CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

07 - 1 - vastgesteld - Toelichting BP MFA Jistrum VG

RAADSVERGADERING 2018 t/m 2024 14 december 2023, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Jistrum, Fjildwei MFA (besluitvormend, hamerstuk)18.919 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

kolom 2 kolom 3 gevallen plannen In gevallen waarin de De structuurvisie, bedoeld activiteit betrekking heeft in de artikelen 2.1, 2.2 en op: 2.3 van de Wet ruimtelijke 1°. een oppervlakte van ordening, en het plan, 100 hectare of meer, bedoeld in artikel 3.1, 2°. een aaneengesloten eerste lid, van die wet. gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

kolom 4 projecten De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat “het antwoord op de vraag of sprake is van een [. . .] stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene [. . . aanleg, wijziging of uitbreiding] van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen” (zie onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 maart 2020 over het besluit van 20 december 2018 van de raad van de gemeente Montferland tot het vaststellen van het bestemmingsplan “Stokkum, Constantinusstraat 1a”, rechtsoverweging 6.1 (201901464/1/R1)). In hoofdstuk 3.1.2 is – weliswaar op grond van het Besluit ruimtelijke ordening – al overwogen dat er op grond van het voorliggende bestemmingsplan niet een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Hierbij is het voor wat betreft de beoordeling op grond van het Besluit m.e.r. belangrijk dat er in en in de omgeving van het bestemmingsplangebied sprake is van bestaand stedelijk gebied en dat het ruimtegebruik van het MFA zoals dat mogelijk wordt gemaakt op grond van het voorliggende bestemmingsplan beperkt is.

Nu op basis van deze overweging er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r, bijlage, onderdeel D, onder D 11.2 is het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r.(-beoordeling) niet nodig.

4.2 Verkeer en parkeren 4.2.1 Verkeer Om een inschatting te maken van de hoeveelheid verkeersbewegingen die wordt gegenereerd door de activiteiten in het MFA, is gebruik gemaakt van de kentallen die daarvoor beschikbaar zijn (CROW 317). De functie “dorpshuis” en “sportvelden” zijn hierin niet vermeld.

In dit kader is gerekend met de parkeernorm, de bruto vloeroppervlakte en het aantal keren dat eenzelfde parkeerplaats wordt gebruikt op een dag (turnover). Daarnaast is de werkelijke verkeersgeneratie van veel (onvoorspelbare) zaken afhankelijk, waaronder bijvoorbeeld weersomstandigheden. Op basis hiervan is de verkeersgeneratie (per auto) per functie op een gemiddeld werkdagetmaal globaal als volgt: kinderdagverblijf: 68 m² x 30 verplaatsingen / 100 m² = 20 verplaatsingen basisschool: mbv rekentool, o.b.v. 90 leerlingen = 60 verplaatsingen dorpshuis: o.b.v. 576 m² bvo, 4 p.p. / 100m² bvo, turnover 3 = 138 verplaatsingen sportvelden: 7000 m² * 20 p.p./ha., turnover 3 = 84 verplaatsingen Totaal = 302 verplaatsingen In de huidige situatie is ook sprake van een dorpshuis en beperkte horeca. De verkeersbewegingen die hiermee gemoeid zijn moeten nog op het bovengenoemde totaal in mindering worden gebracht. Daarom zal globaal sprake zijn van een toename van 100 mvt / etm. Opgemerkt dient te worden dat naar gelang de aanwezigheidspercentages per functie de verkeersgeneratie uiteraard varieert. Het verkeer ten aanzien van de ijsbaan is niet meegenomen in de berekening omdat deze functie in vergelijking tot de andere functies geen structurele verkeersaantrekkende werking heeft.

De ijsbaan wordt incidenteel gebruikt, zelfs in de (steeds zachter wordende) winterperiode is het gebruik minimaal. Geconcludeerd wordt dat de straten / wegen rondom het MFA de verkeersstroom naar het MFA prima aan kunnen.

4.2.2 Parkeren Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Hiermee is onder andere de Woningwet aangepast. Daarbij zijn onder andere de regels voor het opnemen van stedenbouwkundige regels, zoals over het parkeren, in een bouwverordening geschrapt. Dit betekent dat vanaf 1 juli 2018 in een bestemmingsplan, om een aanvaardbare woon- en leefomgeving als onderdeel van een goede ruimtelijke ordening te waarborgen, regels opgenomen moeten worden over het parkeren. Om voldoende parkeermogelijkheden te waarborgen is in de regels bepaald dat ‘op grond van het bepaalde in de regels de voor de verschillende bestemmingen aangewezen gronden daarvoor slecht mogen worden bebouwd onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid voor auto’s wordt gerealiseerd of in stand gehouden’. Daarbij is ook bepaald dat ‘er sprake is van voldoende parkeergelegenheid als wordt voldaan aan bijlage 2 van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoersplan (GVVP)’. Voornoemde bijlage is in de toelichting opgenomen als bijlage 13. In navolgende tabel is een overzicht opgenomen van de activiteiten die op grond van het voorliggende bestemmingsplan mogelijk zijn en de parkeervraag van die activiteiten op basis van bijlage 2 van het GVVP.

Overzicht van parkeervraag van de verschillende activiteiten activiteit (als omschreven in) bestemmingsplan sociaal-culturele voorzieningen

kinderopvang levensbeschouwelijke voorzieningen educatieve en informatieve voorzieningen

parkeervraag (in aantal parkeerplaatsen)

GVVP - museum, bibliotheek - wijkgebouw, cultureel centrum - crèche, peuteronderwijs, dagverblijf -religiegebouw

0,8 per 100 m² bvo 3,0 per 100 m² bvo 0,7 per arbeidsplaats1 0,2 per zitplaats 0,8 per leslokaal1 0,8 per leslokaal

- basisonderwijs - voorbereidend beroepsonderwijs horeca - café, bar e.d. - restaurant Sport - Gymzaal - Sportvelden 1 halen en brengen afzonderlijk bepalen

6,0 per 100 m² bvo 11,0 per 100 m² bvo 2,9 per 100 m² bvo 0,2 per 100 m² bvo

De navolgende tabellen zijn voorzien in de verdere uitwerking van de in het bouwplan opgenomen functies. Bij de berekening is het volgende aangehouden: Bernemienskip De Greide met 90 leerlingen (evenredig verdeeld over de groepen). Tút en d’r út bepaald aan de hand van rekenmethode. De functie dorpshuis is van toepassing op MFA (279 m2), Jeugdsoos (91 m2) en horeca (206 m2, op basis van para-commercieel). De sportvelden worden in CROW-normeringen opgenomen met een grote marge (13 tot 27 p.p. per hectare, waarbij kantine, kleedruimtes, oefenvelden, toiletten niet worden meegerekend). De toegepaste normeringen zijn in eerste instantie op basis van het daarover vastgelegde in het GVVP en in gevallen waarbij dat van toepassing is opgehoogd naar de actuele normeringen van CROW 381 “toekomstbestendig parkeren”. Overzicht van de maximale parkeerbehoeften per functie

Maximale parkeerbehoefte per functie MFA Jistrum Functie School De Greide Kinderwoud Dorpshuis Gymzaal Sportvelden Totaal

Bvo in m2 n.v.t. 68 576 442 7000

Norm (per 100 m2)

1,4 4,0 2,9 0,2

Tút & d’r út

Personeel

13 2

6 1

Aantal parkeerplaatsen 19 3 23 13 14 72

In vorenstaande tabel zijn de maximale parkeerbehoeften per functie weergegeven. Het is uiteraard niet zo dat de maximale parkeerbehoefte voor elk van de functies op ieder tijdstip geldt. Om van de feitelijke behoefte een beter beeld te krijgen is een parkeerbalans opgesteld.

