08 - Bijlage 1 - Vaststellen bp De Wal 44a - Bestemmingsplan (geanonimiseerd)
Tekst van het document
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen 46) te Hurdegaryp ontwerp
nummer 44 en
bestemmingsplan
De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp ontwerp 30 oktober 2023
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding Aanleiding 1. 1 1. 2 Plangebied 1. 3 Geldend bestemmingsplan 1. 4 Leeswijzer
7 7 7 7 8
Hoofdstuk 2 Planvoornemen 2. 1 Huidige situatie 2. 2 Toekomstige situatie 2. 3 Landschappelijke inpassing
9 9 10 11
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3. 1 Rijksbeleid 3. 2 Provinciaal beleid 3. 3 Gemeentelijk beleid
13 13 14 17
Hoofdstuk 4 Omgevingstoets 4. 1 Geluidhinder 4. 2 Bedrijfshinder en milieuzonering 4. 3 Bodem Erfgoed 4. 4 4. 5 Ecologie 4. 6 Externe veiligheid 4. 7 Bluswatervoorziening Verkeer en parkeren 4. 8 4. 9 Luchtkwaliteit 4. 10 Water 4. 11 Milieueffectrapportage
19 19 21 22 23 24 26 27 27 28 28 29
Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5. 1 Plansystematiek 5. 2 Toelichting op de regels 5. 3 Toelichting op de bestemmingen Bestemmingsplanprocedure 5. 4
31 31 31 32 33
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6. 1 Economische uitvoerbaarheid 6. 2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
35 35 35
Bijlagen bij de toelichting
37
Bijlage 1
Akoestisch onderzoek
39
Bijlage 2
Nader akoestisch onderzoek
89
Bijlage 3
Verkennend bodemonderzoek
105
Bijlage 4
Natuurtoets
145
Bijlage 5
AERIUSberekening
165
Bijlage 6
Brandweer Fryslân
189
3
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp
Bijlage 7
Digitale watertoets
197
Bijlage 8
Inspraak- en overlegnota
207
Bijlage 9
Overlegreacties
223
Bijlage 10
Gespreksverslag
237
Regels
241
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
243 243 249
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
Bestemmingsregels Tuin Water Wonen - Vrijstaande woningen 1 Waarde - Archeologie Waarde - Woudenlandschap
251 251 253 255 257 259
Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Overige regels
261 261 263 265 267
Hoofdstuk 4 Artikel 12 Artikel 13
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
269 269 271
Bijlagen bij de regels
273
Bijlage 1
Beroeps- en bedrijfsactiviteiten
aan huis
Bijlage 2
Parkeernormen GVVP
276
Bijlage 3
Brandweer eisen eigen weg
278
4
274
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp
Toelichting
5
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp
6
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp
Hoofdstuk 1 1. 1
Inleiding
Aanleiding
Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het planologisch-juridisch mogelijk maken van een woning met bijgebouw op het perceel tussen De Wâl 44 en 46 in Hurdegaryp. Deze gronden zijn nu bestemd als 'Agrarisch - Cultuurgrond'. De bouw van een woning is strijdig met de bouw- en gebruiksregels omdat ter plaatse geen bouwvlak aanwezig is en niet gebouwd wordt ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Een nieuw bestemmingsplan is nodig om de voornoemde ontwikkeling mogelijk te maken. Het voorliggende plan voorziet daarin.
1. 2
Plangebied
Het plangebied bevindt zich in een bebouwingslint ten oosten van de kern van Hurdegaryp. Aan de oostzijde is het plangebied begrensd door agrarisch gebied met een houtsingel en de Zuiderweg West/Woudweg. Het plangebied bevindt zich tussen de percelen De Wâl 44 en 46 in. Aan de noordzijde is het plangebied begrensd door een sloot. Achter deze sloot bevindt zich de straat De Wâl. Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen 771, 2463 en 2464.
Figuur 1. Begrenzing plangebied
1. 3
Geldend bestemmingsplan
Het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' van de gemeente Tytsjerksteradiel is op het plangebied toepassing. Hieronder volgt een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.
7
van
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp
Figuur 2. Uitsnede van het geldende bestemmingsplan
Het plangebied is volledig bestemd als 'Agrarisch - Cultuurgrond'. Deze gronden zijn bestemd voor cultuurgrond, gebouwen ten behoeve van een agrarisch bedrijf en gebouwen ten behoeve van (semi) agrarische en daarmee te vergelijken hobbyactiviteiten. Dergelijke bebouwing mag echter uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. In het plangebied is geen bouwvlak aanwezig. Onder deze bestemming vallen tevens sloten, bermen en beplanting. Daarnaast heeft het perceel de dubbelbestemming 'Waarde - Landschap (Woudenlandschap)'. Het plangebied is mede bestemd voor het behoud en herstel van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden van het woudenlandschap. De specifieke kenmerken van de deelgebieden binnen het woudenlandschap dienen hier in acht te worden genomen. Binnen deze dubbelbestemming geldt tevens dat gronden ter plaatse van de functieaanduiding 'houtsingel', uitsluitend zijn bestemd voor het in stand houden van houtsingels. Een dergelijke aanduiding bevindt zich ten het oosten van het plangebied maar maakt geen deel uit van het plangebied.
1. 4
Leeswijzer
De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na deze inleiding is in hoofdstuk twee het planvoornemen beschreven. In hoofdstuk drie geeft een beschrijving van het van toepassing zijnde beleid. In hoofdstuk vier wordt verslag gedaan van het onderzoek naar de randvoorwaarden en belemmeringen die gelden vanuit de diverse planologische en milieukundige toetsingskaders. Hoofdstuk vijf is de juridische toelichting op het bestemmingsplan en hoofdstuk zes gaat in op zowel de economische als maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
8
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp
Hoofdstuk 2 2. 1
Planvoornemen
Huidige situatie
In de bestaande situatie heeft het plangebied een groene, parkachtige uitstraling zonder dat deze openbaar toegankelijk is. Het plangebied bestaat grasland met enkele bomen dat omzoomd is door smalle watergangen. Zoals eerder opgemerkt bevindt het plangebied zich tussen twee woningen in. Onderstaand zijn enkele afbeeldingen van het plangebied weergegeven.
Figuur 3. Plangebied vanaf het noorden (bron: Google streetview)
Figuur 4. Plangebied vanaf het oosten (bron: Google streetview )
9
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp
Op figuur 4 is de in het plangebied aanwezige houtsingel zichtbaar.
2. 2
Toekomstige situatie
Voorliggend bestemmingsplan biedt planologisch-juridische kaders voor één woning met het daarbij behorende bijgebouw. Het plan voorziet tevens in de bij de woning behorende tuin, oprit en ontsluiting. Het onderstaande fragment geeft de toekomstige inrichting van het plangebied weer met daarbij de te handhaven zichtlijn weergegeven met een pijl.
