CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

15 - Bijlage 1 - Ruimtelijke Onderbouwing Nij Djip

RAADSVERGADERING 2018 t/m 2024 22 juni 2023, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Aanvraag ontwerp VVGB omgevingsvergunning realisatie natuurvriendelijke oevers en stapstenen It Nijdjip (besluitvormend, hamerstuk)11.945 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Afb. 26 Kaart onderzoeksgebied en uitsnede FAMKE (steentijd-bronstijd)

Op basis van het verkennend onderzoek is het volgende selectieadvies opgesteld:

In het grootste deel van het plangebied heeft slechts zeer plaatselijk enige podzolvorming plaatsgevonden. De zones van plaatselijke podzolbodems bevinden zich overwegend in delen van het landschap die in de steentijd ongunstig waren voor bewoning. Evenmin zijn er archeologische resten aangetroffen. Het gebied tussen De Sluterspoel en de Gaestemabuorren vormt hier een uitzondering op. Hier zijn intacte podzolbodems op een dekzandkop aangetroffen. Bovendien bevindt deze locatie zich ten noorden van een pingoruïne. Gezien het bovenstaande geldt voor het grootste deel van het plangebied geen aanleiding voor archeologisch vervolgonderzoek. Alleen in het deel tussen de Sluterspoel en de ten noorden hiervan gelegen Gaestmabuorren bestaat op de hier aangetroffen dekzandkop een reële kans op resten van bewoning uit de steentijd. Voor deze zone werd derhalve geadviseerd om conform de adviezen van de FAMKE, een nader waarderend booronderzoek (20 boringen per hectare) uit te voeren voor de dekzandkop. Het bevoegd gezag (gemeente Leeuwarden en Tytsjerksteradiel) hebben hun akkoord gegeven op dit selectieadvies. Het waarderende onderzoek is vervolgens uitgevoerd en als toevoeging in het rapport opgenomen. Het veen in de pingoruïne is goed geconserveerd; de bovenste meter van de bodem is verstoord, waardoor de voorgenomen bodemingrepen het veenpakket niet tot nauwelijks bedreigen.

Vastgesteld is dat het hier een pingoruïne betreft en het pollenarchief in het veenpakket wordt niet bedreigd en blijft beschikbaar voor toekomstig onderzoek naar bijvoorbeeld landgebruik in de omgeving in het neolithicum. Ter plaatse van de pingoruïne worden geen werkzaamheden uitgevoerd, waardoor aanvullend onderzoek niet nodig is.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 29

Op basis van het waarderende onderzoek is vervolgens het volgende selectieadvies opgesteld:

In het plangebied zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor archeologische resten uit de steentijd. Het noordelijk deel van het plangebied kan worden vrijgegeven voor toekomstige bodemingrepen. In het zuidelijk deel zijn nog veenresten van de pingoruïne aangetroffen. Hier wordt geadviseerd om geen bodemingrepen uit te voeren dieper dan 60 centimeter onder het maaiveld. Indien diepere bodemingrepen nodig zijn, wordt geadviseerd om deze onder archeologische begeleiding uitvoeren. Buiten het plangebied geldt nog steeds een hoge verwachting voor archeologische resten uit de steentijd. Bij toekomstige bodemingrepen dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld dient hier de omvang van de dekzandkop en de gaafheid van de bodem te worden bepaald. Selectiebesluit bevoegde overheid waarderend onderzoek Het bevoegd gezag (in dit geval enkel gemeente Tytsjerksteradiel) heeft haar akkoord gegeven op dit selectieadvies. In alle gevallen geldt dat indien in het plangebied bij toekomstig graafwerk toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hiervan direct melding dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. Het advies is om dit te doen bij de gemeente Tytsjerksteradiel. Concluderend kan gesteld worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de realisatie van het planvoornemen.

