09 - Bijlage 1 - Regels bestemmingsplan
Tekst van het document
6.
sanitaire voorzieningen zoveel mogelijk zullen worden ondergebracht
7.
het terrein waarop gekampeerd zal worden op een afstand van ten
8.
het kamperen inpasbaar zal zijn in het landschap door (afhankelijk van
9. B.
bedrijven zal plaatsvinden;
in de bestaande (agrarische) bebouwing;
minste 50 meter van geluidsgevoelige objecten is gelegen;
het landschapstype, open dan wel besloten) gebruik te maken van afschermende streekeigen erfbeplanting;
de situering, de omvang en het gebruik de kleinschaligheid van het kamperen beogen;
de aanduiding “kampeerterrein” wordt verwijderd, indien ter plaatse geen kampeerterrein meer aanwezig is.
C. de aanduiding “ijsbaan” wordt aangebracht;
D. de aanduiding “ijsbaan” wordt verwijderd, indien ter plaatse geen ijsbaan E. F.
meer aanwezig is;
de aanduiding “volkstuin” wordt aangebracht;
de aanduiding “volkstuin” wordt verwijderd, indien ter plaatse geen volkstuinen meer aanwezig zijn.
3.6.3 Verruiming van de bestaande functie Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van een verruiming van de bestaande functie het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
A. de oppervlakte van een aangegeven bouwvlak wordt vergroot dan wel de ligging van een aangegeven bouwvlak wordt gewijzigd, mits:
1.
er sprake is van een bestaand volwaardig agrarisch bedrijf in omvang
2.
de aanvrager zijn hoofdberoep heeft in de landbouw;
3. 4.
en oppervlakte grond (reële agrarische bedrijfsvoering);
er sprake is van een zodanige bedrijfsopzet dat het bedrijf ook op langere termijn perspectief biedt als volwaardig bedrijf;
de vergroting ten hoogste 25% van de oppervlakte van het bouwvlak
zal bedragen, met dien verstande dat de vergroting van het bouwvlak ten hoogste 100 m² zal bedragen;
B.
een nieuw bouwvlak wordt aangegeven, mits:
1.
er sprake is van een bestaand volwaardig agrarisch bedrijf in omvang
2.
de aanvrager zijn hoofdberoep heeft in de landbouw;
3. 4. 5.
en oppervlakte grond (reële agrarische bedrijfsvoering);
er sprake is van een zodanige bedrijfsopzet dat het bedrijf ook op langere termijn perspectief biedt als volwaardig bedrijf;
de oppervlakte ten hoogste 100 m² zal bedragen;
een afstand van ten minste 100 m tot het agrarisch bouwperceel wordt aangehouden;
C. een aangegeven bouwvlak wordt verwijderd.
3.6.4 Algemene criteria Burgemeester en wethouders kunnen toepassing geven aan de in de leden 3.6.1, 3.6.2 en 3.6.3 bedoelde wijzigingsbevoegdheden, mits:
A. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing van de bebouwing B.
en de gronden als één aaneengesloten geheel worden ingericht;
de bestaande verkeersafwikkeling niet onevenredig zal worden belast en het parkeren op het eigen terrein plaatsvindt;
C. de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
D. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: 1.
het straat- en bebouwingsbeeld;
3.
de woonsituatie;
2. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
de milieusituatie;
de landschappelijke waarden;
de cultuurhistorische waarden; de archeologische waarden; de natuurwaarden;
de rust en de openheid van voor weidevogels geschikte gebieden, zoals die aangegeven zijn op bijlage 10.
de verkeersveiligheid;
10. de ontsluitingssituatie; 11. de parkeersituatie;
12. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 4 4.1
Bedrijf – Agrarisch hulpbedrijf Bestemmingsomschrijving De voor ‘Bedrijf – Agrarisch hulpbedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
A. gebouwen ten behoeve van:
B.
1.
een landbouwmechanisatiebedrijf zonder showroom, ter plaatse van
2.
een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding ”bedrijfswoning”, al
3.
het
de aanduiding “landbouwmechanisatiebedrijf”; dan
niet
in
combinatie
bedrijfsactiviteit aan huis;
met
ruimte
voor
een
beroeps-
bij de bedrijfswoning behorende bijgebouwen en overkappingen; tegengaan
van
industrieterrein op
een
te
hoge
geluidsgevoelige
aanduiding "geluidzone - industrie";
geluidsbelasting
objecten,
ter
vanwege
plaatse
van
of
het de
met daaraan ondergeschikt:
C. restauratieve voorzieningen; D. groenvoorzieningen; E. F.
parkeervoorzieningen; speelvoorzieningen;
G. wegen, straten en paden; H. water; I.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbij behorende:
J.
