en indien mogelijk worden benut. In dit geval wordt voorzien in een concrete behoefte van het ter plaatse gevestigde bedrijf. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het bestaande bedrijfsperceel. De nieuwbouw komt weliswaar op een terrein waar de functie ‘agrarisch’ aan is toegekend, maar de locatie maakt ruimtelijk al deel uit
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
9
van het bedrijfsperceel. De locatie mag bovendien worden bebouwd met zonnepanelen. De nieuwe bedrijfsfuncties komen ook binnen de bestaande landscapsstructuur. Het project legt zodoende geen extra ruimtebeslag neemt op het landelijk gebied. Artikel 2.4 De omgevingsverordening vraagt aandacht bij nieuwe functies of uitbreiding van stedelijke functies in het landelijk gebied om onderbouwing van de wijze waarop nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden in het plan bijdragen aan één of meerdere opgaven voor de leefomgeving, zoals energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of het versterken van de biodiversiteit, door het maken van slimme combinaties en het benutten van koppelkansen. Hierop worden enkele aanvullingen gedaan in de vorm van natuurvoorzieningen. Paragraaf 2.3 gaat hierop in. Artikel 2.5 Ook vraagt de Omgevingsverordening de effecten op gezondheid en veiligheid af te wegen, wateroverlast of overstroming vanuit de Friese Boezem te voorkomen en te borgen dat waterrobuust wordt gebouwd. Hoofdstuk 4 beschrijft deze onderwerpen. Artikel 2.6 De Omgevingsverordening gaat verder uit van het bundelen van stedelijke functies in het bestaand stedelijk gebied. Er kan in beginsel alleen worden voorzien in uitbreiding van stedelijke functies in of aansluitend op het bestaande stedelijk gebied. Hiervan is in dit geval geen sprake.
Op basis van artikel 2.9 kan de uitbreiding van een bestaand niet-agrarisch bedrijf in het landelijk gebied worden toegestaan tot maximaal 50% van het bestaande bebouwde oppervlak en maximaal 50% van het bestaande functievlak. In dit geval is er in de huidige situatie 2.027 m2 aan gebouwen aanwezig. Hier wordt 1.011 m2 aan toegevoegd, waarmee wordt voldaan aan de 50% voorwaarde voor het bebouwd oppervlak. Het ‘functievlak’ bedraagt 4.000 m2. Dit wordt uitbreid met het gebouw en met een verharding van 900 m2. Dit is een uitbreiding van 48%. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden voor uitbereiding van bestaande niet-agrarische bedrijven. Bovendien ligt het projectgebied in een bebouwingscluster, waar op basis van 2.25 van de Omgevingsverordening verruimde mogelijkheden zijn voor nieuwe stedelijke functie, waaronder ook het uitbreiden van bestaande stedelijk functies kan vallen. Afdeling 4 van de omgevingsverordening regelt ontgrondingsactiviteiten. In principe moet voor afgraven van de landbodem een omgevingsvergunning voor een dergelijke activiteit worden aangevraagd bij de provincie. In artikel 4.1 is een aantal uitzonderingen op dit verbod opgenomen.
Eén van deze uitzondering is het uitvoeren van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit, mits de locatie van de ontgronding is opgenomen, grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven, en niet meer dan 10.000 m3 grond wordt ontgraven. In dit geval wordt ongeveer 200 m2 water gegraven tot een diepte van minder dan 2 meter. Ook graafwerkzaamheden voor het realiseren van gebouwen zijn vrijgesteld. Daarmee wordt voldaan aan de vrijstellingscriteria en is een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit niet nodig. 3.2.3
Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het project in overeenstemming is met de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Fryslân.
10
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Tytsjerksteradiel 2021 – 2040 (ontwerp) De gemeente bereidt momenteel haar omgevingsvisie voor. De omgevingsvisie geeft aan wat de gemeente wil bereiken binnen haar grondgebied. Hiervoor heeft zij de ambities geformuleerd die een vooruitblik bieden naar 2040. Hierin zet de gemeente onder andere in op een vitale en toekomstgerichte economie, een goed ondernemersklimaat en ook op het versterken van de gezondheid en biodiversiteit. En ook op een positieve houding richting initiatiefnemers. Het bieden van mogelijkheden voor uitbreiding van een lokaal gevestigd bedrijf geeft concrete invulling aan deze ambities.
