CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

15 - Bijlage 1 - Ruimtelijke Onderbouwing Nij Djip

RAADSVERGADERING 2018 t/m 2024 22 juni 2023, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Aanvraag ontwerp VVGB omgevingsvergunning realisatie natuurvriendelijke oevers en stapstenen It Nijdjip (besluitvormend, hamerstuk)11.945 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Rapport Projectnaam:

EVZ Nijdjip

Onderdeel:

Ruimtelijke onderbouwing

Projectnummer :

21-1567

Opdrachtgever:

PLANN.ING

Datum:

20 april 2023

Versie:

D2.0

Auteur(s):

R. Vernooij-Oostveen

Projectleider:

R. Vernooij-Oostveen

Inhoud 1.

Inleiding ............................................................................................................................................................... 1

2.

Huidige situatie .................................................................................................................................................. 2

3.

4.

2.1.

Ligging en begrenzing plangebied .......................................................................................................... 2

2.2.

Planologische situatie ............................................................................................................................... 4

Planvoornemen .................................................................................................................................................. 8 3.1.

Voorgeschiedenis en doel ........................................................................................................................ 8

3.2.

Ontwerp ...................................................................................................................................................... 9

3.2.1.

Natuurvriendelijke oever en “droge” natuurzone .................................................................... 10

3.2.2.

Stapstenen ....................................................................................................................................... 12

Relevant beleid en wetgeving ....................................................................................................................... 16 4.1.

4.1.1.

Kaderrichtlijn Water ...................................................................................................................... 16

4.1.2.

Vogel- en Habitatrichtlijn en Natura 2000 ............................................................................... 16

4.2.

Rijksbeleid ................................................................................................................................................. 16

4.2.1.

Nationale Omgevingsvisie ............................................................................................................ 16

4.2.2.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ............................................................. 17

4.2.3.

Ladder voor duurzame verstedelijking ....................................................................................... 17

4.2.4.

M.e.r.-beoordeling.......................................................................................................................... 18

4.3.

Provinciaal beleid..................................................................................................................................... 18

4.3.1.

Structuurvisie Grutsk op `e Romte ............................................................................................. 18

4.3.2.

Omgevingsvisie De romte diele .................................................................................................. 19

4.3.3.

Verordening Romte Fryslân ......................................................................................................... 19

4.4.

5.

Europees beleid ....................................................................................................................................... 16

Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................ 21

4.4.1.

Structuurvisie Tytsjerksteradiel ................................................................................................... 21

4.4.2.

Ontwerp omgevingsvisie Tytsjerksteradiel 2021 – 2040 ...................................................... 22

Omgevings- en milieuaspecten ..................................................................................................................... 23 5.1.

Geluid ......................................................................................................................................................... 23

5.2.

Luchtkwaliteit ........................................................................................................................................... 23

5.3.

Verkeer en parkeren ............................................................................................................................... 23

5.4.

Bodem........................................................................................................................................................ 24

5.5.

Conventionele explosieven ................................................................................................................... 25

5.6.

Water ......................................................................................................................................................... 26

5.7.

Archeologische en aardkundige waarden ........................................................................................... 28

5.8.

Duurzaamheid .......................................................................................................................................... 30

5.9.

6.

Ecologie ..................................................................................................................................................... 30

5.9.1.

Quickscan Wet natuurbescherming ........................................................................................... 31

5.9.2.

Nader onderzoek waterspitsmuis ............................................................................................... 34

5.10.

Kabels en leidingen ................................................................................................................................. 35

5.11.

Visuele aspecten ...................................................................................................................................... 37

5.12.

Externe veiligheid .................................................................................................................................... 40

Haalbaarheid plan ............................................................................................................................................ 42 6.1.

Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 42

6.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 42

1.

Inleiding

Sinds 2016 is de dubbelbaans autoweg tussen Dokkum en Nijega “De Centrale As” (N356) in gebruik. Naast het aanleggen van deze weg ter verbetering van de leefbaarheid en bereikbaarheid in de betreffende regio, is als aanvullende doelstelling aan het project gekoppeld om een plus achter te laten in het gebied. Daarom krijgt een gebied ter grootte van ongeveer 7000 hectare een flinke impuls: de Gebiedsontwikkeling De Centrale As. In de gebiedsontwikkeling zijn tal van maatregelen op het gebied van natuur, landschap, water, landbouw en recreatie opgenomen. De basis voor de natuurmaatregelen binnen de gebiedsontwikkeling De Centrale As is de integrale gebiedsvisie “Oer weide, sompe en wâld”. Het gaat daarbij om nieuwe maatregelen maar vaak ook om bestaande opgaven vanuit diverse beleidsthema’s zoals waterkwaliteit en -kwantiteit, veiligheid en biodiversiteit. Vanuit de tweede fase gebiedsontwikkeling van de Centrale As zijn door de Provincie Fryslân sinds 2017 gronden verworven (tevens middels grondruil) ten behoeve van de aanleg van de aanleg van de plus-maatregelen. Eén van deze maatregelen betreft de aanleg van natuurvriendelijke oevers en stapstenen langs de watergang de Nijdjip. De natuurvriendelijke oevers worden in combinatie met een “droge” natuurzone en kadeverbetering aangelegd. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied globaal aangeduid (rood kader).

Afb. 1 Ligging plangebied EVZ Nijdjip (Data by OpenStreetMap.org contributors under CC BY-SA 2.0 license)

Het deel van de aan te leggen EVZ Nijdjip dat binnen bestemming “Agrarisch – Cultuurgrond” ligt is in strijd met de voorschriften van die bestemming. Hiervoor dient derhalve gemotiveerd afgeweken te worden van het bestemmingsplan. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing omvat deze motivatie.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 1

2.

Huidige situatie

2.1. Ligging en begrenzing plangebied Onderstaand kaartje geeft de ligging van het plangebied weer. In de legenda zijn de voorziene maatregelen weergegeven.

Afb. 2 Ligging plangebied EVZ Nijdjip

De Nijdjip ligt centraal in het open polderlandschap tussen Leeuwarden en Burgum. De Nijdjip begint vanaf het Van Harinxmakanaal / Schalkediep aan de zuidzijde en loopt aan de noordzijde bij Tytsjerk het recreatie- en natuurgebied de Lytse (Kleine) Wielen in. De Nijdjip wordt aan weerszijden begrensd door Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 2

met name graslanden die veelal voor beweiding worden gebruikt door de in het gebied aanwezige melkveehouderijen. In het gebied rondom de Nijdjip bevinden zich enkele kleine kernen, te weten Suwald, Kleinegeest en Tytsjerk.

Afb. 3 Nijdjip ter hoogte van Daniel Bouweswei

Sommige gronden grenzend aan de Nijdjip hebben reeds een natuurlijke inrichting met plasdrasvegetatie. Dit betreffen de gronden ter plaatse van stapstenen 2, (nieuwe) 3 en Domeinen. Op het zuidelijk traject van de Nijdjip loopt aan de westzijde de Monnikenweg / Aldemeide parallel aan de watergang. Verder wordt de Nijdjip op meerdere locaties doorsneden door wegen in oost-westelijke richting. Het zuidelijk deel tussen het Van Harinxmakanaal en de Symen Halbeswei ligt binnen de Friese boezem en is aan weerszijden voorzien van een kade. Deze kades zijn slechts zichtbaar als lichte glooiing in het landschap aangezien het hoogteverschil met de achterliggende gronden slechts 0,50 tot 1 m is. Het deel ten noorden van de Symen Halbeswei valt buiten de boezem en is niet voorzien van kaden.

