15 - Bijlage 4 - Beleidsplan 2016-2020
Tekst van het document
BELEIDSPLAN openbare verlichting 2016-2020
Opdrachtgever Auteur Versie Datum
Gemeente Tytsjerksteradiel T. Knol Definitief concept September 2015 Behoort bij het besluit van de gemeenteraad van Tytsjerksteradiel
De Griffier,
Inhoudsopgave 1. 2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
Inleiding 1.1 Beleidsplan en uitvoeringsprogramma Evaluatie voorgaande beleidsperiode 2.1 Uitgevoerde werkzaamheden ten opzichte van planning 2.2 Doelstellingen monitoren 2.3 Overige (niet geplande) werkzaamheden Beleidskaders 3.1 Verlichting is geen doel op zich 3.2 Visie 3.2.1 Bebouwde kom 3.2.2 Buiten de bebouwde kom 3.3 Ambitie openbare verlichtingsbeleid 3.4 Wettelijk kader 3.5 Aansprakelijkheid Huidige openbare verlichtingssysteem 4.1 Leeftijdsopbouw masten en armaturen 4.2 Te verwachten energieverbruik 4.3 Onderhoud en beheer Uitgangspunten, doelstellingen en werkwijzen 5.1 Uitgangspunten en doelstellingen 5.2 Gebied specifieke verlichting 5.3 Werkwijzen voor behalen uitgangspunten en doelstellingen 5.3.1 Landelijke richtlijn - maatwerk 5.3.2 Lichtplan 5.3.3 Maatregelen per gebiedstype 5.3.4 Dimmen 5.3.5 Proefopstellingen 5.4 Openbaar groen Financiën 6.1 Dagelijks (technisch) beheer en onderhoud 6.2 Administratief toezicht en beheer 6.3 Energie 6.4 Afschrijving en vervanging 6.5 Nieuwe openbare verlichting 6.6IV-schap 6.7 Budgetoverzicht 6.8 Bezuinigingen 6.8.1 Bezuinigingen Organisatie en overige 7.1 Organisatie 7.2 Lichtmastreclame 7.3 Monitoring en evaluatie Conclusies en besluit Bijlage 1: Beschrijving gewenste verlichtingssituatie per gebiedstype Bijlage 2: PLL en LED vergelijken met ROVL 2011
5 5 6 6 6 8 9 9 9 9 10 11 11 13 14 14 15 16 17 17 18 19 19 20 20 21 22 22 23 23 23 24 24 25 25 26 27 28 29 29 29 30 31 32 34
1. Inleiding Licht is een van de belangrijkste voorwaarden voor het menselijk leven. Sinds de uitvinding van kunstmatig licht wordt dit toegepast om de mogelijkheden van de dagperiode te verlengen, zodat het reguliere leven ook na zonsondergang kan blijven doorgaan. Kunstmatig licht in de openbare ruimte zorgt voor een zichtbare omgeving waarin ook daar de activiteiten van overdag kunnen worden voortgezet. Dit vergroot de verkeersveiligheid, onder voorwaarden ook de sociale veiligheid en het zorgt voor sfeer. Deze hoogwaardige installatie wordt net als het rioleringsstelsel vaak niet eens meer opgemerkt, omdat het in grote lijnen vrijwel altijd functioneert. Pas wanneer grotere delen uitvallen en de oerduisternis intreedt, wordt weer bemerkt wat de toegevoegde waarde is van dit omvangrijke openbare verlichtingssysteem.
1.1 Beleidsplan en uitvoeringsprogramma Dit beleidsplan gaat over de openbare verlichting en borduurt op hoofdlijnen voort op het voorgaande beleidsplan (2010-2015). De destijds ingezette beleidslijnen zijn over het algemeen nog steeds actueel, waarbij met name de uitvoering is aangepast aan de stand der techniek. Om reden hiervan wordt vanaf nu een splitsing aangebracht tussen het beleid (beleidsplan met kaders, uitgangspunten en werkwijzen) en de praktische vertaling daarvan voor met name de jaarlijks terugkerende vervangingsinvesteringen (uitvoeringsprogramma).
2. Evaluatie voorgaande beleidsperiode In het beleidsplan van de afgelopen beleidsperiode (2010-2015) waren een aantal werkzaamheden en doelstellingen gepland. Dit uiteraard naast het reguliere beheer en onderhoud en het plaatsen van nieuwe verlichting bij in- en uitbreidingen.
2.1 Uitgevoerde werkzaamheden ten opzichte van planning Tabel 2.1 Gepland werk
1 2 3 4 5 6 7
8
9
Masten Masten rechtzetten Traverse Trvnwalden Asbestvoeten verwijderen Bestaande masten verwijderen (30x) Masten >40jr. Masten herverdelen Masten bijplaatsen (NPR 13201-1)
Armaturen Vervangen
Trafo's aanpassen (schakelmoment)
Uitgev oerd
Gemaakte kosten (€)
Nog te maken kosten (€)
Toelichting
100% 100% 100%
34.000 60.000 77.000
0 0 0
100%
9000
0
0%
0
234.900
Uitstel door
0% 0%
0 0
52.800 81.000
Hangt samen met punt 7 Gewacht op LED technieken (uitontwikkeling) en herprioritering van werkzaamheden
58%
267925
222225
Gewacht op LED technieken (uitontwikkeling) voor m.n. SOX en SON.
100%
10.000
0
herprioritering
2.2 Doelstellingen monitoren In het voorgaande beleidsplan stond aangegeven dat de doelstellingen van openbare verlichting (sociale veiligheid, verkeersveiligheid) gemonitord zouden worden, net als het energieverbruik. Openbare verlichting levert bijdrage aan sociale veiligheid Het meten van de geleverde bijdrage aan de sociale veiligheid zou plaatsvinden door gegevens te benutten van de 'landelijke veiligheidsmonitor'. Tijdens het evalueren stuitten wij echter op een probleem. De landelijke veiligheidsmonitor is per 1 januari 2012 gewijzigd. De oude database (van voor 2012) is losgekoppeld van een nieuwe uitgebreidere versie (van 2012 en verder). Gegevens van
de oude database zijn nog vrij opvraagbaar, maar van de nieuwe niet. Daarvoor dient een gemeente actief gemeentegegevens aan te leveren of contributie te betalen. Tytsjerksteradiel is hierbij echter niet actief betrokken waardoor de gegevens vanaf 2012 niet meer benaderbaar zijn. Via het CBS zijn meer 'algemenere' gegevens vrij verkrijgbaar via Statline. De van toepassing zijnde tabellen (verkeersveiligheid, veiligheidsgevoel, verlichting) zijn niet op gemeenteniveau te benaderen, doch slechts op regio of zelfs landsdeelniveau en daardoor maar beperkt bruikbaar.
Veiligheidsgevoel Friesland 40
35
!
30
1 25
-
20
1
15
■
t
10
5
3 0
Lil uluil
Nederland
Noord-Nederland 9-0} 2012
t 1M
1
1.1 Friesland iPV!
15
f
.4 5
I
f
1 wl i l ■1 a l il 1 - 8 !! «1 I I tfi ■■
Nederland
Noord-Nederland j l D )
Friesland (PV)
Nederland
Noord-Nederland {10}
2013
Friesland (PV)
2014
Waarde ■ Voelt zich w e i eens o n v e i l g {%} Voelt Éch vaak onveilig in buurt (%1
M Woelt Seri vaak onveilig {%}
m Voelt zich w e i eens onveilig io buurt (%>
■ s Avonds oö straat in buurt onveilig |%fcomt vaak voor} m Rapportcijfer veiligheid in buurt
Bron: CBS Statline Uit de gegevens van het CBS komt naar voren dat van 2012 t/m 2014 het percentage van mensen dat zich 's avonds op straat wel eens onveilig voelt vrijwel gelijk blijft en laag is (1.7% in Friesland t.o.v. 2.2% in Noord-Nederland en 3.7% in Nederland). Hieruit zou voorzichtig geconcludeerd kunnen worden dat de huidige wijze van toepassen van openbare verlichting een voldoende positieve bijdrage levert aan de sociale veiligheid.
Openbare verlichting levert bijdraRe aan verkeersveilifiheid Het meten van de geleverde bijdrage aan de verkeersveiligheid zou plaatsvinden door gegevens te benutten uit onze OVL-database. Als binnen de bebouwde kom voldaan kan worden aan de normen uit de NPR 13201-1 (tegenwoordig de ROVL 2011) zou een positieve bijdrage worden geleverd aan de verkeersveiligheid. In hoofdstuk 5.3.1. tonen wij aan dat het huidige areaal voldoet aan de referentiewaarden van de NPR 13201-1, maar niet meer volledig aan de ROVL 2011 (bevat hogere referentiewaarde). Het overgrote deel van het areaal voldoet aan minimaal 75% van de genoemde nieuwe referentiewaarden. Dit betekent echter niet dat er hierdoor op onvoldoende wijze een bijdrage wordt geleverd aan de verkeersveiligheid. Uit jarenlange praktijkwaarneming, lichtmetingen en burgerervaringen kan worden geconcludeerd dat bij het behalen van minimaal 75% van de huidige referentiewaarden (huidige areaal) een sobere en doelmatige bijdrage wordt geleverd aan de verkeersveiligheid.
