CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

09 - Bijlage 2 - Toelichting bestemmingsplan

RAADSVERGADERING 2018 t/m 2024 21 september 2023, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Skûlenboargerwei 10 Eastermar (besluitvormend, hamerstuk)9.501 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan "Skûlenboargerwei 10 Eastermar"

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding ........................................2 1.1 Aanleiding .............................................2 1.2 Situatie ...............................................2 1.3 Leeswijzer .............................................2 Hoofdstuk 2 Beleidskader .....................................3 2.1 Inleiding ..............................................3 2.1.1 Rijksbeleid ..........................................3 2.2 Provinciaal beleid- en regelgeving .....................4 2.2.1 Omgevingsvisie en verordening Romte .................4 2.2.2 Grutsk op 'e Romte ..................................5 2.3 Gemeentelijk beleid ......................................5 2.3.1 Structuurvisie 'Finster op Romte' (2010 - 2020) .....5 Hoofdstuk 3 Beoordeling ......................................8 3.1 Project ................................................8 3.2 Ruimtelijke inpasbaarheid ..............................8 3.3 Functionele inpasbaarheid ..............................9 3.4 Conclusie .............................................10 Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten ...............................11 4.1 Inleiding .............................................11 4.2 Landschap en Cultuurhistorie ..........................11 4.3 Bodem .................................................12 4.4 Archeologie ...........................................13 4.5 Natuur

................................................14 4.5.1 Natuurnetwerk Nederland ............................14 4.5.2 Wet natuurbescherming ..............................15 4.6 Milieu ................................................16 4.6.1 Milieueffectrapportage (m.e.r.) ....................16 4.6.2 Milieuzonering bedrijvigheid .......................17 4.7 Luchtkwaliteit ........................................19

4.8 Externe veiligheid ....................................20 4.9 Water .................................................22 Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving ...........................24 5.1 Algemeen ..............................................24 5.2 Verbeelding ...........................................24 5.3 Regels ................................................24 5.3.1 Bestemmingen .......................................25 5.3.2 Dubbelbestemming ...................................26 5.3.3 Gebiedsaanduiding ..................................26 Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid .................................26 6.1 Economisch ............................................26 6.2 Maatschappelijk .......................................27

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Er is medewerking gevraagd aan het planologisch mogelijk maken van de vestiging van een landbouwmechanisatiebedrijf op het perceel Skûlenboargerwei 10 te Eastermar.

1.2 Situatie In het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 2013" is het perceel Skûlenboargerwei 10 te Eastermar aangewezen voor de bestemming 'Agrarisch - Bedrijf intensieve veehouderij'. Met deze bestemming kon er op deze gronden een kippenfokkerij worden uitgeoefend. Op het perceel is een bedrijfswoning en bedrijfsgebouw (voormalige kippenloods) aanwezig. De uitoefening van de kippenfokkerij is enkele jaren terug beëindigd. Het landbouwmechanisatiebedrijf van Zwol is thans nog gevestigd op de Witveensterweg 14 te Eastermar. Hiertoe is er een uitgebreide omgevingsvergunning verleend d.d. 29 april 2020. Het bedrijf wil zich vestigen op het vrijgekomen agrarische perceel Skûlenboargerwei 10 te Eastermar. Aangezien het vestigen van een landbouwmechanisatiebedrijf op deze locatie niet past binnen het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 2013", zal er een herziening van het vigerende bestemmingsplan dienen plaats te vinden. De huidige bestemming 'Agrarisch - Bedrijf intensieve veehouderij' zal moeten worden gewijzigd in de bestemming 'Bedrijf – Agrarisch hulpbedrijf'.

Thans is de Verordening Romte nog van kracht en op grond van artikel 6.2.2 van deze verordening is het vestigen van een landbouwmechanisatiebedrijf op een vrijkomend agrarisch perceel niet toegestaan, aangezien in de begrippenlijst behorende bij de Verordening Romte landbouwmechanisatiebedrijven niet als agrarische hulpbedrijven worden aangemerkt. Er zal derhalve een ontheffing van de Verordening Romte moeten worden aangevraagd.

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is aandacht besteed aan het voor dit wijzigingsplan relevante beleid. In hoofdstuk 3 vindt een beoordeling van het project plaats. In hoofdstuk 4 is vervolgens

aandacht besteed aan de omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 komen de juridisch bestuurlijke aspecten aan bod. In hoofdstuk 6 komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 2 Beleidskader 2.1 Inleiding Het bestemmigingsplan "Buitengebied 2013" ligt ten grondslag aan de voorliggende herziening. In dit hoofdstuk is aandacht besteed aan het relevante beleid.

2.1.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de

leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen

of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid

gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.

Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVIgebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren. Opgaven

Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:

1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie.

2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken.

4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Uitvoering

Voor het maken van beleidskeuzes ten aanzien van deze vier opgaven hanteert de NOVI een omgevingsinclusieve benadering en drie afwegingsprincipes. Dit om te garanderen dat bij

de oplopende druk op de fysieke leefomgeving door overheden keuzes in samenhang met boven- en ondergrond worden gemaakt en daarbij dezelfde afwegingsprincipes worden

gehanteerd. Het belangrijkste spanningsveld bij deze afwegingen is dat tussen beschermen en ontwikkelen. Waar beschermen en ontwikkelen niet samen kunnen gaan, beoogt de omgevingsinclusieve benadering met ontwikkeling nieuwe kwaliteiten te ontwikkelen.

De drie afwegingsprincipes zijn: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van en gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda zijn onder

andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. In de NOVI De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.

De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied betreft de vestiging van een niet-agrarisch, maar wel aan de agrarische sector gelieerd, bedrijf op een vrijgekomen agrarisch perceel en is ten opzichte van de huidige bestemming relatief klein in omvang. Deze ontwikkeling raakt geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI.

2.2 Provinciaal beleid- en regelgeving 2.2.1 Omgevingsvisie en verordening Romte Omgevingsvisie Provincie Fryslân 'De romte diele' Op 23 september 2020 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Provincie Fryslân 'De romte diele' vastgesteld. Met deze Omgevingsvisie beoogt de provincie richting te geven aan de activiteiten voor de komende jaren, door middel van het bepalen van doelen voor de bestaande kwaliteit van de leefomgeving en doelen voor de aanpak van de opgaven leefbaar,

vitaal & bereikbaar, energietransitie, klimaat-adaptatie en het versterken van de biodiversiteit. Voor het leefbaar en vitaal houden van het platteland dienen er voldoende woningen,

voorzieningen en bedrijvigheid te zijn en blijven. Werkgelegenheid biedt mensen immers

perspectief en bindt hen aan een gebied. Met het onderhavige plan wordt de vestiging van een landbouwmechanisatiebedrijf op de Skûlenboargerwei 10 planologisch mogelijk gemaakt.

Het betreft een verplaatsing van een bestaand bedrijf dat op de oorspronkelijke locatie in beperkte omvang is gelegaliseerd maar niet kan worden voortgezet. Door het vestigen op

deze locatie kan het bedrijf behouden blijven, zijn er minder beperkingen vanuit de omgeving en is er meer toekomstperspectief.