Figuur 3. toekomstige inrichting plangebied
De woning en de daarbij behorende gronden worden bestemd als 'Wonen - Vrijstaande woningen 1'. Met een bouwvlak is aangegeven waar hoofdgebouwen gebouwd mogen worden. De meer noordelijk gelegen gronden worden als 'Tuin' bestemd conform de huidige systematiek van de gemeente. Hieronder is de visuele weergave van de toekomstige planologische situatie weergegeven.
10
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp
Figuur 4. Fragment van de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding.
De
dubbelbestemming 'Waarde in dit plan.
-
Woudenlandschap' uit het geldende
bestemmingsplan is volledig
overgenomen
2. 3
Landschappelijke inpassing
De karakteristieke lintstructuur waar het plangebied onderdeel van uitmaakt, kent een bepaalde mate van 'rafeligheid'. Die rafeligheid kenmerkt zich in een vaak afnemende bebouwingsdichtheid naarmate men een bebouwde kom of intensiever bebouwd gebied uitrijdt. Deze open plekken in het lint, die een doorzicht, geven op het achterliggende landschap, zijn kenmerkend voor de lintstructuren in het Friese woudenlandschap. De positionering van de woning op het perceel zorgt voor een versterking van het lint. De woning wordt achter op het perceel geplaatst, waardoor het zicht vanaf De Wâl richting de Woudweg behouden blijft, de aansluiting op de bestaande bebouwing beter is gewaarborgd en de karakteristieke 'rafeligheid' van de lintstructuur wordt benadrukt. Op de naastgelegen hoeklocatie aan het einde van De Wâl is immers ook een woonboerderij met vrijstaande bijgebouwen gesitueerd. In het plangebied is er dus sprake van een verhoudingsgewijs smalle 'doorkijk' (zonder vergezicht). De oostelijke bestemmingsgrens is zoveel als mogelijk halverwege het agrarisch perceel neergelegd. De belangrijke redenen hiertoe zijn: behoud bestaande zichtlijn vanaf De Wâl richting de Woudweg; de geluidsbelasting van de Woudweg en; daaraan ondergeschikt dat deze opzet de mogelijkheid biedt om ruime aandacht te schenken aan de flora aan de voor- en zijkant van de woning.
Op deze manier wordt een goed uitzicht vanaf het bankje aan De Wâl geborgd. Al met al kan de bouw van de woning
een
versterkende werking hebben op de naastgelegen bebouwing, de
11
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp 'rafeligheid' van het lint benadrukken, de watergang aan de voorzijde van het perceel meer zichtbaar maken en de bestaande houtwal als landschapselement op de oostgrens van het perceel versterken. Daarnaast wordt de woning met schuur vormgegeven in architectuur die past in de omgeving. Het voorgaande maakt dat het planvoornemen bijdraagt aan plangebied.
een
landschappelijke opwaardering
van
het
Bovendien wijzigt de verkavelingsstructuur niet als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Het plan wijzigt geen beschermde elementen (boomwallen, singels etc. ). Tevens worden er geen beschermde landschapselementen aangetast. Verder geeft de vrij beperkte oppervlakte van het plan in combinatie met de plaatselijke structuur van het omliggende landschap geen mogelijkheden om wezenlijke verbetering van landschappelijke waarden in het nieuwe plan te realiseren.
12
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3. 1
Rijksbeleid
3. 1. 1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen die voorliggen. Allerlei trends en ontwikkelingen van Nederland hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI wordt een proces in gang gezet waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking treedt.
De NOVI vervangt, samen met het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL) de SVIR, het Barro en het Bro. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. duurzaam economisch groeipotentieel 3. sterke en gezonde steden en regio's 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win-situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoekt de rijksoverheid naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.
Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. De NOVI vindt haar doorwerking in het regionale worden getoetst.
en
lokale beleid
waaraan
uiteindelijk plannen zullen
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De beoogde ontwikkeling zoals benoemd in paragraaf 2. 2 heeft geen raakvlakken met het beleid zoals
13
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp benoemd in de NOVI. 3. 1. 2
AMvB Ruimte (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening)
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend onder de naam Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, zijn de nationale belangen voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en het projectgebied voor het overige geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Het planvoornemen is niet in strijd met de regels uit het Barro. 3. 1. 3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een motiveringseis die in de SVIR is geïntroduceerd. In het Bro (artikel 3. 1. 6) is geregeld dat bij ruimtelijke projecten voorzien moet worden in duurzame verstedelijking. In geval van nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan die ontwikkeling en wanneer deze plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het plangebied valt binnen de begrenzing van het bestaand stedelijk gebied, zoals aangegeven door de provincie Fryslân. Als definitie voor stedelijke ontwikkeling is in het Bro opgenomen: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Er is in de wetgeving geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. In een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2017:1724) wordt de juridische lijn ten aanzien van de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking uiteengezet (overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking, gepubliceerd op 28 juni 2017).
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de Ladder voor duurzame verstedelijking alleen geldt voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Uit de overzichtsuitspraak wordt duidelijk dat een bestemmingsplan dat voorziet in minder dan 11 woningen niet voorziet in een stedelijke ontwikkeling zoals deze op basis van het Bro is gedefinieerd. Voorliggend bestemmingsplan ziet op het planologisch-juridisch mogelijk maken van 1 woning. Het planvoornemen kan, gelet op de aard en omvang, dan ook niet worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. Nu er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, hoeft de laddertoets niet te worden doorlopen. In het kader van de uitvoerbaarheid van het plan, moet er wel worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hoofdstuk 4 gaat hier nader op in.
3. 2
Provinciaal beleid
3. 2. 1
Omgevingsvisie Fryslân
De Omgevingsvisie is één van de instrumenten van de nieuwe Omgevingswet. In de Omgevingsvisie Fryslân, 'De Romte Diele' geheten, staat waar de provincie met de leefomgeving van Fryslân naar toe wil: de ambitie en doelen voor de toekomst. Het is een integrale visie voor de lange termijn op een tamelijk hoog abstractieniveau. De visie geeft de richting aan waar de provincie met allerlei partijen naar toe wil werken. Dit gebeurt in programma’s, concrete projecten en initiatieven, en zo nodig ook in regels. De provinciale omgevingsvisie vervangt het strategisch beleid van de provincie in het streekplan, milieubeleidsplan, waterhuishoudingsplan en het verkeer- en vervoerplan. In de visie is aangegeven wat de provincie doet om de huidige basiskwaliteiten van de Friese leefomgeving op orde te houden. Daarnaast wil de provincie extra inzetten op vier urgente, integrale opgaven, te weten: 1. Fryslân vitaal, leefbaar en bereikbaar houden.