Daarom wordt met aanwezigheidspercentages gewerkt. Die zijn als volgt:

Met de combinatie van beide voorgaande tabellen is de feitelijke parkeerbehoefte te bepalen voor de verschillende tijdstippen. Duidelijk wordt dat in dit geval het zwaartepunt naar de combinatie dorpshuis en sport overhelt. In de avonden en het weekend ligt de berekende behoefte dan op ruim 40 parkeerplaatsen, zoals in onderstaand overzicht staat weergegeven. Overzicht van de reële parkeerbehoeften per functie

Totale parkeerbalans MFA Jistrum Functie School De Greide Kinderwoud Dorpshuis Gymzaal Sportvelden Totaal

Werkdag Ochtend Middag 19 19

Avond 0

Zaterdag Koopavond middag avond 0 0 0

19

3 3 0 4 29

0 23 13 7 43

0 23 13 7 43

3 23 13 14 72

3 10 0 4 36

0 14 13 14 41

0 23 13 4 40

Conclusie Het bouwplan voorziet op het terrein van het MFA in 40 parkeerplaatsen, inclusief 2 mindervaliden en 3 laadpunten. Daarnaast is bij de ingang van het MFA voorzien in een Tût en Derût. Uitgaande van de reële parkeerbehoefte wordt grotendeels voldaan aan de minimaal gestelde eisen voor het parkeren. Reden waarom in het omliggende gebied in extra (openbare) parkeerplaatsen is voorzien. In onderstaande afbeelding is de parkeervoorziening weergegeven, waarbij nog 8 (openbare) parkeerplaatsen zijn voorzien ten oosten van de Buurtlaan (rechts bovenin). Optioneel kunnen daaraan nog worden toegevoegd: 3 parkeerplaatsen op de plek van de bestaande muziekkoepel en 4 stuks ten noorden van de Hessel Loonstrastrjite.

Inrichtingstekening verkeer en parkeren

4.3 Bedrijven en milieuzonering Een MFA (of andere milieubelastende activiteit) in de directe omgeving van woningen (of milieugevoelige gronden en (andere) gebouwen) kan ter plaatse van die woningen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Om een aanvaardbare woon- en leefomgeving als onderdeel van een goede ruimtelijke ordening te waarborgen is in beginsel voldoende afstand tussen een MFA en woningen nodig. Op basis van de uitgave Bedrijven en milieuzonering, versie 2009 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten moet een richtafstand van 30 meter tussen een MFA en een woning gewaarborgd worden. Deze richtafstand wordt bepaald door de mogelijke geluidhinder van de verschillende mogelijke activiteiten bij de MFA. In navolgende tabel is een overzicht opgenomen van de activiteiten en de richtafstanden hiervoor.

Overzicht richtafstanden van de verschillende activiteiten activiteit (als omschreven in) bestemmingsplan Bedrijven en milieuzonering sociaal-culturele voorzieningen “bibliotheken, musea, ateliers e.d.” “buurt- en clubhuizen” kinderopvang “kinderopvang” levensbeschouwelijke “kerkgebouwen e.d.” voorzieningen educatieve en informatieve “scholen voor basis- en voorzieningen algemeen voortgezet onderwijs” horeca “café, bars” “restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. “kinderopvang”

richtafstand (in m) geur stof geluid gevaar 0 0 10 0 0 0 0

0 0 0

30 30 30

0 0 0

0

0

30

0

0 10

0 0

10 10

10 10

0

0

30

0

De dichtstbijzijnde woningen in de omgeving van het bestemmingsplangebied zijn de woningen op de percelen aan: de Fjildwei 10 ten oosten van het plangebied en de Hessel Loonstrastastrjitte 4 en 15 ten oosten van het plangebied. De afstand tussen het plangebied en de woningen is achtereenvolgens ongeveer 12 m, 0 m en 21 m; de Buorrefinnewei 28 en 41 en Buurtlaan 5 ten noorden van het plangebied. De afstand tussen het plangebied en de woningen is achtereenvolgens ongeveer 20 m, 15 m en 18 m. Dit is allemaal minder dan de richtafstand (voor geluid) van 30 meter. Geluidsonderzoek wijst uit dat met de ontwikkeling van het MFA sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar navolgende paragraaf geluid. Daarbij mogen op grond van het voor de gronden bij de woningen geldende bestemmingsplan ook bouwwerken die horen bij de woning worden gebouwd op deze gronden. Ook ligt het achtererfgebied bij de woningen op de percelen aan de Hessel Loonstrastrjitte 4 en de Buorrefinnewei 28 op gronden tussen het bestemmingsplangebied en de woningen. Dit betekent dat op deze gronden ook het vergunningsvrij bouwen van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen bij deze woningen (zogenoemde bijbehorende bouwwerken) mogelijk is.

Op grond van het voor de gronden geldende bestemmingsplan mogen deze bijbehorende bouwwerken ook gebruikt worden voor milieugevoelige activiteiten (wonen en beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis). De afstand tussen het bestemmingsplangebied en de gronden waarop de bouw van deze bijbehorende bouwwerken mogelijk is, is ongeveer achtereenvolgens 0 m tot 18 meter. In het zuiden van het plangebied is nog een bijgebouw aanwezig. Deze is bedoeld voor opslag van materialen voor het schoolplein en de ijsbaan. Daarnaast is er nog een ruimte aanwezig die gebruikt kan worden als incidentele vergaderruimte ten behoeve van de Fûgelwacht en als uitgiftelocatie voor een drankje en hapje als op de ijsbaan geschaatst kan worden.

Ten zuiden van het plangebied is nog een melkrundveehouderijbedrijf aan Joost Wiersmaweg gesitueerd. Het gaat ter plaatse om een traditioneel melkrundveehouderijbedrijf. In het kader van het bestemmingsplan is ter plaatse een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Overeenkomstig de handreiking bedrijven en milieuzonering wordt een aan te houden richtafstand van 100 meter geadviseerd. De dichtstbijzijnde afstand tussen het agrarisch bouwvlak en de nieuw te bouwen MFA en de (uitgifte)voorziening van de ijsbaan bedragen meer dan 100 meter respectievelijk ongeveer 70 meter. Ten aanzien van het agrarisch perceel wordt voldaan aan de richtafstand van minimaal 100 meter. Voor de ijsbaanvoorziening geldt dat het gebruik als incidentele vergaderruimte en ten behoeve van de uitgifte per jaar zeer beperkt is omdat de ijsbaan alleen in de winterperiode wordt gebruikt en strenge winters minder frequent voorkomen dan wel zelfs uitblijven. Een aan te houden afstand van 70 meter is daarmee voldoende en gerechtvaardigd. Geur Zoals opgemerkt moet in beginsel een richtafstand van 10 meter gewaarborgd worden tussen de horeca-activiteiten die op grond van het voorliggende bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden en geurhindergevoelig gebouw of terrein.