Verordening Romte Fryslân De Verordening Romte Fryslân regelt de onderwerpen, waarvan de juridische doorwerking en borging in ruimtelijke plannen van gemeenten noodzakelijk is. Het provinciaal beleid geeft de contouren of bovengrens aan van wat er in een bestemmingsplan mogelijk kan worden

gemaakt. Voorts geeft de provincie instructies over de inhoud van de gemeentelijke plannen of ten aanzien van de onderbouwing/motivering in de plantoelichting.

De doorwerking van dit provinciaal beleid in dit bestemmingsplan is divers en veelomvattend.

Het voert te ver om daarop in het kader van deze toelichting uitputtend in te gaan. Volstaan

wordt met het noemen van enkele relevante voorbeelden. In de visie van de provincie is er veel aandacht voor ruimtelijke kwaliteit en voor het landschap.

De provincie regelt dat nieuwe stedelijke functies in landelijk gebied kunnen worden toegestaan, indien sprake is van hergebruik, verbouw of vervanging van vrijkomende

gebouwen. Het gaat bij de nieuwe stedelijke functies onder andere over dienstverlening en

niet-industriële bedrijven behorende tot de milieucategorieën 1, 2 en 3 of naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbare bedrijven, mits ruimtelijk en functioneel passend in de karakteristiek van de omgeving.

Omgevingsverordening Fryslân Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Verordening Romte Fryslân worden opgevolgd door de Omgevingsverordening Fryslân. In deze nieuwe verordening is gehoor

gegeven aan de verplichting vanuit de Omgevingswet, om alle regels voor de fysieke leefomgeving in één verordening op te nemen.

De Omgevingsverordening Fryslân kent een verruiming van het begrip ‘agrarisch hulpbedrijf’, waardoor nu ook landbouwmechanisatiebedrijven met als hoofdactiviteit onderhoud en reparatie

van

landbouwvoertuigen

er

onder

vallen.

Dergelijke

landbouw-

mechanisatiebedrijven worden daarmee als agrarische bedrijven aangemerkt, die zich op een voormalig agrarisch bouwperceel kunnen vestigen, zonder de verplichting dat daarbij gebruik dient te worden gemaakt van de vrijkomende gebouwen. Het onderhavige plan past dan ook binnen deze Omgevingsverordening.

2.2.2 Grutsk op 'e Romte Provinciale Staten hebben op 26 maart 2014 de structuurvisie “Grutsk op ‘e Romte” vastgesteld. In deze thematische structuurvisie zijn landschappelijke en cultuurhistorische

structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. Het doel

hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van

informeren, inspireren en adviseren. Op deze wijze verwacht Provinsje Fryslân de doorwerking van provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, rijk en provincie te borgen.

2.3 Gemeentelijk beleid 2.3.1 Structuurvisie 'Finster op Romte' (2010 - 2020) In januari 2010 is de Structuurvisie 'Finster op Romte' door de gemeenteraad vastgesteld. De

structuurvisie gaf de toekomstvisie weer van Tytsjerksteradiel tot het jaar 2020. Deze Structuurvisie is nog steeds van kracht, nu de nieuwe visie, te weten de Omgevingsvisie Tytsjerksteradiel 2021-2050, nog niet in werking is getreden. Landschap De gemeente ziet het landschap als de toetssteen voor alle ontwikkelingen. Ontwikkelingen zijn vaak nodig en essentieel, maar het landschap dient hieronder niet te lijden. Dit betekent

dat bij ruimtelijke ingrepen zorgvuldig wordt omgegaan met de schaal en maat van de te

realiseren ontwikkeling in het gebied. Om de mogelijkheden in het landschap aan te geven is de gemeente Tytsjerksteradiel verdeeld: • •

Het oostelijke (besloten) gedeelte, inclusief de Trynwâlden; Het westelijke (open) gedeelte.

Deze tweedeling is de basis voor de zonering in dynamiek. Daarbinnen wordt overigens nog

wel gedifferentieerd. De stelregel bij beide regimes is gelijk: ontwikkelingen in het landschap zijn mogelijk, mits zij zich voegen naar en passen in maat en schaal van het landschap.

In het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" is dit beleid doorgevoerd. In de toelichting van het bestemmingsplan staat het volgende genoemd. Agrarische ontwikkelingen Naar verwachting zal het aantal agrarische bedrijven de komende jaren fors afnemen. De hierdoor

vrijkomende

bedrijfsgrond

zal

voor

een

deel

worden

aangewend

voor

schaalvergroting en functieverbreding van andere agrarische bedrijven en verder voor andere functies, zoals natuur, wonen, bedrijven en infrastructuur. Vrijkomende bedrijfsbebouwing zal veelal een andere functie krijgen: wonen, lichte vorm van bedrijvigheid, recreatie of zorg.

Voor de keuze in herbestemming van de vrijkomende bebouwing zal aansluiting worden

gezocht bij de gebiedsgerichte aanpak, zoals bedoeld in hoofdstuk 2.4 van de Structuurvisie. Mogelijkheden van en in het landschap: behouden in het oostelijke gedeelte, ontwikkelen in

het westelijke gedeelte. Het landschap gaat niet op slot, maar de ontwikkelingen vinden

plaats naar aard en schaal van het landschap. Ingrepen dienen te passen in het karakteristieke landschap. Maatwerk is geboden. Alleen wanneer aan deze voorwaarde wordt voldaan is er

vrijheid in vormgeving, type en functie. Het mag vernieuwend en bijzonder zijn. Om de

mogelijkheden in het landschap aan te geven verdelen we de gemeente, ruwweg, in twee gedeelten:

• het oostelijke (besloten) gedeelte, inclusief de Trynwâlden (donkergroen) • het westelijke (open) gedeelte (licht groen) Deze tweedeling is de basis voor de zonering in dynamiek. Daarbinnen wordt overigens nog

wel gedifferentieerd. De stelregel bij beide regimes is gelijk: ontwikkelingen in het landschap kunnen, maar alleen wanneer zij zich voegen naar en passen in maat en schaal van het landschap.

Het onderhavige perceel is gelegen in het oostelijke gedeelte. Dit gedeelte, met het fraaie coulisselandschap, is een gaaf en kleinschalig gebleven landschap. Wij gaan hier uit van een

consoliderend regime. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, zolang de kernkwaliteiten worden behouden of verstrekt (ja-mits principe). Er is ruimte voor lokale en regionale

bedrijvigheid. Grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen zijn niet mogelijk, omdat deze niet verenigbaar zijn met de kernkwaliteiten.

Kenmerkend voor het woudenlandschap is de verkavelingsstructuur met diepe kavel, haaks gelegen op ontsluitingswegen, voorzien van een afscherming van dykswâlen, dan wel

houtsingels. De beoogde ontwikkeling zal geen aantasting van de verkavelingsstructuur of

dykswâlen/houtsingels teweegbrengen. Het beoogde bedrijfsgebouw zal op de locatie van de voormalige kippenloods worden gerealiseerd en zal bovendien een kleiner bouwvolume

kennen dan op grond van de huidige bestemming is toegestaan. Het beoogde bedrijfsgebouw (opp. 480 m2, maximale bouwhoogte 8,60 meter) wordt qua maat en schaal als passend binnen het landschap gezien.

