05 - Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
omgevingsvergunning
Kloosterlaan 81 te Burgum Tytsjerksteradiel
RHO ADVISEURS DATUM
29-09-2023
IMRO
NL.IMRO.0737.202211/75-0001
IDN
PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER
PROJECTNUMMER
AUTEUR STATUS
Omgevingsvergunning (geanonimiseerd)
(geanonimiseerd) 20221175
(geanonimiseerd) el ontwerp
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1. 1
Aanleiding
6
1. 2
Ligging projectgebied
6
1. 3
Planologische regeling
8
1. 4
Leeswijzer
9
Projectbeschrijving
10
2. 1
Huidige situatie
10
2. 2
Gewenste situatie
11
2. 3
Verkeer en parkeren
12
Hoofdstuk 3
Beleidskader
14
3. 1
Rijksbeleid
14
3. 2
Provinciaal beleid
17
3. 3
Gemeentelijk beleid
18
3. 4
Structuurvisie
18
Milieu- en omgevingsaspecten
20
4. 1
Milieuzonering
20
4. 2
Geluid
22
4. 3
Ecologie
23
4. 4
Water
26
4. 5
Luchtkwaliteit
29
4. 6
Bodem
30
4. 7
Archeologie
31
4. 8
Cultuurhistorie
33
4. 9
Kabels en leidingen
33
4. 10
Externe veiligheid
33
4. 11
Vormvrije mer-beoordeling
35
Uitvoerbaarheid
36
5. 1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
36
5. 2
Economische uitvoerbaarheid
36
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
3/67
Hoofdstuk 6
Afweging en conclusie
Bijlagen toelichting
37 39
Bijlage 1
Schets-ontwerp
41
Bijlage 2
Stikstof berekening
43
Bijlage 3
Watertoets
55
Bijlage 4
Reactie TenneT
65
4/67
Toelichting
5/67
Hoofdstuk 1
1. 1
Inleiding
Aanleiding
De initiatiefnemer is voornemens om aan de Kloosterlaan 81 te Burgum een nieuw bedrijfsgebouw en kapschuur te realiseren. Met het voornemen veranderen de bedrijfsactiviteiten ter plaatse niet. Het nieuwe
bedrijfsgebouw en kapschuur is noodzakelijk om het bedrijf toekomstbestendiger te maken en verder te professionaliseren. Met de nieuwbouw wordt het mogelijk om materiaal inpandig te stallen en moderne nieuwe werkplekken voor het personeel te realiseren. Het vigerende bestemmingsplan
staat een bebouwingspercentage van 15% toe binnen het bouwvlak. Het maximaal 15% (2. 835 m)2 mag worden bebouwd. De maximaal toegestane
m 2 groot waarvan
bouwvlak is 18. 900 bouwhoogte bedraagt 7 meter, de maximale goothoogte 3 meter.
Momenteel is 9,3% (1. 764 m)2 aan bedrijfsbebouwing aanwezig. De nieuwe bedrijfsbebouwing heeft een gezamenlijke oppervlakte van 1. 254 m.2 Met de toevoeging van de bedrijfsbebouwing ontstaat een 2 bebouwingspercentage van zo'n 16% (3. 018 m). Daarnaast heeft het bedrijfsgebouw een bouwhoogte van 7,5 meter en een goothoogte van 5 meter. De kapschuur heeft een bouwhoogte van 7,16 meter en een goothoogte van 4,65 meter. De nieuwe bedrijfsbebouwing past daardoor niet binnen de regels van het geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te kunnen maken, wordt een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan aangevraagd. Bij deze aanvraag moet worden onderbouwd dat sprake is van een
1. 2
goede ruimtelijke ordening. De voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet daarin.
Ligging projectgebied
Het projectgebied is gelegen in het dorp Burgum in de gemeente Tytsjerksteradiel, zoals weergegeven in figuur 1. 1. Het projectgebied ligt ten noorden van het dorp en bevindt zich in het buitengebied. Het perceel wordt aan
de noord-en oostkant omringd door vrijstaande woningen. Een visualisatie hiervan is te zien in de figuren 1. 2 en 1. 3. Aan de zuid- en westkant bevinden zich agrarische gronden. In het kadaster heeft de grond de kadastrale gemeentenaam Burgum sectie L perceelnummer 1232.
6/67
Figuur 1. 1 Luchtfoto ligging projectgebied (bron pdok)
Figuur 1. 2. Aanzicht vanaf de linkerkant van de weg (bron Google Street View)
7/67
Figuur 1. 3. Aanzicht vanaf de rechterkant van de weg (bron Google Street View)
1. 3
Planologische regeling
In het projectgebied is het vigerende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2013' van toepassing,
dat op 27 juni 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van Tytsjerksteradiel. In figuur 1. 4 is een uitsnede van het bestemmingsplannen opgenomen. In het rood omlijnde vak is indicatief het projectgebied weergegeven.
