09 - Bijlage 2e - Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
RAAP-RAPPORT 2092
Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern Gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
drs. B.I. van Hoof
RAAP Archeologisch Adviesbureau BV, 2010
Colofon Opdrachtgever: Provincie Fryslân Titel: Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek Status: eindversie Datum: 28 april 2010 Auteur: drs. B.I. van Hoof Projectcode: TASW Bestandsnaam: RA2092_TASW.indd Projectleider: drs. B.I. van Hoof Projectmedewerkers: D. van den Berg, E.J.M. van der Zwet, E. Rozema & T.M. Perger ARCHIS-vondstmeldingsnummers: 413858 & 413859 ARCHIS-waarnemingsnummers: nog niet verleend ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer: 39211 Bewaarplaats documentatie: RAAP Noord-Nederland Bevoegd gezag: dr. G.J. de Langen (provinciaal archeoloog) Autorisatie: drs. J.L. van Beek
ISSN: 0925-6229
RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Leeuwenveldseweg 5b 1382 LV Weesp Postbus 5069 1380 GB Weesp
telefoon: 0294-491 500 telefax: 0294-491 519 E-mail: raap@raap.nl
© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2010 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Samenvatting In opdracht van de provincie Fryslân heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in februari en maart 2010 een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in verband met de voor ge nomen ontwikkeling van 2 bedrijventerreinen in de gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen. Realisatie van de plannen zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwe zige archeologische resten. het plangebied heeft een omvang van circa 173 ha en bestaat uit de onderzoeksgebieden Skûlenboarch en Westkern (zie kaartbijlage 1). Het onderzoek is uitgevoerd op basis van een door de provincie Fryslân opgesteld Plan van Aanpak (PvA; Mulder & De Bruijn, 2009).
Onderzoeksgebied Skûlenboarch In onderzoeksgebied Skûlenboarch bestaat de bodemopbouw uit een bouwvoor/verstoorde laag, soms op een dunne veenlaag, op dekzand of fluvioglaciaal zand, vaak op keileem. In het noordelijke deel van het onderzoeksgebied is in de top van het dekzand geen podzolbodem aangetroffen. Het maaiveld ligt hier relatief laag. Naar verwachting zal in het dekzand nooit een podzolbodem gevormd zijn. De zuidzijde van het onderzoeksgebied ligt relatief hoog. Hier zal in de top van het dekzand wel een podzolbodem gevormd zijn. Voor het grootste deel is de top van het dekzand verstoord. In enkele boringen is nog een B-horizont en soms ook nog een restant van een E-hori zont aangetroffen. Er is echter geen sprake van een omvangrijk aaneengesloten gebied met een intacte podzolbodem. Aan de noordzijde van het onderzoeksgebied, direct ten oosten van de Schuilenburgerweg, is een diepe, met zand, veen en klei opgevulde depressie aanwezig. Waar schijnlijk gaat het om een opgevuld beekdal uit het Laat Glaciaal. Over het beekdal is een boorraai gezet om de beekloop en de oeverzone nader in kaart te brengen. Zeer waarschijnlijk is het beek dal recentelijk opgevuld met materiaal afkomstig van de aanleg van de meest westelijke zandwin plas. De verwachting is zeer laag dat in het beekdal nog archeologische resten in situ aanwezig zijn.
Ter hoogte van de vuursteenvindplaatsen I, II, IV en V zijn geen aanwijzingen gevonden dat hier nog behoudenswaardige archeologische resten in de ondergrond aanwezig zijn. Binnen vuur steenvindplaats III zijn wel aanwijzingen voor de aanwezigheid van een archeologische vind plaats aangetroffen. Er is sprake van microreliëf. In 5 boringen is een B-horizont en soms ook een E-hori zont aangetroffen, met daarin houtskool en vuurstenen artefacten. Aan de zuidzijde van de vindplaats is aan het maaiveld een fragment handgevormd aardewerk gevonden. Vuursteenvindplaats III is naar verwachting matig tot slecht geconserveerd. Aan de noordzijde van de vindplaats kunnen nog wel dieper ingegraven sporen aanwezig zijn. Van de 12 in onderzoeksgebied Skûlenboarch aanwezige mogelijke pingoruïnes is van 10 vastgesteld dat het geen pingoruïne betreft (nummers 1, 2, 3 en 6 t/m 12). Alleen pingoruïne 4 betreft zeer waarschijnlijk een pingoruïne. Pingoruïne 5 is tijdens onderhavig onderzoek niet nader onderzocht. Tijdens eerder onderzoek (Bongers & Jelsma, 2009) is vastgesteld dat het een pingoruïne betreft.
5
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
In onderzoeksgebied Skûlenboarch zijn geen aanwijzingen gevonden voor nog onbekende archeologische vindplaatsen. Ook binnen het aandachtsgebied Middeleeuwen zijn geen aanwij zingen gevonden voor archeologische vindplaatsen.
Onderzoeksgebied Westkern De bodemopbouw in onderzoeksgebied Westkern bestaat uit een bouwvoor/verstoorde laag, veelal op een dunne veenlaag, op dekzand. In de top van het dekzand is geen podzolbodem aangetroffen. Het maaiveld in het onderzoeksgebied ligt relatief laag. Naar verwachting zal in het dekzand nooit een podzolbodem gevormd zijn. Door het onderzoeksgebied loopt een noord-zuid georiënteerd zandpad dat mogelijk een middeleeuwse oorsprong heeft. In een perceel direct ten oosten van dit pad, aan de noordzijde van het onderzoeksgebied, zijn in een gebied van circa 50 bij 50 m 10 fragmenten (kogel pot)aardewerk uit de Middeleeuwen gevonden. Onduidelijk is of het gaat om een vindplaats uit de Middeleeuwen of om vondstmateriaal dat met bemesting op het perceel is terechtgekomen. Aan de noordzijde van het onderzoeksgebied is een voorheen nog onbekende, zeer goed geconserveerde pingoruïne aangetroffen. De pingoruïne is met organische afzettingen opgevuld, die een dikte hebben van maximaal 5 m. In boring 549 is een veenlaag aangetroffen die mogelijk dateert uit het Laat Glaciaal (Allerød of Late Dryas). Een pingowal is niet waargenomen. Rondom de pingoruïne zijn geen aanwijzingen voor een archeologische vindplaats gevonden.
Aanbevelingen Vuursteenvindplaats III Het onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd voor een vindplaats uit de Steentijd, waarschijnlijk het Mesolithicum. De FAMKE hanteert een ruime bufferzone rondom de vondstlocatie. Op basis van het huidige onderzoek is de begrenzing van de vindplaats nader bepaald. Uit de boringen rondom boring 402 blijkt dat het zuidelijke deel van de vindplaats diep is verstoord. Dit gedeelte van de vindplaats is naar verwachting slecht geconserveerd en wordt niet behoudenswaardig geacht. Voor het zuidelijke deel van de vindplaats wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. In het noordelijke deel van de vindplaats is de bodem minder diep verstoord. Dit gedeelte van de vindplaats is naar verwachting matig geconserveerd. De vondstlaag zal grotendeels afwezig zijn, maar dieper ingegraven sporen kunnen nog wel aanwezig zijn. Voor het noordelijke deel van de vindplaats wordt een proefsleuvenonderzoek aanbevolen (zie figuur 5). Op basis van de resul ta ten van dit proefsleuvenonderzoek kan door de bevoegde overheid een welover wogen beslissing genomen worden over de behoudenswaardigheid van de vindplaats. Proef sleuvenonderzoek dient plaats te vinden op basis van een door de bevoegde overheid goed gekeurd Programma van Eisen (PvE).