Monitoren doelstellingen energieverbruik Het doel om in 2014 het energieverbruik te verminderen tot 740.000kWh is niet gehaald. Hiervoor zijn een aantal redenen: De ingecalculeerde besparingen met gedimde SON blijken in de praktijk niet haalbaar en verstandig. Teveel dimmen leidt tot een onrustig lichtbeeld en een significant kortere levensduur. Er wordt nu gedimd tot een minder laag niveau. De ingecalculeerde technische besparing door het schakelmoment te vervroegen van 00:00 naar 23:00 uur bleek niet correct te zijn. Eertijds (in de jaren 90) was het schakelmoment reeds 23:00 uur, waarna het is verlaat naar 00:00 uur. Bij die wijziging zijn de verbruiksgegevens niet aangepast in de database (energieverbruik wordt o.b.v. de database berekend). Nu het schakelmoment weer is teruggezet naar 23:00 uur (zoals vroeger) hoefden de verbruiksgegevens in de database niet aangepast te worden. Dit betekent echter wel dat deze maatregel op papier geen energiewinst heeft opgeleverd. De grootste energiebesparing was voorzien bij de vervanging van SOX armaturen. Omdat deze lichttechnische 'krachtpatsers' in deze periode nog moeilijk te vervangen waren door een alternatief zoals bv. LED (was en is nog volop in ontwikkeling), is dit uitgesteld. De bijbehorende energiebesparing is hierdoor niet gerealiseerd.
Het energieverbruik van de openbare verlichting over geheel 2014 was in plaats van de doelstelling van 740.000 kWh, 806.815 kWh bij 5233 lichtpunten. Dit verschil komt ruwweg overeen met de uitgestelde maatregelen die tot een besparing van 60.000 kWh zouden hebben moeten leiden.
2.3 Overige (niet geplande) werkzaamheden G v e t a i d u O'v' Friesland naar NOFA-r
Vanaf eind 2013 zijn de benodigde voorbereidingen getroffen om voor het dagelijkse beheer en onderhoud van de installatie de overstap te maken van de Stichting OV Friesland naar de NOFA gemeenten (Achtkarspelen, Dantumadeel, Dongeradiel en Kollumerland). De reden van deze overstap was de ontevredenheid over de dienstverlening (teveel tijd tussen opdracht en realisatie, stroperig geheel). Het moment van uitstappen betrof een 'natuurlijk moment' aangezien we op dat moment 1 volledige periode aangesloten zijn geweest. Per 1 januari 2015 wordt het onderhoud uitgevoerd op basis van het bestek van de NOFA gemeenten (door onze aansluiting NOFA+). Database Tot 1 januari 2015 was het beheer van onze database in handen van de aannemer die ook het reguliere onderhoud en beheer verzorgt. Per 1 januari 2015 is dit overgezet en uitbesteed aan Luminext, een partij die een hoogwaardige database heeft gemaakt en ook kan beheren. (Ook de Stichting OV Friesland heeft inmiddels haar database bij Luminext geplaatst). Een aanzienlijke conversie operatie, waarbij ook werkprocessen met de aannemer opnieuw zijn beschreven. Door deze overstap kan worden gebruik gemaakt van een meer hoogwaardige database, waarin ook dynamische verlichting (toekomst) kan worden aangestuurd. Wijzigingen kunnen ook door onszelf worden doorgevoerd (actueler bestand).
De extra 'bindende factor' tussen OVL aannemer en klant is verdwenen. Wij hebben onze data nu niet meer in de database van een aannemer zitten. Hierdoor zijn er minder technische hindernissen (database overzetten) om bij een nieuwe aanbesteding te switchen van aannemer.
3. Beleidskaders 3.1 Verlichting is geen doel op zich Het verlichten van de openbare ruimte of van terreinen is geen doel op zich. Het is een middel om een bijdrage te leveren aan andere doelstellingen, zoals bevorderen van verkeersveiligheid en sociale veiligheid. In ons beleid houden wij hier rekening mee door vanuit het perspectief van het te bereiken doel te redeneren. Daarbij moet rekening worden gehouden met negatieve neveneffecten als lichthinder en -vervuiling. Lichthinder kan worden ervaren als verlichting rechtstreeks in een woning schijnt of als er sprake is van verblinding. Voor dieren geldt dat teveel verlichting als barrière kan fungeren waardoor het leefgebied wordt versnipperd. Ook zijn sommige lichtkleuren minder schadelijk voor de fauna dan andere lichtkleuren. Daarnaast verstoort verlichting bovendien het dag-/nachtritme van met name vogels en insecten. Lichtvervuiling kan voorkomen bij het onnodig meeverlichten van oppervlaktes of toepassing van armaturen, waarmee ook licht naar boven wordt gestuurd. Maar ook het verlichten van een donkere omgeving met een faunaschadelijke lichtkleur kan als lichtvervuiling worden beschouwd. We zullen onszelf daarom een aantal vragen moeten stellen: 1.
Wat is het effect van openbare verlichting op het bereiken/ dichterbij brengen van een bepaalde doelstelling.
2.
Is openbare verlichting een effectief en efficiënt instrument (en het enige) of zijn er ook andere instrumenten die wellicht beter zijn.
3. Welke negatieve neveneffecten zijn verbonden aan de toepassing en zijn deze acceptabel gezien de verwachte positieve effecten.
3.2 Visie Mede met het oog op duurzaamheidsdoelstellingen, willen we de openbare ruimte bewust gaan verlichten. Een goede balans zien te vinden tussen positieve en negatieve effecten. Uiteraard mag wel rekening worden gehouden met de beleving van mensen (m.n. sociale veiligheid en sfeer). Dit dient echter afgewogen te worden tegen de objectieve effecten, de negatieve neveneffecten en de kosten. Wij maken daarbij een duidelijk onderscheid tussen de bebouwde kom en gebieden daarbuiten. De maatschappelijke dynamiek is binnen de bebouwde kom veel hoger en stelt dan ook andere eisen aan de openbare verlichting.
3.2.1 Bebouwde kom We verlichten de openbare ruimte binnen de bebouwde kom omdat zich hier veel activiteiten afspelen die niet, of niet goed (of onveilig) verlopen als er geen verlichting is. Je moet er je weg kunnen vinden. Fietsers en voetgangers moeten tijdig gezien worden door automobilisten om ongelukken te voorkomen. Ook als het 's avonds vroeg donker is, moeten onze burgers zich veilig voelen op straat, zodat ze niet vanaf zes uur 's avonds binnen blijven. Verlichting kan de beleving van de openbare ruimte positief beïnvloeden. Maar negatieve neveneffecten als lichthinder,
lichtvervuiling en energieverbruik, treden op bij teveel of onjuiste (geplaatste) verlichting. Wij streven daarom meer naar een minimumniveau dan naar een maximumniveau aan licht. Maar de sociale veiligheid dan? Veel burgers, maar ook maatschappelijke partijen, zijn van mening dat meer licht een hogere veiligheid tot gevolg heeft. Veiligheid kent twee belangrijke aspecten: het feitelijke (objectieve) veiligheidsniveau en het beleefde (subjectieve) gevoel van veiligheid. In het geval van sociale veiligheid is het veiligheidsgevoel misschien nog wel belangrijker dan de feitelijke veiligheid. Wij willen graag dat onze burgers niet alleen veilig zijn, maar zich ook veilig voelen. Het blijkt dat mensen zich veiliger voelen als ze de houding van anderen kunnen waarnemen. Dit kan worden bewerkstelligd door verlichting toe te passen met voldoende verticale verlichtingssterkte en gelijkmatigheid. Uit onderzoeken blijkt dat de feitelijke sociale veiligheid nauwelijks wordt beïnvloed door de openbare verlichting. Immers, als je over een goed verlichte straat loopt, kun je inderdaad sneller zien wie je tegemoet komt, maar een dader kan ook beter een inschatting maken van een potentieel slachtoffer en van de omgeving. Echte veiligheid ontstaat doordat er voldoende sociale controle is (dus: omstanders kunnen zien wat er gebeurt en ingrijpen).