Afb. 4 Nijdjip ter hoogte van Lytsegeast

Het gebied dat wordt betrokken in de bestemmingsplanafwijking omvat een kleiner gebied dan op afb. 2 is afgebeeld. Sommige gebiedsdelen waar herinrichting plaatsvindt hebben namelijk thans de bestemming “Natuur”. De in de bestemmingsplanafwijking betrokken delen betreffen dus enkel de gronden die als natuurzone heringericht worden en nog de bestemming “Agrarisch – Cultuurgrond” hebben. Dit betreft hoofdzakelijk de oranje en geel belijnde gebieden op afb. 2. De invulling van de Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 3

geprojecteerde stapsteen “3 optie” nabij Tytsjerk zal niet, zoals eerder bedacht, het gehele perceel betrekken. Er wordt op deze locatie tevens gekozen voor aanleg van een natuurvriendelijke oever met verbrede “droge” natuurzone. Deze oevers vallen derhalve ook binnen de bestemmingsplanafwijking aangezien deze volledig binnen de agrarische bestemming liggen, en omgevormd naar natuur worden. De inrichting van stapsteen 1 (ter hoogte van nr. 27 op afb. 2) grenzend aan het Van Harinxmakanaal valt ook binnen de bestemmingsplanafwijking aangezien hier ook natuuroever, maaiveldverlaging en verlegging van de kade wordt gerealiseerd waarbij het gebruik binnen de stapsteen permanent wordt gewijzigd van agrarisch naar natuur. Ter hoogte van nr. 6 wordt stapsteen “Domeinen” heringericht, en ten zuiden van nr. 7 stapsteen 2. Daarnaast wordt in de bocht van de Nijdjip (net ten noorden van nr. 10) de reeds bestaande stapsteen (op tekeningen in de bijlagen thans als “nieuwe” stapsteen 3 opgenomen) heringericht. Deze stapstenen liggen echter reeds binnen gebieden die de bestemming “Natuur” hebben en behoeven derhalve geen bestemmingsplanafwijking. Voor deze activiteiten kan worden volstaan met een omgevingsvergunning conform reguliere procedure.

De natuurzone die stapsteen 2 en Domeinen moet verbinden valt wel binnen de bestemmingsplanafwijking aangezien hier nog een agrarische bestemming op ligt. Ook de aan het project EVZ Nijdjip gekoppelde herinrichting van de Flappefeart (nabij de Sluterspoel oostelijk van Suwald), verbetering/ophoging van de westelijke kade langs de Nijdjip (traject tussen Daniel Bouweswei en de Louwsmarwei), en de aan te leggen faunapassages behoeven geen bestemmingsplanafwijking aangezien deze activiteiten binnen de op die gronden gelegen bestemmingen (agrarisch en/of natuur) zijn toegestaan. Voor deze activiteiten kan tevens worden volstaan met een omgevingsvergunning conform reguliere procedure.

Afb. 5 Nijdjip ter hoogte van stapsteen 1 / aantakking Van Harinxmakanaal

2.2. Planologische situatie Het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied betreft “Bestemmingsplan Buitengebied 2013” (onherroepelijk vastgesteld op 27 juni 2013). De Nijdjip heeft bestemming “Water” en gebiedsaanduiding “Natuurzone – EHS”. Enkele gebieden langs de Nijdjip hebben bestemming “Natuur”, waaronder zoals in de vorige paragraaf aangegeven de stapstenen 2, 3 (nieuw) en Domeinen. Een groot deel van het traject dat als natuurvriendelijke oever en “droge” natuurzone wordt heringericht ligt binnen de bestemming “Agrarisch – Cultuurgrond”, met tevens dubbelbestemming “Waarde – Landschap (Open landschap), landschapstype veenweidelandschap. Op afb. 6 is een uitsnede van de bestemmingsplankaart weergegeven.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 4

Afb. 6 Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied 2013

De gronden binnen bestemming “Agrarisch – Cultuurgrond” zijn bestemd voor onder andere: ▪ Cultuurgrond ▪ Sloten, bermen en beplanting ▪ Met daaraan ondergeschikt: o Groenvoorzieningen o Water o Waterhuishoudkundige voorzieningen Binnen deze duiding van de bestemming dienen deze elementen ten dienste te staan aan het agrarisch gebruik. Met de aanleg van de natuurzone wordt een deel van de grond definitief omgevormd naar natuur, en is agrarisch gebruik niet meer mogelijk. Dit gebruik past derhalve niet binnen de bestemming. In de bestemming “Agrarisch – Cultuurgrond” is daarnaast een bepaling opgenomen over behoud, herstel en ontwikkeling van natuurwaarden binnen de aanduiding “natuurzone – EHS. Deze aanduiding is echter enkel aanwezig op het watervoerende deel van de Nijdjip en niet op de aanliggende oevers waarvoor omvorming naar natuur binnen een strook van ca. 17 m wordt voorzien. Derhalve biedt deze aanduiding geen mogelijkheid de omvorming binnen de bepalingen van het bestemmingsplan met een reguliere omgevingsvergunning te regelen. Dit maakt dat voor de omvorming van de oevers naar natuur een planologische wijzigings- of afwijkingsprocedure noodzakelijk is. In paragraaf 2.1 is reeds omschreven welke gebiedsdelen van het planvoornemen onder de bestemmingsplanwijking vallen. Ter verduidelijking zijn deze gebiedsdelen op afb. 7 en daaronder vergroot weergegeven (rood).

Deze gebieden beslaan tezamen ca. 4 km lengte met een breedte van ca. 17 m, hetgeen neerkomt op ca. 7 ha.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 5

Afb. 7 Projectie gebiedsdelen bestemmingsplanafwijking op uitsnede bestemmingsplan Buitengebied 2013

Noordelijk deel

Zuidelijk deel

In het Bestemmingplan Buitengebied 2013 is in principe een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor omvorming van de agrarische bestemming naar natuur. Een dergelijke wijzigingsprocedure is echter pas mogelijk wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan (bestemmingsplanregels artikel 6.6.1., lid d).

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 6

De wijziging moet passend zijn binnen het rijks- en provinciale beleid aangaande de Ecologische Hoofdstructuur. In de (per 23-03-2021) geconsolideerde Verordening Romte Fryslân 2014 is het grootste deel van de aan te leggen natuurzone echter nog niet als EHS opgenomen/vastgelegd, slechts voor ca. 0,8 km (van de ca. 4 km) is dit pas het geval namelijk. Daarnaast zijn deze aangewezen trajecten EHS-zones langs de oevers van de Nijdjip slechts ca. 7 m breed. De natuurvriendelijke oever wordt echter ca. 10 m breder (17 m). Deze delen vallen derhalve ook buiten de op dit moment aangewezen delen als EHS in de oever. Aan dit uitgangspunt wordt dus (voor het overgrote deel) niet voldaan. Daarnaast moet de wijziging betrekking hebben op gronden die liggen in het traject van een ecologische verbindingszone. Hiervan is (voor het grootste deel) dus ook nog geen sprake. De naastgelegen waterloop Nijdjip, waar de natuurvriendelijke oever en stapstenen parallel aan liggen is wel over het gehele traject als EHS – water aangewezen. Omdat nog niet alle (beleids-)voorwaarden aanwezig zijn voor het kunnen/mogen toepassen van de wijzigingsbevoegdheid is er in overleg met de gemeente Tytsjerksteradiel voor gekozen de EVZ Nijdjip (voor de daartoe nader omschreven gebiedsdelen) via een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan te regelen.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 7

3.