Pingoruïne 4 Op basis van de matige paleobotanische waarde en de lage archeologische verwachting wordt pingoruïne 4 niet behoudenswaardig geacht. Voor deze pingoruïne wordt geen archeologisch en paleobotanisch vervolgonderzoek aanbevolen.
6
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Pingoruïne 13 De verwachting voor de aanwezigheid van archeologisch resten rondom de pingoruïne (binnen het plangebied) is laag. Voor pingoruïne 13 wordt daarom geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Op basis van de hoge paleobotanische waarde wordt pingoruïne 13 echter wel behoudenswaardig geacht. Geadviseerd wordt om de pingoruïne te vrijwaren van bodemingrepen en alle andere typen ingrepen die kunnen leiden tot de aantasting van de organische vulling van de pingoruïne. Als dit niet mogelijk is, moet de vulling van de pingoruïne bemonsterd en paleobotanisch onderzocht worden om de daarin geregistreerde paleo-ecologische informatie veilig te stellen. Mogelijke middeleeuwse vindplaats onderzoeksgebied Westkern Om zekerheid te krijgen of hier een vindplaats uit de Middeleeuwen aanwezig is, wordt voor deze locatie een proefsleuvenonderzoek aanbevolen. Op basis van de resultaten van dit proefsleuvenonderzoek kan door de bevoegde overheid een weloverwogen beslissing genomen worden over de behoudenswaardigheid van de vindplaats. Proefsleuvenonderzoek dient plaats te vinden op basis van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Voor het overige deel van het plangebied wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aan bevolen.
Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dient dit direct gemeld te worden bij de provinciaal archeoloog van Fryslân. - contactpersoon overheid: dr. G.J. de Langen, provinciaal archeoloog Provincie Fryslân (tel. 058-292 5487). - contactpersoon RAAP: drs. B.I. van Hoof, projectleider (tel. 0512-589 140).
7
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Geologische perioden Tijdvak
Chronozone
Archeologische perioden Datering
Datering
Tijdperk
Nieuwste tijd (=Nieuwe tijd C) Laat Subatlanticum
Nieuwe tijd
B
- 1650
A
- 1500
Laat
- 1150 na Chr.
Vol
Merovingisch laat
Laat
Romeinse tijd
Holoceen
Karolingisch Merovingisch vroeg
Vroeg Subatlanticum
Midden Vroeg
-0
Laat
IJzertijd
- 450 voor Chr.
Midden Vroeg Laat
Bronstijd
Subboreaal
Midden Vroeg Laat
Neolithicum
- 3700
(Nieuwe Steentijd)
Laat Glaciaal
Preboreaal Late Dryas Allerød Vroege Dryas Bølling Laat Midden
Denekamp
Vroeg
Weichselien Pleniglaciaal
Vroegste Dryas
Mesolithicum
- 8700
(Midden Steentijd)
Midden Vroeg
- 9700
- 900 - 725 - 525 - 450 - 270 - 70 na Chr. - 15 voor Chr. - 250 - 500 - 800 - 1100 - 1800 - 2000 - 2850 - 4200 - 4900/5300 - 6450 - 8640 - 9700
- 11.050 - 11.500 Laat
- 12.000
- 12.500 Jong B
- 12.500 - 13.500 - 30.500
- 16.000
Jong A
- 35.000
Hengelo
- 60.000 Moershoofd
Paleolithicum - 71.000
Vroeg Glaciaal
Laat
- 7300
Prehistorie
Boreaal
Pleistoceen
Midden Vroeg
Atlanticum
- 1250 - 1050
Ottoons Vroeg
Middeleeuwen
- 1795
(Oude Steentijd)
Odderade Midden Brørup
- 114.000 Eemien Saalien II Oostermeer Saalien I Belvedère/Holsteinien Glaciaal x Holsteinien
- 126.000 - 236.000 - 241.000
- 250.000
- 322.000 - 336.000 Oud
- 384.000 - 416.000
Elsterien
463.000
tabel1_standaard_GeoBioArcheo_RAAP_2010
Tabel 1. Geologische en archeologische tijdschaal.
8
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Inhoud
Samenvatting ........................................................................................................................................ 5 1 Inleiding .......................................................................................................................................... 11 1.1 Kader en doelstelling ...................................................................................................................... 11 1.2 Administratieve gegevens ............................................................................................................... 11 1.3 Toekomstige situatie ....................................................................................................................... 12 1.4 Onderzoeksopzet en richtlijnen ....................................................................................................... 12
2 Bureauonderzoek ........................................................................................................................ 13 2.1 Methoden ....................................................................................................................................... 13 2.2 Resultaten ...................................................................................................................................... 13
3 Veldonderzoek .............................................................................................................................. 19 3.1 Methoden ....................................................................................................................................... 19 3.2 Resultaten verkennend en inventariserend veldonderzoek ............................................................... 19 3.3 Resultaten waarderend onderzoek vuursteenvindplaatsen ............................................................... 25 3.4 Resultaten waarderend onderzoek pingoruïnes ............................................................................... 32
4 Conclusies en aanbevelingen ................................................................................................ 47 4.1 Conclusies ..................................................................................................................................... 47 4.2 Aanbevelingen ................................................................................................................................ 48
Literatuur .............................................................................................................................................. 51 Gebruikte afkortingen ..................................................................................................................... 51 Verklarende woordenlijst ............................................................................................................... 52 Overzicht van figuren, tabellen en (losse kaart-)bijlagen ................................................. 54 Bijlage 1: Boorbeschrijvingen ..................................................................................................... 55 Bijlage 2: Vondstenlijst ................................................................................................................... 56
9
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
'LHQVWYRRUKHWNDGDVWHUHQGHRSHQEDUHUHJLVWHUV$SHOGRRUQ
Figuur 1. Ligging van het plangebied; inzet: ligging in Nederland (ster).
10
7DVZZRU73PDDUW
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
1 Inleiding
1.1 Kader en doelstelling In opdracht van de provincie Fryslân heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in februari en maart 2010 een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in verband met de voor genomen ontwikkeling van 2 bedrijventerreinen in de gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen. Realisatie van de plannen zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van een door de provincie Fryslân opgesteld Plan van Aanpak (PvA; Mulder & De Bruijn, 2009). Het onderzoek bestond uit een beperkt bureauonderzoek en een veldonderzoek. Doel van het bureauonderzoek was het verwerven van informatie over bekende en verwachte archeologische waarden ter aanvulling van de gegevens uit het PvA. Doel van het veldonderzoek was het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting en, indien mogelijk, een eerste indruk geven van de aard, omvang, datering, kwaliteit (gaafheid en conservering) en diepteligging van eventueel aangetroffen archeologische resten. Op basis van de onderzoeksresultaten en de aard en omvang van de voorgenomen bodemingrepen is vervolgens in hoofdstuk 4 een advies geformuleerd met betrekking tot eventueel archeologisch vervolgonderzoek.
1.2 Administratieve gegevens Het plangebied (omvang ca. 173 ha) ligt ten zuiden van Jistrum en ten noorden van Eastermar (figuur 1). Het gebied staat afgebeeld op kaartbladen 6D en 6G van de topografische kaart van Nederland (schaal 1:25.000). - Gemeenten: Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen - Plaats: Jistrum en Eastermar - Plangebied: het plangebied bestaat uit de onderzoeksgebieden Skûlenboarch en Westkern (zie kaartbijlage 1). In beide onderzoeksgebieden zijn bedrijventerreinen gepland. Onder zoeks gebied Skûlenboarch ligt ten zuiden van het Knilles Djip/Prinses Margriet-kanaal. Aan de westzijde wordt het begrensd door het Bergumer Mar, aan de oostzijde door de provin ciale weg N369 en aan de zuidzijde door de Joerelaan en Westerein. De westelijke helft van het onderzoeksgebied ligt in de gemeente Tytsjerksteradiel en de oostelijke helft in de gemeente Achtkarspelen. Onderzoeksgebied Westkern ligt ten noorden van het Knilles Djip/Prinses Margriet-kanaal en bevindt zich geheel in de gemeente Tytsjerksteradiel. De westgrens van het gebied ligt tussen de Meidweg en de Joost Wiersmaweg. De gemeentegrens vormt de oostelijke begrenzing. - Centrumcoördinaten: Skûlenboarch 199.935/579.382; Westkern 201.054/579.861 - Omvang: het totale plangebied heeft een omvang van circa 173 ha.