Op locaties waar deze sociale controle ontbreekt (bijvoorbeeld vrij liggende fietspaden) wordt de objectieve veiligheid niet of nauwelijks verhoogd door het toepassen van verlichting. Het advies van het politiekeurmerk Veilig Wonen is dan ook om dergelijke fietspaden niet te verlichten als er een veiliger (c.q. met sociale controle) alternatief is. De sociaal onveilige route maak je onaantrekkelijk door deze niet te verlichten. Tot dusver hebben we vooral aandacht gehad voor het veiligheidsaspect van openbare verlichting. In uitgaansgebieden en winkelcentra zou sfeer mede bepalend moeten zijn, zowel 's avonds als overdag. Als we de bovenstaande overwegingen op een rij zetten zijn er drie sporen bij het verlichten: 1.
Een praktisch spoor, gericht op het mogelijk maken van goede oriëntatie en het tijdig kunnen reageren op onverwachte of complexe verkeerssituaties. Sleutel is het verhogen van de zichtbaarheid. Openbare verlichting is daarvoor binnen de bebouwde kom het meest geëigende instrument;
2. Een spoor gericht op gevoel en gedrag. Het al dan niet verlichten heeft invloed op de beleving door burgers en op gedrag. De verlichting is daarmee een instrument om het veiligheidsgevoel te vergroten en om zowel gewenst als ongewenst gedrag te beïnvloeden. 3. In gebieden met een belangrijke centrumfunctie kan verlichting bijdragen aan kwaliteit en sfeer van de openbare ruimte.
3.2.2 Buiten de bebouwde kom Buiten de bebouwde kom zijn andere overwegingen van toepassing op de openbare verlichting. Het is niet realistisch om het hele buitengebied in het licht te zetten. Dit is onwenselijk en onhaalbaar gezien de hoge kosten, het beperkte gebruik, de beperkte voordelen en de negatieve neveneffecten (lichtvervuiling, verstoring fauna en energieverbruik). In landen als Denemarken, Duitsland en Frankrijk is nauwelijks openbare verlichting aanwezig buiten het stedelijk gebied en de hoofdwegen. Toch blijkt uit onderzoek dat de verkeersveiligheid daar niet minder is dan bij ons. De aanwezigheid van verlichting moet dan ook niet worden overschat. Autoen fietsverkeer heeft haar eigen verlichting en een donkere omgeving verhoogt daarnaast de
10
voorzichtigheid van weggebruikers. Toepassing van reflectiemateriaal en bv. 'solar-LED' oplossingen kunnen goede alternatieven zijn voor het overzichtelijk maken van (complexe) verkeerssituaties. Met betrekking tot de sociale veiligheid geldt dezelfde analyse als voor de bebouwde kom: de veiligheidsbeleving kan worden vergroot door de aanwezigheid van verlichting. Feitelijk wordt de veiligheid echter niet of zeer beperkt beïnvloed door verlichting. Een belangrijk verschil met het stedelijk gebied is de afwezigheid van sociale controle. Op veel wegen en plekken in het buitengebied is de sociale controle zeer beperkt door de afwezigheid van woningen of verkeer. Buiten de verlichte gebieden (tot slechts een paar meter buiten de weg) is het donker, wat bij doorgaande verlichting tot het etalage-effect zou leiden. Voor het buitengebied gaan wij in principe uit van de afwezigheid van openbare verlichting. De zichtbaarheid/ overzichtelijkheid van complexe of gevaarlijke verkeerssituaties moet echter wel gewaarborgd worden. Verstoring van fauna wordt zoveel mogelijk vermeden en de nacht blijft/ wordt weer nacht.
3.3 Ambitie openbare verlichtingsbeleid Bewust verlichten moet resulteren in een omgeving, die bij avond en nacht wordt verlicht op plekken waar zich maatschappelijke dynamiek afspeelt, maar waar het donker is op verlaten plekken en in het buitengebied, zodat donker ook daadwerkelijk donker is. De openbare verlichting draagt bij aan een goede sfeer in de dorpen en levert daarbij een bijdrage aan het veiligheidsgevoel van onze burgers. Bij de keuze van verlichtingssoort en -materialen wordt naast het meewegen van het energie verbruik, onderhoud en levensduur, ook gekeken naar lichthinder en -vervuiling. De ambitie van het beleid is als volgt te formuleren:
3.4 Wettelijk kader Er gelden geen wettelijke verplichtingen met betrekking tot het verlichtingniveau van de openbare ruimte. Wel zijn er aanbevelingen c.q. adviezen in de vorm van richtlijnen. ROVL 2011 Eén van de belangrijkste richtlijnen is de ROVL 2011 (vervanger van de NPR 13201-1). Deze richtlijn voor de openbare verlichting is opgesteld door de NSW (Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde). Het doel ervan is om 'handvaten te geven bij de keuze van verlichting die zo goed mogelijk aansluit bij de verkeerssituatie'. Bij deze vervanging van richtlijn is aangegeven dat ook "deze richtlijn niet een instrument is dat blindelings gevolgd kan worden". Politiekeurmerk Veilig Wonen 2015 Een andere richtlijn is het Politiekeurmerk Veilig Wonen 2015. In het keurmerk zijn tal van eisen opgenomen aan bijvoorbeeld hang- en sluitwerk van woningen, inrichting van de openbare ruimte en aan de openbare verlichting. Voor openbare verlichting sluit het keurmerk aan bij de ROVL 2011.
11
Integrale veiligheidsbeleid Het integrale veiligheidsbeleid in de gemeente is op orde. Onze visie op de openbare verlichting sluit aan op de Veiligheidsnota "Feiligens yn 'e Walden 2014-2018 van de gemeente Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen. GVVP In 2008 is het Gemeentelijk Verkeers en Vervoer Plan (GVVP) door de raad vastgesteld. Eind 2015 is dit geëvalueerd. De plattelandswegen zijn afgewaardeerd tot 60 km/h-gebieden. Dit vraagt om heroverweging van soort en mate van de oriëntatieverlichting in het buitengebied (bijlage 1). Dit zal waar mogelijk worden ingebed in de natuurlijke vervangingsstructuur. SER Energie Akkoord 2013 In september 2013 hebben ruim veertig organisaties, waaronder de overheid (IPO, VNG, Rijk), werkgevers, vakbeweging, natuur- en milieuorganisaties, andere maatschappelijke organisaties en financiële instellingen, zich verbonden aan het Energieakkoord voor duurzame groei. Kern van het akkoord zijn breed gedragen afspraken over energiebesparing, schone technologie en klimaatbeleid. Voor openbare verlichting staan de volgende doelen genoemd in het energieakkoord: 1. 20% energiebesparing in de OVL en verkeersregelinstallaties (VRI's) in 2020 t.o.v. 2013 2. 50% energiebesparing in OVL en VRI's in 2030 t.o.v. 2013 3. 40% slim energiemanagement in OVL in 2020 4. 40% energiezuinige OVL in 2020 5.
Rijkswaterstaat past energiezuinige verlichting toe als de OVL in tunnels wordt vervangen bij nieuwbouw of renovatie. Het gemeten energieverbruik over 2013 was 825.993kWh. Dit zou betekenen dat er in 5 jaar tijd (tot 909011 IfiR 1QQ k W h hp<;naarH 7nn m n p t p n w n r r l p n
A3naP7ipn w i i in h p t huitpnaphipH allppn nn
hoognodige plekken licht hebben staan en het van belang is dat de kommen gelijkmatig verlicht worden met een minimumniveau en gelijkmatigheid (ROVL 2011 / Politiekeurmerk / zinvolheid van verlichten), wordt dit zeer lastig aangezien wij ruim vóór 2013 al veel zuinige én gedimde verlichting hebben aangebracht (gedimde PLL 36). LED biedt hiervoor zeker niet automatisch de oplossing. Gedimde PLL doet met name bij lage lichtpunten niet onder voor LED qua energieverbruik in relatie tot benodigde lichtopbrengst. Bij het installeren van LED gaat daarbij de gelijkmatigheid naar beneden, waardoor extra masten en lichtpunten nodig zijn (hoger energieverbruik, investeringen en onderhoud). Kortom, een kritische noot bij deze 'opgelegde' doelstellingen is nodig. Met name dat de energiebesparende maatregelen van vóór 2013 niet meegenomen worden bij de eerste twee doelstellingen is op z'n zachtst gezegd vreemd. Voorlopers worden zo 'gestraft'. Daarbij mag energie besparen niet het doel zijn. Je wordt met dit tijdpad en de gekozen nulsituatie dan gedwongen het licht uit te zetten. Daar waar verlicht wordt, moet het gaan om een optimale installatie met optimaal lichtresultaat. Om reden daarvan zijn de doelstellingen 3 en 4 van het akkoord veel beter dan 1 en 2 en dient naar onze mening te worden ingezet op 3 en 4. Duurzaamheidsnotitie 'it kin oars, it moat oars'.