Hoofdstuk 3 Beoordeling 3.1 Project De herziening heeft betrekking op het wijzigen van de bestemming van het perceel

Skûlenboargerwei 10 te Eastermar van 'Agrarisch - Bedrijf intensieve veehouderij' naar de bestemming 'Bedrijf – Agrarisch hulpbedrijf'.

3.2 Ruimtelijke inpasbaarheid Het

ter

plaatse

geldende

bestemmingsplan

"Buitengebied

2013"

kent

een

wijzigingsbevoegdheid in artikel 5.6.1. onder d, waarmee de bestemming naar maximaal 'Bedrijf - 2' kan worden gewijzigd, mits: 1. de uitoefening van de betreffende functie plaatsvindt binnen de bestaande oppervlakte aan gebouwen en het bijbehorende erf;

2. erfbebouwing in de vorm van silo's, mestopslag, kassen, en dergelijke is gesloopt;

3. een zorgvuldige landschappelijke inpassing plaats vindt, rekening houdend met de specifieke landschapskenmerken en het bebouwingspatroon ter plaatse;

4. de bestaande woonfunctie bij het bedrijf gehandhaafd blijft;

5. het geen industriële bedrijven, geluidzonderingsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven betreft.

Naast voorgaande specifieke criteria dient ook te worden voldaan aan de algemene criteria onder artikel 5.6.4 van het bestemmingsplan "Buitengebied 2013". Aan deze criteria wordt hierna, in hoofdstuk 4 aandacht besteed. Een toetsing van het voornemen aan de hiervoor gestelde voorwaarden laten het volgende beeld zien. Ad. 1. Ten

behoeve

van

het

landbouwmechanisatiebedrijf

zal

er

een

nieuw

bedrijfspand moeten worden gerealiseerd en zal er verharding van gronden

plaatsvinden.

Dit

naast

de

bestaande

oppervlakte

aan

gebouwen

en

het

bijbehorend erf. Hierbij wordt gekeken naar de bestaande gebouwen, wordt er niet

voldaan aan deze voorwaarde en dient het bestemmingsplan te worden herzien.

Ad. 2. Na de beëindiging van de intensieve veehouderij zijn de silo's, mestopslag en grote loods gesloopt;

Ad. 3. Het plangebied ligt in het Coulisselandschap (woudenlandschap, met de daarin te onderscheiden deelgebieden). Dit kenmerkt zich door: •

kleinschalig patroon van lintbebouwing, dykswâlen, elzensingels met geleidelijke

overgangen naar open enclaves daartussen (mieden en hooilanden) en esgronden; •

relatief dicht netwerk van dykswâlen (met name bij Jistrum en Eastermar-It Heechsân) en elzensingels;

•

afwisseling van schaal en reliëf;

•

opstrekkende strokenverkaveling, min of meer haaks op ontginningsassen, met gevarieerde lengte – breedteverhoudingen van gemiddeld 4:1 à 5:1 tot hier en daar (on)regelmatige blokverkaveling;

•

structurerende elementen als bospercelen, aardkundige elementen zoals

pingoruïnes en dobben, wegen en (onverharde) paden met laanbeplanting. Het onderhavige plan betreft de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw en verharding van gronden ten behoeve van het landbouwmechanisatiebedrijf, binnen het bestaande bouwvlak,

dat - met uitzondering van het gebruik - zou passen binnen de bestaande bouwregels. Bij de realisatie

ervan,

vindt

landschapskenmerken.

er

geen

aantasting

plaats

van

de

bovengenoemde

Ad. 4.

Overeenkomstig de voorwaarde, zal de op het perceel aanwezige bedrijfswoning blijven functioneren als woning ten behoeve van het bedrijf. Ad. 5.

Met dit plan wordt de vestiging van een landbouwmechanisatiebedrijf mogelijk gemaakt. Op het perceel zal geen industrieel bedrijf, geluidzonderingsplichtige inrichting, risicovolle inrichting en/of vuurwerkbedrijf worden gevestigd. Conclusie

Het onderhavige plan voldoet aan de voorwaarden gesteld aan de wijzigingsbevoegdheid. Ontheffing Verordening Romte

Het plan past niet binnen artikel 1.1.1 van de Verordening Romte. Dit artikel stelt immers dat in

een

van

de

ruimtelijk

plan

voor

landelijk

gebied

geen

bouwmogelijkheden

en

gebruiksmogelijkheden mogen worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies. Op grond begrippenlijst

behorende

bij

de

Verordening

Romte

wordt

een

landbouwmechanisatiebedrijf niet als een agrarisch hulp- of dienstverlenend bedrijf aangemerkt. Daarmee is er dan automatisch sprake van een nieuwe stedelijke functie.

De Verordening Romte kent de mogelijkheid om van dit artikel af te wijken op grond van

artikel 10.1.1. Deze ontheffing kan worden verleend indien er voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a.

de ontwikkeling gelet op aard, schaal en uitstraling past binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, en in een evenredige verhouding nieuwe kwaliteiten van natuur, water, landschap of recreatieve dan wel agrarische mogelijkheden toevoegt, of bijdraagt aan een goede ruimtelijke kwaliteit in het landelijke gebied of bestaand

b. c.

stedelijk gebied,

de ontwikkeling bijdraagt aan de sociale of economische vitaliteit van het platteland,

de ontwikkeling niet leidt tot onevenredige milieubelasting en niet onevenredig veel verkeer aantrekt in relatie tot het onderliggende wegennet, en

d.

de ontwikkeling niet leidt tot beperkingen voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving.

Het plan voldoet aan de bovengenoemde voorwaarden en het college van Gedeputeerde Staten heeft d.d. de ontheffing verleend (zie ontheffing van de Verordening Romte). Landschappelijke inpassing

Er is een inpassingsplan opgesteld, met daarop aangegeven de locatie van het te realiseren bedrijfsgebouw en de te nemen maatregelen in het kader van de landschappelijke inpassing

(zie bijlage 3). Het bedrijfsgebouw en de verharding van het bijbehorende terrein mogen enkel worden gerealiseerd indien de beoogde landschappelijke inpassing overeenkomstig de in

bijlage 3 opgenomen inpassingsplan is gerealiseerd, en overeenkomstig dit inpassingsplan in stand wordt gehouden.