3.3.2
Visie bedrijventerreinen Tytsjerksteradiel De gemeenteraad heeft op 28 november 2024 de visie bedrijventerreinen vastgesteld. De gemeente Tytsjerksteradiel signaleert dat er in de gemeente sprake is van een tekort aan ruimte voor nieuwe en uitbreiding van bestaande regionale bedrijven. Om hierin te voorzien is onderzoek gedaan naar geschikte locaties voor de ontwikkeling van een nieuw regionaal bedrijventerrein in de gemeente. Daarbij is een locatie in de directe omgeving aangewezen als mogelijke locatie. Aangezien het in dit geval gaat om een uitbreiding van een reeds gevestigd bedrijf en niet om nieuwvestiging, is dit project niet concurrent met gemeentelijke plannen. Gelet op het feit dat er (nog) geen vervolg besluiten zijn genomen is het aannemelijk om mee te werken aan de uitbreiding op de bestaande locatie van het bedrijf.
3.3.3
Welstandsnota Tytsjerksteradiel Het welstandsbeleid is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke bebouwde omgeving dient te behartigen. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgericht. Het projectgebied valt in het welstandsgebied ‘Bebouwing BG – Besloten gebieden’. Het bouwplan wordt door de gemeente aan deze criteria getoetst.
3.3.4
Natuur en Landschap De gemeente streeft naar behoud en versterking van de bestaande landschappen en de daarbij horende landschapselementen. Daarbij wordt gezocht naar meervoudig ruimtegebruik en koppelkansen. Bij nieuwe ontwikkelingen streeft de gemeente dan ook naar een plus voor bestaande landschappen, door bijvoorbeeld ruimte te bieden aan biodiversiteit en water, klimaatadaptatie en duurzaam energie- en materiaalgebruik. De bestaande ruimtelijke waarden en identiteit vormen de basis voor alle ontwikkelingen. De onderhavige ontwikkeling bouwt voort op de bestaande inrichting van het gebied. De uitbreiding past binnen de bestaande groenstructuur rondom het perceel. De bebouwingsstructuur wordt zoveel mogelijk gerespecteerd en het nieuwe terrein wordt op een logische wijze in het landschap ingepast. Waar mogelijk wordt ingezet op een natuurinclusieve omgeving. Hoofdstuk 2 gaat hier nader op in.
3.3.5
Duurzaamheid De gemeente Tytsjerksteradiel wil in de top staan van de meest duurzame gemeenten en in 2040 energieneutraal zijn. De duurzaamheidsagenda van de gemeente geeft hier invulling aan en biedt een programma van projecten. In de duurzaamheidsagenda komen de volgende thema’s aan de orde: Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
11
a. b. c. d. e. f.
energietransitie duurzame mobiliteit circulaire economie biodiversiteit klimaatbestendigheid eigen organisatie en maatschappelijk vastgoed
Onder andere door het stellen van beleidsregels aan inrichtingsplannen, wordt bijgedragen aan deze doelstellingen. Deze regels zijn nog niet vastgesteld. In elk geval moeten gebouwen voldoen aan de actuele hoge normen voor energieprestaties. Ook wordt ingezet op een waterrobuust en klimaatadaptief project met veel ruimte voor natuurinclusiviteit. Verder bestaat in de huidige situatie de mogelijkheid om zonnepanelen op het terrein te plaatsen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. In de nieuwe situatie blijft deze mogelijkheid bestaan op het dak van het gebouw. Op die manier draagt het project bij aan de doelen van de duurzaamheidsagenda van de gemeente. 3.3.6
Gezondheid In de gemeente is een nota volksgezondheid vastgesteld. Het gaat om gezond wonen, werken, opgroeien en leven. De gemeente is benieuwd wat voor inwoners belangrijk en over hoe hier samen aan gewerkt kan worden. Belangrijk is om de omgeving zó in te richten dat het uitnodigt tot gezond gedrag. En om naast een gezonde leefstijl ook te kijken naar onderwerpen als armoede, participatie en leefomgeving, omdat deze van invloed zijn op de gezondheid. Dit project heeft op zichzelf geen raakvlakken met de nota volksgezondheid. In algemene zin wordt een zeer groen en ruim ondernemersmilieu gerealiseerd, zonder risico op gezondheidsrisico’s, zoals hittestress.