K.
4.2
tuinen, erven en terreinen;
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Bouwregels
4.2.1 Bedrijfsgebouw Voor het bouwen van het in lid 4.1 onder A. 1 genoemde bedrijfsgebouw bijgebouwen gelden de volgende regels:
A. een bedrijfsgebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd; B.
de oppervlakte van het bedrijfsgebouw zal ten hoogste 480 m2 bedragen;
C. de goothoogte van een bedrijfsgebouw zal ten hoogste 6 m bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 10 m.
4.2.2 Bedrijfswoning en bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van de in lid 4.1 onder A. 2 genoemde bedrijfswoning gelden de volgende regels:
A. een bedrijfswoning zal binnen een bouwvlak worden gebouwd ter plaatse B.
van de aanduiding “bedrijfswoning”;
voor de bedrijfswoning gelden de volgende regels: 1. de goothoogte van een bedrijfswoning zal ten hoogste 4 m bedragen; 2. de bouwhoogte van een bedrijfswoning zal ten hoogste 9 m bedragen;
C. voor het bouwen van de in lid 4.1 onder A.3 genoemde bijbehorende bouwwerken en overkappingen gelden de volgende regels: 1. de goothoogte van een bijgebouw of een overkapping zal ten hoogte 3 meter bedragen; 2. de bouwhoogte van een bijgebouw of een overkapping zal ten hoogste 6 meter bedragen. 4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van de in lid 4.1 onder K. genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
A. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2 m
bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m zal
B.
4.3
bedragen;
de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5 m bedragen, met dien verstande dat:
1.
de bouwhoogte van masten, niet zijnde antennemasten, en palen ten
2.
de bouwhoogte van antennemasten ten hoogste 15 m zal bedragen.
hoogste 10 m zal bedragen;
Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:
A. lid 4.2.2 onder B. en toestaan dat van een bedrijfswoning de goothoogte ten hoogste 8 m en de bouwhoogte ten hoogste 12 m zal bedragen.
4.3.1 Algemene criteria afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan toepassing geven aan de in lid 4.3 bedoelde mogelijkheden
tot
afwijking
van
bouwregels
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan
A. het straat- en bebouwingsbeeld; B.
de milieusituatie;
C. de woonsituatie;
D. de landschappelijke waarden; E. F.
de cultuurhistorische waarden; de archeologische waarden;
G. de natuurwaarden;
H. de verkeersveiligheid;
indien
hierdoor
geen
I.
de ontsluitingssituatie;
K.
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
J.
4.4
de parkeersituatie;
Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik strijdig met de bestemming, wordt in ieder geval gerekend:
A. het gebruik van de in lid 4.1 genoemde gronden en de op te richten
gebouwen, tenzij de beoogde grondwal en beplanting is aangelegd en in stand wordt gehouden conform bijlage 3 van de regels ‘Landschappelijke
B.
inpassing Skûlenboargerwei 10 Eastermar’;
het gebruik van de in lid 4.1 genoemde gronden en de op te richten gebouwen, tenzij de beoogde watercompensatie is aangelegd en in stand wordt gehouden conform bijlage 4 van de Toelichting ‘Watervergunning’;
C. het gebruik van de in lid 4.1 onder A. genoemde bedrijfsgebouw voor
bewoning, tenzij de gronden zijn aangeduid als “bedrijfswoning” in welk geval een bedrijfswoning is toegestaan;
D. het gebruik van de in lid 4.1 onder C. genoemde gebouwen voor E.
zelfstandige bewoning;
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven,
anders dan die welke zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 2 en 3 en bedrijven die naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee
gelijk te stellen zijn dan wel, indien de gronden zijn voorzien van een aanduiding met een specifieke bedrijfstypering, het gebruik van deze
gronden en bouwwerken ten behoeve van andere dan deze c.q. de in F.
bijlage 1 onder de categorieën 2 en 3 genoemde bedrijven;
het gebruik van de gronden en bouwwerken als horecabedrijf, tenzij:
1.