Planvoornemen

3.1. Voorgeschiedenis en doel Het project EVZ Nijdjip is onderdeel van het door de provincie geïnitieerde project EHS-kwadrant. Het EHS-kwadrant bestaat uit een viertal provinciale en (voorheen) landelijke (robuuste Natte As) ecologische verbindingszones die samen geografisch gezien de vorm van een kwadrant hebben. Het gebied ligt geheel binnen de provincie Friesland. De hoekpunten van het EHS kwadrant worden gevormd door het Schalkediep, de natuurgebieden Grutte Wielen, Houtwiel-Falom en Burgumermar-Leijen. Het EHS kwadrant is bedoeld om de Natura 2000 gebieden Alde Feanen, Grutte Wielen en Lauwersmeer met elkaar te verbinden zodat de doelsoorten van de Natura 2000-gebieden en de gidssoorten die zijn aangewezen voor het EHS kwadrant succesvol te laten migreren tussen deze gebieden. Op onderstaande afbeelding is het EHS-kwadrant weergegeven.

Afb. 8 EHS-kwadrant provincie Fryslân

Het westelijk deel van het EHS kwadrant wordt gevormd door de aftakking van de Natte As tussen de Alde Feanen en het Lauwersmeer. Via de Nijdjip (Nieuwe diep) en de Tytsjerkstervaart loopt deze route richting het Natura 2000 gebied de Grutte en Lytse (Kleine) Wielen en passeert onderweg enkele kleine moerasjes en het dorp Tytsjerk. Deze westelijke verbindingszone kruist enkele lokale wegen en ter hoogte van de Grutte Wielen moet ook de vierbaansweg N355 gepasseerd worden. Daarbij passeert de zone ook het recreatiegebied De Groene Ster. Het EHS kwadrant vervolgt uiteindelijk zijn weg door de Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 8

Grutte Wielen, Houtwielen en het Sierdswiel waarna de route in oostelijke richting afbuigt en het noordelijke deel van het EHS kwadrant begint. De Nijdjip fungeert momenteel dus nog als knelpunt c.q. ontbrekende schakel in de gewenste totale EHSstructuur, aangezien deze nu nog niet over de geschikte inrichting beschikt om te dienen als geschikt leef- en migratiegebied voor de gewenste doelsoorten als onderdeel van het EHS-kwadrant. Met de realisatie van deze inrichting wordt tevens bijgedragen aan het behalen van de KRW-doelen voor deze watergangen. Het betreft de POP3 categorieën: ‘verbreden van te smalle overige hoofdwatergangen’ en ‘natuurvriendelijk inrichten van KRW-boezemkanalen, en ecologisch belangrijke (KRW-) hoofdwatergangen’. Deze maatregelen hebben tot doel: verbetering waterkwaliteit, vergroting biodiversiteit door toename waterplanten, macrofauna, vissen en fauna. Tevens hebben maatregelen tot gevolg: vergroting berging boezem, vergroting berging in deelsystemen en daarmee een robuust watersysteem. Vanuit de KRW ligt er de grote opgave om in te spelen op de hoge nutriëntenbelasting vanuit huidige en historische landbouwactiviteiten.

Dit geldt niet alleen voor hoofdwatergangen in landbouwgebieden, maar ook voor de boezemwateren, -kanalen en –meren, waarop het nutriëntenrijke landbouwwater wordt uitgeslagen via gemalen, of waar dat landbouwwater door directe of indirecte uitspoeling of afstroming in terecht komt. Met het natuurvriendelijk inrichten van de oevers van het Nijdjip en Van Harinxmakanaal en de Flappefeart wordt hoge nutriëntenbelasting vanuit de landbouwgebieden gecompenseerd. Het project EVZ Nijdjip omvat derhalve de realisatie van een natuurvriendelijke inrichting van oevers langs het Nijdjip, Van Harinxmakanaal en Flappefeart. Het gaat om een totaallengte van ca. 6 kilometer aanleg van natuurvriendelijke oevers en/of verbreding van te smalle watergangen en stapstenen. Omdat bij de realisatie van de Centrale As een forse ingreep in het landschap betrof en veel asfalt aangelegd is, zijn juist veel landschaps-, natuur- en milieumaatregelen opgenomen in de gebiedsontwikkeling. Het gaat dan om een plus op de wettelijke compensatie die vanuit de weg verplicht was. Op het traject van het Nijdjip realiseert de Gebiedsontwikkeling De Centrale As een extra strook “droge” natuur op vrijwillige basis. Tevens worden kunstwerken ecologisch passeerbaar gemaakt. Hiermee wordt een sobere en doelmatige ecologische verbindingszone gerealiseerd over een lengte van ca. 6 kilometer.

3.2. Ontwerp De totale lengte van de ecologische verbinding langs de Nijdjip is ca. 6 km en loopt vanaf Tytsjerk tot aan de zandwinput aan het Van Harinxmakanaal bij Suwâld. Maatregelen die voorzien zijn: ▪ Natuurvriendelijke oevers ▪ Natuurzones ▪ Aanleg stapstenen ▪ Aanleggen faunapassages ▪ Aanleggen duikerbrug inclusief faunavoorziening ▪ Verwijderen brug ▪ Verlengen onderleider ▪ Aanleggen ontsluiting ▪ Ecologisch passeerbaar maken van een gemaal

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 9

In afb. 2 in paragraaf 2.1 zijn de voorziene herinrichtingswerkzaamheden reeds gevisualiseerd.

3.2.1. Natuurvriendelijke oever en “droge” natuurzone Op onderhavige afbeeldingen is het ontwerpprofiel voor de gewenste inrichting van de ecologische verbindingszone langs de Nijdjip weergegeven.

Afb. 9 Ontwerpprofiel natuurvriendelijke oever en “droge” natuurzone

Het zuidelijk deel van de Nijdjip is onderdeel van de boezem en heeft kades aan weerszijden. Binnen dit deel wordt de natuurzone aan de oostzijde van de Nijdjip aangelegd, waarbij de kade tevens in oostelijke wordt verlegd en gedeeltelijk opgehoogd. Dit houdt effectief in dat de kade gemiddeld ca. 17 m landinwaarts wordt verlegd, waarbij de zone van 17 tussen de Nijdjip en de nieuwe kade een meer natuurlijke inrichting krijgt.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 10

Op onderhavige afbeeldingen is ter illustratie een sfeerbeeld van het plas-dras-profiel weergegeven.