3.3.7
Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het project in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.
12
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
4
Aspecten fysieke leefomgeving
4.1
Algemeen In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet en de instructieregels uit het Bkl en de provinciale verordeningen (art. 8.0b).
4.2
Zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand
4.2.1
Wettelijk kader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: 1. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en 2. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
4.2.2
Toetsing en conclusie Allereerst is relevant of de ontwikkeling die het project mogelijk maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling is. Het project omvat de uitbreiding van een bestaand bedrijf met ongeveer 1.000 m2 bebouwing en ongeveer een gelijke oppervlakte verharding. De algemene lijn is dat bij uitbreidingen groter dan 500 m2 sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In dit geval wordt voorzien in een concrete behoefte van het bedrijf. De locatie ligt buiten stedelijk gebied, waarmee afgewogen moet worden of binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Logischerwijs gaat dat niet bij een uitbreiding. Aangezien het gaat om de uitbreiding van het bedrijf binnen de bestaande ruimtelijke structuur, is de stedelijke ontwikkeling niet zodanig dat een verplaatsing naar een locatie binnen bestaand stedelijk gebied overwogen moet worden. Er wordt voldaan aan de 50% uitbreidingsgrens, die door de provincie wordt gehanteerd. Er is daarmee sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.
4.3
M.e.r.-beoordeling
4.3.1
Wettelijk kader Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
13
mer-beoordelingsplichtig is wordt afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob), in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Ob. De lijst bestaat uit vier kolommen, waarbij in kolom 1 de betreffende projecten zijn benoemd, in kolom 2 de mer-plichtige activiteiten zijn opgenomen in kolom 3 de mer-beoordelingsplichtige activiteiten. Kolom 4 geeft aan bij welke besluiten de project-mer-(beoordelings)plicht geldt. Waar een omgevingsplan wordt genoemd, geldt dat ook een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt bedoeld. 4.3.2
Toetsing en conclusie Het project zou kunnen vallen onder de categorie J11 uit bijlage V van het Ob, namelijk een stedelijk ontwikkelingsproject. Met dit project wordt een uitbreiding van de gebouwen voor als uitbreiding van een magazijn voorgesteld. De impact op het milieu als gevolg hiervan is verwaarloosbaar. De locatie is perceelsgebonden en heeft geen bovenregionaal verzorgingsgebied. Daarmee is het project niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in het besluit. Er is daarmee geen spraken van een m.e.r. plicht of m.e.r. beoordelingsplicht. Overigens blijkt uit de beoordeling in de navolgende paragrafen dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden.
4.4
Cultuurhistorische waarden
4.4.1
Wettelijk kader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Ook in het Bkl wordt gesteld dat er rekening dient te worden gehouden met het behoud van cultureel erfgoed, inclusief bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten (art. 5.130). Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
4.4.2
Archeologie In de wet zijn archeologische resten beschermd. Het basisbeginsel van de archeologie is sinds 2007; behoud ‘in situ’ ofwel in de bodem op de plek zelf. Slechts bij hoge uitzondering worden nog archeologische opgravingen uitgevoerd. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische vondsten in bepaalde gebieden zijn op basis van landschappelijk, historisch en archeologisch onderzoek archeologische gemeentelijke verwachtingskaarten opgesteld. Om de archeologische waarden voor het plangebied vast te stellen is de FAMKE geraadpleegd. Een fragment van deze kaarten is weergegeven in figuur 4.1.