Onderzoeksgebied West kern neemt hiervan circa 18 ha in en onderzoeksgebied Skûlenboarch circa 155 ha In onderzoeksge-
11
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
bied Skûlenboarch bevinden zich 2 met water opgevulde zandwinputten met een gezamenlijke oppervlakte van circa 46 ha. Het te onderzoeken deel van het plangebied heeft dus een omvang circa 127 ha. - ARCHIS-vondstmeldingsnummers: 413858 en 413859 (zie bijlage 2) - ARCHIS-waarnemingsnummers: nog niet verleend - ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer: 39211
1.3 Toekomstige situatie In het plangebied zijn 2 bedrijventerreinen gepland. Ten tijde van het onderzoek waren de plan nen voor de inrichting van het plangebied nog niet bekend. De resultaten van het archeologisch onderzoek zullen worden meegenomen in de verdere planvorming.
1.4 Onderzoeksopzet en richtlijnen Het onderzoek bestond uit een bureauonderzoek en een veldonderzoek. Het veldonderzoek bestond uit een karterend en deels uit een waarderend booronderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep (zie artikel 24 van het Besluit archeologische monumentenzorg). De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 3.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), geldt in de praktijk als richtsnoer. RAAP beschikt over een opgravingsvergunning, verleend door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zie tabel 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden. Achter in dit rapport is een lijst met gebruikte afkortingen opgenomen en worden enkele vaktermen beschreven (zie verklarende woordenlijst).
12
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
2 Bureauonderzoek
2.1 Methoden Voorafgaand aan het veldonderzoek is door de provincie Fryslân een Plan van Aanpak (PvA; Mulder & De Bruijn, 2009) opgesteld. In dit PvA is een onderzoeksmethode voorgesteld op basis van de provinciale archeologische advieskaart FAMKE (Friese Archeologische MonumentenKaart Extra) en bekende archeologische waarden binnen het plangebied. Het PvA gaat al impliciet uit van een gespecificeerde archeologisch verwachting. Doel van het bureauonderzoek was het verwerven van informatie over bekende en te verwachten archeologische waarden ter aanvulling van de gegevens uit het PvA. De gegevens uit het PvA kort worden in de volgende paragrafen samengevat, waar nodig aangevuld met relevante informatie.
2.2 Resultaten Huidige situatie Op recente topografische kaarten (schaal 1:25.000; ANWB Media, 2004) en recente luchtfoto’s (ontleend aan Google Earth) bestaat het grondgebruik binnen het plangebied grotendeels uit gras land en voor een klein gedeelte uit akkerland, bos en bebouwing. In onderzoeksgebied Skûlen boarch zijn 2 grote plassen aanwezig die ontstaan zijn als gevolg van zandwinning. Rond om de westelijke, grootste plas bevindt zich een zone met bomen en struiken. Het westelijke deel van onderzoeksgebied Skûlenboarch wordt van noord naar zuid doorsneden door de Schuilenburger weg. Langs deze weg bevindt zich bebouwing. Aan de noordzijde van onderzoeksgebied Skûlen boarch, direct ten zuiden van het Prinses Margriet-kanaal, ligt een industrieterrein (betoncentrale). De percelering in het deel van het plangebied dat bij de gemeente Tytsjerksteradiel hoort, is voornamelijk oost-west georiënteerd. In het deel van het plangebied dat bij de gemeente Achtkars pe len hoort, zijn de percelen voornamelijk noordoost-zuidwest georiënteerd. De percelen zijn van elkaar gescheiden door sloten/greppels en houtsingels.
Geomorfologie De bodem in onderzoeksgebied Skûlenboarch bestaat geomorfologisch voornamelijk uit zwak golvende, door dekzand bedekte grondmorene, al dan niet met welvingen (code 3L2; ontleend aan http://archis2.archis.nl). Een circa 200 m brede strook langs de oever van het Bergumer Mar bestaat uit een dalvormige laagte zonder veen (code 2R2). Hetzelfde geldt voor een smalle strook ter hoogte van de gemeentegrens in het midden van het onderzoeksgebied. In de onderzoekslocatie bevinden zich 5 moerassige laagten zonder randwal (code 4N4). Langs de noord zijde van de westelijke zandwinplas bevindt zich een vlakte die ontstaan is als gevolg van afgraving of egalisatie (code 2M48). Een klein deel aan de noordzijde van het onderzoeksgebied is bebouwd (code B). De bodem in onderzoeksgebied Westkern bestaat geomorfologisch uit een beekdalbodem met veen (code 2R4).
13
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Bodem De bodem in onderzoeksgebied Skûlenboarch bestaat deels uit beekeergronden met leemarm tot lemig fijn zand (Stiboka, 1981: codes pZg21 en pZg23) en deels uit laarpodzolgronden met lemig fijn zand (code cHn23). Vaak bevindt zich keileem in de ondergrond, waarvan de top ligt tussen 0,4 en 1,2 m -Mv (toevoeging x). De beekdalgronden bevinden zich voornamelijk aan de westzijde van het plangebied, tegen het Bergumer Mar. In het gebied met laarpodzolgronden bevinden zich 3 dobben. De bodem in onderzoeksgebied Westkern bestaat voor het grootste deel uit madeveengronden op zand, zonder podzolbodem. Het zand ligt op minder dan 1,2 m -Mv. In het gebied is keileem aanwezig, waarvan de top ligt tussen 0,4 en 1,2 m -Mv (code aVzx). In een klein deel aan de noordzijde van het onderzoeksgebied bestaat de bodem uit humuspodzolgronden met lemig fijn zand (code cHn23). Direct ten noorden van het onderzoeksgebied bestaat de bodem uit moerige podzolgronden met een moerige bovengrond (code vWp).
P
7DVZZRU73DSULO
Figuur 2. Plangebied, vuursteenvindplaatsen en mogelijke pingoruïnes geprojecteerd op het AHN.
14
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
AHN Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (figuur 2; http://www.ahn.nl/) liggen onder zoeksgebied Westkern en het uiterst westelijke deel van onderzoeksgebied Skûlenboarch relatief laag. In het overige deel van onderzoeksgebied Skûlenboarch kan globaal een tweedeling gemaakt worden. Het zuidelijke deel ligt relatief laag, maar wel hoger dan voornoemde gebieden. Binnen dit deel zijn wel enkele hoger gelegen koppen/ruggen aanwezig. Naar het zuiden toe ligt het maaiveld relatief hoog. Tussen het lager en hoger gelegen gebied bevindt zich een vrij smalle overgangszone.