3.3 Functionele inpasbaarheid De gemeente wil ruimte bieden, om in lijn met het vigerende provinciale beleid, vestiging van bedrijven op de percelen van voormalig agrarische bedrijven mogelijk te maken. Het herzieningsplan heeft betrekking op de vestiging van een landbouwmechanisatiebedrijf op

het perceel van een voormalig agrarisch bedrijf. Om de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw en de verharding van gronden mogelijk te maken, zal de bestemming worden gewijzigd naar 'Bedrijf – Agrarisch hulpbedrijf'. Met het wijzigen van de bestemming naar bedrijf-Agrarisch

hulpbedrijf, zal de aanduiding 'Agrarisch - Bedrijf intensieve veehouderij' komen te vervallen, waarmee de mogelijkheid van het uitoefenen van een intensieve veehouderij zal verdwijnen. Dit is mogelijk van belang met het oog op de stikstof opgave.

Het betreft hier een bestaand bedrijf, dat reeds in het buitengebied gevestigd is, temidden van (potentiële) klanten. Op deze locatie kan het bedrijf echter niet worden doorgezet. Dit gelet op het feit dat er op de huidige locatie niet voldaan kan worden aan de in acht te nemen richtafstanden voor geluid ten opzichte van de woningen op de naastgelegen percelen, met geluidoverlast tot gevolg. Het verplaatsen van het bedrijf naar het

vrijgekomen agrarische perceel Skûlenboargerwei 10 zou, naar het oordeel van de

gemeente, een goede oplossing zijn, waarbij tevens de intensieve veehouderij bestemming kan worden ingewisseld.

In de Verordening Romte worden landbouwmechanisatiebedrijven als niet-agrarische bedrijven gezien, die thuishoren op een bedrijventerrein. Op de bestaande

bedrijventerreinen binnen de gemeente is echter geen perceel beschikbaar gebleken voor het bedrijf. Het bedrijf zou dan niet langer binnen de gemeentegrenzen kunnen worden voortgezet.

In de Omgevingsverordening Fryslân worden landbouwmechanisatie bedrijven, mits ze zich

hoofdzakelijk bezighouden met het onderhoud en de reparatie van landbouwvoertuigen, als agrarisch hulpbedrijf aangemerkt.

3.4 Conclusie Het betreft het vestigen van een bestaand landbouwmechanisatiebedrijf op het perceel Skûlenboargerwei 10 te Eastermar. Het bedrijf was gevestigd op Witveensterweg 14 te Eastermar, maar het bedrijf kan niet op die locatie worden voortgezet. De locatie

Skûlenboargerwei 10 is op voldoende afstand gelegen van gevoelige bebouwing, om geluidoverlast te kunnen voorkomen. Met deze nieuwe bedrijfsbestemming komt de bestemming van een intensieve veehouderij te vervallen.

Gelet op de ruimtelijke en functionele inpasbaarheid van het landbouwmechanisatiebedrijf

op de Skûlenboargerwei 10 te Eastermar wil de gemeente meewerken aan het vestigen van het bedrijf op deze locatie.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de omgevingsaspecten behandeld.

Er dient o.a. aangetoond te

worden dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische waarden, bodem, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de milieuaspecten

en

de

gebruiksmogelijkheden

van

de

aangrenzende

gronden,

de

geluidsaspecten, de luchtkwaliteit en de externe veiligheid. Daarnaast is het een wettelijke verplichting om een watertoets uit te voeren.

4.2 Landschap en Cultuurhistorie Sinds 2012 is het wettelijk verplicht om cultuurhistorische (cultuurlandschappelijke en

bouwhistorische) waarden mee te nemen en af te wegen in ruimtelijke plannen (Bro art. 3.1.6).

Daarnaast is in de Verordening Romte (art. 2.1.1) de verplichting opgenomen om aan te geven op welke wijze het plan rekening houdt met respectievelijk invulling geeft aan de

landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Deze zijn specifiek beschreven in de structuurvisie Grutsk op 'e Romte en het bestemmingsplan "Buitengebied 2013". Grutsk op 'e Romte

In Grutsk op 'e Romte worden twee schaalniveaus gehanteerd:

1. het provinciale schaalniveau, met structuren die belangrijk zijn voor de provincie als geheel; dit zijn grote, regio overschrijdende eenheden die niet binnen bepaalde regionale

en/of gemeentelijke grenzen onder te brengen zijn. De voorgenomen activiteit doet geen afbreuk

aan deze gebiedsoverschrijdende landschappelijke en cultuurhistorische

structuren van provinciaal belang.

2. het deelgebied schaalniveau, met structuren die met name binnen een bepaald deelgebied representatief en van belang zijn; dit zijn structuren op regionale schaal, die gekoppeld

zijn aan specifieke deelgebieden binnen de provincie. Het plangebied maakt deel uit van het deelgebied Noordelijke Wouden. Ter plaatse van het plangebied zijn geen provinciale belangen aangeduid.

Bestemmingsplan "Buitengebied 2013"

In het kader van het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" is op hoofdlijnen in beeld

gebracht welke cultuurhistorische waarden aanwezig zijn in het buitengebied. Het gaat daarbij vooral om ontginningspatronen, landschapselementen en bebouwingselementen.

De dubbelbestemming 'Waarde - Landschap (woudenlandschap)' wordt gelegd op het

coulisselandschap in het oostelijke en centrale deel van de gemeente en in de Trynwâlden. De begrenzing valt grotendeels samen met die van het Nationaal Landschap ‘Noardlike Fryske

Wâlden’. De kenmerkende waarden van het woudenlandschap, zoals houtsingels, dykswâlen en verkavelingstructuren, worden door middel van een vergunningenstelsel beschermd. Op

basis van een inventarisatie van o.a. singels en dykswâlen is een zgn. houtsingelkaart

gemaakt. Hierop wordt aangegeven welke singels en dykswâlen in stand moeten blijven en

welke eventueel kunnen worden verwijderd (mits gecompenseerd). De houtsingelkaart is als bijlage bij de planregels gevoegd. De in stand te houden dykswâlen en houtsingels zijn ook

op de planverbeelding zelf weergeven door middel van een aanduiding. In het plan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een dergelijke aanduiding te verwijderen of aan te brengen.

Gelet op het voorgaande wordt in dit plan de dubbelbestemming 'Waarde - Landschap (Woudenlandschap)' gehandhaafd.

4.3 Bodem In het geval er nieuwe gebouwen opgericht worden, waar mensen gemiddeld langer dan 2 uur per dag verblijven, dient voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouw, de milieuhygiënische gesteldheid van de bodem geschikt te zijn bevonden voor het toekomstig gebruik.

Sanering

In het verleden bevonden zich een drietal ondergrondse tanks op het perceel, te weten twee

dieseltanks en één petroleumtank. Na het verwijderen van deze tanks heeft er bodemonderzoek plaatsgevonden, waarbij er bodemverontreiniging is geconstateerd. Er heeft in 2002 een sanering plaatsgevonden (zie Bijlage 1 ‘Verkennend bodemonderzoek

Skûlenboargerwei 10, Eastermar’). Na de sanering zijn er ter controle mengmonsters genomen van zowel de putbodem en -wanden, als van het grondwater.