14
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
Figuur 4.1
Fragment FAMKE
Voor de periode ijzertijd - middeleeuwen valt het projectgebied in het gebied waar het advies om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een archeologisch onderzoek te verrichten. Voor de periode steentijd – bronstijd valt de bouwlocatie in een gebied waar alleen bij grootschalige ingrepen (>2,5 ha) onderzoek wordt gevraagd (groen). De bouw van bedrijfsgebouw (1.000 m2), de aanleg van verharding (900 m2) en het graven van een waterpartij voor de watercompensatie (200 m 2) leidt niet tot ingrepen van dergelijke omvang. Dit project blijft onder de adviesgrenzen. Het is daarom niet nodig om archeologisch onderzoek uit te voeren. Als bij ingrepen toch archeologische resten worden aangetroffen geldt hiervoor een meldingsplicht bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). 4.4.3
Andere cultuurhistorische waarden Om na te gaan of sprake is van cultuurhistorische waarden in de omgeving, is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Een fragment van deze kaart is weergeven in figuur 4.2. Het projectgebied heeft hierin geen specifieke cultuurhistorische waarden. Wel heeft het gebied hoge aardkundige waarden en is er sprake van een bijzonder landschap (Noordelijke Wouden). In paragraaf 2.3 wordt ingegaan op de inpassing bij deze waarden. Daarnaast komen in de omgeving historische routes voor, waaronder de Rijksstraatweg. De uitbreiding van de bebouwing binnen het terrein doet hieraan geen afbreuk. Ook de historische routes blijven als zodanig herkenbaar. Vanuit dit aspect bestaan dus geen belemmeringen voor het project.
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
15
Figuur 4.2
Fragment CHK Fryslân
4.5
Beschermen van gezondheid
4.5.1
Wettelijk kader Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3 sub a). De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet wordt dit aspect breed gemotiveerd. Van belang is dat de kwaliteit van de leefomgeving door de activiteit verbetert of in elk geval niet (onevenredig) verslechtert. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd. Deze paragraaf beperkt zich tot het beschermen van gezondheid in algemene zin. Dus op de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid.
4.5.2
Toetsing en conclusie Met dit project hangen geen bijzondere omstandigheden samen, waardoor het verlenen van de vergunning in potentie leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. Uit de navolgende paragraven blijkt dat er ook vanuit milieuaspecten geen risico’s voor de gezondheid optreden.
16
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
4.6
Bedrijfsactiviteiten en milieuzonering
4.6.1
Wettelijk kader Tussen bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies is een goede afstemming nodig. Het doel daarbij is het voorkomen van onacceptabele hinder ter plaatse van geur- en geluidgevoelige gebouwen en functies, maar ook om te zorgen dat bedrijfsactiviteiten niet worden beperkt. De VNG handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ biedt hiervoor een handvat. Deze nieuwe uitgave (oktober 2024) gaat over activiteiten als bedoeld in de paragrafen 5.1.4.2 (Geluid door activiteiten) en 5.1.4.6 (Geur) van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvoor instructieregels zijn opgesteld. In tegenstelling tot de eerdere uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) wordt niet uitgegaan van richtafstanden, maar van de inpasbaarheid van de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied (zones). Omdat de regeling vooral gericht is op het formuleren van regels in het omgevingsplan en deze implementatie nog niet heeft plaatsgebonden, kan gebruik worden gemaakt van een in de handreiking opgenomen transponering (omzetting) van richtafstanden naar posities binnen zones. Hierbij wordt voor geluid onderscheid gemaakt tussen rustige woongebieden en gemengde gebieden. Uiteindelijk moet bij gevoelige gebouwen worden voldaan aan de grenswaarden uit artikel 5.65 Bkl en artikel 22.63 van het Omgevingsplan (onderdeel Bruidsschat).
In het Bkl worden de geur- en geluidgevoelige gebouwen en functies aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. In het kader van de afweging van een evenwichtige toedeling van functies, worden ook andere verblijfsobjecten beoordeeld.