Mogelijke bodemverstoringen Voorafgaand aan het veldonderzoek is een KLIC-melding gedaan. Hieruit blijkt dat in het plangebied diverse transportleidingen aanwezig zijn van de Gasunie en de NAM (zie kaartbijlage 1). Deze leidingen liggen voornamelijk langs de Joerelaan aan de zuidzijde van het plangebied. Vanaf een emplacement ten zuiden van de Joerelaan loopt een leiding in een bocht richting de Schuilenburgerweg, om deze vervolgens te kruisen en noordwaarts af te buigen richting het Knilles Djip/ Prinses Margriet-kanaal. Ook aan de uiterste westzijde van onderzoeksgebied Skûlenboarch en in onderzoeksgebied Westkern liggen gasleidingen. In de periode 1997-1998 heeft in het plangebied een archeologische inventarisatie plaatsge von den (Asmussen, 1999). Volgens dit onderzoek zouden enkele percelen binnen het plangebied worden geëgaliseerd (zie kaartbijlage 1). Onduidelijk is of dit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en in welke mate dit de bodem heeft verstoord. In onderzoeksgebied Skûlenboarch zijn 2 zandwinplassen aanwezig. De meest westelijke plas heeft in de huidige situatie nog steeds dezelfde omvang als op de door de provincie aangeleverde ondergrond. De meest oostelijke plas is echter veel groter dan op de ondergrond staat aangegeven.
In het tracé aan de noordzijde van onderzoeksgebied Skûlenboarch, ter hoogte van het industrie terrein, is de bodem mogelijk vervuild (http://www.bodemloket.nl/). In dit gedeelte is asfaltverhar ding aanwezig en heeft geen onderzoek plaatsgevonden. In een gedeelte van het tracé is de bodem gesaneerd. Ter controle zijn hier 2 boringen gezet (boringen 454 en 455).
Historische situatie Het plangebied bevindt zich tussen de esnederzettingen Jistrum en Eastermar. Volgens het PvA is het gebied in de Middeleeuwen ontgonnen vanaf de oostelijke oever van het Bergumer Mar. De opstrekkende verkaveling vormt hiervoor een aanwijzing. De oudste ontginningssporen worden verwacht direct ten oosten van de oorspronkelijke oever van het Bergumer Mar. Op de historische kaarten uit het eind van de 17e eeuw (Schotanus à Sterringa, 1718), het mid den van de 19e eeuw (Eekhoff, 1859) en de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (http:// watwaswaar.nl/) is steeds dezelfde situatie afgebeeld. De grens van het Bergumer Mar ligt 100 tot 300 m ten oosten van de huidige grens. Op alle kaarten zijn het Knilles Djip/Prinses Mar grietkanaal, de Schuilenburgerweg en de Joerelaan al aanwezig. Volgens de cultuurhistorische kaart (http://www.fryslan.nl/) is het Prinses Margriet-kanaal in de periode 1950-2000 ter hoogte van het dorp Kloostertille, direct ten westen van de N369, 250 m naar het zuiden verlegd. Op de historische kaarten staat ter hoogte van de kruising van de Joerelaan met de Schuilenburgerweg een gebouw
15
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
aangegeven met de naam de Joere. Dit pand bestaat in de huidige situatie nog steeds (huisnummer 1). Net ten noorden van het plangebied, op de kruising van de Schuilenburgerweg met het Knilles Djip/ Prinses Margriet-kanaal, staat een gebouw aangegeven met de naam Schuilenburg. Hier bevond zich ook een sluis in het kanaal (verlaat). Pas op de kaarten vanaf de 19 eeuw zijn enkele andere gebouwen langs de Schuilenburgerweg weergegeven. In het overige deel van het plangebied staat geen bebouwing aangegeven. Op de kaarten uit de 19e eeuw bevindt zich in het westelijke deel van onderzoeksgebied Skûlenboarch (gemeente Tytsjerksteradiel) een noord-zuid georiënteerde weg genaamd Vuilnisweg. De naam doet ver moeden dat deze weg naar een vuilstort leidde. Deze weg is nog steeds aanwezig (Mounekamp) en vormt de westelijke begrenzing van de meest westelijke zandwinplas. Een klein deel ervan is verlegd. Het oostelijke deel van onderzoeksgebied Skûlenboarch (gemeente Achtkars pelen) was volgens de kaart uit het eind van de 17e eeuw in gebruik als hooiland. Direct ten zuiden ervan ligt een klein gehucht met de naam Wester End. Door onderzoeksgebied Westkern loopt een pad met de naam Oude Ryd Weg (Schotanus) of Oude Dijk (Eekhoff). In de huidige situatie is een breed zandpad aanwezig. Gezien de benaming zal dit een oud landschapselement zijn dat mogelijk een middeleeuwse oorsprong heeft.
Bekende archeologische waarden en advieskaarten ARCHIS In (de directe omgeving van) het plangebied bevinden zich geen AMK-terreinen. In ARCHIS (http:// archis2.archis.nl) staan slechts 2 archeologische vindplaatsen geregistreerd uit het plangebied. Aan de zuidzijde van onderzoeksgebied Skûlenboarch, tegen de zuidrand van de westelijke zand winplas, zijn in 1971 bij de aanleg van een gasleiding enkele vuurstenen afslagen gevonden (ARCHIS-waarnemingsnummer 238325). De vindplaats dateert waarschijnlijk uit het Mesolithicum. In 1991 heeft hier een inventarisatie plaatsgevonden, waaruit bleek dat de bodem verstoord is. Circa 400 m ten noorden van deze vindplaats is een vuurstenen kling gevon den (ARCHIS-vondst meldingsnummer 411027) die waarschijnlijk uit het Mesolithicum dateert (Bongers & Jelsma, 2009). Uit de directe omgeving van het plangebied staan in ARCHIS diverse waarnemingen geregi streerd. Veelal betreft het waarnemingen die gedaan zijn bij de aanleg van gasleidingen direct ten zuiden van het plangebied. De meeste vindplaatsen betreffen vuursteenvindplaatsen uit de Steentijd (ARCHIS-waarnemingsnummers 238002, 238003, 238324, 403075, 401137, 401173 en 403191), waarvan de meeste vermoedelijk uit het Mesolithicum dateren.
Verder zijn enkele vind plaatsen bekend uit de IJzertijd (ARCHIS-waarnemingsnummer 405965) en uit de Middeleeuwen-Nieuwe tijd (ARCHIS-waarnemingsnummer 405987). FAMKE Op de advieskaart Steentijd-Bronstijd van de FAMKE (Friese Archeologische MonumentenKaart Extra; http://www.fryslan.nl) wordt voor onderzoeksgebied Skûlenboarch deels een karterend onderzoek 3 (3 boringen per ha bij ingrepen van meer dan 5000 m²) en deels onderzoek bij grote ingrepen (meer dan 2,5 ha) voorgeschreven. Onderzoeksgebied Westkern ligt in een zone waarvoor een karterend onderzoek 3 wordt voorgeschreven. Voor de periode IJzertijd-Middeleeuwen geldt voor het gehele plangebied een advies voor karterend onderzoek 3.
16
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
In (de directe nabijheid van) het plangebied bevinden zich 5 vuursteenvindplaatsen (Ten Anscher e.a., 2004: cat.nrs. 276, 333, 416, 418 en 616) die nog niet in ARCHIS zijn opgenomen maar wel op de FAMKE. De vindplaatsen met de catalogusnummer 276, 333 en 616 dateren vermoedelijk uit het Mesolithicum. De vindplaatsen 416 en 418 kunnen niet nader gedateerd worden dan Steentijd. De vuursteenvindplaats met catalogusnummer 276 komt overeen met ARCHIS-waarneming 238325. De vindplaatsen 276 en 616 liggen in het plangebied. De vindplaatsen 333, 416 en 418 liggen net buiten het plangebied. De provincie Fryslân hanteert een bufferzone met een straal van 100 m rondom elke vindplaats. De bufferzones van alle 5 vindplaatsen liggen deels in het plangebied. Voor deze vindplaatsen wordt een waarderend onderzoek voorgeschreven. Deels of geheel binnen het onderzoeksgebied bevinden zich tevens 12 mogelijke pingoruïnes. Ook voor deze locaties wordt op de FAMKE een waarderend onderzoek voorgeschreven.
