09 - Bijlage 2e - Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
In de boringen 377, 386, 387 en 406 is de bodem verstoord tot 0,9 m -Mv of meer. In de boringen 384, 393, 394 en 496 bevindt zich onder de toplaag een circa 0,1 m dikke veenlaag (zwak zandig, donkerbruin, veraard veen). Onder het veen of onder de toplaag ligt dekzand (matig fijn, zwak tot matig siltig, soms humeus, bruin tot lichtgeelgrijs zand). In het lager gelegen deel van de vindplaats bevinden zich in het zand siltlaagjes en in boring 382 enkele detrituslaagjes. Waarschijnlijk is de top van het dekzand verspoeld. Op de hoger gelegen delen van de vindplaats is in de top van het zand een podzolbodem aanwezig. In de boringen 364, 365, 368, 402 en 500 is nog een B-horizont aanwezig en in de boringen 364, 402 en 500 ook nog een deels verploegde E-hori zont. In de overige boringen op het hoger gelegen deel van de vindplaats resteert soms nog een BC-
29
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
horizont of is de bodem verstoord tot in de C-horizont. In het lager gelegen deel van de vindplaats heeft zich waarschijnlijk nooit een podzolbodem gevormd. Ter hoogte van de borin gen met een intacte podzolbodem is een megaboring gezet en is het opgeboorde zand nat ge zeefd over een zeef met een maaswijdte van 2 mm. In de 5 megaboringen is in het zeef residu houtskool aangetroffen. In boring 500, gezet op de noordelijke zandkop, zijn 2 mogelijke vuur stenen afslagen gevonden (bijlage 2: vondstnummer 2; ARCHIS-vondstmeldingsnummer 413859). Op de zuidelijke zandkop is in boring 402 een verbrande vuurstenen afslag gevonden (vondstnummer 3). Tevens is hier aan het maaiveld een fragment handgevormd, organisch gemagerd aardewerk gevonden (vondstnummer 4). Het is onduidelijk of dit aardewerk tot de vindplaats behoort of afkomstig is uit secondaire context (bemesting). Conclusies en aanbevelingen: het onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd voor een vindplaats uit de Steentijd, waarschijnlijk het Mesolithicum. De FAMKE hanteert een ruime bufferzone rondom de vondstlocatie. Op basis van het huidige onderzoek is de begrenzing van de vindplaats nader bepaald. Uit de boringen rondom boring 402 blijkt dat het zuidelijke deel van de vindplaats diep is verstoord. Dit gedeelte van de vindplaats is naar verwachting slecht geconserveerd en wordt niet behoudenswaardig geacht.
Voor het zuidelijke deel van de vindplaats wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. In het noordelijke deel van de vindplaats is de bodem minder diep verstoord. Dit gedeelte van de vindplaats is naar verwachting matig geconserveerd. De vondstlaag zal grotendeels afwezig zijn, maar dieper ingegraven sporen kunnen nog wel aanwezig zijn. Voor het noordelijke deel van de vindplaats wordt een proefsleuvenonderzoek aanbevolen. Op basis van de resultaten van dit proefsleuvenonderzoek kan door de bevoegde overheid een welover wogen beslissing genomen worden over de behoudenswaardigheid van de vindplaats. Proef sleuvenonderzoek dient plaats te vinden op basis van een door de bevoegde overheid goed gekeurd Programma van Eisen (PvE).
Vuursteenvindplaats IV Centrumcoördinaten: 200.130/579.120 Kaartblad: 6D ARCHIS-waarnemingsnummer: 238325 Catalogusnummer: 276 (Ten Anscher e.a., 2004) Vondstmateriaal voorgaand onderzoek: enkele vuurstenen afslagen gevonden bij de aanleg van een gasleiding (juli 1971). Datering: Steentijd, vermoedelijk Mesolithicum Huidig grondgebruik: grasland, sloot, zandwinplas Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: de vindplaats ligt binnen het plangebied. Vermoedelijk is de bodemopbouw sterk verstoord als gevolg van de aanleg van een gasleiding, die direct ten zuiden van de vindplaats ligt. Volstaan kan worden met een verdichting van het boorgrid. Als sprake blijkt te zijn van een intacte bodemopbouw, dient over de vindplaats een kruisraai gezet te worden met boringen om de 10 m Tevens dient, indien mogelijk, een oppervlaktekar tering uitgevoerd te worden. Boringen: 310 t/m 314 en 318
30
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Resultaten booronderzoek: van de eventuele vindplaats resteert nog maar een zeer klein deel. De noordzijde is afgegraven ten behoeve van de zandwinning en aan de zuidzijde ligt een brede strook met gastransportleidingen. Een klein gedeelte van de vindplaats overlapt met de mogelijke pingoruïne 11. De bodemopbouw bestaat uit een 0,3 tot meer dan 1,6 m dikke bouwvoor/ verstoorde laag op zand. In de boringen 312, 314 en 318 betreft het dekzand (matig fijn, zwak tot matig siltig, grijsbruin tot grijsgeel zand) en in de boringen 310 en 331 keizand (matig fijn, zwak siltig, zwak grindig, lichtgroengrijs zand). In de top van het zand is geen podzolbodem waargenomen. De top van het dekzand is veelal diep verstoord, behalve in boring 314. De humeuze top van het dekzand in deze boring wijst erop dat de bodem hier niet sterk verstoord is. De boringen 315 en 316 die buiten de vindplaats gezet zijn, vertonen dezelfde bodemopbouw, maar dan nog met een laag veen tussen de toplaag en het zand. volgens de geomorfologische kaart zijn de boringen 314, 315 en 316 gezet in een dalvormige laagte. Naar verwachting zal hier nooit een podzolbodem in de top van het zand gevormd zijn. Conclusies en aanbevelingen: vindplaats IV is als gevolg van zandwinning en de aanleg van gastransportleidingen volledig verstoord. Ook eventueel dieper ingegraven sporen worden niet meer verwacht.