14
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp 2. 3. 4.
Energietransitie met kracht voortzetten. Fryslân klimaatadaptatief inrichten. Versterken biodiversiteit.
Naast de integrale opgaven hanteert de Omgevingsvisie een aantal inhoudelijke principes. Deze principes staan voor de manier van werken, en geven richting aan keuzes, projecten en plannen voor de fysieke leefomgeving. Een inhoudelijk principe dat nauw aansluit op het planvoornemen is 'Omgevingskwaliteit als ontwerpbasis'. Dit principe richt zich erop dat nieuwe ontwikkelingen voortbouwen op bestaande omgevingskwaliteiten. Daarbij is aandacht voor eigenheid en identiteit. In dit principe vormen omgevingskwaliteiten het vertrekpunt voor de inpassing van ontwikkelingen. Dit betekent dat ontwikkelingen voortbouwen op bestaande kwaliteiten en deze waar mogelijk versterken of doorontwikkelen. Het principe gaat uit van maatwerk. Elke plek is anders en heeft andere kwaliteiten. Op basis van de omgevingskwaliteiten van gebieden wordt gezocht naar juiste plekken. Zo kan, afhankelijk van de aard en schaal van een ontwikkeling bijvoorbeeld sprake zijn van: inpassen, waarbij de kenmerken van een gebied in stand blijven en nieuwe ontwikkelingen zich daarin voegen. In paragraaf 2. 3 is onderbouwd dat het planvoornemen landschappelijk wordt ingepast. Er is sprake van behoud en versterking van bestaande karakteristieken van de omgeving. Een voorbeeld hiervan is de houtsingel die met de ontwikkeling behouden blijft en versterkt wordt.
Het voorgaande maakt dat het planvoornemen aansluit op de inhoudelijke principes van de provinciale omgevingsvisie. Conclusie De Omgevingsvisie Fryslân zit de uitvoerbaarheid van het planvoornemen niet in de weg. 3. 2. 2
Verordening Romte Fryslân
In de Verordening Romte zijn concrete regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. In de verordening is onder meer de grens tussen het bestaand stedelijk gebied en landelijk gebied vastgelegd. In stedelijk gebied bestaat een grotere mate van beleidsvrijheid wat betreft de ruimtelijke ordening dan in het landelijk gebied. De volgende regels uit de verordening Romte zijn van toepassing op het planvoornemen: Artikel 1. Bundeling algemeen Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het bestaand stedelijk gebied en bevindt zich in het landelijk gebied. Op basis van artikel 1. 1. 1 mag een ruimtelijk plan voor landelijk gebied geen bouwmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden voor nieuwe stedelijke functies bevatten. In afwijking van artikel 1. 1. 1 kan op grond van artikel 1. 3. 1 een nieuwe stedelijke functie in of aansluitend op een bestaand bebouwingslint of een bestaande bebouwingscluster worden toegestaan met inachtnemeing van de volgende voorwaarden: 1. de nieuwe stedelijke functie leidt tot een landschappelijk aanvaardbare afronding of verdichting van een bebouwingslint of bebouwingscluster en doet geen afbreuk aan de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten; 2.
het gaat per lint of cluster om één of enkele woningen, waarvan de oppervlakte per woning inclusief bijgebouwen niet meer bedraagt dan 300 m², of de maat die het bestemmingsplan buitengebied als algemene regel hanteert voor bestaande burgerwoningen. Artikel 3. 1. 1 is mede van toepassing. In paragraaf 2. 3 is onderbouwd dat het planvoornemen landschappelijk wordt ingepast. De nieuwe woning leidt tot een landschappelijk aanvaardbare afronding of verdichting van in dit geval het bebouwingslint De Wâl. Aanwezige landschappelijke kwaliteiten worden met de voorgenomen ontwikkeling behouden en versterkt. Een voorbeeld hiervan is het behouden en versterken van de aanwezige houtsingel. Bovendien zijn landschappelijke waarden in het plangebied beschermd met behulp van een in dit plan opgenomen dubbelbestemming 'Waarde - Woudenlandschap'. Het plan voldoet aan voorwaarde 1. Met dit plan wordt één woning mogelijk gemaakt waarbij de oppervlakte
15
van
de woning conform de
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp voorwaarden in de verordening Romte inclusief bijgebouwen maximaal 300 m 2 bedraagt. Het voorgaande is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Al met al is het planvoornemen conform artikel 1 uit de Verordening Romte Fryslân. Artikel 3. Wonen Voorts regelt artikel 3. 1. 1 uit de verordening dat een ruimtelijk plan mogelijkheden voor woningbouw kan bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft. Binnen de gemeente woningbouwprogrammering van de Tytsjerksteradiel is genoeg ruimte beschikbaar om de woning die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, toe te voegen. Een en ander blijkt uit paragraaf 3. 3. Het planvoornemen voldoet dan ook aan artikel 3. 1. 1. Artikel 2. Ruimtelijke kwaliteit Op basis van artikel 2 dient het plan te voldoen aan Ruimtelijke kwaliteit zoals landschappelijke inpassing, archeologie en zorgvuldig ruimtegebruik. Hierbij is de herkenbaarheid van het landschap een belangrijke basis voor nieuwe ontwikkelingen. Uit paragraaf 2. 3 blijkt dat er sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Bovendien leidt het planvoornemen niet tot afbreuk van aanwezige landschappelijke- en cultuurhistorische waarden. In de hiernavolgende paragraaf is daar nader op ingegaan.
Ten aanzien van archeologie geldt dat er op grond van de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE), blijkt dat er geen aanleiding bestaat om archeologisch onderzoek vuit te voeren. In paragraaf 4. 4 is dit nader toegelicht. Verwacht mag worden dat er met het planvoornemen geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden. Wat betreft het aspect zorgvuldig ruimtegebruik wordt verwezen naar 3. 1. 3, waarin het planvoornemen is getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Er is weliswaar sprake van een nieuwe stedelijke functie in het landelijk gebied, maar deze is van dusdanig kleine aard en omvang dat dit passend is in het landelijk gebied. Verdichting van een bebouwingslint op deze plek is een logisch vervolg. Het planvoornemen voldoet dan ook aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Conclusie Het planvoornemen past binnen de Verordening Romte Fryslân. 3. 2. 3
Structuurvisie Grutsk op 'e romte
Provinciale Staten hebben op 26 maart 2014 de structuurvisie “Grutsk op ‘e Romte” vastgesteld. In deze thematische structuurvisie zijn landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, inspireren en adviseren. Op deze wijze verwacht Provinsje Fryslân de doorwerking van provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, rijk en provincie te borgen. In de structuurvisie is Fryslân opgedeeld in diverse deelgebieden, waar ieder verschillende provinciale belangen van toepassing zijn. Voor het deelgebied waar het plangebied in valt (Noordelijke Wouden), zijn onder andere de houtwallen en bebouwingslinten van belang. Het gaat dan om de samenhang van historische wegen met bebouwingslinten en rijke schakeringen aan wegbeplanting in diverse vormen: singels, bomen, hagen. Het planvoornemen zorgt voor de verdichting van het bestaande bebouwingslint gesitueerd langs De Wâl. Bovendien wordt een bestaande houtwal/singel met het planvoornemen behouden extra versterkt. Gelet op het voorgaande geeft het planvoornemen invulling aan de provinciale belangen die de provincie voor de Noordelijke Wouden heeft gedefinieerd. Conclusie
16
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp De structuurvisie Grutsk op 'e romte zit de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan niet in de weg.