5.8. Duurzaamheid Duurzaamheid is de laatste jaren een steeds belangrijker aspect geworden in de ruimtelijke ordening. Het gaat er hierbij onder andere om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve gevolgen voor het klimaat zoveel mogelijk tegen te gaan. Het planvoornemen betreft een natuurlijke ingreep, die daarnaast voor de omgeving een ecologische en klimaat adaptieve verbetering inhoudt. Daarnaast is duurzaam ruimtegebruik in Nederland ook een belangrijk aspect in de ruimtelijke ordening vanwege de vele belangen die er spelen op haar relatief kleine grondgebied. Hierbij zijn een verantwoorde locatiekeuze van de ontwikkeling, en de inrichting en het beheer daarbij belangrijke aspecten. Deze aspecten zijn bij de planvorming voor dit project voldoende in ogenschouw genomen. Vanuit het aspect duurzaamheid zijn er derhalve geen grote aandachtspunten gezien de aard van het planvoornemen.

5.9. Ecologie Voor de bescherming van natuurwaarden is de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en houtopstanden. De EVZ Nijdjip wordt primair ingericht voor van Noordse woelmuis, maar heeft potentieel ook een gunstig effect op zilveren maan, otter, waterspitsmuis, ringslang en heikikker. Hiervoor worden oevers natuurvriendelijker gemaakt en ecologische stapstenen ingericht. Ook zullen er faunapassages gerealiseerd worden waar nu bruggen of wegen kruisen met de verbindingszone. Er heeft voor het voorgenomen planvoornemen ecologisch onderzoek plaatsgevonden. In navolgende paragrafen wordt ingegaan op de uitkomsten daarvan.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 30

5.9.1. Quickscan Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming Natura 2000 Het projectgebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden betreffen Groote Wielen en Alde Feanen, op respectievelijk (minimaal hemelsbreed) één en 2,5 kilometer afstand, zie onderstaande afbeelding ter informatie.

Afb. 27 Natura 2000 gebieden nabij EVZ Nijdjip (plangebied rood kader)

Het projectgebied ligt buiten Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde gebied ligt op circa één kilometer afstand. Vanwege deze afstand, de potentiële effecten, bekende dosis-effectrelaties en de aard/omvang van de voorgenomen ontwikkeling, zijn negatieve effecten op voorhand uitgesloten. Door realisatie van het project ontstaat een robuuste verbinding, waardoor de ecologische relaties tussen natuurgebieden (waaronder Natura 2000-gebieden) worden versterkt en meer uitwisseling van vooral watergebonden soorten plaats zal vinden. Gedurende de aanlegfase is sprake van tijdelijke extra stikstofemissie. In de gebruiksfase is geen sprake van (extra) emitterende bronnen. Gezien het recentelijk vervallen van de bouwvrijstelling heeft afstemming over het planvoornemen plaatsgevonden met het bevoegd gezag Team Groene Regelgeving van de Provincie Fryslân. Het gaat voorts om het creëren van een verbindingsroute tussen (N2000) de Alde Feanen en (N2000) de Groote Wielen. Door het ‘maken’ van deze verbindingsroute kan de woelmuis (welke nog wel aanwezig is in de Alde Feanen maar niet meer in de Grote Wielen) gemakkelijk van het ene gebied in het andere komen. De verwachting is dat hiermee ook in de Groote Wielen de herkolonisatie van de woelmuis zal plaatsvinden.

In die zin houdt de aanleg van de verbindingsroute verband met het beheer van het Natura 2000-gebied, en valt het onder de vrijstelling zoals genoemd in artikel 2.7, eerste en tweede lid, van de Wet natuurbescherming. Er is voorts geen sprake van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000gebieden.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 31

Natuurnetwerk Nederland/natuur buiten het NNN Door het project juist bijgedragen aan realisatie van de natte dooradering en bijbehorende natuurbeheertypen en doelsoorten, namelijk Noordse woelmuis, zilveren maan, otter, waterspitsmuis, ringslang en heikikker. Er is geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, het draagt er juist aan bij. Een nadere beoordeling ten aanzien van het NNN is zodoende niet aan de orde. Op onderhavige afbeelding is de ligging ten opzichte van de NNN weergegeven.