Voor deze locatie wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
Vuursteenvindplaats V Centrumcoördinaten: 200.870/578.440 Kaartblad: 6G Catalogusnummer: 333 (Ten Anscher e.a., 2004) Vondstmateriaal voorgaand onderzoek: oppervlaktevondsten bestaande uit 5 vuurstenen artefacten. Datering: Mesolithicum Toenmalig grondgebruik: akker (1991) Huidig grondgebruik: grasland Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: de vindplaats ligt buiten het plangebied. Alleen de bufferzone rondom de vindplaats ligt deels binnen het plangebied. Deze vindplaats wordt niet genoemd in het PvA. In overleg met de provincie is besloten om dezelfde methoden te han teren als bij de vuursteenvindplaatsen I en II. Volstaan kan worden met een verdichting van het boorgrid. Als sprake is van een intacte bodemopbouw, dient het grid verdicht te worden met megaboringen. Tevens dient, indien mogelijk, een oppervlaktekartering uitgevoerd te worden. Boringen: 449 t/m 453 Resultaten booronderzoek: de bodemopbouw bestaat uit een 0,55 tot 0,65 m dikke bouwvoor/verstoorde laag op dekzand (matig fijn, zwak tot matig siltig, bruingeel tot lichtgeelgrijs zand). De top van het dekzand is diep verstoord. In het dekzand is geen podzolbodem waarge nomen. Conclusies en aanbevelingen: de bodem is diep verstoord. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een vindplaats uit de Steentijd. Voor deze locatie wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
31
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
3.4 Resultaten waarderend onderzoek pingoruïnes In onderzoeksgebied Skûlenboarch bevinden zich 12 mogelijke pingoruïnes. Op deze locaties heeft een waarderend onderzoek plaatsgevonden conform de voorschriften in het PvA. Hieronder worden de resultaten van het onderzoek per locatie besproken. Ingegaan wordt op de onderzoeks methode, het resultaat van het veldonderzoek en de aanbevelingen voor eventueel vervolgonder zoek. Voor het bepalen of het al dan niet om een pingoruïne gaat, worden door de provincie Fryslân 5 criteria gehanteerd (Kluiving & Verbers, 2007): 1. De wanden van een pingoruïne hebben een steile helling en de aanwezige depressie is opgevuld met veen en/of humeuze leem. 2. Rondom de depressie is mogelijk een pingowal aanwezig of aanwezig geweest. 3. Een pingoruïne heeft een min of meer ronde of ovale vorm. 4. De vulling van de grotere pingoruïnes heeft meestal een standaard opbouw. De pleistocene ondergrond bestaat uit vaak uiterst fijn (dek)zand. De vulling bestaat uit humeuze leem met veen daarboven. Meestal ligt boven het veen een antropogeen bewerkte deklaag. Soms loopt het veen door tot aan het maaiveld of is er water aanwezig. 5. Aan het maaiveld is een lichte depressie aanwezig die vaak met water is opgevuld.
Mogelijke pingoruïne 1 Centrumcoördinaten: 200.386/579.298 Kaartblad: 6G Huidig grondgebruik: grasland Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: deze pingoruïne ligt grotendeels buiten het plangebied. Het is niet aannemelijk dat het daadwerkelijk om een pingoruïne gaat. Voor deze locatie is een quickscan voorgeschreven. Ook in het centrum van de pingoruïne dient een boring gezet te worden, ondanks het feit dat deze locatie buiten het plangebied ligt. Boringen: 466 t/m 471 Resultaten booronderzoek: de westzijde van deze mogelijke pingoruïne wordt doorsneden door transportleidingen van de NAM en de Gasunie. De pingoruïne ligt geheel binnen de buffer zone van een vuursteenvindplaats (zie vuursteenvindplaats I). Op het onderzochte perceel is een smalle, noord-zuid georiënteerde depressie aanwezig. Het centrum van de pingoruïne ligt in deze depressie. Boring 466 is gezet in het centrum: uit deze boring blijkt dat de depressie een diepte heeft van circa 2,5 m. De bodemopbouw bestaat uit een 0,5 m dikke bouwvoor op een 1,6 m dikke verstoorde laag (sterk zandige, zwak grindige, lichtgroengrijze leem, met zand en keileembrokken). Op 2,1 m -Mv is een 0,3 m dikke laag veen (zwak zandige, lichtgroenbruine gyttja) aanwezig. Hieronder bevindt zich zand (matig fijn, zwak siltig, grijs tot bruingrijs zand, in de top zwak humeus). Ook in boring 471 is de depressie aangetroffen.
Onder een 1,6 m dikke bouwvoor/verstoorde laag bevindt zich hier keileem (sterk zandige, zwak grindige, lichtgroengrijze leem). In de boringen 467 t/m 470 is de bodemopbouw zeer anders. Onder een circa 0,5 m dikke bouwvoor ligt een 0,05 tot 0,1 m dikke veenlaag (zwak tot sterk zandig, donkerbruingrijs, amorf veen) met daaronder dekzand (matig tot zeer fijn, matig siltig, bruingeel tot donkergrijsgeel, compact zand, in de top zwak humeus). In boring 470 is onder het dekzand keileem aangetroffen (sterk zandige, zwak grindige, lichtgroengrijze leem).
32
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Conclusies en aanbevelingen: het betreft een minder dan 20 m brede en circa 100 m lange, noordzuid georiënteerde depressie. De depressie is grotendeels dichtgestort en er resteert nog maar een zeer dunne veenlaag. Op basis van de vorm en de bodemopbouw wordt gecon cludeerd dat het geen pingoruïne betreft. Mogelijk gaat het om een dichtgestorte sloot. Aan wijzingen voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats (zie vuursteenvindplaats I) zijn niet aangetroffen. Voor deze locatie wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
Mogelijke pingoruïne 2 Centrumcoördinaten: 200.225/578.832 Kaartblad: 6D Huidig grondgebruik: grasland Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: naar verwachting betreft het een drinkpoel/dobbe. Het is twijfelachtig of het daadwerkelijk om een pingoruïne gaat. Voor deze locatie is een quick scan voorgeschreven. Boringen: 92 t/m 95 Resultaten booronderzoek: in het centrum van deze mogelijke pingoruïne is een drenkkuil aanwezig. In boring 92 (gezet in het centrum van de pingo) bestaat de bodemopbouw uit een 0,45 m dikke bouwvoor op een 1,45 m dikke verstoorde laag (matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, bruingrijs zand met zand-, veen- en leembrokken). Op 1,9 m -Mv is potklei aange troffen (zwak siltige, matig stevige, zwak humeuze, donkerbruingrijze klei). In de overige boringen bestaat de bodemopbouw uit een 0,45 tot 0,8 m dikke bouwvoor/verstoorde laag op dekzand (matig fijn, zwak siltig, bruingrijs tot lichtgeelgrijs zand). Conclusies en aanbevelingen: het betreft geen pingoruïne, maar een dobbe die deels is dichtgestort. Voor deze locatie wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
Mogelijke pingoruïne 3 (zie figuur 8) Centrumcoördinaten: 201.941/579.775 Kaartblad: 6G Huidig grondgebruik: grasland Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: het is niet aannemelijk dat het daadwerkelijk om een pingoruïne gaat. Voor deze locatie is een quickscan voorgeschreven. Boringen: 92 t/m 95 Resultaten booronderzoek: de toplaag bestaat uit een circa 0,25 tot 0,45 m dikke bouwvoor. In de boringen 224, 225 en 226 bevindt zich hieronder een 0,15 tot 1,0 m dikke verstoorde laag (matig fijn, matig siltig, zwak humeus, lichtgeelgrijs tot bruingrijs zand). Onder de bouwvoor/ verstoorde laag ligt zand (matig fijn, matig tot sterk siltig, zwak grindig, lichtgrijsgeel tot lichtgrijs zand) op 0,45 tot 1,3 m -Mv. Conclusies en aanbevelingen: het betreft geen pingoruïne, maar een ondiepe, dichtgestorte depressie. Mogelijk betreft het een uitblazingskom. Voor deze locatie wordt geen archeo logisch vervolgonderzoek aanbevolen.