Voorschriften Plan van Aanpak Het door de provincie Fryslân opgestelde Plan van Aanpak (Mulder & De Bruijn, 2009) is grotendeels gebaseerd op de FAMKE. Voor het grootste deel van het plangebied wordt in het PvA een boordichtheid van 3 boringen per ha voorgeschreven of boringen om de 100 m in het geval van een tracé (verkennend onderzoek). Indien in een boring een intacte podzolbodem wordt aangetroffen (E- of B-horizont nog aanwezig), dient het boorgrid lokaal verdicht te worden tot 6 boringen per ha of boringen om de 50 m in het geval van een tracé. Als in 2 of meer aangrenzende boringen een intacte podzolbodem wordt waargenomen, dient het grid vervolgens verdicht te worden naar 12 boringen per ha of boringen om de 25 m in het geval van een tracé. De boringen met een intacte podzolbodem moeten worden bemonsterd door middel van een megaboor (Edelmanboor met een diameter van 15 cm) en het zeefresidu gezeefd over een zeef van 5 of, indien mogelijk, 2 mm. Waar sprake is van een intacte bodemopbouw, dient het onderzoek waar mogelijk gecombi neerd te worden met een intensieve oppervlaktekartering. In het gebied tussen de voormalige oever van het Bergumer en de Schuilenburgerweg worden middeleeuwse ontginningssporen ver wacht. In het PvA wordt voor dit gebied een boordichtheid van 6 boringen per ha voorgeschreven.
Indien mogelijk dient hier tevens een intensieve oppervlaktekartering plaats te vinden. De 5 vuursteenvindplaatsen in het plangebied dienen nader onderzocht te worden. Ter hoogte van alle vindplaatsen dient, indien mogelijk, een intensieve oppervlaktekartering plaats te vinden. Vindplaats III (catalogusnummer 616) ligt grotendeels in het plangebied. Voor deze vindplaats is een waarderend onderzoek voorgeschreven dat gericht is op de waardering en begrenzing ervan. Over de vindplaats dienen boringen gezet te worden in een kruisraai met een onderlinge boorafstand van 10 m. De vindplaatsen I, II en V (resp. cat.nrs. 418, 416 en 333) liggen grotendeels buiten het plangebied. Voor deze vindplaatsen volstaat een verdichting van het voorgeschreven boorgrid van 3 boringen per ha. Vindplaats IV (catalogusnummer 276) ligt grotendeels in het plangebied. Verwacht wordt dat de bodem hier diep verstoord is. Daarom zal ook hier in eerste instantie het boorgrid verdicht worden. Indien blijkt dat de bodem intact is, dient het grid met megaboringen verdicht te worden. Van de mogelijke pingoruïnes 4, 7, 10 en 11 is de kans groot dat het daadwerkelijk om pingo ruïnes gaat. In eerste instantie dienen hier één tot enkele boringen in de kern gezet te worden om de aanwezigheid van een pingoruïne vast te stellen. Indien dit het geval is, dient overgegaan te worden
17
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
tot een waarderend onderzoek dat bestaat uit een kruisraai over de pingoruïne met borin gen om de 15 tot 20 m. Tijdens dit waarderende onderzoek dient de omvang van de pingo ruïne en de mogelijke aanwezigheid van een pingowal te worden vastgesteld. Van de meeste mogelijke pingoruïnes in het plangebied (nummers 1, 2, 3, 6, 8 en 9) wordt de kans klein geacht dat het pingoruïnes zijn. Voor deze locaties wordt in het PvA een quickscan voorgeschreven. Per locatie dienen 3 tot 5 boringen gezet te worden om te bepalen of het daadwerkelijk om een pin go ruïne gaat. De eerste boring dient in het centrum van de locatie gezet te worden. Indien het toch blijkt te gaan om een pingoruïne, dient overgegaan te worden tot een waarderend onderzoek. Van pingo ruïne 5 is tijdens eerder onderzoek vastgesteld dat het daadwerkelijk om een pingoruïne gaat (Bongers & Jelsma, 2009). Tijdens onderhavig onderzoek is deze pingoruïne niet nader onder zocht. Pingoruïne 12 ligt slechts voor een zeer klein deel binnen het plangebied. In het PvA is voor deze locatie geen aanvullend onderzoek voorgeschreven.
18
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
3 Veldonderzoek
3.1 Methoden Het inventariserend veldonderzoek (IVO) bestond uit een booronderzoek. Voorafgaand aan de werkzaamheden is door de provincie Fryslân een Plan van Aanpak opgesteld (PvA; Mulder & De Bruijn, 2009). Dit PvA heeft gediend als leidraad voor het onderzoek. Tijdens het veldonderzoek zijn 563 boringen gezet (558 gutsboringen en 5 megaboringen). Voor het grootste deel van het plangebied zijn de boringen gezet in een grid van 65 bij 50 m of (in een tracé) met boringen om de 100 m (verkennende fase; 3 boringen per ha). In het aandachtsgebied Middeleeuwen is een boorgrid aangehouden van 50 bij 40 m (inventariserende fase; 6 boringen per ha). De boringen in een raai versprongen ten opzichte van die in de naastgelegen raai, waar door een systeem van gelijkbenige driehoeken ontstond. Ter hoogte van de in het plangebied aan wezige vuursteenvindplaatsen en mogelijke pingoruïnes is het boorgrid verdicht (waarde ren de fase). De gehanteerde methode per locatie wordt aangegeven bij de resultaten. Het verkennende onderzoek is geschikt om de bodemgesteldheid in het plangebied te bepalen, maar niet om eventueel aanwezige nederzettingsterreinen op te sporen. Het inventariserende en waarderende onderzoek wordt wel geschikt geacht voor het opsporen van de meeste binnen het plangebied te verwachten nederzettingsterreinen.
De toegepaste onderzoeksmethode is niet geschikt om verkavelingspatronen, graven en andere zeer lokale archeologische resten in kaart te brengen (Tol e.a., 2004). Er is geboord tot minimaal 0,25 m in de pleistocene ondergrond. Hierbij is gebruik gemaakt van een gutsboor met een diameter van 2 cm en een Edelmanboor met een diameter van 15 cm (megaboor). De boringen zijn lithologisch beschreven conform NEN 5104 (Nederlands Normali satie-instituut, 1989) en met RTK-GPS of met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van een gedeelte van de boringen is tevens de NAP-hoogte bepaald door middel van RTK-GPS of via het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Het opgeboorde materiaal is in het veld gecontroleerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen, aardewerk, metaal, bot, verbrande leem en fosfaatvlekken. Het met de megaboor opgeboorde materiaal is nat gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 2 mm. Het zeefresidu is met het blote oog geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren.
3.2 Resultaten verkennend en inventariserend veldonderzoek De onderstaande beschrijving heeft als doel een indruk te geven van de bodemopbouw van het plangebied, zoals dat tijdens het verkennend veldonderzoek is waargenomen. De specifieke bodemopbouw ter hoogte van de vuursteenvindplaatsen en mogelijke pingoruïnes wordt afzon derlijk beschreven bij de resultaten van het waarderend onderzoek.