de gronden zijn voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van
2.
de horeca activiteiten vergelijkbaar zijn met die van horecabedrijf 1
bedrijf - pension"; en/of 4;
G. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor detailhandel, tenzij het betreft groothandel in landbouwmachines, mits: 1. de verkoopactiviteiten ondergeschikt zijn aan de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden; 2. er geen sprake is van een showroom;
H. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een verkooppunt van motorbrandstoffen; I.
het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, tenzij
de gronden zijn voorzien van de aanduiding “kampeerterrein”, in welk geval de plaatsing van ten hoogste 25 kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans,
J.
is toegestaan;
het
gebruik
van
de
gronden,
ter
plaatse
van
de
aanduiding
“kampeerterrein”, als standplaats voor kampeermiddelen gedurende de periode van 1 november tot 15 maart;
K.
4.5
het gebruik van de gronden en bouwwerken, ter plaatse van de aanduiding “kampeerterrein”, ten behoeve van permanente bewoning.
Wijzigingsbevoegdheid
4.6.1 Wijzigen Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
A. de oppervlakte van een aangegeven bouwvlak wordt vergroot dan wel de ligging van een aangegeven bouwvlak wordt gewijzigd, mits:
1. B.
de vergroting ten hoogste 10% van de oppervlakte van het bouwvlak zal bedragen;
de goothoogte en/of bouwhoogte wordt vergroot, mits:
1. 2.
de goothoogte van een gebouw ten hoogste 10 m zal bedragen;
de bouwhoogte van een gebouw ten hoogste 15 m zal bedragen;
C. de oppervlakte van een aangegeven bouwvlak wordt vergroot dan wel de ligging van een aangegeven bouwvlak wordt gewijzigd, mits:
1.
er sprake is van een bestaand volwaardig bedrijf, categorie 2;
3.
er sprake is van een zodanige bedrijfsopzet dat het bedrijf ook op
2.
4.
de aanvrager zijn hoofdberoep heeft in dat bedrijf;
langere termijn perspectief biedt als volwaardig bedrijf;
de noodzaak tot vergroting van het bouwvlak wordt aangetoond door
middel van een bedrijfsplan, waarin ook het ontwikkelingsperspectief van het bedrijf, als bedoeld onder c.3 voor minimaal 3 jaar is aangegeven;
5.
de gezamenlijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen ten hoogste 150%
6.
de landschappelijke, milieuhygiënische en verkeerskundige inpassing
7.
van de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen zal bedragen;
plaatsvindt conform een door het bevoegd gezag geaccordeerd landschappelijk inpassingsplan;
rekening wordt gehouden met een eventuele eerdere of gelijktijdige
toepassing van de wijziging, als bedoeld in lid 3.6.1 onder C. van artikel 3 'Agrarisch - Cultuurgrond';
D. de oppervlakte van de aanduiding “bedrijfswoning” wordt vergroot dan wel de ligging van de aanduiding “bedrijfswoning” wordt gewijzigd, mits:
1. 2.
E. F.
de oppervlakte van de aanduiding ten hoogste 150 m² zal bedragen;
de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende
voorkeursgrenswaarde
grenswaarde;
of
een
de aanduiding “bedrijfswoning” wordt verwijderd; de
aanduiding
“karakteristiek”
wordt
vastgestelde
aangebracht,
indien
hogere
door
verbeterwerkzaamheden dan wel door veranderde inzichten een niet als karakteristiek aangeduid gebouw (weer) karakteristiek wordt;
G. de aanduiding “karakteristiek” geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, mits:
1.
de karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder
2.
de karakteristieke hoofdvorm in zijn geheel redelijkerwijs niet te
ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld;
handhaven is in relatie tot de functie die het gebouw moet of uitsluitend nog kan vervullen;
H. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming(en) ‘Wonen - A1’,
‘Wonen – A2’, ‘Wonen – A3’, ‘Wonen – A4’, ‘Wonen – A5’, ‘Wonen - A7’ en/of ‘Tuin’, mits:
1.
ter plaatse geen bedrijf meer wordt uitgeoefend;
3.
het bouwvlak van de onder 2. bedoelde woning wordt gelegd ter
2.