In de gemeentelijke duurzaamheidsnotitie 'it kin oars, it moat oars', is energieverbruik als één van de speerpunten opgenomen. Het verminderen van het energieverbruik van de openbare verlichting is daarvan een belangrijk onderdeel. In dat kader is in 2008 een 'energiescan openbare verlichting' uitgevoerd. Daarin komt duidelijk naar voren dat m.n. in de verlichting van de wijkontsluitingswegen (SON en SOX), maar ook in sommige dorpscentra en op bedrijventerreinen voordeel valt te behalen. Hier steken wij op in (zie uitvoeringsprogramma). En daarnaast zetten wij doelbewust in op LED tenzij.... en stalen masten tenzij... (zie uitvoeringsprogramma paragraaf 3.1).
12
3.5 Aansprakelijkheid Op grond van artikel 16 e.v. van de Wegenwet rust de zorg voor het in goede en veilige staat zijn van wegen bij de wegbeheerder (in veel gevallen de gemeente). Op grond van artikel 6:162 e.v. en artikel 6:174 van het burgerlijk wetboek kan de wegbeheerder aansprakelijk zijn voor schade als de weg, inclusief de openbare verlichting, niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Uit jurisprudentie blijkt dat openbare verlichting, naast diverse andere factoren, vaak een deel van de aansprakelijkheid bepaalt. Bij iedere claim waarbij de zichtbaarheid een rol kan spelen moet de vraag worden beantwoord of de verlichting ter plaatse voldoende was. Een slechte zichtbaarheid kan ervoor zorgen dat de aansprakelijkheid groter is. IV-schap Wat sinds enige tijd een grotere rol begint te spelen bij de openbare verlichting is aandacht voor het IV-schap (Installatie Verantwoordelijkheid). Dit speelt al langer bij bv. beheer en onderhoud, van met name pompen / gemalen etc. Het aanwijzen van een Installatie Verantwoordelijke voor een technische installatie (in dit geval het gehele OVL netwerk) is een wettelijke verplichting vanuit de ARBO regelgeving, ledere technische installatie brengt risico's met zich mee. Zijn de veiligheidsvoorzieningen in orde? Staat de installatie niet (deels) onder spanning? Als er wat gebeurt met bv.
letsel tot gevolg, kan de IV-er hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld. Wanneer er voor een technische installatie van een gemeente niet specifiek een IV-er is aangewezen, is de gemeentesecretaris (hoogste ambtenaar) dit automatisch. Er is dus altijd sprake van een IV-er. De huidige tendens is om het IV-schap meer gedegen te regelen door de IV-verantwoordelijkheid uit te besteden aan een externe partij (al blijft de gemeente eindverantwoordelijke en vanuit die positie nog steeds aansprakelijk). Deze externe uitbesteding houdt in dat ARBO handboeken worden opgesteld, jaarlijks honderden mastinspecties worden uitgevoerd en dit alles schriftelijk wordt vastgelegd. Op die manier wordt getracht aantoonbaar te kunnen maken dat er alles aan gedaan is om te voldoen aan de ARBO regelgeving en het voorkomen van ongevallen. Aangezien dit een zeer kostbare aangelegenheid is (in onze situatie voor alleen de openbare verlichting minimaal €20.000,- structureel per jaar: offerteprijs) hebben wij advies gevraagd bij onze verzekeraar omtrent de ARBO regelgeving en risicoaansprakelijkheid van het IV-schap. De verzekeraar heeft zowel mondeling als schriftelijk aangegeven dat risicoaansprakelijkheid gewoon wordt gedekt als wij kunnen aantonen dat we zorgvuldig hebben gehandeld en er redelijkerwijs alles aan hebben gedaan om schade te voorkomen/beperken.
Het officiëler regelen (dan nu het geval is) van het IV-schap is niet nodig volgens de verzekeraar om risicodekking te bewerkstelligen. Wanneer het IV-schap niet extern wordt uitbesteed en met mastinspecties etc. wordt ingekleed, (maar het regulier onderhoud en beheer wordt uitgevoerd door een OVL aannemer en wordt geregistreerd in een logboek: OVL database), is er gewoon dekking. Op basis van de uitspraak van onze verzekeraar achten wij het niet nodig om het IV-schap op een andere wijze te regelen dan tot nu toe het geval is geweest. Met goed regulier onderhoud en beheer en de planmatige vervangingscyclus wordt op voldoende wijze voldaan aan de gemeentelijke zorgplicht om een veilige werkplek te bieden en ongevallen te voorkomen.
13
4. Huidige openbare verlichtingssysteem Onze gemeente beheert ruim 5.200 lichtmasten (5233 lampen). Binnen dit bestand bestaat een grote diversiteit. Van hoge (max. 14 meter) tot lage masten (3,5 m), oude (40 jaar) en nieuwe. Aluminium, houten en stalen masten, van lichtgrijs tot zwart. Op deze masten zijn armaturen geplaatst welke zijn geschakeld als zgn. nachtbranders, gedimde nachtbranders en morgenbranders. Er zijn meer dan 25 verschillende armaturen toegepast en ook meer dan 10 verschillende lampen (in soort en sterkte). Het huidige schakeltijdstip avond-nacht is ingesteld op 23.00 uur. Om 6.00 uur wordt de verlichting in de donkere maanden weer op volle sterkte geschakeld.
4.1 Leeftijdsopbouw masten en armaturen In de onderstaande grafieken wordt een indicatie gegeven van de leeftijdsopbouw van onderdelen van het areaal. Er wordt op hoofdlijnen aangeduid wat in deze beleidsperiode zal moeten worden aangepakt. In het uitvoeringsprogramma wordt dit verder uitgewerkt.
Gedurende deze periode groeit het aantal masten van 40 jaar en ouder sterk. De levensduur van met name een stalen mast is 40 jaar (aluminium soms tussen 25-40). Daarbij wordt dit gevolgd door een nog grotere vervangingspiek. Het is van belang dat er in deze periode flink wordt ingezet op mastvervanging om een te grote piek te voorkomen in de volgende beleidsperiode en ook omdat in de vorige beleidsperiode dit is blijven liggen (zie evaluatie).
Mastleeftijden 2500 2000 1500 1000 5UU
0-10
10-20 ■ Masten 2015
20-30
30-40
40+
■ Masten 2020
Armaturen Aan het eind van deze periode is een aanzienlijk deel van de SOX verlichting op (zeer) hoge leeftijd. Een gemiddelde armatuur levensduur bedraagt 20 jaar. Veel SOX armaturen zijn echter tussen de 30 en 50 jaar oud. Dit leidt tot onnodig veel kostbare storingen, schades (door afgeschreven materiaal) en energieverbruik. Het is van belang dat er in deze beleidsperiode wordt ingezet op grootschalige SOX vervanging.
14
Daarbij komt er een grote piek in PLL verlichting die tussen 20 en 30 jaar oud is. In deze periode kan hierop alvast worden geanticipeerd om een te grote vervangingspiek te voorkomen in een volgende periode.
Areaal: leeftijd armaturen / lichtbrontype 2020 2500 2000 1500 1000 E 00
I... ..I 0-10
10-20
■ SON 1SOX
20-30 ■PLL
30-40
40+
LED ■Overig
4.2 Te verwachten energieverbruik Het energieverbruik van de openbare verlichting wordt tot op heden net als in het overgrote deel van Nederland niet gemeten, maar berekend. Deze berekening wordt uitgevoerd op basis van de OVL-database (lampen, wattages, dimprotocollen) in combinatie met het aantal branduren. In de praktijk blijkt een betrouwbare energieberekening lastig te leveren. Door de vele jaarlijkse wijzigingen in de database en het moeilijk kunnen vaststellen en aantonen van besparingen door dimmen, lijken de gegevens met regelmaat (in beperkte) mate af te wijken van de werkelijkheid. Dit kan leiden tot een onjuiste energie- en transportrekening. Een zeer betrouwbaar alternatief hiervoor betreft het 'slim bemeteren' van alle OVL. Dit is echter een kostbare ingreep, waarbij de database alsnog zo optimaal mogelijk dient te worden bijgehouden. In het uitvoeringsprogramma wordt door middel van aannames en extrapolatieberekeningen een verwacht energieverbruik getoond, o.a. met en zonder genoemde maatregelen uit het uitvoeringsprogramma.