Op grond van de regels van het voorliggende bestemmingsplan is horeca slechts toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven aanduiding “horeca van categorie 1 en/of 2” toegestaan. Voor het toestaan van horeca op het openbare terrein geldt de aanduiding “buitenterras toegestaan”. Ten aanzien van voornoemd agrarisch bedrijf, wordt het volgende opgemerkt. Voor geur gelden vaste afstanden. Gelet op de typering van het gebied maakt de nieuwe ontwikkeling onderdeel uit van de bebouwde kom. Overeenkomstig de Wet geurhinder en veehouderij is voor die situaties een afstand van 100 meter de wettelijke eis als het gaat om de afstand tussen het emissiepunt van de stal/mestsilo en het geurgevoelig object. Aan deze afstand wordt voldaan. De opslagruimte en de (uitgifte)voorziening ten behoeve van de ijsbaan is niet aangemerkt als zijnde een geurgevoelig object. De jurisprudentie noemt een geurgevoelig object: "Een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt". Nu slechts sprake is van een uitgiftelocatie en per jaar zeer beperkt gebruik wordt, is de afstand ruim voldoende.

Wel is in de regels opgenomen dat de voorziening alleen gebruikt mag worden ten behoeve van normaal onderhoud, ter voorbereiding op het winterseizoen en wanneer er daadwerkelijk geschaatst kan worden. Geluid Voor het MFC is een akoestisch onderzoek opgesteld, uitgevoerd door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. te Drachten. Het rapport is gedateerd op 21 april 2023 met als projectnummer M.2022.0277.00.R001. Het akoestisch onderzoek onderbouwd of de voorgenomen ontwikkeling en bijbehorende bestemmingsplanwijziging met betrekking tot het aspect geluid geen onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat bij de nabijgelegen woningen. Het onderzoeksrapport bestaat uit een situatiebeschrijving, een toetsingskader en een analyse van de geluidsbelasting, inclusief de daaruit voortvloeiende conclusies.

Uit het onderzoek volgt dat bij alle woningen in de omgeving wordt voldaan aan stap 3 uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven & Milieuzonering’. Op basis van de argumentatie die is opgenomen in paragraaf 5.5 volgt dat afwijking naar stap 3 in deze specifieke situatie aanvaardbaar is. Daarmee wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling van het MFC sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aanvullend wordt geadviseerd om met betrekking tot de technische installaties bij oplevering en/of plaatsing van de installaties controlemetingen uit te laten voeren door een erkend bedrijf. Hierdoor is gewaarborgd dat de installaties voldoen aan de in dit onderzoek gehanteerde bronvermogens en eventuele andere geprognosticeerde specificaties. Deze controle wordt ook geadviseerd met betrekking tot de isolerende gevel/dakdelen ter plaatse van de grote zaal en de jeugdsoos. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimtaat tijdens de incidentele feesten te waarborgen, is het noodzakelijk het incidentele karakter hiervan te borgen in de planregels. Dit kan door een regeling op te nemen die het aantal keren dat feesten plaatsvinden te beperken tot 12 keer per jaar, waarbij dit niet op aaneengesloten dagen mag plaatsvinden. De in het geluidsrapport aangehaalde adviezen zijn overgenomen en vertaald naar de regels. Het volledig akoestisch onderzoek is als bijlage 1 opgenomen.

Gevaar Voor de in beginsel te waarborgen richtafstand van 10 meter voor gevaar vanwege horecaactiviteiten zijn de hiervoor onder geur opgenomen overwegingen overeenkomstig van toepassing. Hier wordt dan ook verwezen naar deze overwegingen.

4.4 Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat bij elke weg in beginsel een (geluid)zone aanwezig is. Dit met uitzondering van: wegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; wegen waarop een snelheid van ten hoogste 30 km per uur is toegestaan. Voor wegen met ten hoogste twee rijstroken binnen het stedelijk gebied is de grootte van de geluidzone 200 m. De ten hoogste toegestane geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai op een woning (of andere geluidgevoelige activiteit) binnen een geluidzone is 48 dB. Een MFA is in beginsel niet een geluidsgevoelig gebouw, tenminste in de Wgh in samenhang met het Besluit geluidhinder (Bgh) is niet bepaald dat een MFA dat is. Maar op grond van de Wgh in samenhang met het Bgh zijn “onderwijsgebouwen” en “kinderdagverblijven” wel geluidgevoelige gebouwen. Omdat op grond van het voorliggende bestemmingsplan onderwijs- en kinderopvangactiviteiten mogelijk worden gemaakt is het MFA dat voorliggend bestemmingsplan mogelijk gemaakt, aan te merken als een geluidsgevoelig gebouw. Op de wegen binnen het stedelijk gebied (de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet) van Jistrum is een snelheid van ten hoogste 30 km per uur toegestaan. Dit betekent dat er bij deze wegen geen geluidszone aanwezig is. Een geluidsonderzoek naar wegverkeerslawaai vanwege deze wegen is dan ook niet nodig.

Op de wegen buiten het stedelijk gebied van Jistrum is een snelheid van ten hoogste 60 km per uur toegestaan. Bij deze wegen is dan ook geluidzone van 250 m aanwezig. Het bestemmingsplangebied ligt binnen de geluidzone van de Joost Wiersmaweg, gelegen ten oosten van het plangebied. In het gebied tussen het plangebied en de Joost Wiersmaweg staan verschillende woningen. Ten behoeve van de actualisatie van het bestemmingsplan “Jistrum 2017” is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, kenmerk: JD/2016-FUMO0018823/1729. Uit dit onderzoek kan de volgende conclusie worden getrokken. Voor wat betreft het MFA en de daarin opgenomen geluidgevoelige functies valt het gehele plangebied niet binnen de voorkeursgrenswaarde van de 48 dB-contour. In dit gebied is het bouwvlak zodanig op de bestaande locatie vastgelegd, dat zich geen nieuwe situaties in de zin van de Wet geluidhinder voordoet. Daarnaast is sprake van een verschuiving van bestaande functies zodat er geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt binnen de contouren van de voorkeursgrenswaarden. In dit kader wordt verwezen naar het bestemmingsplan “Jistrum”, identificatie: NL.IMRO.0737.15BPIII-vg01.

Daarbij wordt zoals hiervoor in hoofdstuk 4.2.1 Verkeer al geconcludeerd dat de straten / wegen rondom het MFA de verkeersstroom naar het MFA prima aan kunnen Daarnaast wordt er niet een belangrijke toename van het verkeer verwacht. De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten vanwege wegverkeerslawaai belemmerd.

4.5 Water In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de toelichting bij een bestemmingsplan inzicht moet geven in de manier waarop in het plan de effecten van het plan op het water zijn overwogen. Uitkomsten watertoets Voor het voorliggende bestemmingsplan is op 16 november 2022 de zogenoemde watertoets uitgevoerd. Een watertoets is een instrument om in de voorbereiding van een bestemmingsplan in overleg met Wetterskip Fryslân makkelijk inzicht te krijgen in de mogelijke effecten van het plan op het water. De resultaten van de watertoets zijn opgenomen in bijlage 2. Uit de resultaten van de watertoets blijkt het volgende. “Door de ruimtelijke ontwikkeling neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in het gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor het toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen als daarbij meer dan 200 m² onverharde grond in stedelijk gebied [. . .] wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in het wateradvies.

De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteert Wetterskip Fryslân onder andere de volgende compensatienorm: polder 10%. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan hier vermeld. Als er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij bovenstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd.