4.
ten hoogste 1 woning is toegestaan;
plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning” van het bedrijf;
de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende
voorkeursgrenswaarde
grenswaarde.
of
een
vastgestelde
hogere
4.6.2 Functieverbreding Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van een functieverbreding het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat: a)
de aanduiding “kampeerterrein” wordt aangebracht, mits: 1.
het aantal kleinschalige kampeerterreinen in de gemeente niet groter
2.
ten hoogste 25 kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, per terrein
3. 4. 5. 6. 7.
8. b)
zal zijn dan 25;
worden geplaatst;
het kamperen niet gedurende de periode van 1 november tot 15 maart
zal plaatsvinden;
het kamperen direct aansluitend op de erven van de agrarische
bedrijven zal plaatsvinden;
sanitaire voorzieningen zoveel mogelijk zullen worden ondergebracht
in de bestaande (agrarische) bebouwing;
het terrein waarop gekampeerd zal worden op een afstand van ten
minste 50 meter van geluidsgevoelige objecten is gelegen;
het kamperen inpasbaar zal zijn in het landschap door (afhankelijk van
het landschapstype, open dan wel besloten) gebruik te maken van afschermende steekeigen erfbeplanting;
de situering, de omvang en het gebruik de kleinschaligheid van het
kamperen beogen.
de aanduiding “kampeerterrein” wordt verwijderd, indien ter plaatse
geen kampeerterrein meer aanwezig is.
4.6.2 Algemene criteria Burgemeester en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 4.6.1
bedoelde wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan
A. straat- en bebouwingsbeeld; B.
de milieusituatie;
C. de woonsituatie;
D. de landschappelijke waarden; E. F.
de cultuurhistorische waarden; de archeologische waarden;
G. de natuurwaarden;
H. de verkeersveiligheid; I.
de ontsluitingssituatie;
K.
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
J.
de parkeersituatie;
Artikel 5 5.1
Tuin Bestemmingsomschrijving De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
A. tuinen; B.
erkers en voorportalen;
C. het
tegengaan
industrieterrein
van
een
te
hoge
tegengaan
vanwege
een
geluidsbelasting
vanwege
het
op geluidsgevoelige objecten, ter plaatse van de
aanduiding "geluidzone - industrie";
D. het
geluidsbelasting
van
een
te
hoge
vliegtuiglawaai van het luchtvaartterrein Leeuwarden op geluidsgevoelige gebouwen, ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - luchtvaart";
E.
het
tegengaan
van
een
te
hoge
geluidsbelasting
vanwege
het
F.
het tegengaan van een te hoog veiligheidsrisico van kwetsbare en beperkt
spoorwegverkeer op geluidsgevoelige objecten, ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - spoor";
kwetsbare objecten vanwege een risicovolle functie, ter plaatse van de aanduiding "Veiligheidszone - externe veiligheid";
G. het tegengaan van te hoge bebouwing en beplanting, ter plaatse van de aanduiding “vrijwaringszone - molenbiotoop”;
met daaraan ondergeschikt:
H. groenvoorzieningen; I.
parkeervoorzieningen;
K.
wegen, straten en paden;
J.
L.
speelvoorzieningen; water;
M. openbare nutsvoorzieningen; met de daarbij behorende:
N. erven en verhardingen;
O. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
5.2
Bouwregels
5.2.1 Erkers Voor het bouwen van erkers gelden de volgende regels:
A. een erker zal ten hoogste 1,5 m vanuit de aangrenzende bouwgrens B.
worden gebouwd;
de afstand van een erker tot de zijdelingse bouwperceelgrens zal ten minste 2 m bedragen, tenzij:
1.
er sprake is van twee aaneen te bouwen erkers voor twee afzonderlijke, aaneen gebouwde woonhuizen;
2.
er sprake is van een hoekerker of een erker aan de zijgevel van een
gebouw, in welk geval de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste 3 m zal bedragen;
C. een erker zal ten hoogste over 70% van de voorgevel worden gebouwd. 5.2.2 Voorportalen Voor het bouwen van voorportalen gelden de volgende regels:
A. een voorportaal zal ten hoogste 1,5 m vanuit de aangrenzende bouwgrens B.
worden gebouwd;
de breedte van een voorportaal zal ten hoogste 2,5 m bedragen;
C. de hoogte van een voorportaal zal ten hoogste 2,5 m bedragen. 5.2.3 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van de in lid 5.1 onder O. genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
A. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2 m
bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m zal
B.