15
4.3 Onderhoud en beheer Onderhoud van de openbare verlichtingsinstallatie kan in de volgende vormen voorkomen: ■ Curatief (herstellen van storingen en kapotte of beschadigde verlichting); ■ Preventief (schilderen, schoonmaken en vervangen; vervangen masten na max. 40 jaar, armaturen na ca. 20 jaar en groepsremplace lampen afhankelijk van effectieve levensduur); ■ Projectmatig (vervangen, renoveren of reconstrueren); Beheer heeft betrekking op o.a. het bijhouden van beheersbestanden, bewaken van kosten (energie, onderhoud, schade e.d.), initiëren van renovatiewerkzaamheden, geven van advies, verhalen van schade en rapporteren. Het beheer en onderhoud werd voor 1 januari 2008 via de OV-pool (gebaseerd op een oud mondeling herenakkoord) voor de meeste Friese gemeenten en de provincie op l:l-basis uitbesteed aan Nuon-dochter Liandyn. Daarna heeft de OV-pool plaatsgemaakt voor de Stichting OV-Fryslân, welke voor nog 25 andere Friese gemeenten en de provincie heeft opgetreden als uitvoerende partij. Onze 'samenwerkingsgemeente' Achtkarspelen was, samen met de overige NOFA-gemeenten en Menaldumadeel, niet toegetreden tot OV-Fryslân. i_ _i:
J. '
i
i;.Ui:
/ _rr:_:
i . .:J. _ i _ ra.:_Ua.:
r\\ i
getreden en per 1 januari 2015 officieel aangesloten bij de vroegere NOFA gemeenten (waaronder ook onze samenwerkingspartner Achtkarspelen). Vanaf dat moment zijn wij in het lopende bestek geschoven van de voormalige NOFA gemeenten, dat wordt uitgevoerd door OVL aannemer ZIUT. Schades worden verhaald door de NODR, een dienstverlener die is gespecialiseerd in het verhalen van schades aan objecten in de openbare ruimte. NODR staat voor: Nederlandse Organisatie voor Lycbücuiciiucncci oc lAcuiuovuiüciniy B.V.).
Het functioneren van de openbare verlichting wordt in onze gemeente niet structureel, bijv. door een jaarlijkse avondschouw, gecontroleerd. Het niet functioneren of schade kan door burgers, via een speciaal telefoonnummer, worden gemeld aan de administratief beheerder van het bestek of bij de gemeente. De administratief beheerder of de gemeente meldt de storing of schade vervolgens in onze webbased OVL database, waarvan de aannemer van het technisch beheer dagelijks de gegevens kan downloaden. Gevaarlijke situaties worden direct veiliggesteld. Normale storingen als een kapotte lamp worden in principe binnen 10 werkdagen (2 weken) hersteld. Schades waarbij onderdelen of complete lichtpunten moeten worden vervangen duren maximaal rond de 10 weken. Soms zit een storing evenwel niet in het lichtpunt, maar in het ondergrondse deel. In dat geval wordt netbeheerder Alliander door de aannemer van het technisch beheer ingeseind.
5. Uitgangspunten, doelstellingen en werkwijzen De beleidsuitgangspunten uit de voorgaande beleidsperiode zijn nog steeds actueel. In het kader van de doorgaande lijn zullen die uitgangspunten zoveel mogelijk gehandhaafd worden en waar nodig aangevuld. Gebiedsgericht en rekening houdend met de verschillende aspecten als verkeersveiligheid, sociale veiligheid, etc.
5.1 Uitgangspunten en doelstellingen Vanuit de geformuleerde beleidsambitie 'licht waar het moet, donker waar het kan....', zijn een aantal uitgangspunten gekozen. Opgaven voor de komende periode zijn omschreven in het bijbehorende uitvoeringsprogramma 2016-2020.
A. Openbare verlichting levert een bijdrage aan het vergroten van de sociale veiligheid. Het resultaat van de verlichting op strategische locaties is een goed verlichte openbare ruimte. Het levert daarmee een bijdrage aan de subjectieve (beleefde) veiligheid.
B. Openbare verlichting levert een bijdrage aan het vergroten van de verkeersveiligheid. Het vergroten van de zichtbaarheid van objecten en medeweggebruikers, het geleiden van verkeer (bochten) en het attenderen op complexe situaties, verhogen de objectieve verkeersveiligheid. Naast openbare verlichting zijn het voeren van eigen verlichting, rijgedrag en verkeersmaatregelen van grote invloed op de feitelijke verkeersveiligheid.
Verlichting kan worden ingezet als instrument om de sfeer van de openbare ruimte te bevorderen. In winkelcentra en uitgaansgebieden is het belangrijk dat de openbare ruimte gezellig en sfeervol is. In dergelijke gevallen kan naast een hoger verlichtingsniveau, tevens worden gekozen voor 'bijpassende' masten en armaturen voor uitstraling overdag (dorpscentrum Earnewâld en winkelhiem Burgum).
Mens en natuur worden zoveel mogelijk beschermd tegen lichthinder en lichtvervuiling door openbare verlichting. Onder lichthinder wordt verstaan verblinding of teveel aanstralen van woningen (normen NSW aanhouden). Door het zorgvuldig kiezen van armaturen en de plaats van masten, kan overlast worden tegengegaan. Lichtvervuiling, het verspreiden van licht naar waar het niet bedoeld is, zorgt ervoor dat de nacht niet meer de nacht is. Door m.n. in het buitengebied te kiezen voor een minimum aan oriëntatieverlichting kan lichtvervuiling worden geminimaliseerd. Daarbij dient wit licht in het buitengebied te worden voorkomen. Wit licht bevat een hoog aandeel blauw licht en bij conventionele verlichting ook UV-licht. Beide zijn schadelijk voor de fauna. Een gunstiger alternatief is oranje / amber kleurig licht (net als huidige SON en SOX verlichting in buitengebied).
17
5.2 Gebied specifieke verlichting In hoofdstuk 2 is aangegeven dat openbare verlichting als instrument wordt gezien. De toepassing ervan dient met name afgestemd te worden op de functies van de gebieden waarin verlichting wordt toegepast. We onderscheiden een aantal gebiedstypen. In bijlage 1 is voor de gebiedstypen het gewenste verlichtingsniveau kort beschreven. Dit is afgestemd op de eerder beschreven uitgangspunten en doelstellingen. Gebiedstypen In onderstaande tabel is per gebiedstype aangegeven welk aspect primair de aandacht behoeft, geredeneerd vanuit de avond- en de nachtperiode en welke aspecten als minder belangrijk worden ervaren. Een lager cijfer geeft een hogere prioriteit aan. Tabel 5.1
Woonwijken
Sociale veiligheid 1
2
2
Dorpsstraat/ wonen +
1
1
2
Wijkontsluitingswegen
2
1
2
Bedrijventerreinen
2
1
3
Winkelcentra/ uitgaansgebieden
1
2
1
Recreatie/ groot groen
1
2
3
Fietsroutes
2 -) ._
1
3
Aspect
0 __.__ Natuurgebieden
Verkeersveiligheid
Ruimtelijke beleving
1
3
3
De tabel geeft niet aan welke rol verlichting heeft: het geeft per gebied aan wat wij belangrijk vinden om te borgen of te realiseren. Bijvoorbeeld voor recreatie/ groot groen heeft sociale veiligheid het primaat. Maar deze is het beste gediend door ervoor te zorgen dat recreatie/ groot groen niet toegankelijk is bij duisternis. Het verdient daarom de voorkeur om deze gebieden niet te verlichten. In de uitwerking van het beleid staat steeds de vraag centraal op welke wijze de verschillende aspecten het beste kunnen worden ingevuld.
18
5.3 Werkwijzen voor behalen uitgangspunten en doelstellingen Om de gewenste situatie (uitgangspunten) te bereiken zijn enkele werkwijzen en keuzes beschreven die hiervoor een bijdrage kunnen leveren. Tussen haakjes is bij de werkwijze vermeld aan welke uitgangspunten wordt bijgedragen.
5.3.1 Landelijke richtlijn - maatwerk 1.
Bij nieuwe situaties / herinrichtingen etc. in de bebouwde kom worden de referentiewaarden uit de ROVL 2011 in ongedimde toestand voor minimaal 75% behaald, tenzij er reden is hiervan af te wijken. (A, B). Als binnen de kom bij benadering wordt voldaan aan de richtlijn ROVL 2011, kan worden aangenomen dat op voldoende wijze door de openbare verlichting wordt bijgedragen aan de socialeen verkeersveiligheid (uitgangspunten A en B). Deze richtlijn is opgesteld voor het bevorderen van de verkeersveiligheid van verkeersdeelnemers, zowel autoverkeer, fietsers als voetgangers. De richtlijn biedt houvast voorde reguliere inrichting van de openbare verlichting. In een aantal uitzonderingsgevallen, waar de weg binnen de kom een uitstraling heeft als weg buiten de kom, kan worden afgeweken van deze werkwijze (bv. Boerestreek te Eastermar en Koekoekswei te Sumar). Vanuit het beleidsplan 2010-2015 was het streven om de referentiewaarden te behalen vanuit de NPR13201-1. Deze zijn vergelijkbaar met die van de ROVL 2011, behalve de verticale verlichtingssterkte, die is in de ROVL aangescherpt. In de huidige situatie (met conventionele verlichting) zou 98% binnen de bebouwde kommen aan de oude referentiewaarden voldoen (NPR13201-1).