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de grond (zeer plaatselijk) een licht verhoogd gehalte

voor xylenen is gemeten. In het grondwater is voor minerale olie een licht verhoogde concentratie geconstateerd. Op basis van de resultaten is geconcludeerd dat aan de vooraf gestelde saneringsdoelstelling is voldaan. Verkennend bodemonderzoek

In opdracht van Landbouwmechanisatiebedrijf Van Zwol is er door WMR Rinsumageest bv een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de beoogde locatie van het landbouw-

mechanisatiebedrijf. Dit ten behoeve van het vastleggen van een nul-situatie van de milieu hygiënische bodemkwaliteit. Dit met het oog op het verkrijgen van een toetsingsgrondslag voor mogelijke toekomstige bodemverontreiniging voortvloeiend uit de bedrijfsactiviteiten.

De boringen die in het kader van verkennend bodemonderzoek zijn uitgevoerd, hebben een licht verhoogd gehalte aan minerale olie en aan PCB aangetoond. Het betreft een lichte overschrijding van de achtergrondwaarden en een aanvullend onderzoek is derhalve niet nodig.

In het grondwater is verhoogd gehalte aan barium, koper, molybdeen en zink aangetroffen.

De gemeten concentraties vormen echter geen overschrijding van de streefwaarden en een aanvullend onderzoek is derhalve niet nodig.

In de toekomstige situatie worden voldoende maatregelen getroffen (vloeistofdichte vloeren e.d), op basis waarvan er sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico. Hiermee wordt voldaan aan de voorschriften uit het Activiteitenbesluit.

4.4 Archeologie Op grond van de Wet op Archeologische Monumentenzorg moet bij nieuwe ontwikkelingen rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden.

Gemeenten hebben sinds de inwerkingtreding van deze wet de verantwoordelijkheid om waardevolle archeologische locaties niet te (laten) verstoren. Belangrijk instrument is het op

een juiste wijze opnemen van archeologie in bestemmingsplannen en de vergunningverlening. In de Verordening Romte is de verplichting opgenomen om archeologische waarden af te wegen in ruimtelijke plannen (art. 2.2.1).

Op grond van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en het Bro moeten gemeenten bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met archeologische waarden en verwachtingen. In verband hiermee is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd.

Het plangebied is in verband met het voornemen van door middel van

bureauonderzoek onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden die door de voorgenomen bodemingrepen mogelijk worden bedreigd.

De provincie Fryslân heeft het initiatief genomen om, zoveel mogelijk in samenwerking met

het rijk en de gemeenten, het bodemarchief zo goed mogelijk in kaart te brengen. Dit gebeurt op de FAMKE: Friese Archeologische Monumentenkaart Extra.

De FAMKE is in de eerste plaats gebaseerd op twee bestaande landelijke kaarten: de

Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden

(IKAW). Daarnaast houdt de FAMKE rekening met de kans dat de mogelijk aanwezige archeologische resten verstoord zijn. Aan de andere kant houdt de FAMKE ook rekening met

de omvang van de bodemingreep. Dit alles bij elkaar is vertaald in provincie dekkende kaarten die aangeven hoe er het beste met het bodemarchief kan worden omgegaan.

De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen.

Advies IJzertijd - Middeleeuwen: Karterend onderzoek 3

In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd middeleeuwen.

Het

gaat

hier

dan

met

name

om

vroeg

en

vol-middeleeuwse

veenontginningen. Daarbij bestaat de kans dat er zich huisterpjes uit deze tijd in het

plangebied bevinden. Ook de wat oudere boerderijen kunnen archeologische sporen of resten afdekken, hoewel de veengronden eromheen al afgegraven zijn.

De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5000m² een historisch en karterend

onderzoek te verrichten, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan eventuele Romeinse sporen en/of vroeg-middeleeuwse ontginningen.

Advies periode steentijd - bronstijd: Karterend onderzoek 3 en onderzoek bij grote ingrepen In gebieden met het advies karterend onderzoek 3 kunnen zich op enige diepte

archeologische lagen bevinden uit de steentijd, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5000m² een

karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren. Voor de gebieden met het advies 'onderzoek bij grote ingrepen' wordt, op basis van eerder onderzoek, vermoed dat eventuele aanwezige archeologische resten uit de steentijd al ernstig verstoord zijn. Voor de meeste kleine ingrepen is hier dan ook geen verder onderzoek noodzakelijk. Diepere sporen en vondsten kunnen evenwel nog intact zijn. Voor zeer omvangrijke ingrepen van meer dan 2,5 hectare dient er dan ook een onderzoek plaats te vinden. Archeologisch onderzoek

In opdracht van de provincie Frieslân heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in 2010 een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in verband met de voorgenomen

ontwikkeling van 2 bedrijventerreinen in de gemeente Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen. Het RAAP-Rapport is als bijlage 5 toegevoegd bij de Toelichting.

Het onderzoeksgebied voor het archeologisch onderzoek is gearceerd weergegeven op onderstaande afbeelding.

Onderzoeksgebied RAAP-Rapport 2092

Het perceel Skûlenboargerwei 10 te Eastermar is gelegen binnen het onderzoeksgebied Skûlenboarch. In dit onderzoeksgebied bestaat de bodemopbouw uit een bouwvoor /

verstoorde laag, soms op een dunne veenlaag, op dekzand of fluvioglaciaal zand, vaak op

keileem. In het noordelijke deel van het onderzoeksgebied is in de top van het dekzand geen podzolbodem aangetroffen.

Het maaiveld ligt hier relatief laag. Naar verwachting zal in het dekzand nooit een

podzolbodem gevormd zijn. Voor het grootste deel is de top van het dekzand verstoord. In enkele boringen is nog een B-horizont en soms ook nog een restant van een E-horizont

aangetroffen. Er is echter geen sprake van een omvangrijk aaneengesloten gebied met een intacte podzolbodem.

Aan de noordzijde van het onderzoeksgebied, direct ten oosten van de Schuilenburgerweg, is een diepe, met zand, veen en klei opgevulde depressie aanwezig. Waarschijnlijk gaat het om een opgevuld beekdal uit het Laat Glaciaal. Over het beekdal is een boorraai gezet om

de beekloop en de oeverzone nader in kaart te brengen. Zeer waarschijnlijk is het beekdal recentelijk opgevuld met materiaal afkomstig van de aanleg van de meest westelijke

zandwin plas. De verwachting is zeer laag dat in het beekdal nog archeologische resten in

situ aanwezig zijn. Conclusie

In onderzoeksgebied Skûlenboarch zijn geen aanwijzingen gevonden voor nog onbekende

archeologische vindplaatsen. Het RAAP Rapport 2092 is ter beoordeling aan de provinciaal archeoloog voorgelegd en deze heeft gesteld dat de resultaten van het archeologisch onderzoek geen aanleiding geven tot een aanvullend archeologisch onderzoek.

4.5 Natuur Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven

4.5.1 Natuurnetwerk Nederland In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om

gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN) opgericht.

Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: •

Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;

•

Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;

•

Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

•

Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee;

•

Alle Natura 2000-gebieden.

Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen.

Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van

die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde

natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. De provincie Fryslân heeft in zijn Natuurbeheerplan een beheertypenkaart opgenomen. De beheertypenkaart geeft alle bestaande, beheerwaardige (agrarische) natuur en landschap

weer met de benamingen volgens de landelijk uniforme systematiek van de Index Natuur en Landschap. Met de beheertypenkaart stimuleert de provincie de instandhouding van de op die kaart aangegeven en begrensde beheertypen.

De onderhavige locatie is blijkens de beheertypenkaart niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland, noch is het gelegen binnen een gebied dat op de Ambitiekaart is aangewezen als zijnde een gebied dat zal worden omgezet in natuur.

4.5.2 Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de nieuw Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De Wet natuurbescherming staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Het voorziet in duidelijke en eenvoudige regels ter bescherming van waardevolle natuur en in minder administratieve lasten. Met

deze

wet

worden

de

Europese

natuurbeschermingsrichtlijnen

(de

Vogel-

en

Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet.

Soortenbescherming De in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming geformuleerde zorgplicht betreft een

gebieds- en soortenbescherming. Het biedt bescherming aan Natura 2000-gebieden, dieren,

planten en hun leefomgeving. Het gaat daarbij niet alleen om soorten van dieren en planten waarvoor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn specifieke beschermingsmaatregelen eisen, maar alle in het wild levende dieren en planten.

Burgers, ondernemers en overheden dienen alle handelingen die een nadelig effect zouden

kunnen hebben op dieren en planten achterwege te laten. Degene die een bepaalde handeling (de bouw van en bedrijfsgebouw en het aanbrengen van verharding) wil verrichten, moet zich

daarom vooraf op de hoogte stellen van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvan.

Indien de zorgplicht niet wordt nagekomen, dan heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om handhavend op te treden door een last onder dwangsom op te leggen.

Ecologisch onderzoek

Het nieuw te vestigen bedrijf is geprojecteerd op het deel van het perceel dat decennia lang in gebruik zijn geweest ten behoeve van een kippenfokkerij. Er is een veldonderzoek

uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten van dieren en planten en er zijn geen beschermde soorten aangetroffen.

Stikstofdeposito

Voor projecten met een stikstofdeposito op stikstofgevoelige natuurlijke habitattypen en leefgebieden is een natuurvergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verplicht, tenzij de stikstofdepositie niet hoger is, of middels intern salderen ten opzichte van de referentiesituatie niet meer toeneemt, dan de grenswaarde van 0,00 mol N/ha/jaar.

Voor het realiseren en gebruiken van het nieuwe bedrijfspand is een stikstofonderbouwing en

een AERIUS berekening (zie bijlage 2) opgesteld. De onderhavige locatie is op een afstand van ca. 9 kilometer gelegen van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, natuurgebied de 'Alde Feanen'. Binnen dit natuurgebied zijn meerdere stikstofgevoelige habitats aanwezig. Het

meest

kritisch

is

hier

het

habitattype

H7140B

-

Overgangs-

en

trilvenen

(veenmosrietlanden, met een kritische depositiewaarde (KDW) van 714 mol N/ha/jr).

Uit de AERIUS berekening volgt dat in de aangevraagde situatie de stikstofdeposito op het omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet meer bedraagt van 0,00 mol

N/ha/jr. Er zijn geen significante effecten zijn te verwachten. De inrichting is dan ook niet

vergunningplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Het AERIUS-rapport is als bijlage toegevoegd.

4.6 Milieu In het kader van een goede ruimtelijke ordening en bescherming van de woon- en leefkwaliteit is het van belang om inzicht te krijgen in relevante milieuhinderaspecten. Milieuzonering is

hiervoor een geschikt instrument. Het instrument bestaat uit het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende (bijvoorbeeld een agrarisch bedrijf) en milieugevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen).

4.6.1 Milieueffectrapportage (m.e.r.) In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de

kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

Toetsing Het vestigen van een landbouwmechanisatiebedrijf, in de vorm zoals onderhavig plan beschrijft, wordt niet genoemd in onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het is daarom geen plan-m.e.r.-plichtige, project-m.e.r.-plichtige of m.e.r.beoordelingsplichtige activiteit. Dit bestemmingsplan maakt de vestiging van het landbouwmechanistiebedrijf mogelijk. Gezien de relatieve kleinschaligheid van dit plan is er geen sprake van een zogenaamd stedelijk ontwikkelingsproject en er is ook niet sprake van de uitbreiding van een industrieterrein. Het is niet noodzakelijk om een vormvrije m.e.r.notitie op te stellen

4.6.2 Milieuzonering bedrijvigheid In de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering, handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk' (editie 2009) zijn de richtafstanden opgenomen behorende bij de bedrijfscategorie : Dienstverlening t.b.v. de landbouw: algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. <= 500 m2, SBI-code 016 (2008), nummer 2.

Ten aanzien van het bepalen van het omgevingstype het volgende. Op een deel van het

onderhavige perceel de gebiedsaanduiding ‘geluidszone-industrie’ gelegd. Dit met het oog op het tegengaan van een te hoge geluidbelasting van wege het industrieterrein

Skûlenboarch. Er is hier derhalve sprake van een omgevingstype ‘gemengd gebied’. De grootste richtafstand voor een inrichting vallend in milieu categorie 3.1 bedraagt 30 meter. Aan de hand van het akoestisch onderzoek (zie bijlage 3) blijkt dat de meest

nabijgelegen geluidgevoelige bestemming de woning aan de Skûlenboargerwei 13A betreft, welke gelegen is op een afstand van 30,55 meter van de perceelsgrens (afbeelding 1).

Met de afstand van 30 meter van de perceelsgrens tot de woning Skûlenboargerwei 13A

wordt voldaan aan de richtafstand tot deze woning, zoals genoemd in de handreiking. De

Wet geluidhinder merkt een tuin niet aan als 'geluidgevoelig'. Jurisprudentie stelt echter dat

in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook naar de geluidbelasting van de tuin bij een woning moet worden gekeken.

Door de gronden voor de woning op het perceel Skûlenboargerwei 10 aan te wijzen voor de bestemming 'Tuin' kunnen deze gronden niet worden aangewend voor bedrijfsactiviteiten. De afstand van de grens van het bestemmingsvlak "bedrijf – Agrarisch hulpbedrijf" tot de tuin behorende bij de woning Skûlenboargerwei 13A zal daardoor ca. 23 meter gaan bedragen. Jurisprudentie wijst echter uit dat de Afdeling een mogelijk iets hogere

geluidbelasting in de tuin, vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, niet onaanvaardbaar acht.

Indirecte hinder door verkeer aantrekkende werking

Indirecte hinder is geluidhinder die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de inrichting, maar die wel aan de inrichting is toe te rekenen. Ten gevolge van de

verkeer aantrekkende werking kunnen woningen in de omgeving (voor zover gesitueerd langs de onsluitingsroute) mogelijk relevant wordt belast.

Indirecte hinder wordt bepaald en beoordeeld conform de aanwijzingen als gegeven in de circulaire 'Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting;

beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de wet milieubeheer' (129 februari 1996, VROM).