19
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Onderzoeksgebied Skûlenboarch Aan de oostzijde van het onderzoeksgebied, in het deel dat tot voor kort binnen het Bergumer Mar lag (boringen 1 t/m 23, 463, 464 en 465), is de bodemopbouw zeer wisselend. In de borin gen is een afwisseling aanwezig van zand, veen en keileem. Het betreft verspoeld materiaal. Rondom de beide zandwinplassen (boringen 199 t/m 203, 287 t/m 297, 303 t/m 313, 318 t/m 332 en 434 t/m 439) is de bodem sterk verstoord. De toplaag bestaat uit een 0,15 tot meer dan 1,5 m dikke verstoorde laag, die vaak deels uit opgebracht materiaal bestaat. Onder deze toplaag ligt (dek)zand en vaak keileem. Binnen onderzoeksgebied Skûlenboarch kan globaal een tweedeling gemaakt worden in de bodemopbouw. In het noordelijke, relatief laaggelegen deel van het onderzoeksgebied (boringen 24 t/m 111, 163 t/m 182, 204 t/m 283, 333 t/m 346, 454 t/m 462 en 475 t/m 495) bestaat de top laag veelal uit een 0,2 tot 0,75 m dikke bouwvoor/verstoorde laag (matig fijn, zwak siltig, matig tot sterk humeus, bruingrijs tot donkerbruingrijs zand, vaak met kleine brokjes baksteenpuin en soms met wat houtskool). Soms bevindt zich onder de bouwvoor nog een 0,1 tot 0,5 m dikke veenlaag (zwak tot sterk zandig, donkerbuin tot grijsbruin, veraard of amorf veen). Onder het veen of onder de bouwvoor/verstoorde laag bevindt zich zand.
Veelal betreft het dekzand (zeer tot matig fijn, veelal matig siltig, bruingrijs tot lichtgeelgrijs zand, in de top soms zwak humeus). Soms betreft het keizand of fluvioglaciaal zand (matig fijn, matig tot sterk siltig, meestal zwak grindig, bruingrijs tot lichtgeelgrijs zand, vaak met dunne siltlagen). Alleen in boring 257 is in de top van het zand een zwak ontwikkelde podzolbodem aangetroffen. Deze boring is gezet op een iets hoger gelegen dekzandkop. In de overige boringen in het laaggelegen deel van het onder zoeksgebied is geen podzolbodem aangetroffen. Gezien de relatief lage ligging zal in de top van het zand waarschijnlijk geen podzolbodem ontwikkeld zijn. Onder het zand is vaak keileem aan wezig (sterk zandige, licht grindige, lichtgroengrijze leem) op 0,3 tot 1,2 m -Mv. In het zuidelijke, relatief hooggelegen deel van het onderzoeksgebied (boringen 183 t/m 197, 298 t/m 302, 314 t/m 319, 347 t/m 453 en 496 t/m 524) bestaat de toplaag uit een 0,2 tot een meer dan 1,0 m dikke bouwvoor/verstoorde laag. In enkele boringen is nog een 0,1 tot 0,3 m dikke veen laag (zwak tot sterk zandig, donkerbuin tot grijsbruin, veraard of amorf veen) aanwezig. Onder het veen of de bouwvoor/verstoorde laag bevindt zich dekzand. Door de relatief hoge lig ging van dit deel van het onderzoeksgebied wordt verwacht dat in de top van het dekzand een podzolbodem aanwezig is geweest.
In de meeste boringen is de top van het dekzand echter niet meer intact. Slechts in enkele boringen is nog een E- of B-horizont aanwezig (boringen 364, 366, 368, 402, 427, 428, 429 en 443). Rondom deze boringen is het boorgrid verdicht. Hieruit blijkt dat in de omliggende boringen de bodem niet meer intact is. Er is geen sprake van een omvang rijk aaneengesloten gebied met een intacte podzolbodem. Alleen ter hoogte van vuursteenvind plaats III zijn enkele megaboringen gezet. Sporadisch is onder het dekzand keileem aangetroffen op 0,7 tot 1,5 m -Mv. Aandachtsgebied Middeleeuwen In onderzoeksgebied Skûlenboarch bevindt zich een deelgebied waarvoor de verwachting voor middeleeuwse vindplaatsen hoog is. Dit aandachtsgebied ligt tussen de Schuilenburgweg en de voormalige oostgrens van het Bergumer Mar (zie kaartbijlage 1). Conform de voorschriften in het PvA zijn hier 6 boringen per ha gezet. Alle percelen in het aandachtsgebied zijn in gebruik als
20
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
grasland. De in het PvA voorgeschreven oppervlaktekartering was hierdoor niet mogelijk. Bovendien werd de vondstzichtbaarheid nog verder verslechterd door het ten tijde van het onderzoek aanwezige sneeuwdek. De oppervlaktekartering heeft zich beperkt tot het nalopen van de in het veld aanwezige molshopen en andere bodemontsluitingen. Archeologisch vondstmateriaal is hierbij niet aangetroffen. De bodemopbouw in het aandachtsgebied Middeleeuwen (boringen 24 t/m 111) wijkt niet noemens waardig af van de algemene, hierboven beschreven opbouw. De toplaag bestaat uit een 0,3 tot 0,7 m dikke bouwvoor/verstoorde laag (matig fijn, zwak siltig, matig tot sterk humeus, bruingrijs tot donkerbruingrijs zand, vaak met kleine brokjes baksteenpuin en soms met wat houtskool). Soms is in de bouwvoor/verstoorde laag een tweedeling aanwezig met een iets lichtere bovenlaag en een iets donkerdere onderlaag. Mogelijk is sprake van een dun plaggendek. Onder de toplaag bevindt zich in de boringen 46 en 67 een 0,1 tot 0,3 m dikke veenlaag (sterk zandig, donkerbruingrijs, veraard veen). Onder het veen of onder de bouwvoor/verstoorde laag bevindt zich meestal dekzand (matig fijn, zwak tot matig siltig, soms zwak humeus, bruingrijs tot lichtgeelgrijs zand). In de top van het dekzand is geen podzolbodem aangetroffen.
Vaak is onder het dekzand en soms direct onder de bouwvoor keileem (sterk zandige, zwak grindige, lichtgroengrijze leem) aanwezig op 0,3 tot 1,2 m -Mv. De bodemopbouw ter hoogte van de mogelijk geëgaliseerde percelen is niet afwijkend van de rest van het aandachtsgebied. In het veld zijn geen duidelijke tekenen te zien dat deze percelen in het verleden geëgaliseerd zijn. Indien dit wel gebeurd is, dan heeft de egalisatie vermoedelijk slechts weinig effect gehad op de ondergrond. Laat-glaciaal beekdal Direct ten oosten van de Schuilenburgerweg, tussen de huisnummers 10 en 12, is een diepe, met zand, veen en klei opgevulde depressie aanwezig (figuren 3 en 4). Waarschijnlijk gaat het om een opgevuld beekdal uit het Laat Glaciaal. Dergelijke beekdalen zijn archeologisch interessant, met name de oeverzones. In overleg met de provincie is over het beekdal een boorraai gezet (boringen 525 t/m 531 en 178) om de beekloop en de oeverzone nader in kaart te brengen. De toplaag bestaat uit een circa 0,25 tot 0,5 m dikke bouwvoor. Onder de bouwvoor bevindt in de boringen 165, 166 en 525 t/m 530 een 0,8 tot 1,9 m dik zandpakket (matig fijn, zwak tot matig siltig, soms humeus, donkerbruingrijs tot lichtgeelgrijs zand meestal met mica en vaak met veen- en/of kleibrokken, kleilagen en detrituslagen).