Afb. 10 Sfeerbeeld inrichting plas-dras-profiel Nijdjip (voor / na)

De nieuwe kade krijgt overigens een bescheiden hoogte van 0,65 m +NAP met een heel flauw talud, waar de huidige kade op ca. 0,00 tot 0,50 m +NAP ligt. De hoogte van de aanliggende gronden varieert over het gehele traject van ca. 0,50 m -NAP tot 1,40 m -NAP. Door de relatief kleine hoogteverschillen en het flauwe talud van de nieuwe kade zal deze visueel nauwelijks anders waarneembaar zijn dan de kade in de huidige situatie. Op onderhavige afbeelding is een dwarsprofiel ter hoogte van het zuidelijk deel parallel aan de Monnikenweg ter illustratie weergegeven.

Afb. 11 Dwarsprofiel natuurzone en verlegging kade t.h.v. Monnikenweg

Het profiel laat zien dat de aanwezige kade wordt afgegraven en plaatselijk maaiveld verder wordt verlaagd (arcering \\\), en in het achterland een nieuwe hogere kade (conform normering waterkeringen)

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 11

wordt opgeworpen (arcering ///). De aanwezige rietkraag wordt uitgenomen en aan de nieuwe oeverrand van de Nijdjip herplaatst. Binnen de gebiedsdelen waar geen kade aanwezig is (deel ten noorden van de Symen Halbeswei) wordt enkel het maaiveld plaatselijk verlaagd. Op onderhavige afbeelding is een dwarsprofiel ter hoogte van de oever tussen Lytsegeast en (nieuwe) stapsteen 3 ter illustratie weergegeven.

Afb. 12 Dwarsprofiel natuurzone t.h.v. traject Lytsegeast – stapsteen 3

3.2.2. Stapstenen Stapsteen 1 Stapsteen 1 bevindt zich aan de zuidzijde van de Nijdjip grenzend aan het Van Harinxmakanaal. Op onderhavige afbeelding is een principeschets weergegeven.

Afb. 13 Principeschets stapsteen 3

De oever langs de Nijdjip wordt hierbij verflauwd als natuurvriendelijke oever, en de huidige kade wordt verlaagd en aan de zuidzijde verwijderd (zie navolgende dwarsprofiel). Aan de zuidzijde grenzend aan het Van Harinxmakanaal wordt een opening gecreëerd tussen de lage (zomer)kade en nieuwe boezemkade waardoor inundatie van de stapsteen mogelijk wordt. Op bij de omgevingsvergunningaanvraag gevoegde technische tekeningen is de definitieve uitwerking hiervan weergegeven, afb. 12 betreft een eerste schets. De afsluitbare duiker heeft als functie het gebied droog te laten vallen in de zomer waardoor er de gewenste dynamiek van nat-droog ontstaat in het gebied.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 12

Afb. 14 Dwarsprofiel Nijdjip-stapsteen 1: afgraving (arcering \\\) buitenkade

Stapsteen 2 Deze stapsteen bevindt zich net ten noorden van de kruising Nijdjip met de weg Lytsegeast. Op onderhavige afbeelding is een principeschets weergegeven.

Afb. 15 Principeschets stapsteen 2

Hierbij wordt een lage kade opgeworpen rondom het reeds als natuur ingerichte perceel. Door aanleg van duikers aan oost- en westzijde is het mogelijk het gebiedje tijdelijk te laten inunderen. Daarnaast wordt houtopslag verwijderd.

Stapsteen Domeinen Deze stapsteen bevindt iets noordelijker dan stapsteen 2, op de plek waar de Nijdjip aantakt op de Burgerveenstervaart/Tytsjerkstervaart ter hoogte van Tytsjerk. Op navolgende afbeeldingen is een principeschets en dwarsprofiel weergegeven. De kade wordt niet gerealiseerd zoals op schets

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 13

weergegeven, er wordt aangesloten op bestaande peil omliggend (hoger gelegen) maaiveld. Dit is op de definitieve tekeningen bijgevoegd bij de omgevingsvergunningaanvraag juist weergegeven.

Afb. 16 Principeschets stapsteen Domeinen

Afb. 17 Dwarsprofiel stapsteen Domeinen: verlaging/afgraving maaiveld (arcering \\\)

Stapsteen 3 (nieuw) Deze stapsteen is later in de planvorming opgenomen, en vervangt daarmee de (voormalige) stapsteen 3 ten zuiden van het spoor (zie afb. 2), waarbij gekozen wordt voor aanleg van de natuurvriendelijke oever met “droge” natuurzone. De (nieuwe) stapsteen 3 bevindt zich centraal binnen de loop van de Nijdjip tussen de wegen Lytsegeast en Symen Halbeswei. Dit gebied heeft (net als stapstenen 2 en 3) reeds de bestemming “Natuur”, en is in het recente verleden al natuurlijk ingericht. Het herinrichten van de gehele oeverzone van de Nijdjip wordt nu aangegrepen om deze stapsteen verder te optimaliseren. Hierbij worden oevers nog verder afgegraven / verflauwd (arcering \\\ op dwarsprofiel). De ontgraven grond wordt op de kant als plagrillen aangebracht (arcering /// op dwarsprofiel). De plagrillen zijn ca. 5 m breed, en daarachter wordt een beheerpad aangelegd.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 14

Afb. 18 Inrichting stapsteen 3 (nieuw)

Afb. 19 Dwarsprofiel stapsteen 3 (nieuw)

De stapstenen 2, Domeinen, en 3 (nieuw) zijn hier voor de volledigheid omschreven, maar behoeven zoals eerder vermeld geen bestemmingsplanafwijking voor de realisatie ervan.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 15

4.

Relevant beleid en wetgeving

4.1. Europees beleid 4.1.1. Kaderrichtlijn Water Met de inrichting van de EVZ Nijdjip wordt bijgedragen aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW is een Europese richtlijn die voorschrijft dat de waterkwaliteit van de Europese wateren vanaf 2015 aan bepaalde eisen moet voldoen. De richtlijn bepaalt dat de EU-lidstaten voor elk stroomgebied gezamenlijk actieprogramma’s moeten opstellen waarin alle aspecten van water aan de orde moeten komen. Inwoners van die landen moeten meer bij het waterbeheer betrokken worden en de verschillende Europese wetten op het gebied van water moeten beter op elkaar worden afgestemd. Tot 2009 hadden de lidstaten de tijd om hun maatregelenprogramma’s op te stellen. In beginsel moet in 2015 een ‘goede chemische toestand en een goed ecologisch potentieel of een goede ecologische toestand’ zijn bereikt. In veel gevallen is deze termijn opgerekt tot 6 en/of 12 jaar met 2027 als uiterlijke datum dat de kwaliteitsdoelstelling moet zijn behaald.

4.1.2. Vogel- en Habitatrichtlijn en Natura 2000 De lidstaten van de EU hebben gezamenlijk specifieke wetten en beleidsdoelen vastgesteld voor de instandhouding van bepaalde planten- en diersoorten en natuurlijke habitats van internationale betekenis via de Vogel- en Habitatrichtlijn (VR/HR) en Natura 2000, voor de instandhouding van gezonde watersystemen (Kaderrichtlijn water) en voor een schoon milieu (Nitraatrichtlijn). De Europese Commissie (EC) ziet erop toe dat de lidstaten deze afspraken nakomen.

4.2. Rijksbeleid 4.2.1. Nationale Omgevingsvisie In september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn voorgaande sectorale rijksnota’s waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte gebundeld, aangevuld met een geactualiseerd beleid aangaande grote maatschappelijke thema’s die nu en in de toekomst spelen. Het geeft daarmee een toekomstperspectief voor de periode tot 2050, met daarbij de volgende hoofddoelstellingen om te komen tot een Nederland: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 16

▪

dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.