De voorkeursgrenswaarde (invallend op de gevel) bedraagt 50 dB(A) etmaalwaarde. Wanneer

het bevoegd gezag een hogere grenswaarde overweegt, dient rekening te worden gehouden met de maximaal toelaatbare binnenwaarde van LAeq 35 dB(A). De toelaatbare maximale grenswaarde invallend op de gevel bedraagt 65 dB(A) etmaalwaarde.

De reikwijdte blijft beperkt tot dat gebied waarbinnen de voertuigen van en naar de inrichting nog niet zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld (d.w.z. qua rij- en stopgedrag nog

te onderscheiden zijn van het overige verkeer). In de praktijk beperkt de reikwijdte waarbinnen de indirecte hinder mogelijk relevant kan zijn zich tot circa 200 á 300 m van de toegang het terrein van de inrichting.

Woningen van derden die binnen een dergelijke afstand van het perceel Skûlenboargerwei 10 langs de ontsluitingsroute (Skûlenboargerwei) liggen zijn: Skûlenboargerwei 4A, 6, 8, 12, 13A,

14 en 16. Van deze woningen ligt de woning Skûlenboargerwei 14 op de kortste afstand van de weg en is daarmee maatgevend voor de beoordeling. De afstand van deze woning tot de as van de weg bedraagt 14,8 m.

De te verwachten geluidbelasting door de verkeersaantrekkende werking is bepaald aan de

hand van de standaard rekenmethode 1 (SRM1), volgens bijlage 3 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. In de berekeningen is uitgegaan van een maximaal te verwachten aantal bedrijfsmatige verkeersbewegingen.

De te verwachten geluidbelasting door indirecte hinder op de woning Skûlenboargerwei 14 bedraagt

ten

hoogste

45

vookeursgrenswaarde voldaan.

dB(A)

als

etmaalwaarde.

Daarmee

wordt

aan

de

Conclusie

De afstanden tot en de geluidbelasting op de gevoelige objecten staan de planontwikkeling niet in de weg.

4.7 Luchtkwaliteit Luchtkwaliteit heeft een grote invloed op de volksgezondheid. Daarom gelden er strikte

Europese richtlijnen die zijn vertaald in Nederlandse regelgeving. Die regelgeving stelt eisen aan de luchtkwaliteit voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijnstof (PM10 en PM2,5), lood, kwik, koolmonoxide en benzeen in de buitenlucht. Ook zijn er inmiddels

richtwaarden voor arseen, cadmium, nikkel en PAK’s bijgekomen. Bij vergunningverlening moet op grond van de Wet milieubeheer worden getoetst aan die milieukwaliteitseisen. Grenswaarden

Voor fijnstof zijn de volgende grenswaarden opgenomen: • •

de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes is maximaal 40 μg/m3;

de daggemiddelde concentratie van 50 μg/m3, mag maximaal 35 maal per kalenderjaar

worden overschreden. Besluit NIBM Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht (NIBM), hoeft een project niet langer meer te worden getoetst. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet

milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen. Na inwerkingtreding van het NSL op 1 augustus 2009, is de definitie van NIBM 3% van de

grenswaarde, dat is 1,2 μg/m3 (artikel 2, lid 1, Besluit NIBM in samenhang met Bijlage 1A

van de Regeling NIBM) of een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden (deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen) Onderzoek

Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 26 mvt/etmaal

(weekdaggemiddelde). In de NIBM-tool (versie 2022) is 2022 als jaar van planrealisatie

aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van

het gehalte stikstof in de lucht van 0,28 µg/m³ en van fijnstof van 0,02 µg/m³. Beide toenames

zijn onder 1,2 µg/m³. Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.

Het plangebied was tot voor kort in gebruik voor een kippenfokkerij. In de ontlasting van kippen zit ammoniak, daarnaast komt er bij pluimveehouderijen methaan, lachgas en

fijnstof vrij. De VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' kent voor een kippenfokkerij, SBIcode 0147, (2008) voor stof een richtafstand van 30 m. De richtafstand ten aanzien van stof voor een landbouwmechanisatiebedrijf, SBI-code 016 (2008) bedraagt 10 m.

Met het planologisch regelen van de vestiging van een landbouwmechanisatiebedrijf zal de luchtverontreiniging van de bedrijfsactiviteiten op het betreffende perceel afnemen.

4.8 Externe veiligheid Het huidige beleid met bijbehorende normstellingen op het gebied van externe veiligheid is

vastgelegd in het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (hierna Bevi). Het Bevi is van toepassing op inrichtingen vallend onder de Wet milieubeheer die overlijdensrisico's voor

personen buiten de inrichtingen veroorzaken als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke

stoffen. Bij een bestemmingsplan(wijziging) moet volgens het Bevi het plangebied worden getoetst aan het vigerende beleid voor externe veiligheid. Om de ontwikkeling verder in procedure te kunnen brengen is het noodzakelijk aan te tonen dat: • •

het plangebied geen onaanvaardbare risico's veroorzaakt voor de omliggende bebouwing; de

omgeving

ontwikkeling.

geen

onaanvaardbare

risico's

veroorzaakt

voor

de

voorgenomen

Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige (op grond van de Wet milieubeheer)

risicovolle bedrijven (inrichtingen) en de nabijgelegen gevoelige objecten. Zogenaamde 8.40 Wm- (meldingsplichtige) inrichtingen vallen niet onder de werking van het besluit.

Het betreft in dit geval een bestaande meldingsplichtige inrichting. Het bevi is, gelet op het voorgaande, dan ook niet op de inrichting zelf van toepassing.

Afbeelding afkomstig uit bestemmingsplan Buitengebied 2013

In de nabijheid van het plangebied zijn meerdere hogedruk aardgastransportleidingen

gelegen. Het invloedgebied van één leiding (N-505-21) is gelegen over het plangebied (zie bovenstaande afbeelding).

De brandweer heeft in haar advies gekeken naar een aantal aspecten voor deze risicobron: ▪ plaatsgebonden risico ▪ groepsrisico

▪ nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen ▪ bestrijdbaarheid

▪ zelfredzaamheid Conclusies

Buisleidingen

Op een afstand van circa 50 meter is een hogedruk aardgastransportleiding gelegen met een diameter van 18 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Hiermee beschikt deze leiding

over een 100%-letaliteitsgrens van 95 meter en een 1%-letaliteitsgrens (invloedgebied) van 195 meter op basis van het scenario fakkelbrand.

Op basis van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) dient er een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Gezien de minimale toename van het aantal personen

is de verwachting dat er kan worden volstaan met een verkorte verantwoording van het

groepsrisico. De brandweer adviseert om haar advies mee te nemen in de (verkorte) verantwoording van het groepsrisico. Wanneer er zich een fakkelbrand voordoet, zal het

plangebied te maken krijgen met een hittestralingseffect van 35 kW/m2, aangezien het plangebied binnen de 100%-letaliteitscontour is gelegen.

Met deze hittestraling komen alle aanwezige personen buiten te overlijden en zullen alle brandbare materialen in de brand raken.