bedragen;
de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 1 m bedragen, met dien verstande dat:
1.
de bouwhoogte van masten, niet zijnde antennemasten, en palen ten
2.
de bouwhoogte van antennemasten ten hoogste 15 m zal bedragen.
hoogste 10 m zal bedragen;
5.2.4 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het
bepaalde in lid 5.2 in die zin dat een tuinhuisje, prieeltje of een daarmee vergelijkbaar gebouw wordt gebouwd, mits:
A. een tuinhuisje, prieeltje of daarmee vergelijkbaar gebouw ten minste 3 m B.
vanuit de aangrenzende perceelsgrens wordt gebouwd;
de oppervlakte van een tuinhuisje, prieeltje of daarmee vergelijkbaar
gebouw ten hoogste 15 m² zal bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 3 meter zal bedragen;
C. het aantal tuinhuisjes, prieeltjes of daarmee vergelijkbare gebouwen ten hoogste 2 per bouwperceel bedragen;
D. de afstand tussen tuinhuisjes, prieeltjes of daarmee vergelijkbare gebouwen onderling en ten opzichte van andere gebouwen, waaronder
E.
F.
erkers, ten minste 3 meter zal bedragen;
rekening wordt gehouden met de structuur en het karakter van de
omgeving (dorpskern, dorpsuitlopers of landelijk gebied) en de ligging en de afmetingen van de gebouwen op de aangrenzende bouwpercelen;
rekening wordt gehouden met:
1.
het straat- en bebouwingsbeeld;
3.
de landschappelijke waarden;
2. 4.
5.3
de woonsituatie;
de cultuurhistorische waarden.
Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik strijdig met de bestemming, wordt in ieder geval gerekend:
A. het B.
gebruik
van
bedrijfsdoeleinden;
de
gronden
en
bouwwerken
ten
behoeve
van
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel;
C. het gebruik van de gronden en bouwwerken als horecabedrijf.
5.4
Wijzigingsbevoegdheid
5.4.1 Wijzigen Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming(en) ‘Wonen - A1’, ‘Wonen – A2’, ‘Wonen – A3’, ‘Wonen – A4’, ‘Wonen – A5’, ‘Wonen - A7’, alsmede nieuwe bouwvlakken worden aangebracht, mits:
A. de wijzigingsbevoegdheid met betrekking tot het aanbrengen van nieuwe bouwvlakken uitsluitend betrekking heeft op een wijziging van de oorspronkelijke voorgevelrooilijn ten behoeve van een veranderende B.
situering van het woonhuis;
de oppervlakte van het bouwvlak niet groter wordt dan ten hoogste de oppervlakte van het oorspronkelijke bouwvlak;
C. gebouwen en overkappingen niet voor de voorgevelrooilijn worden gebouwd;
D. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen per bouwperceel ten hoogste 100 m²;
E.
de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste 3 m zal
F.
de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de
bedragen;
geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
G. rekening wordt gehouden met de structuur en het karakter van de omgeving
(dorpskern,
dorpsuitlopers
of
landelijk
gebied)
en
de
oppervlakte, de ligging en de afmetingen van de gebouwen op de aangrenzende bouwpercelen. 5.4.2 Algemene criteria
Burgemeester en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 5.4.1
bedoelde wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
A. het straat- en bebouwingsbeeld; B.
de milieusituatie;
C. de woonsituatie;
D. de landschappelijke waarden; E. F.
de cultuurhistorische waarden; de archeologische waarden;
G. de natuurwaarden;
H. de verkeersveiligheid; I.
de ontsluitingssituatie;
K.
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
J.
de parkeersituatie;
Artikel 6
Waarde - Landschap (Woudenlandschap)
6.1
Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – Landschap (Woudenlandschap)’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar
voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor
behoud en herstel van cultuurhistorische, landschappelijke en
het
natuurwaarden van het woudenlandschap met in achtneming van de
specifieke kenmerken van de deelgebieden binnen het woudenlandschap, met dien verstande dat:
6.2
A.
de gronden ter plaatse van de aanduiding “houtsingel”, uitsluitend zijn
B.
de gronden ter plaatse van de aanduiding “houtwal” (dykswâl), uitsluitend
bestemd voor het in stand houden van houtsingels;
zijn bestemd voor het in stand houden van dykswâlen (houtwallen).
Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:
het wijzigen van de verkavelingsstructuur, die mede wordt bepaald door het slotenpatroon en door houtsingels, zoals die met "houtsingel of haag bestaand
(niet vergunbaar)" en "houtsingel bestaand (wel vergunbaar)" zijn weergegeven en houtwallen (dykswâlen), zoals die met "houtwal (dykswâl) bestaand (niet vergunbaar)" zijn weergegeven op de bij deze regels behorende verbeelding, met dien verstande dat:
1.
onder wijzigen wordt begrepen het geheel of gedeeltelijk verwijderen van
2.
onder wijzigen wordt tevens begrepen het geheel of gedeeltelijk verwijderen
3.
binnen de bestemmingen 'Agrarisch - Bedrijf grondgebonden', Agrarisch -
houtwallen (dykswâlen);
van houtsingels en het al dan niet in samenhang daarmee dempen, verbreden, verdiepen of aanleggen van watergangen langs houtsingels;
Bedrijf intensieve veehouderij', 'Agrarisch - Cultuurgrond' en 'Natuur' het
gestelde onder 1 en 2 niet van toepassing is met het oog op het realiseren van ten hoogste twee dammen in iedere lange zijde van een perceel, met een breedte van ten hoogste 10 meter per dam, mits na verwijdering van de houtwal (dykswâl) of houtsingel ter plaatse van de nieuwe dam(men) ten minste 75% 4.
van de oorspronkelijke lengte van de houtwal (dykswâl) of houtsingel resteert;
binnen de bestemmingen 'Agrarisch -Bedrijf grondgebonden', Agrarisch -
Bedrijf intensieve veehouderij', 'Agrarisch - Cultuurgrond' en 'Natuur' het gestelde onder 1 en 2 eveneens niet van toepassing is met het oog op het
realiseren van ten hoogste één dam in iedere korte zijde van een perceel, met
een breeste van ten hoogste 10 meter per dam, mits na verwijdering van de houtwal (dykswâl) of houtsingel ter plaatse van de nieuwe dam ten minste 75% van de oorspronkelijke lengte van de houtwal (dykswâl) of houtsingel resteert.
6.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.3.1 Omgevingsvergunningplicht A. Het is, in het gebied waarop deze bestemming betrekking heeft, verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen: 1. het wijzigen van de verkavelingsstructuur die mede wordt bepaald door het slotenpatroon en door de houtsingels, zoals die met “houtsingel of haag bestaand (wel vergunbaar)” zijn weergegeven op de bij deze regels horende bijlage 7, "houtsingelkaart" met dien verstande dat: a.
onder wijzigen wordt begrepen het geheel of gedeeltelijk verwijderen van dykswâlen (houtwallen) en houtsingels;
b.
onder wijzigen wordt eveneens begrepen het geheel of gedeeltelijk dempen, verbreden, verdiepen of aanleggen van watergangen;
c.
een omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend op basis van een landschappelijk inrichtingsplan dat in overeenstemming is met: 1. de uitgangspunten voor het betreffende landschapstype zoals die zijn beschreven in de bij deze regels opgenomen bijlage 6 “landschappelijke waarden woudenlandschap”; 2. de bij deze regels in bijlage 8 opgenomen “Richtlijnen voor het verwijderen van houtsingels en dykswâlen”; 3. de bij deze regels in bijlage 8 opgenomen “Richtlijnen voor de inrichting van houtsingels”; 4. de bij deze regels in bijlage 8 opgenomen “Richtlijnen voor de inrichting van dykswâlen”.
B.