3. 3
Gemeentelijk beleid
3. 3. 1
Structuurvisie 'Finster op Romte' (2010-2020)
In januari 2010 is de Structuurvisie 'Finster op Romte' door de gemeenteraad vastgesteld. De structuurvisie gaf de toekomstvisie weer van Tytsjerksteradiel tot het jaar 2020. Deze Structuurvisie is nog steeds van kracht, nu de nieuwe visie, zijnde de Omgevingsvisie Tytsjerksteradiel 2021-2050, nog niet in werking is getreden. Uit de structuurvisie wordt duidelijk dat de gemeente Tytsjerksteradiel ruimte biedt voor ontwikkelingen zoals landgoedwonen, landelijk wonen of wonen op een boerenerf. Onder deze woonvormen kan een mengvorm van functies worden verstaan, zoals bedrijvigheid aan huis. Wel is het van belang dat deze zorgvuldig worden ingepast in het landschap, voldoet aan de regelgeving, en dat de (bedrijfs)ruimte voor de agrariër wordt gewaarborgd. Landschap en (cultuur)historie dienen als aanleiding om verschillende typen van landelijk wonen toe te passen. Met het voorliggende plan wordt een woning mogelijk maakt als verdichting van een bestaand bebouwingslint in het landelijk gebied. Uit paragraaf 2. 3 blijkt dat het planvoornemen landschappelijk wordt ingepast. Tevens worden landschappelijke kenmerken, zijnde houtwallen als gevolg van het planvoornemen gehandhaafd en versterkt (zie paragraaf 3. 2. 3). Conclusie Het planvoornemen is conform de structuurvisie van de gemeente Tytsjerksteradiel. 3. 3. 2
Woonvisie Gemeente Tytsjerksteradiel 2019-2024
In juli 2019 is de woonvisie van de gemeente Tytsjerksteradiel vastgesteld. De Woonvisie is een visiedocument dat naast de wettelijke basis voor prestatie afspraken ook als basis dient voor o. a. de duurzaamheidsagenda, de woningbouwprogrammering (die separaat wordt vastgesteld door het college) en de Omgevingsvisie. Daarnaast ligt de Woonvisie ten grondslag aan het afwegingskader waarmee ruimtelijke initiatieven getoetst worden op behoefte en kwaliteit. De Woonvisie geeft vijf speerpunten voor de komende jaren, te weten; 1. Investeren in onze bestaande voorraad 2. Zorgvuldige inzet op nieuwbouw 3. Voldoende betaalbare en beschikbare sociale huurwoningen 4. Wonen met zorg 5. Streven naar leefbare dorpen Voor dit plan zijn speerpunten 2 en 5 van belang. In zijn algemeenheid geldt dat in het buitengebied geen nieuwe woningen zijn toegestaan. Slechts na sloop of bij vervanging van een woning kan een nieuwe woning in het buitengebied worden gebouwd. Door de nieuwe woningbouwafspraken met de provincie is er wat meer ruimte gekomen voor nieuwe woningbouw. De nieuwe woningen zullen voor het grootste deel binnenstedelijk moeten worden gerealiseerd.
Er bestaat ook enige ruimte voor nieuwbouw buiten het bestaande stedelijk gebied, zoals die is opgenomen in de provinciale " Verordening Romte Fryslan 2014." Voorwaarde is wel dat de nieuwe woning aansluit op bestaand stedelijk gebied en wat betreft aard en schaal past bij het dorp. Het perceel grenst zowel aan de west-, noord- en oostzijde aan het bestaand stedelijk gebied en valt officieel onder Feanwaldsterwal. Dit dorp is niet in het woningbouwprogramma van de gemeente opgenomen. Het dorp wordt wel vaak in relatie gebracht met Hurdegaryp. In dit dorp heeft de gemeenteraad ingestemd met de bouw van zes woningen. Echter, is voor deze woningen geen specifieke
17
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp locatie aangewezen of anderzijds vastgelegd. Alhoewel Feanwaldsterwal formeel geen nieuwe woningen is toebedeeld is het wel aannemelijk om ook in dit dorp een incidentele woning toe te staan. Dit sluit goed aan bij de gedachte van de gemeenteraad om alle dorpen te voorzien van woningbouw. Conclusie De gemeentelijke woonvisie vormt ontwikkeling. 3. 3. 3
geen
belemmering
voor
de uitvoerbaarheid
van
de
voorgenomen
Welstandsnota Tytsjerksteradiel
De gemeente legt de eisen van welstand vast. Deze eisen gaan over: de eigenschappen van de bestaande bebouwing; de openbare ruimte; het landschap; de stedenbouwkundige situatie; massa, structuur, maat en schaal. Het plangebied valt onder het welstandsgebied 'lintbebouwing'. Bebouwingslinten hebben in veel gevallen een historisch gegroeid lineair karakter en worden in ruimtelijke zin gevormd door een doorgaande weg die aan één of twee zijden wordt begeleid door losse, gevarieerde bebouwing. De bebouwing in de linten die aansluit op kernen - waar in dit geval sprake van is - bestaat voor het grootste deel uit woonhuizen, incidenteel afgewisseld met andere maatschappelijke of agrarische functies zoals een kantoor- of winkelpand of (voormalige) boerderijen. De linten in het buitengebied kennen een sterk agrarisch karakter te weten, boerderijen en voormalige boerderijen, alsmede arbeiderswoningen en andere (veelal) woningen in het buitengebied. De welstandscriteria behorend bij het voornoemde deelgebied 'Lintbebouwing' worden bij de vormgeving van de woning betrokken. Bestaande kenmerken worden gerespecteerd en in stand gehouden. Conclusie De eisen uit de gemeentelijke welstandsnota worden bij het planvoornemen betrokken. De welstandsnota zorgt niet voor belemmeringen die de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg zitten.