Bekijk ook de ‘Leidraad Watertoets’ voor meer informatie over maatregelen die je kunt treffen om te compenseren. Als je niet compenseert moet je een watervergunning aanvragen voor het snel afvoeren van regenwater.” In het voorliggende bestemmingplan wordt voorzien in een toename van bebouwing en verharding van ongeveer 2.990 m². Een deel van een bestaande sloot wordt gedempt, circa 140 m². Dit betekent dat op grond van het wateradvies (10% x 2.990 + 140 m² =) 439 m² vervangende waterberging nodig is. In het plan voor de bouw van het MFA is de aanleg van ruim 440 m² oppervlaktewater opgenomen door middel van het verbreden van de bestaande sloot over een lengte van 187 meter ten zuidwesten van het MFA en ten noorden van de ijsbaan.

Compensatievoorstel door het verbreden van de bestaande sloot tot de rode lijn

Aanvullend wateradvies Bij mail van 7 december 2022 heeft Wetterskip nog een aanvullend advies uitgebracht. In deze mail wordt aandacht gevraagd voor de volgende punten: Toename verharding moet worden gecompenseerd. Demping van de watergangen in het plangebied volledig compenseren en zo dicht mogelijk bij het plangebied. Wensen m.b.t. compensatie op tekening hieronder: 1. Mogelijk een nieuwe watergang (blauwe lijn) om de schouwwatergang en de watergang (groene lijn) langs de ijsbaan te verbinden. Eventueel met dam met duiker voor toegang tot de ijsbaan. 2. De watergang met groene lijn verbreden en een schouwwatergang van maken.

In overleg met Wetterskip is het volgende afgesproken. De compensatie voor de toename verharding en de demping van de watergangen in het gebied zijn verwerkt in het plan door het verbreden van de sloot tussen de ijsbaan en het voetbalveld (groene lijn). Het verbreden van de watergang westelijk van het voetvalveld is niet mogelijk aangezien op het eigendom van de gemeente veel bomen en bosschages staan en de andere oever geen eigendom is van de gemeente Tytsjerksteradiel. Aan het aanleggen van een nieuwe watergang (blauwe lijn) wordt gezien de toegankelijkheid en bruikbaarheid van het ijsbaanterrein niet als een gewenste oplossing gezien. Beide watergangen zijn al direct met elkaar verbonden via bestaande schouwwatergangen. Het onderliggende probleem, niet genoeg wateraanvoer door de schouwsloten om water op de ijsbaan te pompen, is in overleg met het Wetterskip opgelost door onderhoud aan de schouwwatergangen uit te voeren. Hierdoor is toevoer van water uit de hoofdwatergang geborgd. Mogelijkheden geldende bestemmingsplan De aanleg van het oppervlaktewater voor de vervangende waterberging is ook mogelijk op grond van (de regels van) het geldende bestemmingsplan “Jistrum 2017”. In de bestemming ‘Sport’ voor de gronden in het plangebied is namelijk bepaald dat deze ook zijn bestemd voor ondergeschikt water.

De gronden in dit bestemmingsplangebied zijn en blijven in eigendom van de gemeente. Op basis hiervan mag – van de gemeente als eigenaar van de gronden en als behoorlijk handelende overheid – verwacht worden dat de aanleg van de vervangende waterberging ook zal plaatsvinden. Daarbij is – zo blijkt ook uit het wateradvies – wanneer de vervangende waterberging niet in overeenstemming met het wateradvies wordt aangelegd op grond van de Keur Wetterskip Fryslân 2013 een watervergunning nodig. In die vergunning kunnen regels opgenomen worden om de aanleg van voldoende waterberging te waarborgen. Ook hier mag – van de gemeente als eigenaar van de gronden en als behoorlijk handelende overheid – verwacht worden dat de aanvraag om deze watervergunning ook zal plaatsvinden. Daarbij is er (vooraf) geen aanleiding om te verwachten dat Wetterskip Fryslân deze watervergunning niet kan verlenen. Binnen het plangebied is op zichzelf voldoende ruimte om vervangende waterberging aan te leggen of om andere maatregelen uit te voeren om een negatief effect op de waterhuishouding te voorkomen.

Alles in overweging nemende is het niet nodig om het voorliggende bestemmingsplangebied te vergroten om zo regels op te kunnen nemen om de aanleg van vervangende waterberging (of het uitvoeren van andere maatregelen om een negatief effect op de waterhuishouding te voorkomen) te waarborgen. De conclusie is dat er in en rondom het plangebied er maar 1 mogelijkheid is om de watercompensatie te realiseren. Namelijk het verbreden van de sloot tussen het voetbalveld en de ijsbaan. Dit biedt in de toekomst ook voordelen voor de afwatering uit het dorp omdat er een gescheiden stelsel ligt. De hoek waar gebouwd gaat worden ligt op het laagste punt van Jistrum. De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten op het water belemmerd.

4.6 Ecologie In de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn regels opgenomen om de natuur te beschermen. Op grond hiervan moet er bij het vaststellen van een bestemmingsplan inzicht zijn in het effect van het plan op: − beschermde (natuur)gebieden; − beschermde soorten; − beschermde groepen bomen, struiken e.d. Ook zijn, zoals hoofdstuk 3.2.2 is een omschreven, in de Verordening Romte Fryslân 2014 regels opgenomen om de natuur te beschermen. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 3.2.2 en de verordening. Om inzicht te krijgen in de binnen en in de omgeving van het plangebied aanwezige beschermde natuur is in april 2022 door BügelHajema Adviseurs een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport Beknopte natuurtoets MFA Jistrum van 21 april 2022 met als kenmerk P001099. Het rapport is in bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. Uit de resultaten van het verkennende onderzoek blijkt samengevat het volgende. Uit de toetsing komt naar voren dat als gevolg van de plannen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen en een vliegroute van vleermuizen verloren gaan. Nader onderzoek is nodig om de aan- of afwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen van laatvlieger, gewone dwergvleermuis en/of ruige dwergvleermuis in het complex en een vliegroute langs de zuidelijke bomenrij vast te stellen.

Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt bepaald of een ontheffing voor de Wnb nodig is. Verder moet bij de werkzaamheden rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Dit betekent dat er bij voorkeur buiten het broedseizoen wordt gewerkt, dus buiten de periode half maart tot half juli. Een nadere analyse in het kader van de gebiedsbescherming van de Wnb of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig. Het plan is op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met het provinciaal natuurbeleid van de Provinciale Omgevingsverordening. Het plan leidt niet tot negatieve effecten op in het kader van de Wnb beschermde houtopstanden.

4.6.1 Nader onderzoek vleermuizen Uit voornoemde natuurtoets komt naar voren dat in de te slopen bebouwing binnen het plangebied mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Ook kan de bomenrij in het zuiden van het plangebied onderdeel vormen van een essentiële vliegroute van vleermuizen. In dit kader is door BugelHajema een nader onderzoek uitgevoerd opgenomen als bijlage 4. Om te bepalen of verblijfplaatsen en/of een vliegroute van vleermuizen aanwezig zijn, zijn in de periode tussen half mei en half juli 2022 drie inventarisaties uitgevoerd (twee avondbezoeken en één ochtendbezoek) specifiek gericht op de aanwezigheid van kraam- en zomerverblijven. In de periode half augustus - begin oktober 2022 zijn twee inventarisaties (avondbezoeken) uitgevoerd, gericht op de aanwezigheid van paar- en zomerverblijven. Voor het onderzoek naar de vliegroute is één bezoek uitgevoerd in de kraamperiode en één bezoek in de paarperiode. Tijdens de drie inventarisatierondes in de kraamperiode zijn geen uit- of invliegende vleermuizen waargenomen. Op basis van de hierboven beschreven inventarisaties is geconcludeerd dat in de te slopen bebouwing geen verblijfplaatsen (zomer-, winter- of paarverblijfplaatsen) van vleermuizen aanwezig zijn. Het plangebied vormt maar een klein onderdeel van het foerageergebied van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis.