Het realiseren van de EVZ Nijdjip past naadloos in dit beleid en draagt wezenlijk bij aan de doelstellingen uit de Nationale Omgevingsvisie.

4.2.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Dit betreffen zaken zoals rijksinfrastructuur, grote rivieren en grootschalige energieopwekking. De locatie voor de beoogde EVZ Nijdjip kruist een in het kader van het Barro aangewezen hoogspanningsverbinding van nationaal belang (Vierverlaten – Burgum – Ens). Ter plaatse van deze kruising vindt tevens herinrichting plaats in de vorm van aanleg van een natuurvriendelijke oever en “droge” natuurzone. De herinrichting is echter niet strijdig met de belangen vanuit het Barro. Het Barro regelt enkel de garantie dat de hoogspanningsverbinding in lokale bestemmings- dan wel inpassingsplannen wordt verwerkt met de benodigde aanduiding en beschermingsregels. De aanleg van de natuurvriendelijke oever vormt geen aantasting van deze (planologisch) beschermde status. Op onderhavige afbeelding is een uitsnede van de kaart weergegeven (bijlage 5 Barro).

Afb. 20 Uitsnede Barro bijlage 5: kaart elektriciteitsvoorziening (plangebied rood kader)

4.2.3. Ladder voor duurzame verstedelijking Per 1 oktober 2012 is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6 lid 2, de wettekst is per 1 juli 2017 aangepast). Doel hiervan is dat er een goede ruimtelijke ordening plaatsvindt door optimale benutting van ruimte in stedelijk gebied en dat er een zorgvuldige afweging plaatsvindt in een transparant proces voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Het aanleggen van een ecologische verbindingszone op de huidige agrarische percelen is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op basis van eerdere uitspraken van de Raad van State blijkt dat soortgelijke projecten die niet tot leegstand van bestaande bebouwing leiden (en daar ook op geen enkele manier een koppeling mee hebben), niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro kunnen worden aangemerkt. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van een weg, windpark of een

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 17

hoogspanningsleiding. Een toets van het planvoornemen aan de Ladder is daarom niet van toepassing c.q. verplicht.

4.2.4. M.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. In het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) zijn activiteiten opgenomen die mogelijk nadelige milieueffecten met zich mee kunnen brengen. Sommige van deze activiteiten zijn vanaf een bepaalde omvang direct m.e.r.-plichtig (onderdeel C) of, indien van kleinere omvang, m.e.r.beoordelingsplichtig (onderdeel D). Het verschil in omvang is in het Besluit m.e.r. aangegeven met drempelwaarden. Ook voor activiteiten kleiner dan de drempelwaarden vermeld bij onderdeel D, zou afhankelijk van de aard van de ontwikkeling een (vormvrije) m.e.r.-boordeling kunnen gelden. De aanleg van een ecologische verbindingszone valt echter niet onder de onderdelen C en D. Gelet op de kenmerken van het project en de aard van de milieueffecten (zeer beperkt en tijdelijk, en na realisatie veelal positief), wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.beoordeling of m.e.r.

4.3. Provinciaal beleid 4.3.1. Structuurvisie Grutsk op `e Romte In de structuurvisie (2014) worden de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap beschreven. Onder kernkwaliteiten wordt verstaan: 'die ruimtelijke eigenschappen die zo typisch zijn voor het Friese landschap, dat zij tezamen de ruimtelijke identiteit van Fryslân vormen'. De structuurvisie bevat een beschrijving van welke kernkwaliteiten er zijn en kondigt een nadere uitwerking en waardering aan van deze kernkwaliteiten. De thematische structuurvisie Grutsk op 'e Romte, zoals vastgesteld op 26 maart 2014, vormt deze uitwerking en geeft de provinciale belangen en ontwikkelingsrichting ten aanzien van de kernkwaliteiten. Het plangebied EVZ Nijdjip ligt binnen het deelgebied “Noordelijke Wouden”. Binnen dit gebied worden als beschermde kernwaarden aangemerkt: 1) Kleinschaligheid van het gebied met hoge dichtheid aan opstrekkende percelen (richting aan het landschap gevend), grensbeplanting van houtwallen en elzensingels ('in' de slootrand) en een dicht netwerk van kleinschalige infrastructuur (zandpaden en sloten), veenontginningsdorpen met verspreide bebouwing of dun bebouwde linten met een grillig verloop. In en nabij de dorpskernen dichter bebouwde linten en buurten.

2) De overgang (contrast) van dichte, gerichte verkavelingsstructuren van elzensingels en houtwallen op de zandgronden naar het open veenweidegebied en het kleigebied. 3) De samenhang van historische wegen met bebouwingslinten en rijke schakeringen aan wegbeplanting in verschillende vormen: singels, bomen, hagen. Op een aantal locaties de bossen behorend bij landgoederen in samenhang met het landschap. 4) Een aantal plekken waarbij kleinschalige ontginningen nog herkenbaar gekoppeld zijn aan eenvoudige woningbouwvormen.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 18

5) De Friese esgebieden rond de Burgumer Mar en Westergeest met de daarbij horende 'Friese' esdorpen met de kenmerkende, afwijkende structuur ten opzichte van omliggende, voornamelijk opstrekkende verkavelingen. 6) De herkenbaarheid en beleefbaarheid van het natuurlijke reliëf in de vorm van dekzandruggen, de vele pingoruïnes, vuursteenvindplaatsen en kleine stuifduinen in restanten van voormalige heidevelden. 7) De karakteristieke langgerekte verkaveling- en bebouwingsstructuren van de hoogveenontginningsgebieden met bijbehorend watererfgoed (vaarten, wijken, bruggen). 8) Karakteristieke blokvormige structuren en verkavelingen met verspreide bebouwing in de heideontginningsgebieden. De herinrichting voor de EVZ Nijdjip heeft tot doel het afronden van de gewenste (provinciale) ecologische verbinding tussen gebieden Alde Feanen en Groote Wielen (en in groter geheel ook met Lauwersmeer). De ingreep bestaat hoofdzakelijk in het natuurvriendelijk inrichten van de oevers van de Nijdjip en direct aanliggende zone. Daarnaast worden op enkele locaties in het traject ecologische stapstenen aangelegd / heringericht (hoofdzakelijk al aanwezig). Door de aanleg van de natuurvriendelijke oevers wordt de kade in het boezemdeel ca. 17 m landinwaarts verplaatst.

Op sommige locaties wordt houtopslag en/of een enkele boom verwijderd, of een stukje (kop)sloot gedempt (voor zover liggend in traject nieuwe kadetraject), maar tot grote aantastingen in het landschap leidt dit niet. De nieuwe kade krijgt verder een bescheiden hoogte van 0,65 m +NAP met een heel flauw talud, waar de huidige kade op ca. 0,00 tot 0,50 m +NAP ligt. De hoogte van de aanliggende gronden varieert over het gehele traject van ca. 0,50 m -NAP tot 1,40 m -NAP. Door de relatief kleine hoogteverschillen en het flauwe talud van de nieuwe kade zal deze visueel nauwelijks anders waarneembaar zijn dan de kade in de huidige situatie. De herinrichting leidt derhalve niet tot aantasting van de in de structuurvisie beschermde cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Door de herinrichting neemt, naast de ecologische kwaliteit, ook de landschappelijke kwaliteit van het gebied juist toe.