Uit lichtberekeningen (zie bijlage 2) blijkt dat de huidige situatie (met conventionele verlichting) voor 98% binnen de kommen voldoet aan 75-100% van de ROVL (nieuwe referentiewaarden) en voor 2% nog niet wordt voldaan aan 75% van deze nieuwe referentiewaarden (inschatting 4000 masten in kommen waar 90 bijgeplaatst moeten worden voor behalen 75% van de ROVL 2011). Voor deze 2% waren plannen gemaakt in het voorgaande beleidsplan om daar de kwaliteit te verhogen tot (nu blijkt) meestal 75% van de huidige referentiewaarden. Hiervoor zouden de mastafstanden moeten worden verkleind (masten verplaatsen en bijplaatsen). Het is o.a. door herprioritering van werkzaamheden niet meer gelukt om ook deze aanzienlijke operatie nog uit te voeren in de voorgaande beleidsperiode (zie hoofdstuk 2 evaluatie). Aangezien er geen sprake is van klachten over deze paar situaties, bij praktijkbezoeken een toch nog enigszins redelijk doelmatige verlichting is aangetroffen en herverdeling gepaard gaat met hoge kosten, zal deze operatie niet worden uitgevoerd. Bij een eerstvolgende planmatige vervanging van armaturen zal hier wel extra aandacht aan worden besteed. De lichttechnische kwaliteit van de huidige 98% van het areaal in de bebouwde kommen wordt als voldoende beschouwd.
Ook met LED verlichting blijkt het mogelijk te zijn dit op ongeveer vergelijkbare wijze te behalen, al zal er minder rek zitten in de mastafstand (LED heeft minder strooilicht) en zal voor eenzelfde resultaat ook een vergelijkbare lumenoutput nodig zijn als bij conventionele lichtbronnen (daardoor weinig energiebesparing). Om reden hiervan is het realistischer om niet voor alle situaties 100% maar minimaal 75% na te streven van de referentiewaarden uit de ROVL 2011. Dit uitgangspunt wordt door meer gemeenten gehanteerd. Een verdere ambitieverlaging (en dan ook doorvoeren in de praktijk) wordt afgeraden. 19
Het huidige areaal is doelmatig en reeds sober ingericht. E en verdere versobering in de bebouwde kommen kan leiden tot te weinig meerwaarde aan de sociale- en verkeersveiligheid in relatie tot de kosten. In bijlage 2 is de rekentechnische vergelijking tussen de huidige (PLL) verlichting en toekomstige (LED) verlichting in relatie tot de ROVL 2011 weergegeven.
2. Bij nieuwe situaties, vervanging of renovatie worden naast de referentiewaarden ook andere aspecten uit de ROVL 2011 meegenomen. Denk aan: noodzakelijkheid van verlichten, voorkomen lichthinder etc. (D). 3. H et verlichten van de openbare ruimte is maatwerk. Daarom is er altijd de mogelijkheid om de verlichting aan te passen aan de specifieke situatie (A, B en C). Maatwerk is nodig omdat elke situatie anders is. De gebiedstypen zijn algemene beschrijvingen. Het beleidsplan moet geen keurslijf zijn. Het is belangrijk dat een afweging gemaakt kan worden tussen belangen, waarbij situationele aspecten soms tot een andere oplossing zullen leiden.
5.3.2 Lichtplan Bij nieuwe situaties, reconstructies of herinrichting van straten, etc, wordt per project een lichtplan opgesteld. (At/m D). I I L l
I L I\C IIV.II
III
L.L.II
|JI U I ^ J J I V I I V , V , I
I I U I K l ^ b
>JVII
|^l V / ^ I U I I I I I I W
i*J
IIVV
lll^t.1 V i i i i v i i i .
W » ■ 1 w |^ w
. . u u . vw
.^.v.....v..
variëren met variabelen om tot het gewenste lichtbeeld en referentiewaarden te kunnen komen. Het uiteindelijke resultaat van een lichtberekening kan worden geëxporteerd als lichtplan. Daarin staan de essentiële zaken als: armatuurtype, XY-coördinaten, lichtpunthoogtes, hellingshoeken, vermogen etc.
5.3.3 Maatregelen per gebiedstype Voor de aangegeven gebiedstypen streven we naar verschillende toepassingen van openbare verlichting. De volgende uitgangspunten zijn daarbij van belang: 5. Binnen de bebouwde kom de ROVL 2011 voor minimaal 75% behalen (zie werkwijze 1), tenzij er reden is hiervan af te wijken. (A, B). 6. Fietsroutes binnen de kom worden alleen verlicht als er sprake is van veelvuldig gebruik en er bovendien geen goed alternatief voorhanden is. Onveilige routes, c.q. routes waar sociale controle ontbreekt, worden niet verlicht. (A). 7. Uitgangspunt is dat het buitengebied donker is. Verlichting beperkt zich tot oriëntatieverlichting en het zichtbaar maken van complexe of gevaarlijke verkeerssituaties. De voor de fauna minst verstorende lichtkleur wordt waar mogelijk toegepast (A,B,D). De gemeentelijke wegen buiten de bebouwde kom zijn in principe alleen verlicht bij kruisingen en gevaarlijke bochten. Kleinere landbouwweggetjes vaak helemaal niet. Alternatieven zijn beschikbaar in reflectievoorzieningen of bv. solar-LED oplossingen. 20
Waar bebouwingsconcentraties aanwezig zijn, b.v. in de vorm van lintbebouwing, wordt meestal iets extra verlichting aangebracht, echter niet in de mate als binnen de bebouwde kom. Er wordt waar mogelijk in het buitengebied een lichtkleur toegepast die de fauna zo weinig mogelijk beïnvloedt (zo weinig mogelijk UV-licht en zo'n klein mogelijke blauwe component). Amber of oranjekleurig licht lijkt optimaal te zijn.
8. Fietsroutes buiten de bebouwde kom worden in principe niet afzonderlijk verlicht. (A,B, D). (Hoofd)fietsroutes worden waar mogelijk mee verlicht met de oriëntatieverlichting van de hoofdrijbaan, al wordt dit met LED verlichting bemoeilijkt door de preciezere aanlichting door lenzen (energiezuinig, efficiënt, minimaal verstorend). Extra aandacht moet worden besteed aan kruispunten, bochten en sociaal onveilige situaties, conform de uitgangspunten van de provinciale nota 'Fryslân Fytslân'. Van belang is een goede balans tussen comfort (richtpunt) voor de fietser en oversteekbaarheid door nachtdieren. Om de sociale controle te vergroten kan in voorkomende gevallen tussenbeplanting transparant worden gehouden.
In en nabij natuurgebieden wordt zo spaarzaam mogelijk met openbare verlichting omgegaan (D). In de nabijheid van natuurgebieden en ecologische verbindingszones dient zo mogelijk geen oriëntatieverlichting te worden aangebracht. Voor weggeleiding dient in eerste instantie te worden gedacht aan reflectievoorzieningen. Wanneer reflectie niet afdoende is, zouden andere innovatieve technieken zoals spaarzaam toegepaste solarLED-wegdekverlichting (met lage lumenstroom), lichtgevende belijning etc. kunnen worden toegepast. Als oriëntatieverlichting onontkoombaar is, dan zou kunnen worden overwogen om amberkleurig / oranjekleurig licht toe te passen (geen UV-licht en zo weinig mogelijk blauwe component in het licht).
5.3.4 Dimmen 10. Gedurende de nachtperiode zal de verlichting worden teruggedimd of deels gedoofd (D,E). Door de geringe maatschappelijke activiteit gedurende de nachtperiode, kan met name binnen de kom 's nachts het licht gedimd of gedeeltelijk gedoofd worden. Dimmen heeft daarbij verreweg de voorkeur, vanwege het behoud van gelijkmatigheid. De zichtbaarheid van oriëntatieverlichting speelt in het buitengebied een veel grotere rol dan de gelijkmatigheid. Dimmen leidt ook daar tot energiebesparing terwijl wel alle lichtpunten zichtbaar blijven.