Het plangebied wordt verder niet geheel ongeschikt als foerageergebied voor vleermuizen en bovendien is in de directe omgeving voldoende en mogelijk hoogwaardiger foerageergebied voorhanden. De bomenrij in het zuiden van het plangebied heeft wel een belangrijke functie als vliegroute voor de soorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en watervleermuis. Gedurende beide veldbezoeken werd de bomenrij door relatief grote aantallen van de bovengenoemde soorten als vliegroute gebruikt. Conclusie Bij de sloop van de bebouwing gaan geen beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. Wel gaat bij de kap van de bomenrij in het zuiden van het plangebied een essentiële vliegroute van de soorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en watervleermuis verloren. In verband met de aanwezigheid van een vliegroute van vleermuizen langs de zuidzijde van het plangebied, wordt voor dit plan een ontheffing voor de Wnb aangevraagd.

Gezien de mogelijkheid om tijdig een tijdelijk vervangende vliegroute op het terrein te realiseren, door in de nieuwe situatie een vervangende en permanente vliegroute voor vleermuizen te realiseren én de mogelijkheid om de kap van de huidige bomenrij buiten de kwetsbare periode van vleermuizen uit te voeren, is aan te nemen dat een ontheffing voor het vernietigen van een deel van de vliegroute van vleermuizen verkregen wordt. In dit kader is een activiteitenplan opgesteld, opgenomen als bijlage 5. Het bestemmingsplan is aldus in redelijkheid uitvoerbaar te achten.

4.7 Luchtkwaliteit Om een aanvaardbare woon- en leefomgeving als onderdeel van een goede ruimtelijke ordening te waarborgen is een voldoende schone lucht nodig. Hiervoor zijn de Wet milieubeheer regels opgenomen met grenswaarden voor verschillende stoffen zoals stikstofoxiden en -dioxiden, fijn stof. In navolgende tabel is een overzicht van de belangrijkste grenswaarden opgenomen.

Overzicht van de belangrijkste grenswaarden voor stoffen in de lucht stof grenswaarde 40 µg/m³ jaargemiddelde stikstofdioxide (NO2) 200 µg/m³ uurgemiddelde1 40 µg/m³ jaargemiddelde fijnstof (PM10) 50 µg/m³ daggemiddelde2 fijnstof (PM2,5) 25 µg/m³ jaargemiddelde 1 mag ten hoogste 18 keer per jaar overschreden worden 2 mag ten hoogste 35 keer per jaar overschreden worden Uit de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland van het RIVM kan worden opgehaald dat in 2030 de volgende opgenomen concentratie van NO2, PM10 en PM2,5 in de lucht worden verwacht. Verwachte concentratie NO2, PM10 en PM2,5 in de lucht op basis van de GCN van het RIVM stof grenswaarde verwachte concentratie 40 µg/m³ jaargemiddelde 6 µg/m³ stikstofdioxide (NO2) 200 µg/m³ uurgemiddelde 40 µg/m³ jaargemiddelde 12 µg/m³ fijnstof (PM10) 50 µg/m³ daggemiddelde fijnstof (PM2,5) 25 µg/m³ jaargemiddelde 5 µg/m³ Hieruit mag blijken dat een overschrijding van de grenswaarden niet waarschijnlijk is. Daarbij blijkt uit de zogenoemde NIBM-tool, versie 2021, dat er bij een toename van tenminste 937 voertuigbewegingen – waarvan 10% vrachtverkeer – op een gemiddelde weekdag, sprake is van een ‘in betekende mate’-toename van de concentratie NO2 en PM10 in de lucht. Zoals omschreven in hoofdstuk 4.2.1 Verkeer, wordt een dergelijke toename van het verkeer vanwege het plan niet verwacht.

Dit betekent dat het voorliggende plan “niet in betekenende mate” bijdraagt aan de concentratie NO2 en PM10 in de lucht.

4.7.1 Stikstofonderzoek Om inzicht te krijgen of de stikstofemissie in zowel de realisatie- als de gebruiksfase een negatief effect zal hebben op omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek komt naar voren dat er gesteld kan worden dat er – op basis van de gehanteerde uitgangspunten van de berekening – de totale stikstofemissie tijdens zowel de realisatie- als de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden (geen depositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar). De gehanteerde uitgangspunten in het stikstofonderzoek vormen hierbij de voorwaarden voor het gebruik van de gronden en bouwwerken en het bouwen van de bouwwerken. Wanneer het gebruik van gronden en bouwwerken en het bouwen van bouwwerken leidt tot een stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig Natura 2000-gebied hoger dan 0,00 mol/ha/jaar valt dit onder strijdig gebruik. Het stikstofonderzoek is onder bijlage 6 opgenomen, de rekenresultaten met betrekking tot de gebruiksfase als bijlage 7 en de realisatiefase als bijlage 8.

NIBM-tool 2021

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2022

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

10,0%

NO2

in μg/m3

1,20

PM10

in μg/m3

0,21

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

937

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten op luchtkwaliteit belemmerd.

4.8 Externe veiligheid Om een aanvaardbare woon- en leefomgeving als onderdeel van een goede ruimtelijke ordening te waarborgen is het beperken van de risico’s bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen nodig. Hiervoor zijn in onder andere het Besluit externe veiligheid buisleidingen, het Besluit externe veiligheid inrichtingen en het Besluit externe veiligheid transportroutes grenswaarden opgenomen. Dit zijn grenswaarden voor het zogenoemde plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het PR is de grenswaarde 10-6 per jaar. Voor het GR zijn de grenswaarden: − 10-5 per jaar op een ongeluk met tenminste 10 dodelijke slachtoffers; − 107 per jaar op een ongeluk met tenminste 100 dodelijke slachtoffers; − 10-9 per jaar op een ongeluk met tenminste 1.000 dodelijke slachtoffers. Ook in het Activiteitenbesluit zijn grenswaarden voor risico’s met gevaarlijke stoffen opgenomen. Deze grenswaarden zijn in het Activiteitenbesluit omschreven als veiligheidsafstanden. Uit de Risicokaart van de Gedeputeerde Staten op grond van de Wet veiligheidsregio’s blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle activiteiten plaatsvinden. De dichtstbijzijnde risicovolle activiteit zijn de volgende aardgasleidingen ten zuidwesten van het plangebied: N-505-21; A-596; A-604.

De leiding (blauwe lijn) ten zuiden van het plangebied (rood omkaderd) ligt op een afstand van ten minste 400 m. De afstand tot de leidingen (blauwe en rode lijn) in het zuidwesten bedraagt ten minste 580 m.