33
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Pingoruïne 4 (figuren 7 en 8) Centrumcoördinaten: 201.880/579.588 Kaartblad: 6G Huidig grondgebruik: grasland en bos Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: waarschijnlijk betreft het een pingoruïne. Op deze locatie dienen in eerste instantie één tot enkele boringen in de kern gezet te worden. Indien hieruit blijkt dat het daadwerkelijk om een pingoruïne gaat, dient overgegaan te worden op een waarderend booronderzoek. Over de pingoruïne dient een kruisraai gezet te worden met boringen om de 15 tot 20 m. Het onderzoek dient om de begrenzing van de pingoruïne vast te stellen en om te bepalen of er nog een ringwal aanwezig is. Boringen: 213, 214, 285, 286 en 288 Resultaten booronderzoek: op basis van de boring in het centrum wordt verwacht dat het daadwerkelijk om een pingoruïne gaat. Daarom is overgegaan tot een waarderend onderzoek. De toplaag van de vulling van de pingoruïne bestaat uit een 0,25 tot 0,45 m dikke bouwvoor/verstoorde laag. Hieronder bevindt zich een 0,2 tot 0,4 m dikke veenlaag (mineraalarm tot sterk zandig, bruin tot donkerbruingrijs, veraard veen). In de boringen 285, 481 en 482 ligt het veen direct aan het maaiveld.
Onder het veen ligt een 0,2 tot 0,4 m dikke zandlaag (matig fijn tot zeer fijn, matig siltig, geelgrijs tot grijsbruin zand, met silt- en detrituslagen), met daaronder een 0,1 tot 1,0 m dik veenpakket (mineraalarm tot zwak zandig, bruin detritusveen of amorf veen met in de top vaak enkele zandlagen). Onder het veen bevindt zich (dek)zand (matig fijn, zwak tot matig siltig, lichtbruingrijs tot lichtgeelgrijs zand, veelal met siltlagen). Op het diepste punt (boring 286) ligt de top van het zand op 1,95 m -Mv. Aanwijzingen voor de aan wezigheid van een ringwal of van een archeologische vindplaats zijn niet aangetroffen. Conclusies en aanbevelingen: op basis van de bodemopbouw en de vorm van de depressie is het aannemelijk dat het om een pingoruïne gaat. De pingoruïne is echter vrij ondiep en de hellingen zijn niet zeer steil. Vermoedelijk is de pingo niet tot volle wasdom gekomen voordat de ijskern is afgesmolten. Een pingowal is niet aangetroffen. Gezien de geringe diepte van pingoruïne 4 is het niet waarschijnlijk dat zich rondom de pingo een geprononceerde pingowal heeft gevormd. De vulling heeft op basis van de aard, de dikte en relatief hoge zandigheid van de organische lagen een matige paleobotanische waarde. Onbekend is of in de vulling paleobotanische resten (pollen) aanwezig zijn uit de periode Laat Paleolithicum t/m Vroege Bronstijd.
Tijdens het onderzoek van de pingoruïne zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor een archeologische vindplaats. Pingoruïne 4 ligt in een relatief laaggelegen gebied dat niet aantrekkelijk was als nederzettingslocatie. De verwachting voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats is daarom laag. Op basis van de matige paleobotanische waarde en de lage archeologische verwachting wordt pingoruïne 4 niet behoudenswaardig geacht. Voor deze pingoruïne wordt geen archeologisch en paleobotanisch vervolgonderzoek aanbevolen.
34
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Figuur 7. Pingoruïne 4, boorraai B-B’.
35
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
OHJHQGD
ERULQJHQ
]RQGHUDUFKHRORJLVFKHLQGLFDWRUHQ
PHWYHHQ
PHWLQWDFWHSRG]RO
PHWYXXUVWHHQ PHWKRXWVNRRO
&
PHJDERULQJ
$ $ ERRUUDDLPHWUDDLOHWWHUV
RYHULJ
SLQJRUXwQH
EHJUHQ]LQJYXXUVWHHQYLQGSODDWV
,,,
EHVWDDQGHOHLGLQJHQ
%
JUHQVSODQJHELHG
%
7DVZZRU73DSULO
QXPPHUYXXUVWHHQYLQGSODDWV YHUYROJRQGHU]RHNDDQEHYROHQ
QXPPHUSLQJRUXwQH DWWHQWLHJHELHG0LGGHOHHXZHQ
ERRUQXPPHU
P
Figuur 8. Resultaten onderzoek (mogelijke) pingoruïnes 4 en 7.
36
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Mogelijke pingoruïne 5 Centrumcoördinaten: 201.550/579.212 Kaartblad: 6G Huidig grondgebruik: grasland en bos Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: uit eerder onderzoek (Bongers & Jelsma, 2009) is gebleken dat het om een pingoruïne gaat. De bodemopbouw is echter sterk verstoord, waardoor de venige vulling grotendeels verdwenen is. Tijdens het onderzoek is in de omgeving van de pingoruïne een vuurstenen kling gevonden, vermoedelijk uit het Mesolithicum (ARCHIS-vondstmeldingsnummer 411027). In het kader van onderhavig onderzoek is deze pingoruïne niet nader onderzocht.