21
5.3.5 Proefopstellingen In sommige gevallen zal eerst een kleinschalige proefopstelling worden ingericht voordat wordt overgegaan tot eventueel grootschaliger gebruik. Op die manier kan optimaal in de praktijk worden beoordeeld of/ hoe bv. innovatieve technieken geschikt en toepasbaar zijn in onze situatie.
5.4 Openbaar groen Het openbaar groen heeft invloed op de openbare verlichting. Groen dat te dicht op de verlichting staat, belemmert de verspreiding van verlichting. Voor het opstellen van nieuwe plannen voor het openbaar groen zoals inrichtingsplannen, beheerplannen, etc. wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het effect op het functioneren van de openbare verlichting.
22
6. Financiën Om de huidige installatie te laten functioneren en te behouden en daarbij de uitgangspunten en doelstellingen te behalen, zijn inspanningen en financiële middelen nodig. Dit is als volgt onder te verdelen: 1. 2. 3. 4. 5.
Dagelijks (technisch) beheer en onderhoud Administratief toezicht en beheer Energie Afschrijving en vervanging Nieuwe openbare verlichting
6.1 Dagelijks (technisch) beheer en onderhoud Het dagelijks (technisch) beheer en onderhoud wordt middels een bestek uitbesteed aan een elektrotechnische aannemer. Deze wordt op deze wijze belast met een 24/7 storingssysteem, het rijden van periodieke storingsrondes, veiligstelling en herstel bij schades, uitvoeren van kleine wijzigingen etc. HuidiR budget Voor het dagelijks beheer en onderhoud wordt jaarlijks per lamp een bedrag in een voorziening gestort. Dit betrof altijd €25,- per lamp, maar is in het kader van de bezuinigingen van 2014 verlaagd naar €22,- per lamp (zie hfst. 6.8.1). Met het verwachte areaal van 5412 in 2016 is dit een jaarlijks budget van €119.064,- (dynamisch).
6.2 Administratief toezicht en beheer De basis van inzicht in het totale areaal bestaat uit een grote database. Het is van groot belang dat de database goed wordt bijgehouden wanneer wijzigingen aan de installatie worden doorgevoerd (inzicht in energieverbruik, lichttype, vervanging, remplace etc). Onze data is geplaatst in een gehuurde gespecialiseerde webbased OVL database. Het invoeren van wijzigingen in de database, die voortvloeien uit schades, onderhoud, vervanging en nieuwe openbare verlichting, wordt op uurbasis uitbesteed aan een gespecialiseerde derde partij. Naast het beheer van de database dient ook toezicht plaats te vinden op de uitvoer van het bestek voor dagelijkse beheer en onderhoud. Deze directievoering wordt in de huidige samenwerking met de voormalige NOFA gemeenten uitgevoerd door de gemeente Dongeradeel, in combinatie met een ingehuurde externe OVL adviseur. Hiervoor wordt per gemeente een vergoeding betaald aan de gemeente Dongeradeel en de adviseur. Huidig budget Voor het administratieve toezicht en beheer is jaarlijks per lamp een bedrag beschikbaar. Tot 2014 betrof dit €3,26,- per lamp, vanaf 2015 is dit ingeschat op €3,50 per lamp (door externe databasekosten). Daar staat tegenover dat op het OV-secretariaat is bespaard (€9400,-). Met het verwachte areaal van 5412 in 2016 is dit een jaarlijks budget van €18.942,- (dynamisch).
23
6.3 Energie De totale energiekosten bestaan uit elektriciteitskosten (energiebedrijf), transportkosten (netbeheerder) en belasting. Door gezamenlijke energie-inkoop via de Stichting OV Friesland kunnen de energiekosten scherp worden ingekocht. Op basis van een verwacht energieverbruik kan een ruwe inschatting worden gemaakt van de energiekosten. De openbare verlichting is net als in Tytsjerksteradiel in vrijwel geheel Nederland onbemeterd aangesloten. Dit betekent dat het energieverbruik van de openbare verlichting dient te worden berekend. De databasegegevens (lampwattage, dimprotocol, schakeling) worden gecombineerd met de gemeten branduren van de netbeheerder. Daaruit komt een berekend stroomverbruik, onderverdeeld in hoog- en laagtarief. Op basis daarvan wordt afgerekend met het energiebedrijf en de netbeheerder. Huidig budget Voor het energieverbruik en transport is jaarlijks een bedrag beschikbaar. Dit betreft omgerekend ongeveer €20,- per lamp per jaar. In 2010 is op basis van inschattingen hiervoor een budget vastgesteld van €104.944,- Met het verwachte areaal van 5412 in 2016, de dan geldende energieprijzen en de ingecalculeerde bezuinigingsmaatregelen zou het gaan om een jaarlijks energiebudget van €106.824,-. Dit kan fluctueren.
6.4 Afschrijving en vervanging Zodra een nieuwe mast met armatuur is geplaatst zal hiervoor ieder jaar een bedrag opzij gezet moeten worden om deze mast met armatuur (en dimmer) te vervangen bij het eind van de levensduur (gebruikelijke gang van zaken: areaal accres). Op deze wijze blijft de installatie (kapitaalgoederen) kwalitatief op peil. Voorgaande vervangingssvstematiek In het vorige beleidsplan zijn de benodigde ingeschatte vervangingsinvesteringen berekend op basis van alleen de verwachte areaaluitbreiding binnen die beleidsperiode en de toenmalige stand der techniek. Er zijn destijds 'vaste' jaarlijkse vervangingsbudgetten vastgesteld waarbij is gerekend met 5150 lampen en 5177 masten, 20 jaar afschrijvingstijd voor een armatuur en 40 jaar voor een mast. Een vervangingsbedrag van ongeveer €380,- voor het daadwerkelijk vervangen van een armatuur en €900,- voor het daadwerkelijk vervangen van een mast. Dit leverde jaarlijkse vaste vervangingsbudgetten (investeringsbudget) op van: Armaturen: €100.030,- (jaarlijkse kapitaallast: €9.003) Masten: €109.740.- (jaarlijkse kapitaallast: €7.133) Het areaal is echter onderhevig aan een (langzame) jaarlijkse groei (uit- en inbreidingen) en deze stijging zal doorzetten (en zal worden versneld door de Centrale As: zie uitvoeringsprogramma hfst. 4).
Het 'vaste' jaarlijkse vervangingsbudget staat dan niet meer in verhouding tot het toegenomen areaal om dit afdoende te vervangen. Dit heeft tot gevolg dat oude armaturen nog langer moeten blijven hangen waardoor meer storingen zullen gaan ontstaan door 'overtijds' materiaal (hogere onderhoudskosten) en pieken in vervangingsinvesteringen als armaturen definitief uitvallen en adhoc vervangen moeten worden. Daarbij is de stand der techniek gewijzigd (LED / vervangingsbudgetten dienen te worden afgestemd.
dimmers
/
prijsniveau)
waarop
de
24
Nieuwe vervangingssvstematiek en budgetten. Om een achteruitgang van de kwaliteit van het areaal te voorkomen zullen vanaf deze beleidsperiode ook de vervangingsinvesteringen worden gekoppeld aan de areaalomvang (net als bij onderhoud en beheer van o.a. wegen). Hiervoor zal ieder jaar een bedrag worden gestort in een voorziening. Voor masten is er technisch gezien weinig veranderd, behalve dat de ondergrondse aansluitkosten zijn gestegen. Een investering per mast van €900,- per 40 jaar lijkt nog afdoende te zijn, mede door het scherpe onderhoudsbestek. Bij het verwachte areaal in 2016 (5412) betreft dit dan een investeringsbedrag van €121.770,- (dynamisch) oftewel een jaarlijkse kapitaallast van €7.911. Voor armaturen is er in korte tijd technisch veel veranderd. Conventionele technieken zoals PLL, SON en SOX zijn aan het uitsterven. Hoogwaardige LED armaturen zijn de standaard geworden. De aanschafprijzen van armaturen zijn hierdoor hoger geworden. Waar wij in de voorgaande beleidsperiode nog ongeveer €380,- aanhielden voor het daadwerkelijk vervangen van een conventioneel armatuur (prijsniveau 2010), dient voor een goed LED armatuur rekening te worden gehouden met prijzen die variëren tussen €300,- en €1000,- (exclusief het daadwerkelijk vervangen).