Uit de Risicokaart blijkt dat de planontwikkeling geheel is gelegen buiten het invloedsgebied van de buisleidingen. Voor het onderdeel externe veiligheid is het plan ten aanzien van deze buisleidingen dan ook passend. Ook is uit de risicokaart gebleken dat er in de nabijheid geen andere risicobronnen aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planontwikkeling. Op basis hiervan worden onaanvaardbare risico’s vanwege het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen in het plangebied niet verwacht. De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten op de externe veiligheid belemmerd. Volledigheidshalve heeft op 16 en 17 maart 2022 ook overleg plaatsgevonden met de eigenaar / beheerder van de leidingen, N.V. Nederlandse Gasunie. Uit dit overleg blijkt dat ‘op grond van de toetsing op basis van de ligging van het plangebied de Gasunie tot de conclusie komt dat het plangebied buiten de 1% letaliteitsgrens van de dichtstbijzijnde leiding ligt waarmee vaststaat dat deze leiding geen invloed heeft op de planontwikkeling’.

4.9 Bodemkwaliteit Om een aanvaardbare woon- en leefomgeving als onderdeel van een goede ruimtelijke ordening te waarborgen is het voorkomen of beperken van risico’s op het gebruik van de bodem nodig. Hiervoor is inzicht nodig in de bodemkwaliteit om te bepalen of deze voldoende is voor het gebruik dat mogelijk wordt gemaakt op grond van het voorliggende bestemmingsplan. Om inzicht te krijgen in de kwaliteit van de bodem in het plangebied is in november-december 2021 door Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV een verkennend bodemonderzoek in het plangebied uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport Verkennend bodemonderzoek Fjildwei 8a, Jistrum van 3 mei 2022 en met als kenmerk 220102. Het rapport is in bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen.

Op basis van de resultaten van het verkennend (water)bodemonderzoek worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de geplande werkzaamheden. Hierbij is nog opgemerkt dat hoewel bij voorkeur hergebruik van vrijkomende grond op basis van de gemeentelijke bodemkwaliteitskaarten kan plaatsvinden, kan, afhankelijk van de hergebruikslocatie, de uitvoering van partijkeuring(en) noodzakelijk zijn om de hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond als bodem te kunnen bepalen. Ter voorkoming van een overtreding van het Besluit Bodemkwaliteit (illegaal samenvoegen partijen), wordt geadviseerd om grond van verschillende milieuhygiënische kwaliteit en textuur separaat te ontgraven en in depot te plaatsen. Bij eventuele afvoer kan hiermee rekening worden gehouden met de bestemming en toepassing. De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten van de bodemkwaliteit belemmerd.

4.10 Cultuurhistorie (met inbegrip van archeologie) In de Wet op de archeologische monumentenzorg (in samenhang met de Monumentenwet 1998) is bepaald dat ‘de gemeente bij het vaststellen van een bestemmingsplan en bij het aanwijzen van een bestemming van de gronden waarvoor het plan wordt vastgesteld, de in de gronden aanwezige en te verwachten archeologische waarden moet overwegen’. Daarbij is in het Besluit ruimtelijke ordening bepaald dat ‘in de toelichting bij een bestemmingsplan een omschrijving moet worden opgenomen over de manier waarop in het plan de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten overwogen is’.

4.10.1 Archeologie Uit de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) van de provinsje Fryslân blijkt dat er binnen en in de omgeving van het plangebied mogelijk archeologische waarden zijn. Om het behoud van archeologische waarden te waarborgen geeft de provincie ook advies over wanneer en wat voor archeologisch onderzoek nodig is bij het voorbereiden van een bestemmingsplan. Hiervoor onderscheidt de provincie op de FAMKE de periode steentijd-bronstijd en de periode ijzertijd-middeleeuwen. Voor wat betreft de periode steentijd-bronstijd ligt het grootste deel van het plangebied in een gebied waarvoor de provincie het advies “karterend onderzoek 3 (steentijd)” geeft. Dit betekent dat de provincie het advies geeft ‘om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² hectare een karterend (boor)onderzoek in’ uit te voeren. Een klein zuidelijk deel van het plangebied ligt in een gebied waarvoor de provincie het advies “onderzoek bij grote ingrepen”. Hier geeft de provincie het advies ‘om bij ingrepen van meer dan 2,5 ha een karterend proefsleuvenonderzoek in overleg met de archeoloog van de provincie’ uit de voeren. Het advies voor de periode ijzertijd-middeleeuwen is “karterend onderzoek 3 (middeleeuwen)”. Hier geeft de provincie het advies ‘om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een historisch en karterend onderzoek’ uit te voeren.

Daarbij ‘moet speciale aandacht zijn voor eventuele Romeinse sporen en/of vroeg-middeleeuwse ontginningen’.

Onderzoek RAAP Voor het plangebied is door RAAP een archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd. Het rapport dateert 22 november 2022 en voorziet in projectnummer 6158, bijlage 10. Het inventariserend veldonderzoek (IVO) bestond uit een verkennend booronderzoek. De gevolgde onderzoeksmethode voor het veldwerk is bepaald op basis van het door de bevoegde overheid goedgekeurde PvA (Perger 2022). Het veldonderzoek is uitgevoerd op 31 oktober 2022. Het verkennend veldonderzoek had tot doel het verkrijgen van inzicht in de bodemgesteldheid, de mate van bodemverstoring en de diepteligging van het verwachte archeologische niveau in het plangebied. Daarmee wordt de gespecificeerde archeologische verwachting getoetst en waar nodig aangepast en kunnen uitspraken worden gedaan over de gaafheid van archeologisch relevante niveaus. Daartoe zijn 6 boringen in het plangebied gezet. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van verbrokkeling en versnijding gecontroleerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren (zoals houtskool, vuursteen, aardewerk, metaal, bot, verbrande leem en fosfaatvlekken). Aan het maaiveld zijn geen relevante waarnemingen gedaan. Tijdens het veldonderzoek zijn ook geen archeologische indicatoren aangetroffen.

Conclusie Op grond van de onderzoeksresultaten kunnen de volgende uitspraken worden gedaan: • Zijn de archeologische relevante niveaus intact? De toplaag van de boringen doet vermoeden dat het terrein bij de bouw van de (nog) bestaande voetbalvereniging bouwrijp is gemaakt. Hierdoor ligt een zandige ophoging / verstoring op de oude bouwvoor. Onder de bouwvoor is geen veen aangetroffen, dit wijst op oxidatie en/of ontginning van het veen in het verleden. In de boringen is evenmin dekzand herkend. Vermoedelijk is de top van de pleistocene afzettingen opgenomen in de oude bouwvoor. Op grond van de boringen kan worden geconcludeerd dat de archeologische relevante niveaus (top dekzand en veen) hoogstwaarschijnlijk verstoord zijn. • Heeft het resultaat van het onderzoek gevolgen voor de archeologische verwachting? Binnen het plangebied worden geen intacte archeologische resten meer verwacht. • Zijn er aanwijzingen voor (grotere) archeologische nederzettingen? Vanwege het ontbreken van archeologische indicatoren / niveaus wordt de kans op de aanwezigheid van een intacte archeologische vindplaats binnen het plangebied zeer klein geacht. Advies Het onderzoek heeft aannemelijk gemaakt dat binnen het plangebied geen intacte relevante archeologische niveaus aanwezig zijn en dus geen archeologische resten worden bedreigd.

Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Als bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Ten aanzien van dit punt is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.

De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten op de archeologie belemmerd.