Mogelijke pingoruïne 6 Centrumcoördinaten: 202.472/580.040 Kaartblad: 6G Huidig grondgebruik: grasland Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: deze pingoruïne ligt grotendeels buiten het plangebied. Het is niet aannemelijk dat het daadwerkelijk om een pingoruïne gaat. Voor deze locatie is een quickscan voorgeschreven. Boringen: 279, 280 en 281 Resultaten booronderzoek: in het centrum van deze mogelijke pingoruïne is een drenkkuil aanwezig. De bodemopbouw bestaat uit een 0,35 tot 0,7 m dikke bouwvoor/verstoorde laag op zand (matig tot zeer fijn, matig tot sterk siltig, soms grindig, grijsbruin tot lichtgeelgrijs zand). Conclusies en aanbevelingen: er is geen sprake van een pingoruïne. Voor deze locatie wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
Mogelijke pingoruïne 7 (figuren 8 en 9) Centrumcoördinaten: 202.160/579.761 Kaartblad: 6G Huidig grondgebruik: grasland Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: de kans is reëel dat het een pingoruïne betreft. Op deze locatie dienen in eerste instantie één tot enkele boringen in de kern gezet te worden. Indien hieruit blijkt dat het daadwerkelijk om een pingoruïne gaat, dient overgegaan te worden op een waarderend booronderzoek. Over de pingoruïne dient een kruisraai gezet te worden met boringen om de 15 tot 20 m. Het onderzoek dient om de begrenzing van de pingoruïne vast te stellen en om te bepalen of er nog een ringwal aanwezig is. Boringen: 258, 259, 274 en 282. Resultaten booronderzoek: op basis van de quickscan kon nog niet bepaald worden of het al dan niet om een pingoruïne gaat. In overleg met de provincie zijn enkele aanvullende boringen gezet om hier duidelijkheid over te krijgen. De toplaag bestaat uit een 0,2 tot 0,5 m dikke bouwvoor/ verstoorde laag. Soms ligt hieronder een circa 0,1 m dikke veenlaag (zwak tot sterk zandig, donkerbruingrijs, veraard veen). Onder de toplaag of het veen ligt een 0,4 tot 0,65 m dikke zandlaag (matig fijn, zwak tot matig siltig, vaak zwak humeus of met humusvlekken, grijsbruin tot lichtgeelgrijs zand, veelal met siltlagen).
Onder het zand ligt een 0,15 tot 0,85 m dik veenpakket (mineraalarm tot sterk zandig, bruin zeggeveen, detritusveen of amorf veen, vaak met enkele zandlagen).
37
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Figuur 9. Mogelijke pingoruïne 7, boorraai C-C’.
38
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Onder het veen ligt (dek)zand (matig fijn, bruingeel tot lichtgeel grijs zand). Op het diepste punt (boring 486) ligt de top van het zand op 1,60 m -Mv. Aanwij zingen voor de aanwezigheid van een ringwal of van een archeologische vindplaats zijn niet aangetroffen. Conclusies en aanbevelingen: de bodemopbouw lijkt sterk op die van de nabijgelegen pingoruïne 4. De depressie is echter nog minder diep en de helling is zeer flauw, met name richting het noordoosten. Op basis van de gehanteerde criteria wordt geconcludeerd dat het vermoedelijk niet om een pingoruïne gaat, maar om een ander type met veen opgevulde depressie (bijv. een uitblaaskom). De vulling van de depressie heeft op basis van de aard, de dikte en relatief hoge zandigheid van de organische lagen een lage paleobotanische waarde. Tijdens het onder zoek van zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor een archeologische vindplaats. Voor deze locatie wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
Mogelijke pingoruïne 8 (zie figuur 5) Centrumcoördinaten: 200.931/578.765 Kaartblad: 6G Huidig grondgebruik: grasland en deels bebouwd Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: naar verwachting betreft het een drinkpoel/dobbe. Het is twijfelachtig of het daadwerkelijk om een pingoruïne gaat. Voor deze locatie is een quick scan voorgeschreven. Boringen: 411, 412, 413, 417 en 418 Resultaten booronderzoek: in boring 411, die in het midden van de mogelijke pingoruïne is gezet, bestaat de bodemopbouw uit een 0,55 m dikke bouwvoor/verstoorde laag op een 0,1 m dikke veenlaag (sterk zandig, grijsbruin detritusveen). Onder het veen ligt dekzand (matig fijn, ma tig tot zwak siltig, grijsgeel tot lichtgeelgrijs zand, in de top zwak humeus). Onder het dekzand ligt keileem (sterk zandige, zwak grindige, lichtgroengrijze leem). In de overige boringen bestaat de bodemopbouw uit een 0,2 tot 0,6 m dikke bouwvoor op dekzand. Conclusies en aanbevelingen: er is geen sprake van een pingoruïne. Voor deze locatie wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
Mogelijke pingoruïne 9 (zie figuur 5) Centrumcoördinaten: 200.880/578.669 Kaartblad: 6G Huidig grondgebruik: grasland en deels bebouwd Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: naar verwachting betreft het een drinkpoel/dobbe. Het is twijfelachtig of het daadwerkelijk om een pingoruïne gaat. Voor deze locatie is een quick scan voorgeschreven. Boringen: 423, 424, 425 en 431 Resultaten booronderzoek: aan het maaiveld is geen depressie zichtbaar. In alle boringen be staat de bodemopbouw uit een 0,5 tot 0,65 m dikke bouwvoor op dekzand (matig fijn, zwak siltig, lichtgeelgrijs zand). Conclusies en aanbevelingen: er is geen sprake van een pingoruïne. Voor deze locatie wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
39
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Mogelijke pingoruïne 10 (zie figuur 5) Centrumcoördinaten: 201.106/578.613 Kaartblad: 6G Huidig grondgebruik: grasland, bebouwd, tuin, weg en water Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: de kans is reëel dat het een pingoruïne betreft. Op deze locatie dienen in eerste één tot enkele boringen in de kern gezet te worden. Indien hieruit blijkt dat het daadwerkelijk om een pingoruïne gaat, dient overgegaan te worden op een waarderend booronderzoek. Over de pingoruïne dient een kruisraai gezet te worden met boringen om de 15 tot 20 m. Het onderzoek dient om de begrenzing van de pingoruïne vast te stellen en om te bepalen of er nog een ringwal aanwezig is. Boringen: 298, 299, 300 en 302 Resultaten booronderzoek: deze mogelijke pingoruïne bevindt zich in de tuin/erf van een woning en is deels overbouwd. Ten oosten ervan ligt een pad (Mounekamp). Binnen het onderzochte perceel liggen 2 gastransportleidingen. Ook ligt er een vijver met een diameter van circa 30 m. In de boringen langs de rand van deze vijver (boringen 298 en 299) bestaat de bodemopbouw uit een 0,65 tot 0,95 m dikke verstoorde laag op een 0,15 tot 0,35 m dikke veenlaag (zwak tot sterk zandig, grijsbruin tot bruin zeggeveen of amorf veen). Onder het veen bevindt zich (dek-) zand (matig siltig, matig fijn, bruingeel tot lichtgeel zand) op 1,0 tot 1,1 m -Mv.