Afb. 28 NNN nabij EVZ Nijdjip (plangebied rood kader)

Weidevogelgebieden Het projectgebied ligt binnen aangewezen weidevogelkansgebied. De oeverzones en delen van agrarische percelen waar de maatregelen worden uitgevoerd betreffen, vanwege de ligging langs de watergangen (met rietkraag/opslag: biotoop predatoren), geen essentieel leefgebied. Daarnaast zijn binnen de werklocaties geen broedgevallen van weidevogels bekend. De werkzaamheden zijn tijdelijk, het toekomstig gebruik blijft gelijk (water/natuurbestemming) en er worden geen permanente hoge structuren geplaatst; het project heeft zodoende geen negatief effect op de openheid en rust binnen het weidevogelkansgebied. Een nadere toetsing aan het weidevogelbeleid is niet aan de orde.

Ganzenfoerageergebieden Het projectgebied ligt buiten aangewezen ganzenfoerageergebied. De watergangen in het projectgebied betreffen geen essentieel leefgebied voor ganzen. Vervolgstappen ten aanzien van ganzenfoerageergebieden zijn niet aan de orde.

Soortenbescherming Uit de quickscan Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming wordt het volgende geconcludeerd: ▪ Het projectgebied biedt gezien de terreinkenmerken en afwezigheid van bebouwing geen geschikte broedgelegenheid voor gebouwgebonden vogelsoorten als gierzwaluw. ▪ Vlakbij het projectgebied is een buizerdnest aangetroffen. Een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van buizerd kan worden voorkomen door mitigerende Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 32

▪

▪

▪

▪

▪

maatregelen in acht te nemen. Op het moment dat er jongen aanwezig zijn in het nest mag het nest niet binnen 50 tot 75 meter benaderd worden door mensen of materieel. Hier zal buiten het broedseizoen gewerkt moeten worden, of voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd moeten worden om te kijken of het nest in gebruik is. Geadviseerd wordt zo kort mogelijk en aaneengesloten te werken bij de Flappefeart. Binnen en in de directe omgeving van het projectgebied kunnen algemene vogelsoorten tot broeden komen. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust-of verblijfplaatsen beschadigen. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen maart en september worden aangehouden als broedseizoen. Dit is echter afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden.

Er kan gekozen worden de werkzaamheden voor het broedseizoen op te starten en continue door te werken, zodat vogels buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden geschikte broedgelegenheid zullen zoeken. Wanneer de werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart en de locaties niet van tevoren dicht gezet kunnen worden, moet de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden worden vrijgegeven door een ervaren ecoloog (broedvogelcheck). Indien bij de controle in gebruik zijnde nesten van vogels, of in aanbouw zijnde nesten worden aangetroffen moet een zorgvuldige werkwijze worden bepaald of dienen de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest niet meer in gebruik is. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn vanwege het ontbreken van bebouwing en bomen met geschikte holtes grotendeels uitgesloten. Er staat rond de Sluterspoel één boom waar mogelijk wel verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Bij verwijdering of verstoring van deze boom is nader onderzoek nodig. De bomen en watergangen vormen lijnvormige elementen die als vliegroute kunnen worden gebruikt door vleermuizen.

Om obstructie van een eventuele vliegroute boven de watergang te voorkomen, wordt geadviseerd in de maanden waarin de werkzaamheden overlappen met de actieve periode van vleermuizen (april t/m oktober) ervoor te zorgen dat er aan het eind van iedere werkdag geen materieel in de watergang aanwezig is en/of een voldoende brede open doorgang aanwezig is (minimaal de helft van het wateroppervlak). Mogelijk maakt het projectgebied onderdeel uit van een vliegroute en foerageergebied van vleermuizen. Dit betreft echter geen essentieel leefgebied en de ontwikkeling heeft geen negatief effect op de functionaliteit ervan. Er zijn waarnemingen van krabbenscheer en groene glazenmaker bekend in en nabij het plangebied. Daarom kan niet worden uitgesloten dat groene glazenmaker zich ook binnen het plangebied voortplant. De werkzaamheden vinden echter voornamelijk in de oever plaats, waarbij het risico op aantasting van krabbenscheervelden zeer gering is. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te voeren wanneer wel in de watergang gewerkt wordt. Geadviseerd wordt in dat geval in het voorjaar of in de zomer nader onderzoek naar het voorkomen krabbenscheer te doen in het Nijdjip. Als dit aanwezig is dan zal er nader onderzoek naar groene glazenmaker moeten plaatsvinden.