4.10.2 Cultuurhistorie, anders dan archeologie Uit de Cultuurhistorische kaart (CHK2) van de provinsje Fryslân blijkt dat er binnen en in de omgeving van het bestemmingsplangebied verschillende cultuurhistorische waarden zijn. In de omgeving zijn dit: − de “nederzettingsvorm” van Jistrum als “esdorp”; − de Joost Wiersmaweg en Buurtlaan als “Oude Paden en Nieuwe Wegen”; − de Doarpstsjerke op het perceel aan de Schoolstraat 2 en de voormalige Gereformeerde Kerk op het perceel aan de Marwei 2 als “kerken”; − de verschillende “boerderijplaatsen” langs vooral de Joost Wiersmaweg, Buurtlaan, Schoolstraat en Marwei; − de hiervoor bedoelde Doarpstsjerke en Gereformeerde Kerk en het gebouw aan de Schoolstraat 31 als “Rijksmonument”; − de wederopbouwwijk langs de Buurtlaan. Behalve mogelijk op de ‘nederzettingsvorm als esdorp’ wordt verstoring van deze cultuurhistorische waarden op grond van het voorliggende bestemmingsplan niet verwacht. Daarvoor is het effect van het plan te klein en/of liggen deze waarden op een te grote afstand van het plangebied. De waarde van de ‘nederzettingsvorm als esdorp’ is ‘het bescheiden reliëf’ van het gebied. Daarbij heeft de es vanaf het ontstaan ‘een open, agrarisch karakter’. Hierbij waren de gebouwen en andere bouwwerken om de es gebouwd en langs slingerende wegen met groene weides en/of groene pleinen hiertussen.

Uitbreidingen van het dorp liggen aan de es. ‘Afwisselende kleine bouwvormen met verspringende rooilijnen zijn een belangrijk kenmerk’. Het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 80 m tot 100 m van de oude es en/of de ‘slingerende wegen’. Daarbij is er sprake van een sterke verdichting van gebouwen en andere bouwwerken op de oude es en de wegen waardoor in de bestaande situatie eigenlijk vooral sprake is van een ‘wegdorp’. Daarbij in overweging nemende dat in het plangebied in de bestaande situatie ook al sprake is van een inrichting die niet of nauwelijks samenhang heeft met de es en de slingerende wegen wordt verstoring van de waarde van de ‘nederzettingsvorm als esdorp’ niet verwacht. De cultuurhistorische waarden binnen het plangebied zijn: − aardkundig waardevol gebied; − verkaveling (opstrekkende verklaring); − geomorfologie. Behalve mogelijk op het ‘karakteristiek bouwwerk (niet-woning)’, “jongere bouwkunst” en “boerderijplaats” wordt verstoring van deze cultuurhistorische waarden op grond van het voorliggende bestemmingsplan niet verwacht. Op grond van het voorliggende bestemmingsplan wordt een andere verkaveling of geomorfologie – anders dan op grond van het geldende bestemmingsplan – niet mogelijk gemaakt.

4.11 Kabels en leidingen In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is bepaald dat op grond van een bestemmingsplan voor gronden binnen een voorkeurstracé ‘geen nieuwe activiteiten mogelijk gemaakt mogen worden die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang’. De voorkeurstracés zijn omschreven in de Structuurvisie buisleidingen 2012-2035. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen is bepaald dat bij het vaststellen van een bestemmingsplan op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg of bouw van een voor het risico vanwege de buisleiding gevoelig gebouw of terrein mogelijk wordt gemaakt (de grenswaarden voor) het risico in overweging genomen moet worden. Daarbij is ook bepaald dat een dergelijk bestemmingsplan de ligging van de buisleidingen en de daarbij horende belemmeringenstrook in het bestemmingsplangebied moet weergeven.

In zijn brief van 3 oktober 2005 geeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan onder andere de colleges van burgemeester en wethouders het advies ‘om bij het bestemmingsplannen en van de tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen, dan wel bij wijzigingen in bestaande plannen of van bestaande hoogspanningslijnen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone)’. Deze grenswaarde van 0,4 microtesla is een bijzondere grenswaarde voor op bovengrondse hoogspanningsleidingen in die zin dat de algemene grenswaarde – op advies van de Europese Unie – voor hoogspanningslijnen, ondergrondse kabels en transformatorstations 100 microtesla is. Van overschrijdingen van deze grenswaarde is in Nederland op maaiveldhoogte geen sprake. Uit de Structuurvisie buisleidingen 2012-2035 blijkt dat er in en in de omgeving van het bestemmingsplangebied geen voorkeurstracés voor buisleidingen van nationaal belang liggen. Voor een beoordeling van de mogelijke risico’s van buisleidingen wordt verwezen naar hoofdstuk 4.8.

Ook zijn er in en in de omgeving van het plangebied geen hoogspanningslijnen, ondergrondse kabels en tranformatorstations waarbij sprake is van een (mogelijke) overschrijding van de grenswaarden bekend. Om inzicht te krijgen in andere kabels en leidingen in en in de omgeving van het bestemmingsplangebied is in maart 2022 een zogenoemde KLIC-melding uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 11 (deel 1) en bijlage 12 (deel 2). Hieruit blijkt dat er in en in de omgeving van het plangebied verschillende kabels en leidingen liggen. Bij de uitvoering van het voorliggende bestemmingsplan moeten deze kabels en leidingen in overweging worden genomen. Vooraf is er geen aanleiding om te verwachten dat de uitvoering van het plan hierdoor niet mogelijk is. De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten van kabels en leidingen belemmerd.

5 Juridische omschrijving van het plan 5.1 Algemeen Het voorliggende bestemmingsplan is op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) opgesteld. Het bestemmingsplan bepaalt de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden binnen het bestemmingsplangebied. De juridische deel van het plan is opgenomen in een verbeelding en de daarbij horende regels. Op de verbeelding zijn de bestemmingen, aanduidingen en dergelijk weergegeven en in de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden.

5.2 Regels 5.2.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels In de regels worden verschillende begrippen gebruikt. In het eerste artikel van hoofdstuk 1 is voor die begrippen waarvoor dat voor de goede uitleg van het begrip nodig is een omschrijving opgenomen. Enkele van deze omschrijvingen volgen uit de SVBP2012. In het tweede artikel is voor enkele begrippen waar in de regels een koppeling met een maat is gemaakt een omschrijving opgenomen over de manier waarop deze maat gemeten moet worden.

5.2.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De bestemmingsregels zijn opgenomen in hoofdstuk 3. In het voor de gronden binnen het geldende bestemmingsplangebied bestemmingsplan zijn de bestemmingen “Sport”, “Wonen – Vrijstaande woning 1” en “Horeca – Daghoreca” opgenomen. De gronden waar wordt voorzien in extra openbare parkeergelegenheid zijn bestemd als “Maatschappelijk – Onderwijs”. Omdat op grond van het voorliggende bestemmingsplan de activiteiten van een basisschool (met schoolplein), een jeugdsoos, een muziekvereniging, een sportverenigingen en een horecaruimte/huiskamer mogelijk worden gemaakt is aan dit plan de bestemming “Maatschappelijk – Sociaal Cultureel en Religie, Onderwijs en Sport” toegekend. De extra openbare / overloop parkeervoorzieningen worden geregeld binnen de bestemming “Verkeer - Verblijf”. De regels van deze bestemming zijn dan ook opgesteld op basis van de geldende bestemmingen. In vergelijking met de bestemmingen “Sport”, “Wonen – Vrijstaande woning 1” en “Maatschappelijk – Onderwijs” wijkt de bestemming “Maatschappelijk – Sociaal Cultureel, Religie, Onderwijs en Sport” op de volgende onderdelen af. De bestemming “Wonen – Vrijstaande woning 1” is niet meer opgenomen op de verbeelding en in de regels van dit bestemmingsplan omdat ter plaatse nooit een woning heeft gestaan noch wenselijk is.