In de boringen 165, 166 en 530 bevindt zich onder het zand een 1 tot 1,15 m dik veenpakket (mineraalarm tot kleiig of zandig, donkerbruin, amorf veen of bosveen met enkele zandof kleilagen). Onder dit veen ligt weer zand (matig tot zeer fijn, zwak tot sterk siltig, bruingrijs tot lichtgeelgrijs, soms humeus zand, vaak met veel dikke detritus- en kleilagen). In de boringen waar het veen afwezig is, kan geen onderscheid gemaakt worden tus sen het eerste en tweede zandpakket. In boring 529 bevindt zich onder het zand een kleipakket (matig siltige, matig stevige, grijze klei, met enkele zandlagen en wat plantenresten) op 2,25 m -Mv. In de boringen 165, 166, 526 en 530 is onder het zand potklei (stevige tot matig stevige, zwak siltige, matig humeuze, donkergrijsbruine klei) aangetroffen op 3,0 tot 3,4 m -Mv. Volgens een mondelinge mededeling van de grondgebruiker was in het noordelijke perceel (boringen 165, 166 en 525 t/m 529) een depressie aanwezig die opgevuld is met materiaal afkomstig van de aanleg van de meest westelijke zandwinplas. Het AHN lijkt dit te bevestigen (zie figuur 3). Het maaiveld van het noordelijke perceel ligt hoger dan de omliggende percelen en de overgang van
21
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
6NXOHQERDUJHUZHL
)
ERV
ERV
ERV
D
)
ERV
ERV
P
ERV
ERV
ERV
7DVZZRU73DSULO
PDDLYHOGLQPHWHUVWRY1$3
OHJHQGD
JXWVERULQJ
JXWVERULQJPHWYHHQ
)
)
ERRUQXPPHU ERRUUDDLPHWUDDLOHWWHUV
PRJHOLMNJHsJDOLVHHUG JUHQVSODQJHELHG
ERV
ERV
22
Figuur 3. Resultaten onderzoek laat-glaciaal beekdal.
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
hoog naar laag is zeer abrupt. De bovenste bodemlagen bestaan waarschijnlijk uit recent opgebracht materiaal. De hierin aanwezige mica en kleibrokken zijn hier een aanwijzing voor. Op basis van de boorprofielen is het echter niet mogelijk om onderscheid te maken tussen het recent opgebrachte materiaal en de oudere opvulling van het beekdal. Vermoedelijk is de bodemopbouw op het zuidelijke perceel (boringen 530 t/m 532) nog wel intact. Hier is de randzone van het beekdal aanwezig. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats zijn niet aangetroffen. De opvulling van het beekdal bestaat vermoedelijk grotendeels uit opgebracht/ver stoord materiaal. De verwachting voor in situ aanwezige archeologische resten is zeer laag.
Onderzoeksgebied Westkern In onderzoeksgebied Westkern (boringen 112 t/m 162 en 534 t/m 563) bestaat de bodemopbouw uit een 0,2 tot 0,7 m dikke bouwvoor/verstoorde laag (meestal zwak tot sterk zandig, grijsbruin tot donkergrijsbruin veraard veen en soms matig fijn, zwak siltig, matig humeus zand), meestal op een 0,1 tot 0,7 m dikke veenlaag (mineraalarm tot zwak zandig, grijsbruin tot donkerbruin zeggeveen of amorf veen). Onder het veen of de bouwvoor/verstoorde laag ligt dekzand (matig tot zeer fijn, matig tot sterk siltig, bruingrijs tot lichtgeelgrijs zand, meestal met plantenresten en humus in de top) op 0,35 tot 0,95 m -Mv. In de top van het dekzand is geen podzolbodem aan we zig. Gezien de lage ligging van het onderzoeksgebied zal vermoedelijk nooit een podzolbodem in het dekzand gevormd zijn. Door onderzoeksgebied Westkern loopt een noord-zuid georiënteerd zandpad dat op basis van het bureauonderzoek mogelijk een middeleeuwse oorsprong heeft. In een perceel direct ten oos ten van dit pad, aan de noordzijde van het onderzoeksgebied, zijn in een gebied van circa 50 bij 50 m 10 fragmenten aardewerk uit de Middeleeuwen gevonden (bijlage 2: vondstnummer 1; ARCHISvondstmel dings nummer 413858). De fragmenten zijn gevonden in molshopen en in een slootkant en zijn sterk versleten/verweerd. Negen fragmenten zijn gemagerd met (grof) zand.
Het betreft kogelpotaardewerk uit de Middeleeuwen. Slechts één fragment is organisch gemagerd en heeft mogelijk een oudere datering (IJzertijd/Romeins). In de omgeving is ook wat modern aarde werk aanwezig (niet verzameld). Ter hoogte van de vondstlocatie is ter controle een boring gezet (boring 563). De bodemopbouw ter hoogte van deze boring is niet afwijkend ten opzichte van het overige deel van het onderzoeksgebied. Mogelijk is het aardewerk van elders afkomstig en via bemesting op het perceel terechtgekomen. Dit kan echter niet met zekerheid bepaald worden. Gezien de aanwezigheid van een oud, mogelijk middeleeuws pad en de relatief hoge concentratie aan vondstmateriaal, gaat het misschien om een vindplaats uit de Middeleeuwen. Aan de noordzijde van het onderzoeksgebied is een nog niet eerder bekende pingoruïne aangetroffen. In overleg met de provincie heeft hier waarderend onderzoek plaatsgevonden (zie de resultaten van het waarderende onderzoek: pingoruïne 13).
Conclusies en aanbevelingen In onderzoeksgebied Westkern zijn aanwijzingen gevonden voor een mogelijk middeleeuwse vindplaats. Om hierover zekerheid te krijgen, wordt voor deze locatie een proefsleuvenonderzoek aanbevolen. Op basis van de resultaten van dit proefsleuvenonderzoek kan door de bevoegde overheid een weloverwogen beslissing genomen worden over de behoudenswaardigheid van de
23
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Figuur 4. Laat-glaciaal beekdal, boorraai F-F’.
24
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
vindplaats. Proefsleuvenonderzoek dient plaats te vinden op basis van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). De aanbevelingen voor de (mogelijke) pingoruïnes en vuursteenvindplaatsen in het plangebied worden bespro ken in § 3.3 en § 3.4. Uit het verkennende onderzoek blijkt dat de bodem in het grootste deel van het plangebied niet meer intact is of dat er geen podzolbodem gevormd is. De verwachting is laag dat binnen het plangebied nog onbekende behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig zijn. Voor het gedeelte van het plangebied buiten de archeologische vindplaatsen en pingoruïnes wordt daarom geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Conform de voorschriften in het PvA is overleg gevoerd met de provincie over eventueel archeologisch vervolgonderzoek binnen het aandachts gebied Middeleeuwen. Hierin is besloten om ook voor dit aandachts gebied geen vervolgonder zoek aan te bevelen. Indien tijdens de geplande werkzaamheden archeologische vondsten wor den aangetroffen, dan dienen deze direct gemeld te worden bij de provinciaal archeoloog van Fryslân.
3.3 Resultaten waarderend onderzoek vuursteenvindplaatsen Tijdens het veldonderzoek heeft ter hoogte van 5 bekende vuursteenvindplaatsen een waarde rend onderzoek plaatsgevonden op basis van de voorschriften in het PvA. Hieronder worden de resul taten van het onderzoek per vindplaats besproken. Ingegaan wordt op de reeds bekende gegevens uit voorgaande onderzoeken, de onderzoeksmethode, het resultaat van het veld onder zoek en de aanbevelingen voor eventueel vervolgonderzoek. Voor alle onderzochte vuursteenvindplaatsen geldt dat de vondstzichtbaarheid zeer slecht was als gevolg van de aanwezigheid van grasland en sneeuw. De in het PvA voorgeschreven oppervlaktekartering is beperkt gebleven tot de controle van molshopen en andere bodemontsluitingen.