4.3.2. Omgevingsvisie De romte diele De in 2020 vastgestelde Omgevingsvisie Provincie Fryslân gaat in bredere zin in op de gewenste ontwikkeling van diverse maatschappelijke en ruimtelijke thema’s voor de periode tot 2040. Voor wat betreft de ruimtelijk gewenste kwaliteiten is de structuurvisie Grutsk op `e Romte uit 2014 nog steeds relevant en als beleid van kracht. De kernkwaliteiten van landschap en cultuurhistorie zoals daarin zijn vastgelegd worden nog steeds geborgd. Er wordt daarnaast ingezet op de realisatie en bescherming van het natuurnetwerk en op het verbeteren en schoonhouden van het milieu, waaronder de waterkwaliteit. De realisatie van de EVZ Nijdjip sluit aan bij de nagestreefde doelstellingen in de omgevingsvisie.

4.3.3. Verordening Romte Fryslân In de verordening worden regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. De verordening gaat in op hoe plannen moet bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. De verordening vraag aandacht voor: ▪ De draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van nieuwe functies, op grond van een analyse van de samenhang van de ondergrond, netwerken en nederzettingspatronen; ▪ Het plan geeft invulling aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten; Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 19

▪

Een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied dient te voorzien in een zorgvuldige inpassing van: a. een uitbreidingslocatie; b. nieuwe infrastructuur of aanpassing van infrastructuur; c. een nieuwe recreatieve voorziening of uitbreiding van een recreatieve voorziening; d. agrarische bedrijven, inclusief glastuinbouwbedrijven; e. overige nieuwe of uitbreiding van bestaande, al dan niet aan het landelijk gebied gebonden functies, binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals bedoeld bij punt 2.

Het planvoornemen omvat een versterking van zowel landschappelijke en natuurlijke waarden. Het behouden en versterken van het natuurnetwerk is een van de doelstellingen van de verordening. Op onderhavige afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale EHS-kaart.

Afb. 21 Uitsnede kaart EHS (plangebied rood kader)

In de verordening is de Nijdjip zelf aangewezen als EHS-water. Daarnaast zijn de stapstenen 2 en 3 (nieuw) en een klein deel van de begeleidende oevers als EHS aangewezen. Voor de stapstenen 1 en Domeinen, en een groot deel van de oevers (ca. 3,2 km van in totaal ca. 4 km) geldt dit echter nog niet. Het inrichten van deze gebiedsdelen als ecologische verbindingszone past echter in het beleidsstreven tot versterking van de ecologische hoofdstructuur. Voor de gevolgen voor de insteek van de planologische procedure voor het planvoornemen wordt verwezen naar paragraaf 2.2. Naast de ligging in EHS gebied is het gebied tevens gelegen in weidevogelkansgebied. In artikel 7.2.2 van de Verordening Romte is opgenomen dat geregeld dient te worden dat de openheid en rust van die gebieden voldoende wordt gehandhaafd. Als blijkt dat de weidevogels mogelijk hinder gaan ondervinden van de realisatie van de Ecologische verbindingszone kan weidevogelcompensatie aan de orde zijn (artikel 7.2.4 van de verordening Romte). De oeverzones en delen van agrarische percelen waar de maatregelen worden uitgevoerd betreffen, vanwege de ligging langs de watergangen (met rietkraag/opslag: biotoop predatoren), geen essentieel leefgebied. Daarnaast zijn binnen de werklocaties geen broedgevallen van weidevogels bekend.

De werkzaamheden zijn tijdelijk, het toekomstig gebruik blijft gelijk (water/natuurbestemming) en er worden geen permanente hoge structuren geplaatst; het project heeft zodoende geen negatief effect op de openheid en rust binnen het weidevogelkansgebied. Een nadere toetsing aan het weidevogelbeleid is Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 20

niet aan de orde. Er is geen strijd met artikel 7.2.2 van de verordening Romte. Weidevogelcompensatie is alleen aan de orde als extra verstoring plaatsvindt. De weidevogels zullen echter geen onevenredige hinder ondervinden van de natuurontwikkeling en er is dan ook geen sprake van strijd met de verordening. Er hoeft in het kader van de natuurontwikkeling geen weidevogelgebied gecompenseerd te worden.

4.4. Gemeentelijk beleid 4.4.1. Structuurvisie Tytsjerksteradiel In 2010 heeft de gemeente Tytsjerksteradiel de structuurvisie “Finster op romte” vastgesteld waarin het ruimtelijk beleid voor de periode tot omstreeks 2020 is uitgestippeld. De gemeente sluit zich in deze nota volledig aan bij het in het (voormalige) provinciaal streekplan opgenomen beleid omtrent de afronding en versterking van de Ecologische hoofdstructuur (EHS) in het gebied. De gemeente ondersteunt het provinciaal beleid en ziet vooral kansen in combinaties van natuur en recreatie en natuur en landbouw. Watergangen worden niet alleen ten behoeve van de recreatie gerealiseerd, maar ook ten dienste van flora en fauna. Het belang van flauwe (en dus natuurvriendelijke) oevers wordt hierbij onderkend (KRW). De aandacht is gericht op het verbeteren en schoonhouden van zowel oppervlakte- als grondwater. De gemeente stelt zich coöperatief op bij het realiseren van de plannen uit het Ecologisch Ontwikkelingsplan samen met andere partijen (natuurbeheerder, landbouwsector, Wetterskip en Provincie Fryslân). In dit kader wordt ingezet op het mede tot stand brengen van een verbindingszone tussen de Alde Feanen en de Grutte Wielen als onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) als Robuuste Natte As (RNA). Hiermee wordt direct verwezen naar het westelijk deel van de zogenaamde EHS-kwadrant zijnde de EVZ Nijdjip.

Hiermee past de ontwikkeling van de ecologische verbindingszone volledig in het gemeentelijk beleid. Onderhavig sfeerbeeld is onderdeel van de structuurvisie, waarbij de beleidsvoornemens voor wat betreft het grensgebied van de gemeente Tytsjerksteradiel en Leeuwarden zijn geïllustreerd. In het rode kader is het plangebied voor de EVZ Nijdjip weergegeven.

Afb. 22 Sfeerbeeld grensgebied Leeuwarden – Tytsjerksteradiel (plangebied rood kader)

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 21

4.4.2. Ontwerp omgevingsvisie Tytsjerksteradiel 2021 – 2040 De omgevingsvisie geeft aan wat we willen bereiken in Tytsjerksteradiel. Hiervoor hebben we ambities geformuleerd die een vooruitblik bieden naar 2040. Hoe die ambities verwezenlijkt gaan worden wordt beschreven in het later vast te stellen omgevingsplan, mogelijke nieuwe programma's en al bestaande beleidsdocumenten. De omgevingsvisie is in 2021 als ontwerp vastgesteld, dus het betreft nog geen formeel vigerend beleid. Als er zich nieuwe initiatieven aandienen, en ook als de gemeente zelf plannen heeft, wordt bekeken of deze voldoen aan het volgende: ▪ Past het binnen de ambities van de omgevingsvisie? ▪ Is er rekening gehouden met het afwegingskader van acht algemene uitgangspunten van de omgevingsvisie: 1. WONEN: iedere inwoner een passende woning 2. WERKEN iedere inwoner toegang tot werkgelegenheid 3. ECONOMIE vitaal en toekomstgericht 4. LEEFOMGEVING gezond, veilig en groen 5. ONTMOETINGSPLEKKEN EN VOORZIENINGEN toegankelijk voor iedereen 6. MOBILITEIT gezond, vlot en veilig 7. KLIMAAT EN BIODIVERSITEIT voorkomen, herstellen en aanpassen 8. SCHONE ENERGIE beschikbaar voor iedere inwoner Het planvoornemen geeft invulling aan zowel uitgangspunt 4 als 7.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 22

5.