Beide boringen zijn tot minstens een meter in het zand gezet om te controleren of het mogelijk tot de vulling van de pingoruïne behoord. In de boringen 300 en 302 bestaat de bodemopbouw uit een 0,75 tot 0,85 m dikke bouwvoor/verstoorde laag op dekzand (matig fijn, matig siltig, bruingeel tot lichtgeelgrijs zand). Op 1,1 tot 1,3 m is in deze boringen keileem (sterk zandige, zwak grindige, lichtgeelgrijze leem) aangetroffen. Conclusies en aanbevelingen: er is geen sprake van een pingoruïne. In de boringen zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Voor deze locatie wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
Mogelijke pingoruïne 11 Centrumcoördinaten: 201.738/578.758 Kaartblad: 6G Huidig grondgebruik: grasland, sloten, bos Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: de kans is reëel dat het een pingoruïne betreft. Op deze locatie dienen in eerste instantie één tot enkele boringen in de kern gezet te worden. Indien hieruit blijkt dat het daadwerkelijk om een pingoruïne gaat, dient overgegaan te worden op een waarderend booronderzoek. Over de pingoruïne dient een kruisraai gezet te worden met boringen om de 15 tot 20 m. Het onderzoek dient om de begrenzing van de pingoruïne vast te stellen en om te bepalen of er nog een ringwal aanwezig is. Boringen: 314 t/m 318 en 524 Resultaten booronderzoek: deze mogelijke pingoruïne overlapt deels met vuursteenvindplaats IV. In het zuidelijke deel van deze locatie bevinden zich meerdere gasleidingen. De bodem in dit gedeelte zal sterk verstoord zijn. In de boringen 314 t/m 317 en 524 bestaat de toplaag uit een circa 0,3 m dikke bouwvoor/verstoorde laag. In boring 318 is de bodem tot 0,6 m -Mv ver stoord. In de boringen 315, 316 en 317 ligt onder de toplaag een 0,15 tot 0,3 m dikke veen laag (sterk
40
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
zandig, donkerbruin veraard of amorf veen). Onder het veen en in de overige boringen onder de bouwvoor/verstoorde laag ligt dekzand (matig fijn, matig siltig, grijsbruin tot lichtgeelgrijs zand, in de top vaak humeus). In de top van het dekzand is geen podzolbodem aangetroffen. Gezien de relatief lage ligging zal hier nooit een podzolbodem gevormd zijn. In de boringen 314 t/m 317 is keileem (sterk zandige, zwak grindige, lichtgroengrijze leem) aangetroffen op 0,6 tot 1,1 m -Mv. Binnen de locatie zijn 3 fragmenten aardewerk uit de Middeleeuwen of de IJzertijd gevonden. In de boring die hier gezet is (boring 524), wijkt de bodemopbouw niet af van die in de omliggende boringen. De locatie ligt relatief laag (dalvormige laagte volgens de geomorfologische kaart) en was daardoor niet aantrekkelijk geweest voor bewoning. Zeer waarschijnlijk is het aardewerk niet afkomstig van een archeologische vindplaats, maar is het via bemesting op het terrein terechtgekomen. Het vondstmateriaal is niet bewaard en ook niet gemeld aan ARCHIS. Conclusies en aanbevelingen: er is geen sprake van een pingoruïne. In de boringen zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De fragmenten aardewerk gevonden aan de oppervlakte duidden niet op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats.
Voor deze locatie wordt daarom geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
Mogelijke pingoruïne 12 Centrumcoördinaten: 201.977/579.366 Kaartblad: 6G Huidig grondgebruik: grasland, sloten Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: deze mogelijke pingoruïne ligt slechts voor een zeer klein deel binnen het plangebied en wordt in het PvA niet genoemd. In het gehanteerde boorgrid van 3 boringen per ha vallen enkele boringen binnen de begrenzing van de mogelijke pingoruïne. Na overleg met de provincie Fryslân is besloten dat hier geen extra onderzoek noodzakelijk is. Boringen: 190, 204 en 205 Resultaten booronderzoek: de toplaag bestaat uit een 0,3 tot 0,5 m dikke bouwvoor/verstoorde laag. Alleen in boring 204 is onder de toplaag een 0,15 m dikke veenlaag (zwak zandig, donker bruin veraard veen) aanwezig. Onder de toplaag of het veen bevindt zich dekzand (matig fijn, matig siltig, lichtbruingrijs tot lichtgeelgrijs zand, met een zwak humeuze top). In boring 190 is keizand (matig fijn, sterk siltig, zwak grindig, lichtgeelgrijs zand) onder het dekzand aangetroffen. Conclusies en aanbevelingen: er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een pingoruïne. Daarom wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
41
42
P
DHG 7LOOHS
Figuur 10. Resultaten onderzoek pingoruïne 13 en ARCHIS-waarneming 413858.
)LJXXU5HVXOWDWHQRQGHU]RHNSLQJRUXwQHHQ$5&+,6ZDDUQHPLQJ
JUHQVSODQJHELHG
EHJUHQ]LQJSLQJRUXwQH
$5&+,6YRQGVWPHOGLQJVQXPPHU
$5&+,6YRQGVWPHOGLQJ
YHUYROJRQGHU]RHNDDQEHYROHQ
' ' ERRUUDDLPHWUDDLOHWWHUV
ERRUQXPPHU
HQKRJHU
PDDLYHOGLQPHWHUVWRY1$3
HQODJHU
(
ERULQJPHWYHHQ
'
ERULQJ
0LH GZHL
OHJHQGD
0LHGZ HL
7DVZZRU73DSULO
(
'
RAAP-RAPPORT 2092
Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Figuur 11. Pingoruïne 13, boorraai D-D’.
43
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Figuur 12. Pingoruïne 13, boorraai E-E’.
44
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Pingoruïne 13 (figuren 10, 11 en 12) Centrumcoördinaten: 201.075/580.135 Kaartblad: 6G Huidig grondgebruik: grasland, sloten, pad Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: deze pingoruïne was voorheen nog niet bekend en is pas tijdens het veldonderzoek ontdekt. De pingoruïne ligt grotendeels binnen het plangebied. In overleg met de provincie is besloten een waarderend onderzoek uit te voeren, waarin 2 kruisraaien over de pingoruïne zijn gezet. Boringen: 534, 539 t/m 542 en 544 t/m 562 Resultaten booronderzoek: de toplaag bestaat uit een 0,3 tot 0,5 m dikke bouwvoor laag. In de boringen 539, 540 en 548 bevindt zich onder de bouwvoor een 0,3 tot 1,2 m dikke slootop vulling (matig fijn, matig siltig, geelgrijs tot donkergrijs, soms humeus zand met zand- of klei brok ken) afkomstig van een oost-west georiënteerde gedempte sloot. In de meeste boringen is onder de bouwvoor of de slootvulling een dik veenpakket aangetroffen. Het bovenste deel bestaat uit een 0,3 tot 1,3 m dikke laag rietzeggeveen (mineraalarm, bruin rietzeggeveen met houtresten). Binnen deze veenlaag bevinden zich enkele dunne kleilenzen (zwak tot matig siltige, blauwgrijze tot bruingrijze, slappe klei met detritus- en zandlagen; boringen 555, 559 en 562). Volgens de geomorfologische kaart ligt pingo 13 in een beekdal.