18
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp
Hoofdstuk 4 4. 1
Omgevingstoets
Geluidhinder
Toetsingskader De Wet geluidhinder (Wgh) beschouwt een woning als een geluidsgevoelig gebouw. De 'geluidbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten mag niet hoger zijn dan een in de wet bepaalde norm. Daarom dient er een toetsing plaats te vinden aan de eisen uit de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder gaat in op zowel wegverkeerslawaai, spoorweglawaai als industrielawaai. Voor het planvoornemen is alleen wegverkeerslawaai relevant. Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wgh noodzakelijk wanneer een geluidgevoelig gebouw gelegen is binnen een door deze wet aangewezen geluidzone. Bij wegverkeerslawaai geldt een uitzondering voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en/of wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur. Wel dient er sprake te zijn van een 'goede ruimtelijke ordening' om een goed woon- en leefklimaat te garanderen. Onderzoek Met het planvoornemen wordt een geluidgevoelige bestemming mogelijk gemaakt die binnen de wettelijke geluidzone van de Woudweg wordt gesitueerd. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De onderzoeksrapportage hiervan is als Bijlage 1 bij de toelichting te raadplegen. Hieronder wordt ingegaan op de rekenresultaten en conclusies uit het onderzoek. De geluidsbelasting (inclusief aftrek art.
110g Wgh) is berekend op de verschillende geveldelen van de nieuwe woning. De woning bestaat zal bestaan uit één bouwlaag met daarboven een zadeldak en daarom is de geluidsbelastingen berekend op 1,5 en 4,5 meter boven het plaatselijke maaiveldniveau. Voor de Woudweg is een wegdeel waarop een wettelijk rijsnelheid geldt van 50 km/h en een wegdeel waarop een wettelijk rijsnelheid geldt van 80 km/h. Op De Wâl geldt een wettelijk rijsnelheid geldt van 30 km/h. De berekende geluidbelasting voor het wegdeel waarop een wettelijke rijsnelheid geldt van 80 km/h bedraagt zonder aftrek 52 dB en hiermee wordt een aftrek toegepast van 2 dB. Voor de overige wegen en/of wegdelen is een aftrek van 5 dB toegepast. De onderzoeksresultaten wijzen uit dat de geluidsbelasting ten gevolge van de Woudweg ten hoogste 51 dB bedraagt (inclusief aftrek). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden, maar de maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt niet overschreden. Geluidmaatregelen De voorkeursgrenswaarde wordt bij de gezoneerde weg overschreden en daarom moeten maatregelen in overweging worden genomen en deze zijn hieronder nader toegelicht. Bronmaatregelen Bij maatregelen aan de geluidbron wordt bekeken of het geluidniveau van de veroorzaker van het geluid kan worden gereduceerd.
Er zijn twee oorzaken van geluidproductie bij voertuigen, namelijk de mechanische geluiden van de automobielen en het geluid dat de banden op het wegdek maken. Mogelijke maatregelen zijn stillere voertuigen, verlaging van de maximumsnelheid of een geluidreducerend wegdek. Overdrachtsmaatregelen Vanwege de beperkte ruimte kan de geluidsbelasting niet worden gereduceerd door het vergroten van de
19
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp afstand tussen de weg en de woning, omdat de zichtlijnen van de woning een belangrijk uitgangspunt betreft vanuit stedenbouwkundig oogpunt. De geluidsbelasting wordt ook ter plaatse van de verdieping overschreden. Het toepassen van hoge afschermende voorzieningen zijn in deze stedelijke omgeving vanuit stedenbouwkundig oogpunt redelijkerwijs niet wenselijk. Hogere waarde Gelet op het voorgaande dient in het kader van het planvoornemen een hogere waarde te worden vastgesteld. De hogere waarde kan worden verleend omdat toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege de Woudweg tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige en verkeerskundige aard. Naast de eisen die de Wet geluidhinder stelt aan de geluidsbelasting op de gevel, stelt het Bouwbesluit eisen aan het toelaatbaar binnenniveau in de woning. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de gecumuleerde geluidsbelasting exclusief aftrek art. 110g Wgh. Cumulatieve geluidbelasting alle wegen De cumulatieve geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen gezamenlijk bedraagt op de oost- en zuidgevel meer dan 53 dB en ten hoogstens 65 dB, exclusief aftrek art. 110g Wgh.
Bij een krachtens de Wet geluidhinder of de Tracéwet vastgesteld hogere-waardenbesluit, is de bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied niet kleiner dan het verschil tussen de in dat besluit opgenomen hoogst toelaatbare geluidsbelasting voor industrie-, weg- of spoorweglawaai. Dit bedraagt 35 dB(A) bij industrielawaai en 33 dB bij weg- of spoorweglawaai. Ten aanzien van de verdieping aan de oostzijde moet een geluidwering worden behaald van minimaal 21 dB. Dit is in een nader onderzoek, separaat van het hiervoor toegelichtte akoestisch onderzoek, onderzocht. Akoestisch onderzoek geluidwering gevels Naar aanleiding van het voorgaande is nader akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit nader onderzoek is als Bijlage 2 bij deze toelichting te raadplegen. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten en conclusies uit het onderzoek. Om een goed woon- en leefklimaat te garanderen in de woning, moet ten aanzien van de slaapkamer op de tweede bouwlaag een geluidwering worden gerealiseerd die minimaal 21 dB bedraagt. Voor alle overige ruimten is de minimaal vereiste geluidwering van 20 dB uit het Bouwbesluit voldoende en daarom niet nader onderzocht. Uit de beoordeling van de rekenresultaten blijkt dat de karakteristieke geluidwering van de gevels van de woonfuncties voldoet met de in het onderzoek omschreven voorzieningen.
De in het onderzoek genoemde materialen zijn aannames van de meest courante materiaalsoorten. Alternatieven dienen ter goedkeuring te worden beoordeeld door de akoestisch adviseur. De materiaalkeuze krijgt in de nadere, technische uitwerking van het planvoornemen verder gestalte. Geacht wordt dat er met inachtneming van de in de onderzoeken aangereikte maatregelen, sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De hogere waarde procedure zal separaat maar parallel aan de bestemmingsplanprocedure worden doorlopen. Conclusie Het planvoornemen wordt niet belemmerd door het aspect geluid.
20
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp
4. 2
Bedrijfshinder en milieuzonering
Toetsingskader Om hinder tussen bedrijven en gevoelige functies zoals woningen te voorkomen, is het wenselijk dat tussen beide functies voldoende ruimte is. Om te bepalen welke afstand noodzakelijk is, kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden die zijn opgenomen in de publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Als aan de gestelde richtafstanden wordt voldaan, is er veelal geen sprake van bedrijfshinder. In de genoemde VNG-publicatie worden twee omgevingstypen onderscheiden. Bij het omgevingstype 'rustige woonwijk of rustig buitengebied' wordt functiescheiding nagestreefd. Hiertoe worden minimale richtafstanden gehanteerd, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functies inhoudt. Bij het omgevingstype 'gemengd gebied' is sprake van functiemenging. In tegenstelling tot rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk. Hiertoe mogen de aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.