Omgevings- en milieuaspecten

5.1. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat indien een planvoornemen geluidgevoelige bestemmingen of nieuwe geluidbronnen mogelijk maakt de geluidhinderaspecten moeten worden onderzocht. In het betreffende project is sprake van de realisatie van nieuwe natuur. Dit betreft geen geluidsgevoelige bestemming. Daarnaast liggen er geen geluidsgevoelige functies in de directe omgeving van het projectgebied, en heeft de EVZ Nijdjip geen akoestische gevolgen voor de omgeving. Een akoestisch onderzoek is niet nodig. Concluderend kan gesteld worden dat er op het gebied van geluidhinder geen knelpunten zullen optreden.

5.2. Luchtkwaliteit Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit aangepakt moeten worden. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de Minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die ‘niet in betekenende mate’ (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.

In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 Vg/m3 NO2 of PM10) als ‘niet in betekenende mate’ wordt beschouwd. Het beoogde planvoornemen leidt vanwege het ontbreken van uitstoot niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor de aanlegfase is er een tijdelijke toename in uitstoot door werkmaterieel en verkeersbewegingen van uitvoerend personeel, en in de gebruiksfase zal er zeer incidenteel verkeer zijn in verband met beheer en onderhoud. In de huidige situatie vindt echter ook met enige regelmaat beheer en onderhoud plaats. Concluderend kan gesteld worden dat het project niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit, en er op voor dit aspect derhalve geen knelpunten optreden.

5.3. Verkeer en parkeren De aanleg van de EVZ Nijdjip heeft geen gevolgen op het gebied van mogelijke verkeerstoename en/of benodigde parkeercapaciteit in het gebied. Dit aspect is niet relevant bij het planvoornemen.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 23

5.4. Bodem Er is voor het plangebied EVZ Nijdjip een asbest-, bodem- en waterbodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van diverse locaties waar herinrichting plaatsvindt. Het doel van het onderzoek is het vaststellen of ter plaatse van de onderzoekslocaties zintuiglijk sprake is van verontreiniging van grond en/of waterbodem. Het is op voorhand niet bekend of ter plaatse van de te onderzoeken locaties sprake is van bodemvreemde (asbestverdachte) materialen in de grond/waterbodem. Voorafgaand aan het verkennend bodem-, asbest- en waterbodemonderzoek is een vooronderzoek conform de vigerende NEN5725:2017 (Bodem – landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieu-hygiënisch vooronderzoek) en NEN5717:2017 (Bodem – waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieu-hygiënisch vooronderzoek) uitgevoerd. In de bodemkwaliteitskaart (via grondverzetviewer Fryslân, ter informatie hieronder weergegeven) is weergegeven dat de te verwachten algemene bodemkwaliteit voldoet aan de Achtergrondwaarde (zowel toepassings- als ontgravingskaart).

Afb. 23 Uitsnede Grondverzetviewer Fryslân met bodemkwaliteit (plangebied rood kader)

Voor de locaties, met uitzondering van locatie 06 (nabij kruising Aldemiede/Monnikenweg), geldt dat er op basis van de onderzoeksresultaten geen verhoogde risico’s voor de volksgezondheid en/ of het milieu in algemene zin worden verwacht met het oog op de voorgenomen werkzaamheden. Voor de geplande werkzaamheden in de watergangen (dempen delen van watergangen) worden milieu-hygiënisch gezien eveneens geen beperkingen verwacht. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden wordt geadviseerd de eventueel aanwezige sliblagen op de oever van de aangrenzende percelen te verspreiden. Ter plaatse van locatie 6 is sprake van een sterk verhoogd gehalte aan asbest in het halfverhardingsmateriaal. Ter plaatse is een indicatief asbestonderzoek uitgevoerd. De resultaten geven formeel aanleiding tot het uitvoeren van nader asbestonderzoek. Met het nader onderzoek conform de NEN5897 (asbest in puin) dient te worden bepaald of sprake is van een asbestweg waarvoor het Besluit asbestwegen milieubeheer van toepassing is. Het uitvoeren van graafwerkzaamheden in de halfverharding op locatie 06 is mogelijk een sanerende handeling. Voorafgaande eventuele

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 24

graafwerkzaamheden op de locatie dient een plan van aanpak/BUS-melding te worden ingediend bij het bevoegd gezag voor goedkeuring. De ontgraving ten behoeve van de NVO / stapstenen kan op grond van de Ontgrondingenverordening Friesland aangemerkt worden als “ontgronding, bestaande uit het aanleggen of wijzigen van waterstaatswerken, waterkeringen daaronder begrepen, door of op last van rijk, provincie of waterschap uit te voeren” (artikel 2, lid 1, sub a). Hiervoor is geen ontgrondingsvergunning nodig. Wel geldt er mogelijk, indien de hoeveelheid te ontgraven en in depot te zetten/af te voeren grond de drempelwaarde van 3.000 m3 ruim overschrijdt, een meldingsplicht voor de ontgronding. Over dit onderdeel en de verdere beoordeling daarvan vindt afstemming plaats met de FUMO. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen.

5.5. Conventionele explosieven Er is een bureaustudie uitgevoerd naar het risico op het aantreffen van mogelijk achtergebleven Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog voor het plangebied. Op onderhavige afbeelding is het onderzoeksgebied en de mate van verdenking op conventionele explosieven weergegeven.

Afb. 24 Bodembelastingkaart Conventionele explosieven

Op basis van het indicatie-onderzoek zijn er geen feitelijk herleidbare gegevens achterhaald waaruit blijkt dat er binnen het onderzoeksgebied Ontplofbare Oorlogsresten verwacht hoeven te worden. Op basis van het contra-indicatieonderzoek is vastgesteld dat er met name in de periode 1981-2000 op beperkte Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 25

schaal bodemroerende activiteiten hebben plaatsgevonden die een risico-verlagend effect kunnen hebben gehad. Derhalve is het advies om het opsporingsproces voor dit plangebied niet verder voort te zetten en het opsporingsproces te beëindigen. Dit houdt in dat de geplande werkzaamheden regulier uitgevoerd kunnen worden. Wel dient bij de uitvoering te allen tijde rekening gehouden te worden met het aantreffen van toevalsvondsten (conform “Protocol Toevalsvondst”).