Vermoedelijk is de beek bij hoogwater buiten zijn oevers getreden, waardoor er in de pingoruïne klei is afgezet. Onder het rietzeggeveen bevindt zich een enkele centimeters dikke zandlaag (zeer fijn, matig siltig, humeus, geelgrijs zand of zwak tot sterk zandige, geelgrijze tot groengrijze gyttja). Onder deze zandlaag bevindt zich een 0,5 tot 3,5 m dikke veenlaag. Deze veenlaag bestaat uit detritusveen (mineraalarm, bruin detritusveen), dat naar beneden toe overgaat in gyttja (mineraalarm, groengrijze gyttja). Op het diepste punt (boring 554) reikt het veen tot 5,45 m -Mv (5,66 m -NAP). Onder het veen ligt (dek)zand (matig tot zeer fijn, matig tot sterk siltig, soms zwak grindig, geelgrijs tot lichtblauwgrijs zand). Alleen in boring 549 is onder het zand een 0,9 m dikke veenlaag (sterk zandig, gruisbruin, stevig detritusveen) aangetroffen met daaronder leem (zwak zandige, lichtblauwgrijze leem). Mogelijk betreft het een opvulling uit het Laat Glaciaal (Allerød of Late Dryas). Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van een pingowal. In de boringen zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats waargenomen. Conclusies en aanbevelingen: het betreft zeker een pingoruïne die opgevuld is met een dik pakket organische afzettingen. De conservering van de pingoruïne is zeer goed.
Het veenpakket wordt alleen afgedekt door een dunne bouwvoor. De top van het veen is nooit afgegraven of verploegd. Door de pingoruïne lopen een sloot en een opgevulde sloot. Aan de westzijde bevindt zich een pad met bermsloten. Andere verstoringen zijn niet waargenomen. De vulling van de pingoruïne is dus nagenoeg gaaf en heeft op basis van de aard en dikte van de organische lagen een hoge paleobotanische waarde. Vermoedelijk zullen er paleobotanische resten (pollen) aanwezig uit een lange periode. Mogelijk zijn er ook paleobotanische resten aanwezig uit het Laat Glaciaal. Tijdens het onderzoek van de pingoruïne zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor een archeologische vindplaats. Pingoruïne 13 ligt in een relatief laaggelegen gebied dat niet geschikt is voor het vestigen van nederzettingen. Net buiten het plangebied, direct ten noordwesten van de pingoruïne, liggen echter wel hoger gelegen gronden waar volgens de bodemkaart een podzolbodem aanwezig is. Deze gronden vormden in de gehele Prehistorie een aantrekkelijke locatie
45
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
voor bewoning. In de organische vulling van pingoruïne kunnen dus mogelijk wel paleobotanische resten voorkomen die in verband staan met bewoning op de hoger gelegen gronden (o.a. pollen van gecultiveerde gewassen). De verwachting voor de aanwezigheid van archeologisch resten rondom de pingoruïne (binnen het plangebied) is laag. Voor pingoruïne 13 wordt daarom geen archeologisch vervolgonder zoek aanbevolen. Op basis van de hoge paleobotanische waarde wordt pingoruïne 13 echter wel behoudenswaardig geacht. Geadviseerd wordt om de pingoruïne te vrijwaren van bodem ingrepen en alle andere typen ingrepen die kunnen leiden tot de aantasting van de organische vulling van de pingoruïne. Als dit niet mogelijk is, moet de vulling van de pingoruïne bemon sterd en paleobotanisch onderzocht worden om de daarin geregistreerde paleo-ecologische informatie veilig te stellen.
46
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
4 Conclusies en aanbevelingen
4.1 Conclusies Onderzoeksgebied Skûlenboarch In onderzoeksgebied Skûlenboarch bestaat de bodemopbouw uit een bouwvoor/verstoorde laag, soms op een dunne veenlaag, op dekzand of fluvioglaciaal zand, vaak op keileem. In het noordelijke deel van het onderzoeksgebied is in de top van het dekzand geen podzolbodem aangetroffen. Het maaiveld ligt hier relatief laag. Naar verwachting zal in het dekzand nooit een podzolbodem gevormd zijn. De zuidzijde van het onderzoeksgebied ligt relatief hoog. Hier zal in de top van het dekzand wel een podzolbodem gevormd zijn. Voor het grootste deel is de top van het dekzand verstoord. In enkele boringen is nog een B-horizont en soms ook nog een restant van een E-horizont aangetroffen. Er is echter geen sprake van een omvangrijk aaneengesloten gebied met een intacte podzolbodem. Aan de noordzijde van het onderzoeksgebied, direct ten oosten van de Schuilenburgerweg, is een diepe, met zand, veen en klei opgevulde depressie aanwezig. Waar schijnlijk gaat het om een opgevuld beekdal uit het Laat Glaciaal. Over het beekdal is een boorraai gezet om de beekloop en de oeverzone nader in kaart te brengen. Zeer waarschijnlijk is het beek dal recentelijk opgevuld met materiaal afkomstig van de aanleg van de meest westelijke zandwin plas. De verwachting is zeer laag dat in het beekdal nog archeologische resten in situ aanwezig zijn.
Ter hoogte van de vuursteenvindplaatsen I, II, IV en V zijn geen aanwijzingen gevonden dat hier nog behoudenswaardige archeologische resten in de ondergrond aanwezig zijn. Binnen vuur steenvindplaats III zijn wel aanwijzingen voor de aanwezigheid van een archeologische vind plaats aangetroffen. Er is sprake van microreliëf. In 5 boringen is een B- horizont en soms ook een E-hori zont aangetroffen, met daarin houtskool en vuurstenen artefacten. Aan de zuidzijde van de vindplaats is aan het maaiveld een fragment handgevormd aardewerk gevonden. Vuursteenvindplaats III is naar verwachting matig tot slecht geconserveerd. Aan de noordzijde van de vindplaats kunnen nog wel dieper ingegraven sporen aanwezig zijn. Van de 12 in onderzoeksgebied Skûlenboarch aanwezige mogelijke pingoruïnes is van 10 vastgesteld dat het geen pingoruïne betreft (nummers 1, 2, 3 en 6 t/m 12). Alleen pingoruïne 4 be treft zeer waarschijnlijk een pingoruïne. Pingoruïne 5 is tijdens onderhavig onderzoek niet nader onderzocht. Tijdens eerder onderzoek (Bongers & Jelsma, 2009) is vastgesteld dat het een pingoruïne betreft. In onderzoeksgebied Skûlenboarch zijn geen aanwijzingen gevonden voor nog onbekende archeologische vindplaatsen. Ook binnen het aandachtsgebied Middeleeuwen zijn geen aanwij zingen gevonden voor archeologische vindplaatsen.