De beste periode om dit nader onderzoek uit te voeren is augustus, wanneer het grootste deel van de larven uitgeslopen zijn en de meeste imago’s aanwezig zijn. Mogelijk maakt stapsteen 99 deel uit van leefgebied van de waterspitsmuis. De oevers van de plas zijn niet erg steil en ruig begroeid. Alvorens hier werkzaamheden aan de oevers uitgevoerd worden, dient nader onderzoek plaats te vinden. Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 33

▪

▪

▪

Er is mogelijk leefgebied van heikikker aanwezig bij faunapassage 1 en 2. Bij de voorgenomen werkzaamheden wordt dit echter niet aangetast. Wanneer de werkzaamheden veranderen en er toch (oevers bij) watergangen worden aangetast ter hoogte van faunapassage 1 en 2 is nader onderzoek naar heikikker noodzakelijk. Groei- en verblijfplaatsen van overige beschermde flora, grondgebonden zoogdieren, vissen, amfibieën, reptielen en andere ongewervelden zijn gezien de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens uitgesloten. In het projectgebied zijn enkele algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsartikelen.

Houtopstanden Gezien de ligging van het projectgebied in het buitengebied is het aannemelijk dat het buiten de grens bebouwde kom Wet natuurbescherming ligt. Het beschermingsregime vanuit de Wet natuurbescherming is zodoende voor het projectgebied van toepassing. Voor wilgenbeplanting geldt een vrijstelling. Er zijn geen grote oppervlakten (>10 are) die worden gekapt. In geval van kap van een rijbeplanting van meer dan 20 bomen geldt een meld- en herplantplicht geldt. Geadviseerd wordt om in overleg met bevoegd gezag te bepalen of de te kappen onderdelen daaronder vallen en of vervolgstappen aan de orde zijn. Uit nadere afstemming met het bevoegd gezag blijkt een kapmelding nodig. Deze zal tijdig worden ingediend voorafgaand aan de kap. De benodigde herplant ter compensatie van de te kappen houtopstand wordt na de uitvoeringsfase van het project op nader te bepalenlocatie(s) in de provincie Friesland gerealiseerd. Vanuit gemeentelijk beleid ten aanzien van bomenkap zijn mogelijk vervolgstappen aan de orde. Voor bomen met een stamomvang van méér dan 75 cm, gemeten op 1,30 m hoogte, moet een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. Voor bomen, die deel uitmaken van een boomsingel of boomwal, mogen - ongeacht hun stamomvang - alleen gekapt worden na een kapmelding aan de gemeente.

Voor het definitief kappen (rooien) van een houtsingel of houtwal is altijd een kap- of aanlegvergunning nodig.

5.9.2. Nader onderzoek waterspitsmuis Uit de eerder uitgevoerde quickscan is derhalve naar voren gekomen dat de rietgebieden bij Stapsteen 99 (thans op tekeningen stapsteen 3 nieuw) mogelijk essentieel leefgebied vormen voor waterspitsmuis. Om vast te stellen of uit te sluiten of essentieel leefgebied van waterspitsmuis aanwezig is op de locatie is nader onderzoek uitgevoerd naar deze soort op de betreffende locatie, zie navolgende afbeelding.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 34