In afwijking van het verbod in artikel 6.3.1 onder a.1 is een omgevingsvergunning niet vereist voor het verwijderen van houtsingels binnen de bestemmingen 'Agrarisch - Bedrijf grondgebonden', 'Agrarisch - Bedrijf intensieve veehouderij', 'Agrarisch - Cultuurgrond' en 'Natuur' ter plaatse van gronden die op de als bijlage 7 "houtsingelkaart" bij deze regels opgenomen “houtsingelkaart” zijn aangeduid als “houtsingel of haag bestaand (wel vergunbaar)”, voor zover: 1. het te verwijderen deel het realiseren van ten hoogste twee dammen in iedere lange zijde van een perceel betreft, met een breedte van ten hoogste 10 meter per dam, mits na verwijdering van de houtsingel ter
plaatse van de nieuwe dam of dammen tenminste 75% van de oorspronkelijke lengte van de houtsingel c.q. dykswâl (houtwal) resteert; 2. het te verwijderen deel het realiseren van ten hoogste een dam in iedere korte zijde van een perceel betreft, met een breedte van ten hoogste 10 meter per dam, mits na verwijdering van de houtsingel c.q. dykswâl (houtwal) ter plaatse van de nieuwe dam tenminste 75% van de oorspronkelijke lengte van de houtsingel c.q. dykswâl (houtwal) resteert. C. Voor
zover
voor
meerdere
werken
en/of
werkzaamheden
omgevingsvergunningen worden gevraagd en deze in één (landschappelijk inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken. D. Indien het verlenen van de omgevingsvergunning gevolgen kan hebben voor
de
waterhuishouding,
wordt
de
aanvraag
voor
de
omgevingsvergunning voorgelegd aan het bevoegde waterschap met het verzoek de aanvraag ter voorzien van een deskundigenadvies.
6.3.2
Uitzonderingen op vergunningplicht Het bepaalde in lid 50.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:
a. het normale onderhoud betreffen;
b. reeds in uitvoering of vergund zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
6.3.3 Criterium De in lid 6.3.1 genoemde vergunning zal slechts worden verleend, indien:
geen onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan de cultuurhistorische, landschappelijke en/of natuurwaarden van het gebied.
6.4
Wijzigingsbevoegdheid
6.4.1 Wijzigen Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
A. het structuurbepalende karakter van de houtsingel, als gevolg van grootschalige ingrepen in het landschap in het kader van landinrichting, uitbreiden
van
dorpen,
bedrijventerreinen,
andere
grootschalige
voorzieningen, de aanleg of de wijziging van infrastructuur (wegen, vaarwegen, spoorwegen), niet kan worden gehandhaafd; B. de aanduiding "houtsingel" wordt aangebracht mits:
de houtsingel een structuurbepalend karakter krijgt;
C. de aanduiding "houtwal" (dykswâl) wordt verwijderd mits:
het structuurbepalende karakter en/of de cultuurhistorische en/of de ecologische waarde van de houtwal, als gevolg van de ingrepen in het landschap in het kader van gebiedsontwikkeling, uitbreiden van dorpen, bedrijventerreinen, andere grootschalige voorzieningen, de aanleg of de wijziging van infrastructuur (wegen, vaarwegen, spoorwegen) niet kan worden gehandhaafd;
D. de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap (Woudenlandschap)’ wordt verwijderd. 6.4.2 Criterium Burgemeester en wethouders kunnen toepassing geven aan de in
lid 6.4.1 bedoelde wijzigingsbevoegdheid, indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden van het woudenlandschap met in achtneming van de
specifieke kenmerken van de deelgebieden binnen het woudenlandschap
Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS Artikel 7
Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8 8.1
Algemene bouwregels Welstandscriteria De door het plan geboden ruimte ten aanzien van de situering en de
maatvoering van bouwwerken, kan nader worden ingevuld door de in artikel 12a van de Woningwet bedoelde welstandscriteria.
8.2
Windturbines Er zullen geen windturbines worden gebouwd.
8.3
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
8.3.1 Omgevingsvergunningplicht Ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" is het verboden zonder of in
afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag gebouwen geheel of gedeeltelijk te slopen.
8.3.2 Uitzondering op vergunningplicht Het bepaalde in lid 8.3.1 niet van toepassing op sloopwerkzaamheden die: A. het normale onderhoud betreffen;
B. reeds in uitvoering of vergund zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
8.3.3 Criteria De in lid 8.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend mits:
A. de karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld;
B. de karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet is te handhaven;
C. het delen van gebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken, en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt.
Artikel 9
Algemene gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, wordt in ieder geval gerekend:
A. het gebruik van de gronden voor het storten van puin en afvalstoffen; B.
het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en
bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de
bestemming(en)
werkzaamheden;
toegelaten
bouwactiviteiten
en
werken
en
C. het gebruik van de gronden voor de stalling en opslag van (aan het
oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming(en) toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
D. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen; E.