47
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Onderzoeksgebied Westkern De bodemopbouw in onderzoeksgebied Westkern bestaat uit een bouwvoor/verstoorde laag, veelal op een dunne veenlaag, op dekzand. In de top van het dekzand is geen podzolbodem aangetroffen. Het maaiveld in het onderzoeksgebied ligt relatief laag. Naar verwachting zal in het dekzand nooit een podzolbodem gevormd zijn. Door het onderzoeksgebied loopt een noord-zuid georiënteerd zandpad dat mogelijk een middeleeuwse oorsprong heeft. In een perceel direct ten oosten van dit pad, aan de noordzijde van het onderzoeksgebied, zijn in een gebied van circa 50 bij 50 m 10 fragmenten (kogel pot)aardewerk uit de Middeleeuwen gevonden. Onduidelijk is of het gaat om een vindplaats uit de Middeleeuwen of om vondstmateriaal dat met bemesting op het perceel is terechtgekomen. Aan de noordzijde van het onderzoeksgebied is een voorheen nog onbekende, zeer goed geconserveerde pingoruïne aangetroffen. De pingoruïne is met organische afzettingen opgevuld, die een dikte hebben van maximaal 5 m. In boring 549 is een veenlaag aangetroffen die mogelijk dateert uit het Laat Glaciaal (Allerød of Late Dryas). Een pingowal is niet waargenomen. Rondom de pingoruïne zijn geen aanwijzingen voor een archeologische vindplaats gevonden.
4.2 Aanbevelingen Vuursteenvindplaats III Het onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd voor een vindplaats uit de Steentijd, waarschijnlijk het Mesolithicum. De FAMKE hanteert een ruime bufferzone rondom de vondstlocatie. Op basis van het huidige onderzoek is de begrenzing van de vindplaats nader bepaald. Uit de boringen rondom boring 402 blijkt dat het zuidelijke deel van de vindplaats diep is verstoord. Dit gedeelte van de vindplaats is naar verwachting slecht geconserveerd en wordt niet behoudenswaardig geacht. Voor het zuidelijke deel van de vindplaats wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. In het noordelijke deel van de vindplaats is de bodem minder diep verstoord. Dit gedeelte van de vindplaats is naar verwachting matig geconserveerd. De vondstlaag zal grotendeels afwezig zijn, maar dieper ingegraven sporen kunnen nog wel aanwezig zijn. Voor het noordelijke deel van de vindplaats wordt een proefsleuvenonderzoek aanbevolen (zie figuur 5). Op basis van de resultaten van dit proefsleuvenonderzoek kan door de bevoegde overheid een welover wogen beslissing genomen worden over de behoudenswaardigheid van de vindplaats. Proef sleuvenonderzoek dient plaats te vinden op basis van een door de bevoegde overheid goed gekeurd Programma van Eisen (PvE).
Pingoruïne 4 Op basis van de matige paleobotanische waarde en de lage archeologische verwachting wordt pingoruïne 4 niet behoudenswaardig geacht. Voor deze pingoruïne wordt geen archeologisch en paleobotanisch vervolgonderzoek aanbevolen.
48
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Pingoruïne 13 De verwachting voor de aanwezigheid van archeologisch resten rondom de pingoruïne (binnen het plangebied) is laag. Voor pingoruïne 13 wordt daarom geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Op basis van de hoge paleobotanische waarde wordt pingoruïne 13 echter wel behoudenswaardig geacht. Geadviseerd wordt om de pingoruïne te vrijwaren van bodemingrepen en alle andere typen ingrepen die kunnen leiden tot de aantasting van de organische vulling van de pingoruïne. Als dit niet mogelijk is, moet de vulling van de pingoruïne bemonsterd en paleobotanisch onderzocht worden om de daarin geregistreerde paleo-ecologische informatie veilig te stellen.
Mogelijke middeleeuwse vindplaats onderzoeksgebied Westkern Om zekerheid te krijgen of hier een vindplaats uit de Middeleeuwen aanwezig is, wordt voor deze locatie een proefsleuvenonderzoek aanbevolen. Op basis van de resultaten van dit proefsleuvenonderzoek kan door de bevoegde overheid een weloverwogen beslissing genomen worden over de behoudenswaardigheid van de vindplaats. Proefsleuvenonderzoek dient plaats te vinden op basis van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Voor het overige deel van het plangebied wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbe volen. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dient dit direct gemeld te worden bij de provinciaal archeoloog van Fryslân. - contactpersoon overheid: dr. G.J. de Langen, provinciaal archeoloog Provincie Fryslân (tel. 058-292 5487). - contactpersoon RAAP: drs. B.I. van Hoof, projectleider (tel. 0512-589 140).
49
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
50
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Literatuur ANWB Media, 2004. Topografische Atlas Friesland, schaal 1:25.000. ANWB, Den Haag. Anscher, T.J. ten, J.J. Hekman, D. Bekius & P.S.G. Asmussen, 2004. Startnotitie archeologiebeleid Tytsjerksteradiel. RAAP-rapport 981. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Asmussen, P.S.G, 1999. Provincie Fryslân, Project ‘Archeologie van het Houtwallen- en Elzensingelgebied Fryslân fase 2 (mei 1997- mei 1998)’. RAAP-rapport 405. Stichting RAAP, Amsterdam. Bongers, J.M.G. & J. Jelsma, 2009. Drogeham, Zandwinning Westerein (gemeente Achtkarspelen, Fr.). Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek. Steekproefrapport 2009-06/07. De Steekproef, Zuidhorn. Eekhoff, W., 1859. Nieuwe atlas van de provincie Friesland. Leeuwarden. Kluiving, S.J. & A. Verbers, 2007. Evaluatie van het onderzoek naar vijfenveertig locaties van vermeende pingoruïnes in het oosten van de Provincie Friesland: Pingo Project Frys lân (PPF) en Catalogus Pingo Project Fryslân 2006-2007. GEO-LOGICAL-reek 02. Delft. Nederlands Normalisatie-instituut, 1989. Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft. Schotanus à Sterringa, B., 1718. Uitbeelding der Heerlijkheit Friesland; zoo in ’t algemeen als in haare XXX bijzondere Grietenijen. François Halma, Ljouwert (Facsimile-uitgave 1979). Stiboka, 1981. Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000.