4.6.2
Toetsing en conclusie Het bedrijf valt onder milieucategorie 2 (positie 1 in de getransponeerde bedrijvenlijst). Bepalend is het aspect geluidhinder. In principe wordt een richtafstand van 30 meter tot woningen aangehouden. Deze afstand kan in een gemengd gebied, zoals de het onderhavige gebied, worden gereduceerd tot 10 meter. Omdat direct aangrenzend aan het bedrijfsperceel woningen zijn gelegen, wordt niet voldaan aan de richtafstanden. In het kader van de aanvraag is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 1. Uit de geluidsberekeningen blijkt dat de langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus (LAr,LT) op de maatgevende woningen variëren tussen 32 en 41 dB(A) in de dagperiode, waarmee Technim ruimschoots onder de gestelde norm van 50 dB(A) blijft. De berekende maximale geluidsniveaus (LAmax) liggen tussen 51 en 68 dB(A) en voldoen eveneens aan de norm van 70 dB(A) voor de dagperiode. Met de berekende waarden wordt geconcludeerd dat de bedrijfsuitbreiding past binnen de woonomgeving en dat er geen onaanvaardbare geluidsbelasting op omliggende woningen ontstaat. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) en een aanvaardbaar akoestisch klimaat voor de omgeving. Bovendien vindt de beoogde uitbreiding van de bedrijfsgebouwen, maar ook van de laad- en losplaats, aan de andere kant van de bebouwing plaats.
Hier zijn geen woningen van derden. Daarnaast vormt de bestaande bedrijfsbebouwing ook een buffer ten opzichte van de naastgelegen woonpercelen. De nieuw aan te leggen laad- en losplaats kan een positief effect hebben ten aanzien van deze woonpercelen.
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
17
4.7
Geluidaandachtsgebieden
4.7.1
Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid in relatie tot een hoge geluidbelasting zijn geluidaandachtsgebieden bepaald. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Dit is aspect is behandeld in paragraaf 4.6. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Voor provinciale- en rijkswegen geldt dat de provincie c.q. het rijk verantwoordelijk is voor geluid langs de wegen.
Om de onbeheerste groei aan geluid tegen te gaan, zal het systeem van Geluidproductieplafonds (GPP) worden gebruikt. Voor 2026 moeten de Geluidproductieplafonds worden vastgesteld. Zolang deze niet zijn vastgesteld, blijft de Wet geluidhinder van toepassing. In tabel 5.78t van het Bkl zijn standaardwaarden voor geluid op geluidsgevoelige gebouwen als gevolg van wegverkeer opgenomen. Voor gemeentewegen is dit 53 dB (etmaalintensiteit).
4.7.2
Toetsing en conclusie Binnen het project worden geen geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Ook wordt geen zodanige verkeerstoename verwacht dat dit een effect heeft op woningen langs de ontsluitende wegen. Vanuit dit aspect bestaan daarom geen belemmeringen voor dit project.
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1
Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
18
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
4.8.2
Toetsing en conclusie In Fryslân zijn geen algemene knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit. Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten blijkt dat in de gemeente Tytsjerksteradiel aan de wettelijke normen wordt voldaan. Met dit project wordt een uitbreiding van een bestaand bedrijf gerealiseerd. De uitbreiding bestaat uit een extra opslag-/magazijnruimte. Op basis van de berekening uit paragraaf 4.10 leidt dit tot een verkeerstoename van 50 mvt/etmaal. Op basis van de NIBM-tool van de rijksoverheid is bepaald dat dit niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
4.9
Bodemkwaliteit
4.9.1
Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
4.9.2
Toetsing en conclusie Omdat er mogelijk langer dan 2 uren per dag mensen in de nieuwe bedrijfsgebouwen aanwezig zijn, is er sprake van een bodemgevoelige functie. Daarom is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 2. Aan de hand van dit onderzoek is geconcludeerd dat er hoogstens lichte verontreinigingen voorkomen. De gemeten gehalten van de onderzochte stoffen zijn dusdanig dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouwplannen.
4.10
Verkeer en parkeren
4.10.1
Wettelijk kader Verkeer en parkeren worden gezien als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
19
4.10.2
Parkeren Op basis van het gemeentelijk parkeerbeleid wordt de parkeerbehoefte bepaald op basis van de kentallen van het CROW. Voor een specialistische groothandel is de parkeerbehoefte bepaald op 6,8 parkeerplaatsen per 100 m2. De totale oppervlakte van de gebouwen komt op ongeveer 3.000 m2, waarmee de parkeervraag 204 parkeerplaatsen is. Op het terrein is onvoldoende ruimte om te voorzien in deze theoretische parkeerbehoefte. Gelet op de specialistische aard en de relatief grote oppervlakte aan magazijnruimte, is dit een overschatting. Daarom wordt de parkeersituatie ingericht naar de feitelijke verwachting. Op het terrein is voldoende ruimte om te voorzien in meer parkeerplaatsen, maar vanuit het oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik is het vooralsnog ongewenst deze aan te leggen, als niet wordt verwacht dat deze in de praktijk nodig zijn.