De bestemming “Maatschappelijk - Onderwijs” wordt deels gewijzigd naar “Verkeer – Verblijf” om in extra openbare / overloop parkeerplaatsen te kunnen voorzien. Alhoewel de huidige maatschappelijke bestemming in parkeren voorziet, is het beoogde gebruik wel strijdig.

De bestemming “Maatschappelijk – Sociaal Cultureel, Religie, Onderwijs en Sport” heeft in vergelijking tot de nu geldende bestemmingen de volgende aanvullingen: Binnen de bestemming “Sport” is ondergeschikte horeca (categorie 1 of 2) toegestaan; mits de horecavloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 175 m². Nu het MFA meerdere functies (sociaalculturele voorzieningen en kinderopvang, levensbeschouwelijke voorzieningen, educatieve en informatieve voorzieningen en sport- en sportieve recreatie) mogelijk maakt is ondergeschikte horeca (categorie 1 en/of 2) toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven aanduiding “horeca van categorie 1 en/of 2” toegestaan. Voor het toestaan van horeca op het openbare terrein geldt de aanduiding “buitenterras toegestaan”. Dit ter voorkoming van (geluid en geur) hinder richting omliggende woningen. In de bouwregels is bepaald dat de goot- en bouwhoogte van gebouwen en daarbij horende bouwwerken niet hoger mag zijn 3,5 meter respectievelijk 7 meter. Een ruimtelijke onderbouwing hiervoor is opgenomen in hoofdstuk 2.2.

5.2.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels In hoofdstuk 3 zijn de algemene regels opgenomen. Deze zijn – wanneer ze ook van toepassing zijn voor het voorliggende bestemmingsplan – overgenomen van het voor de gronden binnen het bestemmingsplangebied geldende bestemmingsplan. In artikel 7 is een algemene gebruiksregel opgenomen dat het wijzigen van het ontwerp, bouwmethodiek, inzet in uren, vermogen van materieel en emissiefactor niet mag leiden tot een depositie op een Natura2000 gebied hoger dan 0,00 mol/ha/j. Naast de gebruikelijke regels zijn in artikel 8 voorwaardelijke verplichtingen opgenomen met betrekking tot parkeren, ecologie en archeologie. Inhoudende dat de gronden slechts mogen worden bebouwd en in gebruik worden genomen nadat voldoende parkeergelegenheid voor auto’s wordt gerealiseerd of in stand gehouden. Ten aanzien van de hoeveelheid aan parkeerplaatsen wordt verwezen naar het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan. Voor ecologie geldt dat er in verband met de aanwezigheid van vleermuizen tijdelijke ecologisch maatregelen moeten worden gerealiseerd die voldoen aan het activiteitenplan MFA Jistrum. Voor archeologie is een verplichting opgenomen dat als indien er tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, dit onmiddellijk gemeld moet worden en ter beschikking worden gesteld voor wetenschappelijk onderzoek.

5.2.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en slotregels van het bestemmingsplan opgenomen zoals deze volgen uit de SVBP2012.

5.3 Bestemmingsplanprocedure 5.3.1 Voorbereidingsfase Het voorliggende bestemmingsplan zal op grond van artikel 3.8, lid 1 van de Wro in samenhang Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden voorbereid. Zoals omschreven in hoofdstuk 3.1.2 zijn onderdeel van deze voorbereiding: 1. overleg met besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn;

2. 3.

het betrekken van burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het plan; het uitvoeren van verschillende onderzoeken en omschrijven van de resultaten hiervan.

Op basis hiervan is het ontwerp van het bestemmingsplan opgesteld.

5.3.2 Ontwerpfase Het ontwerp van het bestemmingsplan wordt vervolgens voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. In deze periode kan iedereen een zienswijze op het plan geven aan de raad van de gemeente. De terinzagelegging van het plan wordt bekend gemaakt in het Gemeenteblad van Tytsjerksteradiel. Na de periode van het ter inzage liggen van het bestemmingsplan zal de raad binnen een periode van (in beginsel) twaalf weken een besluit nemen over het vaststellen van het plan. Daarbij neemt de raad de ontvangen zienswijzen in overweging. Het besluit wordt (in beginsel) binnen twee weken na nemen van het besluit bekend gemaakt in het Gemeenteblad van Tytsjerksteradiel.

5.3.3 Beroepsfase Vanaf de dag na het bekend maken van het besluit over het vaststellen van het bestemmingsplan zal het plan voor een periode voor zes weken ter inzage liggen. In deze periode kan iedereen beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRvS) tegen het besluit. Wanneer er beroep is ingesteld tegen het besluit kan iedereen die “partij is in de hoofdzaak” een verzoek om voorlopige voorziening indienen. Een voorlopige voorziening is erop gericht om het in werking treden van het bestemmingsplan uit te stellen tot het moment dat AbRvS een uitspraak doet over het beroep. Wanneer geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend treedt het plan in werking direct na de periode van zes weken waarin beroep ingesteld kon worden. De AbRvS doet (in beginsel) binnen twaalf maanden na het instellen van het beroep en binnen zes weken na de zitting over het beroep uitspraak.

6 Economische uitvoerbaarheid Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld om de bouw en het gebruik van een MFA in Jistrum mogelijk te maken. Op grond van artikel 6.12, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet de raad van de gemeente bij het vaststellen van een (bouw)plan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) een exploitatieplan vaststellen. Het voorliggende bestemmingsplan is een (bouw)plan zoals bedoeling in dit artikel. Op grond van dit plan wordt de uitbreiding van een gebouw mogelijk gemaakt. Wanneer het verhalen van de kosten anderszins verzekerd is, is op grond van artikel 6.12, lid 2 van de Wro het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig. Hiervan is in de voorliggende situatie sprake. De gronden en gebouwen binnen het bestemmingsplangebied zijn in eigendom van de gemeente. Op grond van de Grondwet is de gemeente verantwoordelijk voor voldoende gebouwen voor maatschappelijke activiteiten als een MFA voor onder andere basisonderwijs en bewegen en gezondheid. Op 16 september 2021 heeft de gemeenteraad ingestemd met de realisatie van een MFA in Jistrum. In een bijlage bij het voorstel aan de raad op basis waarvan de raad dit heeft besloten is een overzicht opgenomen van de kosten die samenhangen met de bouw en het gebruik (exploitatie) van het MFA en wat het effect hiervan is op de begroting van de gemeente.

Deze kosten zijn opgenomen in de begroting van de gemeente. In dit overzicht zijn onder andere de kosten voor het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan, van de (ver)bouw en van het gebruik van het MFA opgenomen. Het verhalen van kosten anders dan op basis van de begroting van de gemeente is dan ook niet nodig. Het verhalen van de kosten is op basis hiervan dan ook anderszins verzekerd. Het vaststellen van een exploitatieplan is dan ook niet nodig. Dit betekent dat de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=1508566e-ea87-4a89-b85c-69200c931c13