1 wordt 2, et cetera). Toetsing Omgevingstype Het plangebied bevindt zich in een bebouwingslint binnen de bebouwde kom. In de direct nabije omgeving van het plangebied zijn overwegend woonfuncties aanwezig. Op enkele plekken is sprake van bedrijvigheid tussen deze woongebieden in. Het betreft hier in alle gevallen functies die binnen een woonmilieu aanvaardbaar zijn of bedrijfsactiviteiten die door beperkingen in het kader van vergunningen of algemene regelgeving passen binnen een woongebied. Gelet op het voorgaande kan het plangebied worden aangemerkt als 'rustig buitengebied'. Dit betekent dat het principe van functiescheiding wordt nagestreefd. Interne werking Bij interne werking gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich feitelijk een kinderdagverblijf. Voor een kinderdagverblijf kan aansluiting worden gezocht bij de functie 'Kinderopvang' uit de eerdergenoemde VNG-brochure (SBI-code 8891). Deze functie valt onder milieucategorie 2, met een bijbehorende richtafstand van 30 meter. Voor deze locatie is het op grond geldende bestemmingsplan ook mogelijk om detailhandel te vestigen. In het geldende bestemmingsplan is niet verder gedefinieerd wat voor type detailhandel er mag worden gevestigd.
Er is daarom gekeken naar wat er op grond van de VNG-brochure mogelijk zou kunnen zijn op het vlak van soorten detailhandel. Uit deze inventarisatie blijkt dat een postorderbedrijf in theorie de meeste hinder zou kunnen veroorzaken (SBI-code 4791). Hierbij hoort een milieucategorie van 3. 1 met een richtafstand van 50 meter. Aan deze richtafstand wordt ruim voldaan, aangezien de te realiseren woning op circa 70 meter afstand van de detailhandelbestemming wordt gesitueerd. Onevenredige hinder afkomstig van de detailfunctie wordt dan ook niet verwacht. Daarnaast bevindt zich ten noordoosten van het plangebied een bedrijfsbestemming. Op grond van het geldende bestemmingsplan is hier bedrijvigheid tot en met maximaal milieucategorie 2 toegestaan. Bij dergelijke bedrijvigheid hoort een richtafstand van 30 meter. De woning wordt op circa 150 meter afstand van de bedrijfsbestemming gesitueerd. Onevenredige hinder tussen de nieuwe woning en het bedrijf ligt niet in de lijn der verwachtingen.
21
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp Externe werking Bij externe werking gaat het voornamelijk om de vraag of het plan leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar gezien, in strijd kan worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Hiervan is sprake indien het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast of als de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor bedrijven uit de omgeving. Met dit plan worden milieubelastende activiteiten ondergeschikt aan de woonbestemming mogelijk gemaakt in de vorm van beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis. Dit zijn functies die vallen onder categorie 1 en 2 waarvoor een grootste richtafstand geldt van 30 meter. Deze mogelijkheid is standaard opgenomen bij alle woonbestemmingen in de gemeente. Deze activiteiten zijn echter dusdanig klein van omvang dat er geen sprake is van het afbreuk van het woon- en leefklimaat van omliggende woningen. Er worden eveneens geen bedrijven uit de omgeving in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Hierbij kan nog het volgende worden opgemerkt. Voor percelen in gemengd gebied geldt dat de richtafstand met één afstandsstap mag worden verkleind. Bij gemengd gebied gaat het om een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Dit betekent dat naast woningen ook andere functies voorkomen, zoals winkels, horeca en bedrijven.
Ook lintbebouwing in het buitengebied kan tot het gemengd gebied behoren. De locatie is gelegen in een lint met bebouwing waar afwisselend van elkaar woon- en agrarische functies maar ook bedrijvigheid is gesitueerd. Gelet hierop kan het plangebied worden gekwalificeerd als gemengd gebied. De minimale richtafstand mag met één afstandsstap worden verkleind zodat voor onderhavig planvoornemen rekening gehouden moet worden met een richtafstand van 10 meter. De afstand tussen de nieuwe woning en de bestaande woningen bedraagt minimaal 20 meter. Conclusie Het planvoornemen kan wat het aspect bedrijfshinder geacht.
4. 3
en
milieuzonering betreft uitvoerbaar worden
Bodem
Toetsingskader In het Bro is bepaald dat in de toelichting inzicht verkregen moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is dus feitelijk een onderdeel van de onderzoeksverplichting van het college en de gemeenteraad bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan. Hierbij moet worden opgemerkt dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel moet worden voorkomen. Onderzoek Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen aan te kunnen tonen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 3 bij deze toelichting te raadplegen. Het maaiveld en de opgeboorde grond van iedere boring is zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van bodemvreemde en/of asbestverdachte materialen. Hierbij zijn geen bijzonderheden waargenomen. Van de grond zijn twee mengmonsters samengesteld. Deze monsters zijn vervolgens geanalyseerd.
De analyseresultaten van het verkennend bodemonderzoek zijn als volgt: in beide mengmonsters van de grond zijn voor kwik en lood licht verhoogde gehalten gemeten; in het grondwater (peilbuis 1) zijn geen verhoogde concentraties gemeten. Conclusie Het aspect bodem staat uitvoering van het plan vooralsnog niet in de weg.
22
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp
4. 4
Erfgoed
In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het belangrijk om aandacht te besteden aan erfgoed. In welke mate er in een plangebied sprake is van erfgoed, dient aan de hand van onderzoek te worden bepaald. Vervolgens moet worden aangegeven op welke manier met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. In de toelichting van een bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. 4. 4. 1
Archeologie
In het geldende bestemmingsplan zijn geen archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Het plangebied heeft op grond daarvan dus geen archeologische waarde. Om de archeologische verwachtingswaarde van het plangebied duidelijk te kunnen maken, is daarom de Friese Archeologische MonumentenKaart Extra geraadpleegd (FAMKE). Volgens de FAMKE gelden voor het plangebied de volgende adviezen: Karterend onderzoek 2 (steentijd) In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologische resten bevinden, dan zijn deze 2 waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 2. 500 meen karterend (boor)onderzoek te laten uitvoeren. Karterend onderzoek 3 (middeleeuwen) In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. Het gaat hier dan met name om vroeg en vol-middeleeuwse veenontginningen. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5. 000 m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten. Relatie met het planvoornemen De bouw- en graafwerkzaamheden die met het planvoornemen gepaard gaan (en planologisch mogelijk worden gemaakt) zijn kleiner dan 2. 500 m 2 waardoor archeologisch onderzoek achterwege kan blijven.