Het handelingsperspectief bij een dreigende fakkelbrand is vluchten van de bron af. De brandweer adviseert om de eigenaar van het bedrijf bewust te maken van dit scenario met bijbehorend handelingsperspectief.

Advies risico’s en brandweerzorg

Brandweer Fryslân heeft de mogelijkheid een advies risico’s en brandweerzorg te geven in het kader van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen.

In een dergelijk advies komen aspecten aan bod die van belang zijn voor de basisbrandweerzorg.

Hierbij

valt

te

denken

aan

beschikbaarheid van bluswater en de opkomsttijden.

onder

meer

bereikbaarheid,

de

Opkomsttijd

De opkomsttijd van dit plangebied bedraagt circa 13 minuten. Hiermee wordt voldaan aan de

gestelde normtijd van 15 minuten voor een risicogebied 3 op basis van dekkingsplan 2.0 van Brandweer Fryslân. De brandweer voorziet op dit moment geen knelpunten in het kader van de opkomsttijd.

Bluswatervoorziening

Bij een object als dit gaat de brandweer uit van het scenario ‘brand in compartiment’ bij een

agrarische inrichting. Voor een dergelijk scenario is er tussen 1.500 en 6.000 liter per minuut nodig, opgebouwd binnen 30 minuten en een levering van minimaal 2 uren. Op een afstand

van circa 500 meter is open water gelegen waar door middel van een grootschalig

watertransport voldoende water gehaald kan worden. Gezien de hoge opbouwtijd vanuit het

open water adviseert de brandweer om een brandkraan te realiseren op de leiding gelegen bij het plangebied. Op deze manier wordt de kans groter dat een kleine brand geblust dan wel onder controle gehouden kan worden. Bereikbaarheid

Het plangebied is middels twee toegangswegen bereikbaar. Hiermee voorziet de brandweer geen knelpunten in de bereikbaarheid van dit plangebied.

4.9 Water Het aspect water is afgewogen door middel van een watertoets. De watertoets is het proces van informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige

aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel is het waarborgen en het expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing nemen van alle waterhuishoudkundige doelstellingen.

Door middel van de watertoets kunnen de initiatiefnemer en waterbeheerder, al tijdens de

planontwikkeling, overeenstemming bereiken over water in het ruimtelijk plan. In de watertoets worden de waterhuishoudkundige consequenties van het ruimtelijk plan

beoordeeld en geconcretiseerd in termen van "vasthouden, bergen en afvoeren" en "voorkomen, scheiden en zuiveren".

De watertoets resulteert in een waterparagraaf waarin is aangegeven met welke

randvoorwaarden en uitgangspunten ten aanzien van water rekening dient te worden

gehouden bij de verdere uitwerking van het plan. Het is een toelichting op het doorlopen van het proces en maakt de afwegingen ten aanzien van water transparant.

Wetterskip Fryslân beschikt over de Leidraad Watertoets. Doel van de Leidraad Watertoets is dat in ruimtelijke plannen alle wateraspecten worden meegenomen, waarmee wordt voldaan aan de beleidsdoelstellingen van de thema's veilig, voldoende en schoon.

Daarnaast zorgt de Leidraad Watertoets voor draagvlak van het wateradvies bij de gemeenten en voor een betere samenwerking tussen gemeenten en Wetterskip Fryslân tijdens het watertoetsproces. De leidraad geeft duidelijkheid over de juridische status van het

wateradvies. De leidraad bevat een overzicht van de onderwerpen die vanuit het oogpunt van water van belang zijn bij ruimtelijke plannen.

Voor het plan Skûlenboargerwei 10 te Eastermar is een watertoets aangevraagd op

www.dewatertoets.nl. Met de gegevens die zijn opgegeven is bepaald dat er het plan invloed

heeft op het watersysteem en de waterketen. De realisatie van nieuw verhard oppervlak moet waterneutraal worden uitgevoerd. Dit betekent dat de aanvrager voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na het gereedkomen van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien.

Het Wetterskip heeft besloten voor de beoogde verharding van het oppervlak een watervergunning te verlenen, onder de volgende voorwaarden: -

de bestaande watergang aan de westelijke zijde van het perceel over de totale lengte van 53 meter met gemiddeld 0,7 meter te worden verbreed, tot een minimale waterbreedte

van

1,3

meter,

gemeten

in

de

winter

of

in

natte

perioden. Het talud aan de verbrede zijde wordt hierbij niet steiler opgezet. -

De watergang aan de zuidzijde van het perceel dient over de lengte van 200 meter te

worden verdiept tot minimaal 0,8 meter onder de gemiddeld aanliggende maaiveldhoogte ter plaatse, met een bodembreedte van minimaal 0,25 meter.

Bij de bovenstaande verdieping blijft het talud aan de zuidzijde van deze watergang ongewijzigd; na de verdieping wordt het noordelijk talud opnieuw afgewerkt onder een helling van 1:1 of minder steil, zodat de verbreding van de watergang op maaiveldniveau circa 0,7 meter wordt.

De watervergunning is opgenomen in bijlage 4 van de Toelichting.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving 5.1 Algemeen Op de locatie waar het nieuwe bouwvlak wordt gesitueerd is het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" van de gemeente Tytsjerksteradiel van kracht (vastgesteld 27 juni 2013). Het plangebied heeft de volgende bestemmingen: • •

Agrarisch - Bedrijf intensieve veehouderij en de aanduiding "bedrijfswoning" Waarde - Landschap (WoudenLandschap)

De (dubbel)bestemming Waarde - Landschap (Woudenlandschap) blijft gehandhaafd in deze partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2013".

5.2 Verbeelding De partiële herziening gaat vergezeld van een verbeelding. Deze verbeelding vervangt de in

het vigerend bestemmingsplan "Buitengebied 2013" opgenomen verbeelding. Op de verbeelding zijn het nieuwe bedrijfsgebouw en het nieuwe bouwperceel aangegeven.

Voor de ondergrond van de plankaart is gebruik gemaakt van de meest actuele Grootschalige Basiskaart van Nederland (BGT), waar nodig aangevuld met de kadastrale kaart.

5.3 Regels In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen van toepassing, te weten de bestemmingen ‘Agrarisch Cultuurgrond’, 'Bedrijf – Agrarisch Hulpbedrijf' en 'Tuin'.

Daarnaast is er een dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap (Woudenlandschap)’ en een

gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’. Deze bestemmingen en de gebiedsaanduiding zijn juridisch vastgelegd in de planregels en op een digitale verbeelding. Het handboek

versie 2.0 van de gemeente Tytsjerksteradiel vormt het uitgangspunt bij de systematiek van het bestemmingsplan. Dit handboek is gebaseerd op de landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2008). Deze standaard, welke slechts een systematische

standaardisering betreft en geen inhoudelijke standaard is - is per 1 januari 2010 verplicht in het nieuwe Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Voorts houdt het bestemmingsplan rekening met de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), die per 1 oktober 2010 in werking is getreden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=4a3817b2-553b-4a9a-84ca-ad72062c535e