Afb. 29 Onderzoeksgebied waterspitsmuis

Doel van het nader onderzoek is tweeledig: 1. Er wordt vastgesteld of en zo ja op welke manier, het projectgebied deel uitmaakt van het functioneel leefgebied van waterspitsmuis; 2. Daarnaast wordt bepaald of de voorgenomen werkzaamheden een overtreding van de Wet natuurbescherming (Wnb) tot gevolg hebben. Het onderzoeksterrein bestaat uit rietveld aan de oostzijde van het Nijdjip, nabij stapsteen 99. De te onderzoeken oeverzones bevinden zich in rietland. De omgeving bestaat voornamelijk uit weides, bosschages, oeverbegroeiing in de vorm van bijvoorbeeld riet en opgaand groen in de vorm van struiken, opslag en bomen. Op navolgende afbeelding is de locatie van stapsteen 99 c.q. stapsteen 3 nieuw weergegeven. Tijdens het onderzoek met inloopvallen zijn geen waterspitsmuizen gevangen. Wel zijn er dwergmuis, rosse woelmuis, bosspitsmuis, dwergspitsmuis, bosmuis en aardmuis gevangen. Essentieel leefgebied van waterspitsmuis kan daarom worden uitgesloten binnen het projectgebied. Er is zijn voorts ook geen essentiële foerageergebieden van middelzwaar tot zwaar beschermde soorten aangetroffen. Daarom is in dit geval geen ontheffing van de Wet Natuurbescherming nodig.

5.10. Kabels en leidingen Op een tweetal locaties wordt het plangebied doorsneden door hoogspanningsverbindingen. Dit betreft een 110 kV net in het Nijdjip tracé net ten noorden van de weg Lytsegeast, en een 220 kV even ten

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 35

noorden van de Symen Halbeswei. Laatstgenoemde verbinding geniet specifieke bescherming vanuit het Barro (zie paragraaf 4.2.2.). Bij de werkzaamheden wordt gewerkt conform richtlijnen die uitgegeven zijn door netbeheerder TenneT. Derhalve is er geen (of een aanvaardbaar en beheersbaar) risico bij het uitvoeren van de oeverwerkzaamheden onder de hoogspanningsverbindingen. Ter hoogte van de 100 kV verbinding vinden geen werkzaamheden plaats. Er bevinden zich verder binnen het plangebied geen kabels en leidingen die specifieke (planologische) bescherming genieten. Verspreid in het plangebied liggen tevens reguliere kabels en leiden zoals middenen laagspanning-, water-, data-, pers-, en gasleidingen. Dit betreffen veelal woon- en bedrijfsaansluitingen. Bij de uitvoering van deze werkzaamheden worden deze kabels en leidingen beschermd door middel van werkwijze en/of beschermende voorzieningen.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 36

5.11. Visuele aspecten Onder verwijzing naar paragraaf 3.2.1. wordt hier nog kort ingegaan op de landschappelijke effecten van het planvoornemen. Op onderhavige afbeeldingen is het ontwerpprofiel voor de gewenste inrichting van de ecologische verbindingszone langs de Nijdjip weergegeven.

Afb. 30 Ontwerpprofiel natuurvriendelijke oever en “droge” natuurzone

Het zuidelijk deel van de Nijdjip is onderdeel van de boezem en heeft kades aan weerszijden. Binnen dit deel wordt de natuurzone aan de oostzijde van de Nijdjip aangelegd, waarbij de kade tevens in oostelijke wordt verlegd en gedeeltelijk opgehoogd. Dit houdt effectief in dat de kade gemiddeld ca. 17 m landinwaarts wordt verlegd, waarbij de zone van 17 tussen de Nijdjip en de nieuwe kade een meer natuurlijke inrichting krijgt. Op navolgende afbeeldingen is ter illustratie een sfeerbeeld van het plas-dras-profiel weergegeven.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 37

Afb. 31 Sfeerbeeld inrichting plas-dras-profiel Nijdjip (voor / na)

De nieuwe kade krijgt overigens een bescheiden hoogte van 0,65 m +NAP met een heel flauw talud, waar de huidige kade op ca. 0,00 tot 0,50 m +NAP ligt. De hoogte van de aanliggende gronden varieert over het gehele traject van ca. 0,50 m -NAP tot 1,40 m -NAP. Door de relatief kleine hoogteverschillen en het flauwe talud van de nieuwe kade zal deze visueel nauwelijks anders waarneembaar zijn dan de kade in de huidige situatie. Op onderhavige afbeelding is een dwarsprofiel ter hoogte van het zuidelijk deel parallel aan de Monnikenweg ter illustratie weergegeven.