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
Artikel 10 10.1
Algemene aanduidingregels geluidzone - industrie De functie van de gebiedsaanduiding “geluidzone – industrie” is het tegengaan van
een
te
hoge
geluidsbelasting
geluidsgevoelige objecten. 10.1.1
vanwege
een
industrieterrein
van
Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemming(en) geldt, ter plaatse van de aanduiding “geluidzone – industrie”, de volgende regel:
een op grond van de daar voorkomende bestemming(en) toelaatbaar
gebouw, of de uitbreiding daarvan, welke aangemerkt kan worden als een geluidsgevoelig object, mag slechts worden gebouwd indien de
geluidsbelasting vanwege het industrieterrein van de gevels van dit gebouw niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde. 10.1.2
Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze gebiedsaanduiding, wordt in ieder geval gerekend:
het gebruik van niet-geluidsgevoelige objecten als geluidsgevoelig object.
Artikel 11
Algemene afwijkingsregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het
bepaalde in de specifieke gebruiksregels en toestaan dat gronden en gebouwen worden gebruikt voor een lichte horecafunctie, mits:
A. de horecafunctie ondergeschikt is aan de bedrijfs- of woonfunctie; B.
de oppervlakte van de horecafunctie ten hoogste 50 m² bedraagt, met dien
verstande dat ten hoogste 10 m² van de horecafunctie binnen een gebouw mag worden uitgeoefend;
C. het aantal zitplaatsen maximaal 20 bedraagt;
D. uitsluitend niet-alcoholische dranken en geringe etenswaren worden E.
verstrekt;
de locatie ligt aan of in de onmiddellijke nabijheid van een toeristische wandel-, fiets-, auto- en/of vaarroute.
Artikel 12
Algemene wijzigingsregels Burgemeester en Wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
A. de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' wordt aangebracht, indien:
1. wordt voldaan aan de regels uit de van toepassing zijnde wettelijke regels;
2. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de
milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische waarden, de archeologische waarden, de
natuurwaarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
B. de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' wordt aangebracht, indien:
hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de
milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische waarden, de archeologische waarden, de
natuurwaarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
C. de dubbelbestemming 'Leiding - Riool' wordt aangebracht, indien:
1. wordt voldaan aan de regels uit de van toepasing zijnde wettelijke regels;
2. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de
milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische waarden, de archeologische waarden, de
natuurwaarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
D. de dubbelbestemming ‘Leiding - Water' wordt aangebracht, indien:
hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de
milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische waarden, de archeologische waarden, de
natuurwaarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
E. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' wordt aangebracht, indien:
door onderzoek archeologische waarden van terreinen naar voren komen;
F. de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' wordt aangebracht, indien:
door onderzoek cultuurhistorische en (cultuur)landschappelijke waarden van terreinen naar voren komen;
G. de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - externe veiligheid' wordt aangebracht, indien: 1. 2. 3.
de hoedanigheid van een risicovolle functie is gewijzigd; de ligging van de zone moet worden afgestemd op de
risicocontouren ingevolge de van toepassing zijnde wettelijke regels.
Artikel 13
Overige regels Verwijzingsregel wijzigingsbevoegdheden
Voorzover in de bestemmingsregels, dubbelbestemmingsregels en/of de
overige regels wordt verwezen naar bestemmingen en/of aanduidingen die
daarin niet rechtstreeks zijn opgenomen, zijn de bestemmingsregels en/of de dubbelbestemmingsregels en/of de overige regels als bedoeld in het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" van toepassing.
Hoofdstuk 4 OVERGANGS- SLOTREGELS Artikel 14 14.1
Overgangsrecht Overgangsrecht bouwwerken A. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het
bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
1. 2.
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd
of
veranderd,
mits
de
aanvraag
van
de
omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar B.
na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sublid A. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sublid A. met maximaal 10 %.
C. Sublid A. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder
vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
14.2
Overgangsrecht gebruik A. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van
inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag
B.
worden voortgezet.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld
in sublid A., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
C. Indien
het
gebruik,
bedoeld
in
sublid
A.,
na
het
tijdstip
van
inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt
onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
D. Sublid A. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met
het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 15
Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan "Skûlenboargerwei 10 Eastermar", met IMRO code NL.IMRO.0737.16BPIX van de gemeente Tytsjerksteradiel.
Aldus vastgesteld d.d