Vuursteenvindplaats I Centrumcoördinaten: 200.410/578.280 Kaartblad: 6G Catalogusnummer: 418 (Ten Anscher e.a., 2004) Vondstmateriaal voorgaand onderzoek: oppervlaktevondsten bestaande uit enkele vuurstenen artefacten. Datering: Steentijd Relatie tot omgeving: lichte verhoging Toenmalig grondgebruik: akker (1987) Huidig grondgebruik: grasland Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: de vindplaats ligt buiten het plangebied. Alleen de bufferzone rondom de vindplaats ligt deels in het plangebied. Volstaan kan worden met een verdichting van het boorgrid. Als sprake is van een intacte bodemopbouw, dient het grid verdicht te worden met megaboringen. Tevens dient, indien mogelijk, een oppervlaktekartering uitgevoerd te worden. Boringen: 466 t/m 472
25
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Resultaten booronderzoek: binnen de vindplaats ligt de mogelijke pingoruïne 1. Het onderzoek van de vindplaats en de mogelijke pingoruïne is gecombineerd. De vindplaats wordt aan de westzijde doorsneden door transportleidingen van de NAM en de Gasunie. Binnen het onderzochte perceel is een smalle, noord-zuid georiënteerde depressie aanwezig. Uit boring 466 blijkt dat de depressie een diepte heeft van circa 2,5 m. De bodemopbouw bestaat uit een 0,5 m dikke bouwvoor op een 1,6 m dikke verstoorde laag (sterk zandige, zwak grindige, lichtgroengrijze leem, met zand en keileembrokken). Op 2,1 m -Mv is nog een 0,3 m dikke laag veen (zwak zandige, lichtgroenbruine gyttja) aanwezig, Hieronder bevindt zich zand (matig fijn, zwak siltig, grijs tot bruingrijs zand, in de top zwak humeus). Ook in boring 471 is de depressie aangetroffen: onder een 1,6 m dikke bouwvoor/verstoorde laag bevindt zich keileem (sterk zandige, zwak grindige, lichtgroengrijze leem). In de boringen 467 t/m 470 en 472 is de bodemopbouw zeer anders. Onder een circa 0,5 m dikke bouwvoor ligt een 0,05 tot 0,1 m dikke veenlaag (zwak tot sterk zandig, donkerbruingrijs, amorf veen) met daaronder dekzand (matig tot zeer fijn, matig siltig, bruingeel tot donkergrijsgeel, compact zand, in de top zwak humeus). In boring 472 is geen veen meer aanwezig en ligt het dekzand direct onder de bouwvoor.
In het dekzand is geen podzolbodem waargenomen. Door de lage ligging heeft zich vermoedelijk nooit een podzolbodem in het dekzand ontwikkeld. In boring 470 is onder het dekzand keileem aangetroffen (sterk zandige, zwak grindige, lichtgroengrijze leem). Conclusies en aanbevelingen: er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een vindplaats uit de Steentijd. De relatief lage ligging en de afwezigheid van een podzol bodem zijn aanwijzingen dat het gebied al vroeg in het Holoceen te nat zal zijn geweest om een aantrekkelijke nederzettingslocatie te vormen. Ook is er geen pingoruïne aangetroffen binnen de vindplaats. Voor deze locatie wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
Vuursteenvindplaats II Centrumcoördinaten: 200.130/579.120 Kaartblad: 6D Catalogusnummer: 416 (Ten Anscher e.a., 2004) Vondstmateriaal voorgaand onderzoek: oppervlaktevondsten bestaande uit enkele vuurstenen artefacten, waaronder een afslag. Datering: Steentijd Relatie tot omgeving: schuin oplopend land Toenmalig grondgebruik: akker (1987) Huidig grondgebruik: grasland Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: de vindplaats ligt buiten het plangebied. Alleen de bufferzone rondom de vindplaats ligt deels in het plangebied. Volstaan kan worden met een verdichting van het boorgrid. Als sprake is van een intacte bodemopbouw, dient het grid verdicht te worden met megaboringen. Tevens dient, indien mogelijk, een oppervlaktekartering uitgevoerd te worden. Boringen: 26 t/m 29 Resultaten booronderzoek: de vindplaats ligt binnen het attentiegebied Middeleeuwen, waarvoor in het PvA al 6 boringen per ha zijn voorgeschreven. Het was daarom niet noodzakelijk om het boorgrid ter plaatse van de vindplaats te verdichten. De toplaag bestaat uit een 0,45 tot 0,65 m dikke bouwvoor/verstoorde laag (matig fijn, zwak tot matig siltig, zwak tot matig humeus, bruin-
26
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
ERV
ER V
ERV
ER V
ERV
ERV
ERV
D
$
6NXOHQERDUJHUZHL
ERV
,,,
ERV
V ER
ERV
D
ERV
$
ERV
ERV
DQ
D
DD -RHU HO
P
-RHUHOD
ERV
9
-RHU HOD
ERV
7DVZZRU73DSULO
NDPS 0RXQH
ERV
ERV
Q
DQ ERV
Figuur 5. Resultaten onderzoek vuursteenvindplaats III.
27
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
Figuur 6. Vuursteenvindplaats III, boorraai A-A’.
28
RAAP-RAPPORT 2092 Bedrijventerreinen Skûlenboarch en Westkern, gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek
grijs tot donkerbruingrijs zand of sterk zandig, donkergrijsbruin, veraard veen). Onder de toplaag bevindt zich zand (matig fijn, zwak siltig, zwak grindig, lichtgeelgrijs zand). Het betreft deels dekzand en deels keizand. In het zand is geen podzolbodem aanwezig. Door de lage ligging heeft zich vermoedelijk nooit een podzolbodem in het dekzand ontwikkeld. In de boringen 27, 28 en 29 is onder het zand keileem aangetroffen (sterk zandige, zwak grindige, licht groengrijze leem) op 0,65 tot 0,8 m -Mv. Conclusies en aanbevelingen: er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een vindplaats uit de Steentijd. De relatief lage ligging en de afwezigheid van een podzolbodem zijn aanwijzingen dat het gebied al vroeg in het Holoceen te nat zal zijn geweest om een aantrekkelijke nederzettingslocatie te vormen. Voor deze locatie wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
Vuursteenvindplaats III (figuren 5 en 6) Centrumcoördinaten: 200.640/578.670 Kaartblad: 6G Catalogusnummer: 616 (Ten Anscher e.a., 2004) Vondstmateriaal voorgaand onderzoek: oppervlaktevondsten bestaande uit 1 klopsteen uit natuursteen en 13 vuursteenartefacten (1 geretoucheerde kling, 1 geretoucheerde afslag, 3 kernen waarvan 1 verbrand, 6 afslagen waarvan 1 verbrand en 2 verbrande brokken). Datering: Mesolithicum Relatie tot omgeving: flank van dekzandrug Toenmalig grondgebruik: akker (oktober 1990) Huidig grondgebruik: grasland Onderzoek volgens het Plan van Aanpak: het onderzoek dient gericht te zijn op de waarde en begrenzing van de vindplaats. Over de vindplaats dienen in een kruisraai boringen gezet te worden met een onderlinge boorafstand van 10 m. Indien mogelijk moet tevens een oppervlaktekartering plaatsvinden. Boringen: gutsboringen 366, 367, 369 t/m 401, 403 t/m 406 en 501 t/m 508; megaboringen 364, 365, 368, 402 en 500. Resultaten booronderzoek: binnen de vindplaats is sprake van microreliëf. Ten noorden en zuiden van de centrumcoördinaat van de vindplaats ligt het maaiveld hoger. In het lage gedeelte ligt het maaiveld op 1,5 tot 1,75 m +NAP. Zowel naar het noorden als naar het zuiden toe loopt het maaiveld op naar circa 2,1 m +NAP. De toplaag bestaat uit een 0,4 tot 0,75 m dikke bouwvoor/ verstoorde laag (matig fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs zand).