Afb. 32 Dwarsprofiel natuurzone en verlegging kade t.h.v. Monnikenweg

Het profiel laat zien dat de aanwezige kade wordt afgegraven en plaatselijk maaiveld verder wordt verlaagd (arcering \\\), en in het achterland een nieuwe hogere kade (conform normering waterkeringen) wordt opgeworpen (arcering ///). De aanwezige rietkraag wordt uitgenomen en aan de nieuwe oeverrand van de Nijdjip herplaatst.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 38

In het plas-drasgedeelte van het nieuwe profiel zullen zich met name rietkragen gaan ontwikkelen. Het beeld van de natuurvriendelijke over sluit hiermee dus aan op het beeld van de reeds gerealiseerde stapstenen en natuurvriendelijke oevers. Hieronder ter illustratie een tweetal afbeeldingen van de stapsteen 99 (ook wel stapsteen 3 nieuw) voor wat betreft het ontwikkelingsbeeld van de nieuw te ontwikkelen natuurvriendelijke oevers en stapstenen.

Afb. 33 Bovenaanzicht stapsteen 99 (centraal in Nijdjip-traject net ten noord van Symen Halbeswei)

Afb. 34 Foto oevervegetatie in stapsteen 99

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 39

5.12. Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid is gericht op een verantwoorde situering van kwetsbare bestemmingen en activiteiten, waarbij ongevallen met eventuele effecten op de omgeving niet kunnen worden uitgesloten. Het betreft uitsluitend ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Bedrijven en transportassen in de omgeving van het plangebied, waarbij gevaarlijke stoffen aanwezig of waarover deze vervoerd worden, kunnen het externe veiligheidsniveau ter plaatse beïnvloeden. De risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven waar geklasseerde gevaarlijke stoffen worden gebruikt of opgeslagen zijn gebaseerd op het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het besluit heeft als doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken verplicht het besluit het bevoegde gezag door middel van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Op onderstaande afbeelding is de risicokaart met relevante elementen weergegeven.

Afb. 35 Uitsnede risicokaart van Atlas Leefomgeving (plangebied rood kader)

Het plangebied bevindt zich niet binnen een risicocontour van een risicovol bedrijf of transportas. Even ten oost van het plangebied bevinden zich een tweetal risicovolle bedrijven, een LPG-station aan de Suderein en een grondverzetbedrijf aan de Noorderend. Het plangebied bevindt zich echter ruim buiten de risicocontouren van deze bedrijven. Ook bevinden er zich geen ondergrondse leidingen voor vervoer van gevaarlijke stoffen binnen het plangebied. Aan de zuidzijde van het plangebied is het Van Harinxmakanaal aangemerkt als kwetsbare infrastructuur, vanwege het vele transport en pleziervaart dat hierop plaatsvindt en het daarmee Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 40

samenhangende risico op een ongeval waar (in theorie) veel personen bij betrokken kunnen zijn. Er vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats op het Van Harinxmakanaal. De aanleg en in gebruik name van de EVZ Nijdjip vormt als activiteit/landschappelijk element uiteraard ook geen risico voor omliggende kwetsbare objecten of structuurelementen. Derhalve vormt externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 41

6.

Haalbaarheid plan

6.1. Economische uitvoerbaarheid De financiële middelen voor verwerving zijn beschikbaar gesteld door de Provincie Fryslân. Zij heeft voor de verwerving destijds een Aankoop Strategieplan opgesteld. De werkwijze van grondverwerving is hierin opgenomen. Vanuit de tweede fase gebiedsontwikkeling van de Centrale As zijn door de provincie Fryslân (en Wetterskip Fryslân) sinds 2017 gronden verworven ten behoeve van de aanleg van de aanleg van de plus-maatregelen. Grondverwerving heeft in principe plaatsgevonden op basis van vrijwilligheid. De provincie heeft destijds zelf al ruilgrond aangekocht in het gebied en heeft getracht middels kavelruil en het principe “grond voor grond”, de benodigde ondergrond te verkrijgen. Inmiddels is alle benodigde grond voor de realisatie van de EVZ Nijdjip conform huidige uitwerking beschikbaar. Voor de aanleg van de natuurvriendelijke oevers, met als nevendoel het behalen van de KRW-doelen, is in 2017 een Europese POP3 subsidie verleend.