Om het huidige areaal in stand te kunnen houden, maar dan wel in LED, dient voor een armatuur een gemiddeld vervangingsbedrag van €500,- te worden aangehouden (dit is nog excl. de kosten voor het vervangen). Dit ook doordat het gehanteerde prijsniveau bij de 'vaste' vervangingsbedragen gebaseerd is op het jaar 2010 en daarna niet geïndexeerd is. In het kader van de bezuinigingen lijkt deze (benodigde) eenmalige inhaalslag van de armatuurvervangingskosten (door de overgang naar LED techniek / prijsniveau) echter niet mogelijk. Om reden hiervan zal het huidige prijspeil van ongeveer €380,- per armatuur vooreerst worden behouden maar dit wordt vanaf 2016 wel ieder jaar geïndexeerd (de haalbaarheid hiervan wordt eind 2020 geëvalueerd). Dit dient plaats te vinden in combinatie met een koppeling van de vervangingsinvesteringen met de areaalomvang. In hoofdstuk 6.7 staat e.e.a. weergegeven in een tabel. Het voordeel van LED verlichting is dat er gemiddeld genomen minder onderhoud en beheer nodig lijkt te zijn. De voorgestelde bezuiniging op beheer en onderhoud heeft hiermee te maken.
6.5 Nieuwe openbare verlichting Voor de aanleg van nieuwe openbare verlichting op nieuwbouw- of herstructureringslocaties hanteren wij onze bestendige gedragslijn, dat deze gefinancierd worden binnen de exploitatie van deze projecten. Oftewel, de eerste aanleg vindt plaats binnen het budget van het project / exploitatie en de daarna volgende afschrijving en vervanging wordt geborgd binnen de budgetten van de openbare verlichting.
6.6 IV-schap In hoofdstuk 3.5 is reeds aangegeven dat het IV-schap zoals wij het tot nu toe regelden, volgens ons en onze verzekeraar op voldoende wijze tegemoet komt aan onze zorgplicht. Een uitbreiding van het aantoonbaar maken van het 'goed regelen van onze zorgplicht' is niet nodig. Een budgetuitbreiding is niet aan de orde.
25
6.7 Budgetoverzicht In de beleidsperiode 2010-2015 zijn de vervangingsbudgetten nog niet rechtstreeks gekoppeld aan een wisselend areaal. Wel zijn ze destijds precies afgestemd op het toen geldende areaal en prijsniveau. Het areaal groeit echter door en het prijsniveau van 2010 is niet meer actueel. Om reden hiervan dienen de kapitaalslasten van de vervanging te worden gekoppeld aan de areaalomvang. Tabel 6.1 Onderdeel
Be8r
(5«2)2<>16
2016,S412)
Jaarlast
Jaarlast
Jaarlast
Jaarlast
Vervanging vast
Vervanging vast
Vervanging dynamisch
Vervanging dynamisch
Prijsniveau 2010
Grijsniveau 2010
Prijsniveau Prijsniveau 2015 H 2010 indexeren +indexeren
Onvoldoende Benodigd
Realistisch
Onderhoud en beheer
€
135.300
€
135.300
€
135300
€
135.300
Adm. beheer / directievoering Energie Masten vervangen Armaturen vervangen
€ € € €
23.001 110.875 7.222 9.115
€ € € €
23.001 110.875 7.222 9.115
€ € € €
23.001 110.875 7.911 12.170
€ € € €
23.001 110.875 7.911 9.319
OW
303 -3.084
€ € €
303 -2.500
€ € €
303 -2.500
€ € €
303 -2.500
282.732
€
283.316
€
287.060
€
284.209
»rrs»9ri93l
£
Susterwei (Tike) Lichtreclame IV-schap
€ €
Totaal
€
€
£
€
Witte kolom (huidige bearotir ia 2016): Deze kolom toont de huidige jaarlast die is opgenomen in de begroting van 2016 bij een verwacht areaal van 5412 lichtpunten. De bedragen bij 'masten en armaturen vervangen' zijn nog 'vast' en hierdoor niet gebaseerd op 5412 lichtpunten, maar slechts op 5177. Rode kolom (doorgaan zoals nu: ontoereikend): Deze kolom toont een voortzetting van de huidige systematiek (vaste vervangingsbudgetten o.b.v. 5177 lichtpunten) bij een gestegen areaal tot 5412 lichtpunten en het vaste prijsniveau van 2010. Dit leidt tot onvoldoende investeringsruimte om de kwaliteit te behouden. Groene kolom (benodigd): Deze kolom toont vervangingsbudgetten die gekoppeld zijn aan het areaal. Daarbij is het vervangingsbedrag voor een armatuur verhoogd tot het prijsniveau van 2015 (€500,- i.p.v. 380) en wordt het daarna geïndexeerd. Deze jaarlast is in principe benodigd. De gele kolom (realistisch): Deze kolom toont de jaarlasten voor 2016 bij een verwacht areaal van 5412 lichtpunten op basis van de uitgangspunten voor deze beleidsperiode. De vervangingsbudgetten zijn gekoppeld aan het areaal. Het prijsniveau van 2010 wordt vooreerst aangehouden, maar vanaf 2016 jaarlijks geïndexeerd. De jaarlast van masten neemt door de areaaluitbreiding toe met €689,- en de jaarlast van armaturen met €204,-.
26
6.8 Bezuinigingen In de PPN van 2012-2015 is opgenomen dat er vanaf 2014 €5.000,- structureel bezuinigd dient te worden op de openbare verlichting. In de PPN van 2015-2018 is opgenomen dat er vanaf 2016 nog eens €20.000,- structureel bezuinigd dient te worden op de openbare verlichting. Kortom, in de periode 2012-2018 dient er €25.000,- structureel te worden bezuinigd op openbare verlichting. Zoals aangegeven in het beleidsplan 2016-2020 is de openbare verlichting in Tytsjerksteradiel sober, doelmatig en efficiënt uitgevoerd. Bezuinigingen zijn niet gemakkelijk meer te behalen. -
-
-
Buiten de bebouwde kom wordt zeer schaars verlicht. Minder verlichting leidt tot gevaarlijke situaties. Binnen de bebouwde kom wordt volgens lichtberekeningen verlicht op het niveau van 75% van de richtlijn (ROVL 2011). Nog minder verlichting kan leiden tot gevaarlijke situaties. Beheer en onderhoud is al sober en doelmatig ingericht. Niet direct noodzakelijk onderhoud zoals bv. het reinigen van masten en armaturen wordt al achterwege gelaten. Bezuinigingen op beheer en onderhoud en energie zijn slechts mogelijk door de kwaliteit van het areaal te vergroten (eerst investeringen nodig, liefst bij afschrijving). Bezuinigingen op de vervangingsinvesteringen leidt tot verval en uitgestelde grootschalige adhoc herstelinvesteringen. Daarbij leidt dit tot hogere onderhouds- en energiekosten. Prijsindexering bij vervangingsinvesteringen is reeds jarenlang achterwege gelaten. Nieuwe technologie (LED) is duurder dan oude technologie. Het areaal zal toenemen, met name door de komst van de Centrale As (overdracht wegen door KIK). Bezuinigingen op energie leveren in verhouding tot de benodigde investeringen weinig financiële winst op. Voorbeeld: een grote kostbare meerjarige vervangingsronde (€250.000-€300.000) leidt tot maar liefst 43.000kWh minder energieverbruik.
Dit leidt in totaal echter maar tot €1955€2701 (laag en hoogtarief) minder energiekosten en tot ongeveer €3197,- minder transportkosten: €60.000/806.815kWh). In totaal ongeveer een besparing van €5500,LED is niet zaligmakend. De lichtstroom van SOX is nog steeds 1.5-2x zo groot als van LED. De 1 op 1 SOX vervanging door LED leidt tot aanzienlijk minder licht bij hetzelfde aantal masten (ambitieverlaging door niet meer masten te plaatsen). Energiebesparing door LED leidt tot minder licht, wat in de bebouwde kom niet wenselijk is aangezien reeds op 75% van de richtlijn ROVL 2011 wordt verlicht.
27
6.8.1 Bezuinigingen 1.
2.
Om vanaf 2014 de bezuiniging van €5.000,- te behalen is het onderhoudsbudget vanaf 2014 verlaagd van €25,- naar €22,- per lamp. Hiermee is die bezuiniging ruimschoots behaald, aangezien met deze maatregel vanaf 2016 €16.524,- structureel wordt bezuinigd. Deze bezuiniging is echter vanaf 2014 in het geheel verwerkt in de begroting, terwijl er vanaf 2016 nog eens €20.000,- bezuinigd dient te worden. Aangezien er in 2014 in plaats van €5000,- maar liefst €16.500,- is bezuinigd, rekenen wij dit volledige bedrag (€16.524,-) toe aan de totaal gewenste bezuiniging van €25.000,-. Vervangen van het SOX areaal door LED. Deze geplande grootschalige operatie zal in totaal leiden tot ongeveer 43.000 kWh minder energieverbruik per jaar. Vanaf 2016 zal ongeveer de helft zijn uitgevoerd. Dit deel zal ruwweg €2500,- structureel besparen op energiekosten vanaf 2016.