4.10.3
Verkeersafwikkeling Op basis van de kentallen van het CROW, zoals bepaald in Publicatie 381, uitgaande van de kentallen voor een opslaggebouw in het buitengebied geldt een verkeergeneratie van ongeveer 5 mvt/etmaal per 100 m2 bvo. Voor de uitbreiding (ongeveer 1.000 m2) is de verkeersgeneratie 50 mvt/etmaal. Op basis van het akoestisch onderzoek bedraagt de totale verkeersgeneratie van het bedrijf 56 verkeersbewegingen, waarvan 6 vrachtwagens. Voor het hele bedrijf wordt gerekend met dat aantal, komen en gaan. Het gaat dan om 100 mvt/etmaal licht verkeer en 12 mvt/etmaal zwaar verkeer. Dit verkeer sluit via de bestaande ontsluiting aparte in- en uitrit direct aan op de N355, waar het opgaat in het heersend verkeersbeeld. De ontsluitende wegen zijn voldoende gedimensioneerd voor de afwikkeling van dit verkeer.
4.11
Omgevingsveiligheid
4.11.1
Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar via de Atlas Leefomgeving.
4.11.2
Toetsing en conclusie Uit de kaarten van de Atlas Leefomgeving blijkt dat er in de directe omgeving van het projectgebied verschillende risicobronnen aanwezig zijn. Het gaat met name om beperkte vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor. Omdat het een incidentele route betreft, wordt deze route binnenkort uit het basisnet spoor gehaald en hoeft deze niet te worden betrokken bij de beoordeling. Het projectgebied ligt overigens buiten de aandachtsgebieden hiervan. De ligging van dit gebied is weergegeven in figuur 4.4. Er zijn daarmee geen belemmeringen voor dit project.
20
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
Figuur 4.4
Uitsnede Atlas Leefomgeving, aandachtsgebieden omgevingsveiligheid
4.12
Natuur
4.12.1
Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
4.12.2
Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen deel uit van Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden is de Groote Wielen, dat op 4,7 kilometer afstand ligt. De Groote Wielen is aangewezen voor verschillende vissoorten, de Meervleermuis, de Noordse woelmuis en een aantal vogelsoorten, waaronder ganzensoorten en de Smient. Gelet op de afstand tot beschermde gebieden en de aard van de ontwikkeling, zullen door de geplande werkzaamheden geen negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelen van de Groote Wielen. Op ongeveer 8 kilometer afstand ligt de Alde Feanen. Direct effecten op de doelsoorten van dat gebied is, gezien de grote afstand, uitgesloten. Wel is het Natura 2000-gebied de Alde Feanen gevoelig voor stikstofdepositie. Vanuit het project worden in de gebruiksfase geen relevante emissies van stikstof verwacht. Wel is er mogelijk sprake van een toename van verkeer. Uitgaande van het gestelde in paragraaf 4.10 wordt uitgegaan van in totaal 100 lichte verkeersbewegingen en 12 zware. Dit gaat direct op de
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
21
Rijksstraatweg op in het heersende verkeersbeeld. Voor de koude start wordt uitgegaan van 25% vertrekkend verkeer dat langer dan 2 uren op de locatie heeft stilgestaan. De aanlegfase leidt tijdelijk tot een emissie van stikstof vanuit mobiele werktuigen en transport. In het kader van de aanvraag is een indicatieve stikstofberekening uitgevoerd naar de aanlegfase en de gebruiksfase van het gebouw. Voor het project wordt uitgegaan van een sloop-/bouwperiode van 6 maanden. Voor de aanlegfase is voor de berekening (worst-case) uitgegaan dat gedurende een half jaar (26 weken), 38 uur in de week ongeveer 75% van de tijd machine-inzet plaatsvindt met een gemiddeld verbruik van 12 liter per uur. Dit komt neer op 741 uren inzet en een dieselverbruik van 9.000 liter. Hierbij is een gemiddeld AdBlue verbruik van 5% is op basis van verschillende bronnen representatief (450 liter). Het transport en verkeer van personeel en kleine leveringen is lager dan de verkeersbewegingen in de gebruiksfase, namelijk 12 vrachtwagens en 100 (bestel)auto’s per dag. De aanlegfase en de gebruiksfase zijn in één berekening gecumuleerd. Op basis van voorgenoemde uitgangspunten is een stikstofberekening uitgevoerd met rekenprogramma AERIUS 2025.0.1. Deze berekening is opgenomen in bijlage 3. Hieruit is naar voren gekomen dat er geen resultaten hoger dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar zijn.
Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat het plan niet leidt tot negatieve effecten door een potentiële toename van stikstof op daarvoor gevoelige gebieden. Daarmee zijn ook effecten als gevolg van vermesting en verzuring uitgesloten. Vanuit de gebiedsbescherming bestaan er geen belemmeringen voor het project. 4.12.3
Soortenbescherming Om een goed inzicht te krijgen in de ecologische potenties van het projectgebied is in het kader van de aanvraag is een ecologische QuickScan uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 4. Hieruit is gebleken dat diverse soorten mogelijk negatief beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen ingreep. Voor broedvogels, vleermuizen, kleine marters en overige soorten geldt dat er geen aantasting van het leefgebied wordt verwacht, wanneer wordt gewerkt conform een alternatieve werkwijze. Voor algemene broedvogels heeft het de voorkeur om buiten het vogelbroedseizoen te werken. Anders maatregelen zijn het voorkomen van extra lichtoverlast op de omliggende bomenrijen en het in acht nemen van de zorgplicht. Op deze manier worden conflicten met de natuurregelgeving voorkomen en kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd.
4.13
Waterparagraaf
4.13.1
Wettelijk kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Voor het inventariseren van de wateraspecten van een project wordt vaak een plan voor de waterhuishouding opgesteld of een plan met een andere benaming. In dit plan worden de wateraspecten niet alleen beschreven, maar ook wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project getroffen moeten worden. Hierbij vindt een toets plaats aan de waterkwaliteitsdoelstellingen uit de Kaderrichtlijn water.
22
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
De beschrijving van wateraspecten kan onderverdeeld worden in verschillende subparagrafen. In deze paragrafen wordt achtereenvolgens een beschrijving gegeven van de relevante wetgeving en beleid, het opgestelde plan voor de waterhuishouding en volgens dat plan te treffen maatregelen. Hierbij worden de resultaten voorkomend uit het wateradvies betrokken. In dit kader wordt over het plan advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder. Hoe met dit advies is omgegaan wordt in deze paragraaf toegelicht. Indien het advies niet wordt opgevolgd, dient de afwijking daarvan gemotiveerd te worden. 4.13.2
Weging van het waterbelang Via het digitale wateradvies is het project kenbaar gemaakt bij het Wetterskip Fryslân. Hieruit volgt dat de waterbelangen beperkt zijn, maar vanwege de toename aan verharding geldt een normale procedure voor het wateradvies. De uitgangspuntennotitie is opgenomen in bijlage 5. Het waterschap heeft op 3 december 2025 een aanvullend wateradvies gestuurd. Dit is meegenomen in deze paragraaf. Waterveiligheid Het projectgebied ligt niet binnen de beschermingszones van waterkeringen. De waterveiligheid is met dit project niet in het geding. Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Bij de inrichting van het projectgebied kan hierop geanticipeerd worden door de buitenruimte zo groen mogelijk in te richten. In dit geval blijft het terrein zoveel mogelijk onverhard. Waterafvoer/berging Het waterschap hanteert als uitgangspunt dat de toename verhard oppervlak wordt gecompenseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater of waterberging. Het dempen van water en/of watergangen moet volledig gecompenseerd worden.