Blad 6 West Leeuwarden, 6 Oost Leeuwarden, 2 Oost en West (vaste land). Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Tol, A., P. Verhagen, A. Borsboom & M. Verbruggen, 2004. Prospectief boren; een studie naar de betrouwbaarheid en toepasbaarheid van booronderzoek in de prospectiearcheo logie. RAAPrapport 1000. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam.
Gebruikte afkortingen AHN
Actueel Hoogtebestand Nederland
AMK
Archeologische Monumenten Kaart
ARCHIS
ARCHeologisch Informatie Systeem
FAMKE
Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra
KLIC
Kabels en Leidingen Informatie Centrum
KNA
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
-Mv
beneden maaiveld
NAP
Normaal Amsterdams Peil
PvA
Plan van Aanpak
PvE
Programma van Eisen
SIKB
Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer
51
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Verklarende woordenlijst afslag ‘schilfer’ of ‘scherf’, afgeslagen van een stuk vuursteen. Allerød tijd Korte, relatief warme periode uit het Laat Glaciaal (Weichselien), ca. 11.800-11.000 jaar geleden. B-horizont Inspoelingslaag van een podzolbodem (zie podzol). BC-horizont Overgang van de B- naar de C-horizont. dekzand Fijnzandige afzettingen die onder periglaciale omstandigheden voornamelijk door windwer king ontstaan zijn; de dekzanden van het Weichselien vormen in grote delen van Nederland een ‘dek’ (Saalien: Formatie van Eindhoven; Weichselien: Formatie van Twente). detritus Bezonken plantenresten. dobbe Al of niet kunstmatige depressie in gebruik als bijv. veedrinkplaats in buitendijks land of als reservoir voor bluswater. Dryas stadiaal Laatste gedeelte van het Pleistoceen (Laat Glaciaal), ca. 13.500 tot 8.000 voor Chr.; het Dryas stadiaal wordt onderverdeeld in het Vroeg ste Dryas (13.500-13.000 voor Chr.), het Bølling interstadiaal (13.000-12.000 voor Chr.), de Vroege Dryas (12.000-11.000 voor Chr.), het Allerød interstadiaal (10.800-9.000 voor Chr.) en de Late Dryas (9.000-8.000 voor Chr.). E-horizont Uitspoelingslaag van een podzol. esdek Oud verhoogd bouwland, ontstaan door ophoging ten gevolge van bemes ting. Voor de bemesting werden plaggen of met zand vermengde potstalmest opgebracht. De term es is gang baar in Noord- en Oost-Neder land.
In Midden-Nederland wordt gespro ken van enk of eng en in ZuidNeder land van akker of veld. fluvioglaciaal Door smeltwater (afkomstig van glet sjers) afgezet. grondmorene Het door het landijs aangevoerde en na afsmelten achtergebleven mengsel van leem, zand en stenen. De afzetting wordt vaak aangeduid als keileem. gyttja Organische meerafzetting. in situ Achtergebleven op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd, weggegooid of verloren.
52
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
keileem Grondsoort bestaande uit een mengsel van leem, zand, grind en stenen (in het spraakgebruik gekoppeld aan het begrip grondmorene). Laat Glaciaal Laatste fase van het Weichselien (13.000-10.000 voor het heden) die zich kenmerkt door een afwisseling van warme Interstadialen (Bølling en Aller ød) en koudere Interglacialen (Vroege en Late Dryas). leem Grondsoort die wordt gekenmerkt door een hoog siltgehalte (bodemdeel tjes tussen 0,002 en 0,05 mm). pingo Heuvel, ontstaan door de vorming van een ijslens in de grond tijdens de ijstijd; de ijslens vormt de kern van de heuvel. Bij afsmelting van de ijslens ontstaat een depressie waaromheen vaak een wal voorkomt (pingoruïne). Pleistoceen Geolo gisch tijdperk dat ca. 2,3 miljoen jaar geleden begon. Gedu rende deze periode waren er sterke klimaatswisselingen van gematigd warm tot zeer koud (de vier bekende IJstij den). Na de laat ste IJstijd begint het Holo ceen (ca. 8800 voor Chr.). podzol Bodem met een uitspoelingslaag (E-horizont) en een inspoelingslaag (B-horizont). Het proces van het uitlogen van de E-horizont en de vor ming van een B-horizont door inspoeling van amorfe humus en ijzer wordt podzolering genoemd. potklei Zware klei welke als smeltwaterafzetting (fluvioglaciaal) in meren is afgezet. Prehistorie Dat deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen be waard zijn gebleven.
silt Gronddeeltjes ter grootte van 2 tot 50 µm. Steentijd Archeologische periode die zich kenmerkt door het gebruik van stenen werktuigen.
53
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Overzicht van figuren, tabellen en (losse kaart-)bijlagen Figuur 1. Ligging van het plangebied; inzet: ligging in Nederland (ster). Figuur 2. Plangebied, vuursteenvindplaatsen en mogelijke pingoruïnes geprojecteerd op het AHN. Figuur 3. Resultaten onderzoek laat-glaciaal beekdal. Figuur 4. Laat-glaciaal beekdal, boorraai F-F’. Figuur 5. Resultaten onderzoek vuursteenvindplaats III. Figuur 6. Vuursteenvindplaats III, boorraai A-A’. Figuur 7. Pingoruïne 4, boorraai B-B’. Figuur 8. Resultaten onderzoek (mogelijke) pingoruïnes 4 en 7. Figuur 9. Mogelijke pingoruïne 7, boorraai C-C’. Figuur 10. Resultaten onderzoek pingoruïne 13 en ARCHIS-waarneming 413858. Figuur 11. Pingoruïne 13, boorraai D-D’. Figuur 12. Pingoruïne 13, boorraai E-E’. Tabel 1.
Geologische en archeologische tijdschaal.
Bijlage 1. Boorbeschrijvingen (CD-rom). Bijlage 2. Vondstenlijst. Kaartbijlage 1. Overzicht plangebied, met de ligging van de boringen, vindplaatsen en mogelijke pingoruïnes.
54
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Bijlage 1: Boorbeschrijvingen Deze bijlage staat op een los meegeleverde CD-rom.
55
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Bijlage 2: Vondstenlijst
ARCHIS-vondstvondstnr. context meldingsnr.
vondstcategorie
aantal Omschrijving
1
oppervlaktevondst aardewerk
9
kogelpotaardewerk Middeleeuwen
1
oppervlaktevondst aardewerk
1
handgevormd
413858
413859
Datering
IJzertijd/Romeinse tijd of Middeleeuwen
2
boring 500
vuursteen
2
mogelijke afslagen
Steentijd (Meso-lithicum?)
3
boring 402
vuursteen
1
verbrande afslag
Steentijd (Meso-lithicum?)
4
oppervlaktevondst aardewerk
1
handgevormd
onbekend
56