6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De Provincie Fryslân is de verantwoordelijke uitvoerder van het planvoornemen. De daadwerkelijke uitvoering en het projectmanagement wordt verzorgd door het projectbureau Gebiedsontwikkeling De Centrale As, die daarvoor gemandateerd is door Gedeputeerde Staten van Fryslân. De plannen voor de gebiedsontwikkeling De Centrale As zijn opgesteld door de Gebiedsontwikkelingscommissie (GOC). Zij hebben de wensen en ideeën in het gebied geïnventariseerd, gekeken naar draagvlak, haalbaarheid en financieringsmogelijkheden. De provincie heeft afgelopen jaren samen met de stakeholders van de gebiedsontwikkeling (zoals Wetterskip Fryslân, betrokken gemeenten, LTO, ANWB/VVN, Staatsbosbeheer en It Fryske Gea) de planvorming uitgewerkt waarmee een plus op de KRW-doelen en de gebiedsontwikkeling wordt gerealiseerd. Daarnaast betekent de realisatie van de EVZ Nijdjip ook voor het watersysteem een extra plus. Het project EVZ Nijdjip is een nadere uitwerking als onderdeel van de Gebiedsontwikkeling De Centrale As (en uitwerkingsonderdeel EHS-kwadrant daarvan). Het betreft hier de realisatie van reguliere beleidsthema’s die afgelopen jaren op provinciaal en gemeentelijk niveau zijn vastgelegd.

Hierover heeft uitgebreid inspraak en participatie plaatsgevonden, zowel voorafgaand aan de benodigde ruimtelijke procedures als via reguliere inspraakmogelijkheden tijdens de formele ter inzagelegging van de plannen. In combinatie met de weg is het de ambitie om een plus op thema’s natuur, landschap, milieu, recreatie en landbouw in het gebied achter te laten. Realisatie van de KRW-doelen biedt de kans om deze ambitie te verwezenlijken, en daarmee een sober en functioneel alternatief te realiseren voor de vervallen Robuuste Natte As. Zo wordt invulling gegeven aan de opgave zonder financiële middelen uit de Natura 2000 beheerplannen Alde Feanen en Grutte Wielen te benutten.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 42

Wetterskip Fryslân is inhoudelijk intensief bij dit planvoornemen betrokken in relatie tot de realisatie van de KRW-doelen en hun rol als waterbeheerder. Zij heeft inhoudelijke inbreng geleverd op het programma van eisen ten aanzien van de profielen en waterkundige kunstwerken. Naast het feit dat het planvoornemen (en overkoepelende project Centrale As) een samenwerking is tussen diverse overheden is bij de planvorming ook de omgeving (omwonenden en belanghebbende bedrijven) nadrukkelijk betrokken geweest. In verband met de verwerving van benodigde gronden voor zowel de Centrale As zelf als de te ontwikkelen natuurgebieden en verbindingen daartussen heeft er de afgelopen jaren veel afstemming en overleg plaatsgevonden met de betrokken grondeigenaren. Hierbij is ook zoveel mogelijk ingezet op mogelijkheden tot grondruil in verband met de continuering van de bedrijfsvoering van omliggende (veelal agrarische) bedrijven. Doordat de provincie zelf over benodigde ruilgronden beschikte zijn grondeigenaren zoveel mogelijk gecompenseerd in grond. Daarnaast wordt de wateroverlast beperkt door de gebiedsontwikkeling en dit vergroot de landbouwproductiviteit. Hierdoor zijn er per saldo geen negatieve effecten op de omgeving als gevolg van de realisatie van de EVZ Nijdjip.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=59f28fec-5f3c-40d9-b684-8a7b6fca6424