5.6. Water In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te toetsen op water, de zogenaamde watertoets. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. De planvorming en technische uitwerking van de maatregel EVZ Nijdjip is door de provincie in nauwe samenwerking met het Wetterskip uitgevoerd en gezamenlijk vastgesteld. Wetterskip Fryslân) maakt) gebruik) van) de) digitale) watertoets. Voor onderhavige ruimtelijke onderbouwing is deze ingevuld. Hieruit volgt dat voor de ingrepen de normale procedure geldt, waarbij het Wetterskip een wateradvies zal uitbrengen over het planvoornemen. Gezien het partnerschap van het Wetterskip in de voorbereiding van het planvoornemen is niet de verwachting dat dit nog tot aanvullende wensen / eisen zal leiden. Het planvoornemen is derhalve via de digitale watertoets formeel kenbaar gemaakt aan het Wetterskip, zodat de procedure verder kan worden opgepakt. In deze paragraaf worden de belangrijkste punten uit de digitale watertoets behandeld.

Toename verharding Bij een toename aan verharding ontstaat een versnelde afvoer van hemelwater. In die gevallen is het nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Er vindt bij planvoornemen echter geen toename aan verharding plaats. In plaats daarvan wordt er juist meer oppervlaktewater en dus berging aan het watersysteem toegevoegd, waarbij tevens de ecologische en milieu-hygiënische toestand van het waterlichaam Nijdjip naar verwachting sterk zal verbeteren.

Europese Kaderrichtlijn Water (krw) Het planvoornemen raakt een ecologische opgave die is aangewezen vanuit Kaderichtlijn Water. Het planvoornemen is de daadwerkelijke invulling van deze ecologische opgave. Met de realisatie van deze inrichting wordt bijgedragen aan KRW-doelen voor deze watergangen. Het betreft de POP3 categorieën: ‘verbreden van te smalle overige hoofdwatergangen’ en ‘natuurvriendelijk inrichten van KRWboezemkanalen, en ecologisch belangrijke (KRW-) hoofdwatergangen’. Deze maatregelen hebben tot doel: verbetering waterkwaliteit, vergroting biodiversiteit door toename waterplanten, macrofauna, vissen en fauna. Tevens hebben maatregelen tot gevolg: vergroting berging boezem, vergroting berging in deelsystemen en daarmee een robuust watersysteem. Het gaat om een totaallengte van ca. 6 kilometer aan natuurvriendelijke oevers en/of verbreding van te smalle watergangen. Op het traject van het Nijdjip realiseert de Gebiedsontwikkeling De Centrale As een extra strook “droge” natuur op vrijwillige basis. Tevens worden kunstwerken ecologisch passeerbaar gemaakt. Hiermee wordt een sobere en doelmatige ecologische verbindingszone gerealiseerd over een lengte van ca. 5 kilometer. Op navolgende afbeelding is de onderverdeling in KRW-opgaven weergegeven.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 26

Afb. 25 KRW-opgaven EVZ Nijdjip

Vrij voor de boezem Het planvoornemen ligt binnen de boezem en wordt derhalve niet door de kade beschermd tegen hoogwater. Het plan betreft echter geen bouwvoornemen, maar juist een gedeeltelijke herinrichting van de boezem. Hierbij wordt enerzijds een natuurvriendelijke oever met “droge” natuurzone gerealiseerd, en anderzijds de bestaande kade ca. 17 m landinwaarts geplaatst en (waar nodig) op hoogte gebracht conform de geldende veiligheidsnormering. Er ontstaat derhalve geen conflict met dit beleidsaspect.

Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 27

Dempen of graven van oppervlaktewater Als gevolg van de verlegging van de kaden worden kavelsloten op de kopse kant gedempt. Deze dempingen worden ruimschoots gecompenseerd door het extra oppervlaktewater dat binnen de her in te richten trajecten langs de Nijdjip wordt gegraven ten behoeve van de realisatie van de natuurvriendelijke oevers en de stapstenen.

Regionale en lokale kering Door de aanleg van de natuurvriendelijke oevers wordt de kade in het boezemdeel ca. 17 m landinwaarts verplaatst. De nieuwe kade krijgt verder een hoogte van 0,65 m +NAP met een heel flauw talud, waar de huidige kade op ca. 0,00 tot 0,50 m +NAP ligt. De hoogte van de aanliggende gronden varieert over het gehele traject van ca. 0,50 m -NAP tot 1,40 m -NAP. De waterveiligheid van het achterland blijft daarmee (beter dan voorheen) gewaarborgd. Door de relatief kleine hoogteverschillen en het flauwe talud van de nieuwe kade zal deze visueel nauwelijks anders waarneembaar zijn dan de kade in de huidige situatie.

Hoofdwater De aan-, af- en doorvoerfunctie van het hoofdwater de Nijdjip blijft gehandhaafd en wordt na herinrichting structureel beter door vergroting van het bergingsvermogen. De bereikbaarheid voor beheer en onderhoud door het Wetterskip blijft gegarandeerd.

Resumerend Concluderend wordt gesteld dat het planvoornemen aansluit bij het waterbeleid en er vanuit waterhuishoudkundige aspecten geen knelpunten aanwezig zijn die de realisatie ervan in de weg staan.

5.7. Archeologische en aardkundige waarden Er is eerst een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het planvoornemen. De daarbij uit te voeren bodemingrepen kunnen leiden tot aantasting van in de ondergrond aanwezige archeologische waarden. Het doel van het onderzoek is vast te stellen wat de kans is op de aanwezigheid van archeologische waarden. Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied een middelhogetot hoge kans op de aanwezigheid van resten van bewoning uit de steentijd op relatieve dekzandhoogten en een middelhoge kans op de aanwezigheid van resten van bewoning uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd in het gehele gebied. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn in het plangebied 158 gutsboringen uitgevoerd. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de ondergrond van het plangebied uit dekzand bestaat waarin slechts zeer plaatselijk enige podzolvorming heeft plaatsgevonden. Op de meeste delen van het plangebied is boven het dekzand nog veen aanwezig, maar in het onderliggende dekzand ontbreken aanwijzingen dat hier in de steentijd omstandigheden hebben plaatsgevonden die geschikt waren voor bewoning.

De locaties waar wel podzolvorming heeft plaatsgevonden, liggen niet in zones die in de steentijd aantrekkelijk waren voor menselijke bewoning (zoals aan gradiëntzones grenzende dekzandkoppen bijvoorbeeld). Zorgvuldige inspectie van de top van het dekzand in het plangebied heeft nergens archeologische indicatoren opgeleverd. Zelfs houtskooldeeltjes, die gewoonlijk in een ruime spreiding rond steentijdvindplaatsen voorkomen, ontbreken volledig. Archeologische indicatoren in de bovenliggende afzettingen die zouden kunnen wijzen op sporen van bewoning of ontginning uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd zijn evenmin aangetroffen. De enige zone die in de steentijd een aantrekkelijke locatie was voor menselijke bewoning, ligt tussen de Sluterspoel en de Gaestmabuorren. Hier is een dekzandkop aanwezig met daarop resten van podzolvorming, met ten zuiden daarvan een pingoruïne waarin een meters dik pakket veen is Rapport | Ruimtelijke onderbouwing EVZ Nijdjip 28

gevormd. Op onderhavige afbeelding is ter informatie het onderzoeksgebied met de archeologische verwachtingenkaart en daaraan gekoppeld benodigd onderzoek weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=59f28fec-5f3c-40d9-b684-8a7b6fca6424