Deze compensatie is bedoeld om wateroverlast door het versneld afvoeren van hemelwater vanaf de verhardingen te voorkomen. In dit geval neemt het verhard oppervlak toe met 1.900 m2. Dit betekend dat er 10%, in dit geval een minimum van 190 m2, gecompenseerd dient te worden. Ter compensatie wordt 10% hiervan gecompenseerd in de vorm van het uitbreiden van de bestaande waterberging op het voorterrein. De locatie is weergegeven in de situatietekening in paragraaf 2.2. Het waterschap adviseert de vijverpartij eens per jaar/in de twee jaar op te schonen om de waterbergende functie te behouden. Ook is van belang dat de huidige duiker die op hoogte ligt en in verbinding staat met de westelijke schouwwatergang, gehandhaafd blijft, zodat het water goed weg kan komen. Drooglegging Om wateroverlast te voorkomen hanteert Wetterskip Fryslân een droogleggingsnorm van 1,10 meter voor gebouwen met kruipruimte en 0,70 meter voor gebouwen zonder kruipruimte en verhardingen. Het projectgebied ligt in een polder, met een vast peil op 0,05 m +NAP. De bouwlocatie
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
23
ligt op ongeveer 1,30 m +NAP, waarmee wordt voldaan aan de drooglegginsnorm. Door op dit niveau te bouwen wordt voldaan aan klimaatadaptief en waterrobuust bouwen. Waterkwaliteit Om een goede waterkwaliteit te realiseren is het nodig dat wordt voorkomen dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn. Ook is het nodig dat gebouwd wordt met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal. Vanaf het erf mogen geen verontreinigende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. Ten tijde van de realisatie van de verschillende bouwwerken binnen de uitbreiding van het bouwvlak wordt rekening gehouden met de maatregelen, zoals afschermingswanden, tegen de afspoeling van afvalwater. Afvalwater en regenwatersysteem Het uitgangspunt is om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren. In dit geval wordt rioolwater aangesloten op de bestaande voorziening. Schoon hemelwater is afgekoppeld op watergangen in de omgeving.
4.14
Kabels, leidingen en beperkingsgebieden
4.14.1
Toetsingskader In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.
4.14.2
Toetsing In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels of leidingen. Ook zijn er geen aangewezen beperkingsgebieden relevant voor het plan.
24
Hurdegaryp, Rijksstraatweg 239 (Uitbreiding Technim) 25-206-01 | Rev. 1.0
5
Uitvoerbaarheid
5.1
Algemeen De bepaling over de uitvoerbaarheid uit het Besluit ruimtelijke ordening komt onder de Omgevingswet niet terug. De gemeente hoeft niet meer aannemelijk te maken dat een toegedeelde functie er ook zal komen. De gemeente geeft in haar omgevingsplan aan dat een functie op een zekere locatie ‘kan’ komen. Dat is minder verstrekkend. Pas als zich een concreet, binnen de toegedeelde functie passend, initiatief aandient wordt onderzocht 'hoe' dat op een aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden. Bij een Bopa die voldoende concreet is, moet dus de uitvoerbaarheid wel worden aangetoond.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Participatie Artikel 7.4 Or bevat aanvraagvereisten over participatie. Het aanvraagvereiste participatie geldt voor alle omgevingsvergunningen. De participatie bij omgevingsvergunningen wordt door de aanvrager gedaan voorafgaand aan de aanvraag. De gemeente Tytsjerksteradiel heeft een aantal gevallen aangewezen waarvoor verplichte participatie geldt. Het gaat onder andere om het wijzigen van het gebruik van gronden voorzover deze gronden niet aansluiten bij een hoofdgebouw en, in het buitengebied, om het uitbreiden van een gebouw met meer dan 150 m 2 en hoger dan 5 meter. In dit kader is participatie een verplicht onderdeel van de aanvraag. Dit wordt uitgevoerd conform het participatiebeleid fysieke leefomgeving gemeente Tytsjerksteradiel. In dit geval is het aantal belanghebbenden zeer beperkt. Het gaat om de direct aangrenzende en omliggende woningen. Deze hebben in meer of mindere mate zicht op de locatie. De uitkomsten van de participatie zijn separaat bij de aanvraag gevoegd (vanuit privacyoverwegingen).