De 2 te realiseren woning met bijgebouw hebben een maximale oppervlakte van 300 men de kavel met de woonbestemming heeft een oppervlakte van circa 1. 660 m.2 Dit blijft ruimschoots onder de grens van 2. 500 m.2
4. 4. 2
Cultuurhistorie
Voor het aspect cultuurhistorie is de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2) geraadpleegd om de aanwezigheid van belangwekkende cultuurhistorische elementen en objecten aan te kunnen tonen. Uit de CHK2 blijkt dat een deel van het plangebied is aangemerkt als boerderijplaats. Van de historische boerderijplaats is echter in de bestaande situatie niets meer terug te zien in het plangebied. Het plangebied bestaat uit een parkachtige omgeving die omringd is door watergangen/sloten. Gesteld kan dan ook worden dat de karakteristieke waarde van de boerderijplaats niet meer aanwezig is in het plangebied. De boerderijplaats zorgt dan ook niet voor beperkingen voor het planvoornemen. Uit de CHK2 blijkt eveneens dat de wegen door en langs het plangebied onderdeel uitmaken van een inventarisatie naar verharde wegen van de voormalige provinciale planologische dienst. Deze inventarisatie geeft deze paden echter geen specifieke karakteristieke of cultuurhistorische waarde. Bovendien heeft het planvoornemen geen invloed op de wegen en blijven deze ongewijzigd.
23
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp
4. 4. 3
Conclusie erfgoed
Het planvoornemen kan wat het aspect erfgoed betreft uitvoerbaar worden geacht.
4. 5
Ecologie
Toetingskader In het kader van de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming. Dit is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Naast de Wnb zijn ook de provinciale omgevingsvisie en verordening relevant voor de gebiedsbescherming. Hierin is onder meer het behoud en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) geregeld. Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden nodig. Beknopte natuurtoets Om het plan aan de natuurwet- en regelgeving te toetsen, is een beknopte natuurtoets uitgevoerd. Het doel van deze natuurtoets is om na te gaan of het plan vanuit ecologisch oogpunt uitvoerbaar is. Uit de natuurtoets kan ook blijken dat aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. De beknopte natuurtoets is als Bijlage 4 bijgevoegd. Voor dit plan is op 12 juni 2023 een veldbezoek uitgevoerd en daarnaast zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en om het plangebied uit de NDFF geraadpleegd.
Op basis van het veldbezoek en de verspreidingsgegevens kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden worden uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde soorten kunnen nog niet volledig worden uitgesloten. Soortenbescherming Uit de toetsing komt naar voren dat als gevolg van de plannen mogelijk een vliegroute van vleermuizen verloren gaat. Als de bomenrijen worden gekapt en/of verstoord, dan is nader onderzoek naar de aan- of afwezigheid van een vliegroute door het plangebied noodzakelijk. Blijven de bomenrijen behouden en kan verstoring in de aanleg- en gebruiksfase voorkomen worden, dan is nader onderzoek niet noodzakelijk. Lichtverstoring kan voorkomen worden door in de realisatie- en gebruiksfase gebruik te maken van naar beneden gerichte lichtarmaturen die geen lichtuitstraling veroorzaken op de omringende bomen. Voor het bouwen van de woning is het slechts noodzakelijk dat er één boom wordt gekapt. Dit is formeel niet nodig voor de bouw van de woning, maar gezien de slechte staat van de boom, is het te gevaarlijk en risicovol om de boom te behouden naast de woning. Een deskundige heeft deze boom ter plaatse gezien en beoordeeld en heeft een soortgelijk advies uitgebracht. Dit wordt in de toelichting nader gemotiveerd. Ook moet lichtverstoring op de holte in de esdoorn direct ten noordoosten van het plangebied voorkomen worden.
Als dit niet voorkomen kan worden, dan is nader onderzoek nodig naar de aanwezigheid van een vleermuisverblijfplaats in de boom. Lichtverstoring op deze holte in de esdoorn is niet aan de orde. Verder kunnen bij uitvoering van de plannen verblijfplaatsen en bijbehorend essentieel leefgebied van kleine marterachtigen verloren gaan. Kleine marterachtigen zijn ten tijde dit rapport nog vrijgesteld van de verbodsbepalingen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. De boomsingels aan de zijkanten van het weiland worden allemaal in stand gehouden. In dit kader wordt aanvullend opgemerkt dat recentelijk er nog een 30-tal bomen zijn geplant op het betreffende weiland. Gelet op deze handeling is op voorhand al ruimschoots gecompenseerd. Ook zijn initiatiefnemers voornemens meerdere bomen aan te planten rondom de woning.
24
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp
Zorgplichtmaatregelen Voor andere beschermde soorten is geen ontheffing van de Wnb nodig, mits bij uitvoering van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met het broedseizoen en de algemene zorgplicht van de Wnb in acht wordt genomen. Negatieve effecten op broedende vogels worden bij voorkeur voorkomen door bij de werkzaamheden rekening buiten het broedseizoen te werken, dus buiten de periode (half februari) half maart tot half juli (eind september). Het is ook mogelijk om voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het plangebied gaan broeden vanwege de continue verstoring. Is de wens om de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig om het plangebied voorafgaand aan de start te laten inventariseren op broedgevallen door een broedvogeldeskundige. Zijn er op dat moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen. Vanwege de algemene zorgplicht van de Wnb is het nodig om eventueel te kappen opgaande beplanting ten minste een week voorafgaand aan graafwerkzaamheden te kappen. Circa een week voorafgaand aan graafwerkzaamheden moet de te verwijderen vegetatie worden weggehaald.
Op die manier hebben algemene amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten, waarvoor de algemene zorgplicht geldt, voldoende tijd om zich te verplaatsen naar een locatie buiten de invloedsfeer van de aanlegwerkzaamheden. Gebiedsbescherming Negatieve effecten ten aanzien van in het kader van de Wnb beschermde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten (zie hierna). Als de bomenrijen langs de randen van het plangebied worden gekapt, dan leidt dit tot aantasting van beschermde houtopstanden. Het indienen van een kapmelding bij de provincie Fryslân vanwege in het kader van de Wnb beschermde houtopstanden is in dat geval nodig. Het plan is tot slot niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. Stikstofdepositie In het kader van het bestemmingsplan is de depositie van stikstof ten gevolge van de realisatie van een woning tussen De Wâl 44 en 46 in Hurdegaryp berekend. Dit is gedaan met behulp van de zogenaamde AERIUS-calculator. De berekening en de hierbij behorende rapportage zijn als Bijlage 5 bij deze plantoelichting gevoegd. De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat en een pdf-bestand (zie Bijlage 5) waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar.
Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof staat nadere besluitvorming niet in de weg. Natuurinclusief bouwen Initiatiefnemers zijn actief geïnformeerd over de mogelijkheid om natuurinclusief te bouwen. Daarnaast hebben initiatiefnemers op voorhand al te kennen gegeven veel aandacht te willen gaan besteden aan de flora rondom de woning. Dit zal veel plant- en zaadetende dieren aantrekken wat logischerwijs zal leiden tot toename in hoeveelheid en variatie van onder andere vogels en egels. Het perceel bestaat op dit moment uit arme grond waar slechts gras op kan groeien, aangezien de schapen de groei van andere flora
25
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp voorkomen en een bedreiging vormen voor andere fauna. In het plan wordt voldoende aandacht besteed aan natuurinclusief bouwen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat initiatiefnemers al hebben laten zien veel aandacht te willen besteden aan de flora en logischerwijs fauna, zie bijlage 2 van de inspraak- en overlegnota in Bijlage 8 voor extra informatie. Daarnaast zal er deels een sedumdak geplaats worden op de woning. Conclusie Ecologie staat het planvoornemen niet in de weg.
4. 6
Externe veiligheid
Toetsingskader De overheid heeft in voorgaande jaren veiligheidsnormen vastgesteld die moeten worden genomen en waarmee op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening rekening moet worden gehouden. Onderdeel van het veiligheidsbeleid is dat afwegingen ten aanzien van risico's op ongevallen die doden en gewonden tot gevolg kunnen hebben, duidelijk zichtbaar moet worden gemaakt en niet impliciet blijven plaatsvinden. In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogeheten risicokaart ontwikkeld. Daarop zijn alle objecten met een externveiligheidsrisico opgenomen, zoals gastransportleidingen en wegen waarover gevaarlijk stoffen worden getransporteerd, maar ook bedrijven en instellingen met productie of opslag van gevaarlijke stoffen. Het extern risco bestaat uit twee componenten: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans op een bepaalde plaats om te overlijden ten gevolge van een ongeval als gevolg van een 'risicovolle activiteit'. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met -6 zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-jaarcontour (die als harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen) gerealiseerd worden.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaarcontour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet ‘op de kaart’ worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve. Toetsing Ten aanzien van het aspect externe veiligheid is de signaleringskaart externe veiligheid geraadpleegd. Hierop is onder andere informatie over risico’s van ongevallen met gevaarlijke stoffen opgenomen. Om na te gaan of bij het planvoornemen aandachtspunten op het vlak van externe veiligheid aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat aan de noordzijde van het projectgebied, op ongeveer 370 meter afstand, zich een gasleiding bevindt. De gasleiding is in eigendom van de Gasunie en heeft het kenmerk N-5050-30-KR.
Deze gasleiding loopt parallel langs de spoorweg Groningen - Leeuwarden. Uit de Signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat de 100%-letaalzone van de gasleiding 50 meter bedraagt. 1%-letaliteit vindt plaats op 95 meter afstand. Het plangebied bevindt zich op circa 265 meter afstand van de 1%-letaliteitsgrens. Het plangebied bevindt zich dan ook niet binnen de invloedssfeer van de gasleiding. Een verhoging van het extern veiligheidsrisico als gevolg van het planvoornemen is niet aan de orde. Verder zijn er in de directe omgeving geen inrichtingen of andere buisleidingen aanwezig die van invloed zijn op het plangebied. Ook maakt het planvoornemen zelf geen nieuwe risicobron mogelijk.
26
bestemmingsplan De Wâl 44a (tussen nummer 44 en 46) te Hurdegaryp Conclusie De uitvoerbaarheid van het planvoornemen wordt niet belemmerd door externe veiligheid.
4. 7
Bluswatervoorziening
Het belang van brandweer Fryslân is om de fysieke veiligheid en de brandweerzorg in Fryslân goed geregeld te hebben. De doelen die brandweer Fryslân hiermee nastreven zijn het voorkomen en beperken van brand(gevaar) en slachtoffers en het borgen van een veilige en adequate incidentbestrijding. Daarom reageert brandweer Fryslân op het planvoornemen. Onderstaand is het advies (samenvattende conclusie) opgenomen. Het volledige advies is als Bijlage 6 bijgevoegd. Brandweer Fryslân voorziet in het plangebied een knel-/ aandachtspunt met betrekking tot de opkomsttijd en de bereikbaarheid. Brandweer Fryslân adviseert om: de initiatiefnemers te informeren over het overschrijden van de norm voor de opkomsttijd van het eerst aankomende blusvoertuig, zodat de verwachtingen van de brandweer bij brand realistisch zijn; te borgen dat de eigen weg voldoet aan bovengenoemde eisen; of: te borgen dat een brandweerauto (vanaf de openbare weg) tot op 40 meter van de voordeur kan opstellen i. v. m. de maximale inzetdiepte. De borging dat de eigen weg voldoet aan de daarvoor gestelde eisen of dat een brandweerauto (vanaf de openbare weg) tot op 40 meter van de voordeur kan opstellen i. v. m. de maximale inzetdiepte is in de regels als een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
4. 8
Verkeer en parkeren
In deze paragraaf wordt getoetst of er geen onevenredige belasting plaatsvindt op de omliggende infrastructuur van het plangebied. Daarnaast wordt getoetst of er voldoende parkeerruimte aanwezig is in verband met de nieuw te realiseren functies. Verkeer Wat betreft het aspect verkeer geldt dat het planvoornemen extra verkeersgeneratie veroorzaakt. Om een inschatting te doen van het exacte aantal exta verkeersbewegingen, zijn de kencijfers uit de CROW publicatie: 'parkeren en verkeesgeneratie' gebruikt. Hierbij wordt uitgegaan van de functie 'Koop, huis, vrijstaand' in het buitengebied. Daarnaast kent Hurdegaryp een weinig stedelijke stedelijkheidsgraad. Gelet op het voorgaande geldt een verkeersgenereatie van maximaal 8,6, afgerond 9 verkeersbewegingen per woning (motorvoertuigen per weekdaggemiddelde). Met het planvoornemen wordt 1 woning mogelijk gemaakt. Er is dus sprake van 9 verkeersbewegingen per weekdaggemiddelde. Het plangebied wordt onsloten vanaf De Wâl. Dit is een erftoegangsweg die goed in staat is om het geringe aantal verkeersbewegingen op te vangen. Het planvoornemen zorgt niet voor belemmeringen voor de verkeerssituatie. Parkeren Ten aanzien van het aspect parkeren geldt dat er op het eigen erf van de woning voorzien is in voldoende parkeerruimte. Zowel het eigen parkeren als eventueel bezoekersparkeren kan plaatsvinden op eigen terrein.