Figuur 1. 4 bestemmingsplan projectgebied rood omlijnd. Het projectgebied bevat de bestemmingen:
Enkelbestemming 'Bedrijf - 2' De voor 'Bedrijf – 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van bedrijven die zijn
8/67
genoemd onder de categorieën 1 en 2 en bedrijven die naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn, met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven. Een gebouw en een overkapping zal binnen een bouwvlak worden gebouwd. Ter plaatse geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 meter en 7 meter en een maximale bebouwingspercentage van 15 procent. Dubbelbestemming 'Waarde - Landschap (Woudenlandschap)' De voor ‘Waarde – Landschap (Woudenlandschap)’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en herstel van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden van het woudenlandschap met in achtneming van de specifieke kenmerken van de deelgebieden binnen het woudenlandschap. Dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningverbinding'. De voor ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: bovengrondse hoogspanningsleiding met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1. 3. 1
Strijdigheid 2 de bouwhoogte (7,5m en 7,16m) en goothoogte (5m Het totaal aan vierkantemeter bedrijfsbouwing (3. 018 m), en 4,65m) passen niet binnen de regels van het geldende bestemmingsplan. Om de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied mogelijk te maken, dient een ruimtelijke procedure te worden doorlopen. 1. 3. 2
Procedure
Er is voor gekozen om een procedure artikel 2. 12, onder 1, lid a, sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het project te volgen. Met een dergelijke procedure wordt een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van een geldend bestemmingsplan. Een omgevingsvergunning
herziet het bestemmingsplan niet, maar is te beschouwen als een uitzondering die wordt gemaakt ten aanzien van de regels zoals die zijn opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Bij een aanvraag omgevingsvergunning uitgebreide procedure op grond van artikel 2. 12 lid 1 sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) moet worden onderbouwd dat sprake is van een goede
ruimtelijke ordening. De voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet daarin.
1. 4
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en het voorgenomen plan. Dit wordt in de hoofdstukken 3 en 4 getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op de uitvoerbarheid van het plan. Hoofdstuk 6 gaat tenslotte in op de afweging en conclusie.
9/67
Hoofdstuk 2
2. 1
Projectbeschrijving
Huidige situatie
Op het perceel is een allround duurzaam hoveniers- en groenvoorzieningsbedrijf gevestigd. Het bouwvlak heeft 2 reeds 1. 764 m 2 aan bebouwing aanwezig is. Het bedrijf heeft twee een oppervlakte van 18. 900 mwaarvan
bouwwerken op het perceel ten behoeve van het uitvoeren van de bedrijfsfunctie. Het gaat om een kantoor/opslag van 306 m 2 en een bedrijfsgebouw van 1. 458 m.2 Daarnaast bevinden zich op het bedrijfsperceel verschillende plekken voor het stallen van materieel. In figuur 2. 1 is een luchtfoto van het bedrijfsperceel weergegeven.
Op het perceel staan al meerdere
gebouwen die gebruikt worden ten behoeve voor het uitvoeren van de bedrijfsfunctie. Het hoveniersbedrijf is hard aan het groeien en wil daarom uitbreiden. Dit wil het bedrijf graag doen op het eigen perceel, zonder daarvoor te moeten verhuizen. De kapschuur en loods worden toegevoegd aan het perceel, waardoor er sprake is van inbreiding in plaats van uitbreiding. Het aanzicht van de loods en kapschuur is passend in de omgeving en sluit qua karakteristieken aan op de bestaande bebouwing. Op het terrein bevinden zich houtsingels die dienen als natuurlijke scheiding tussen het perceel en het omliggende gebied. Dit zorgt voor een groene oase gezien vanaf de omliggende omgeving; hierdoor zijn de schuren niet te zien vanaf de verschillende kijklijnen. Met het initiatief worden houtsingels niet aangepast.
10/67
Figuur 2. 1 Luchtfoto huidige situatie projectgebied (bron: PDOK. nl)
2. 2
Gewenste situatie
2. 2. 1
Algemeen
De initiatiefnemer wil de bedrijfsbebouwing op het bedrijfsperceel uitbreiden met een bedrijfsgebouw en een kapschuur. Het schetsontwerp is weergegeven in bijlage 1. De nieuwe bedrijfsbebouwing heeft een gezamenlijk
oppervlakte van 1. 254 m.2 Het gaat om een bedrijfsgebouw van 709 m 2 en een kapschuur van 545 m.2 Hiermee ontstaat 3. 018 m 2 aan bedrijfsbebouwing op het perceel. Het nieuwe bedrijfsgebouw krijgt een bouwhoogte van 7,5 meter en een goothoogte van 5 meter. De kapschuur krijgt een bouwhoogte van 7,16 meter en een goothoogte van 4,65 meter. 2. 2. 2
Stedenbouwkundige inpassing Het gebied rondom Kloosterlaan 81 kenmerkt zich in ruime mate met wisselende bebouwing. Zowel functioneel, met zowel bedrijfsfuncties als woonfuncties, maar ook in verschijningsvorm. De verschijningvormen aan de Kloosterlaan zijn weliswaar veelal gerelateerd aan de functies, maar bezitten vaak wisselende hoogtes, zijn wisselend in kleur- en materiaalgebruik. Hoewel de bebouwing langs de Kloosterlaan overwegend georiënteerd is op de openbare weg, wordt deze op verschillende manieren gepositioneerd op de kavels aan de Kloosterlaan. Soms is dat evenwijdig aan de weg, veelal haaks op de weg.
11/67
De bebouwingskarakteristieken zijn zo divers langs de Kloosterlaan, dat een strak voorschrift niet reëel is voor nieuwbouw op de kavel Kloosterlaan 81. Het bebouwingsvoorstel voegt zich goed in het geheel van de bestaande bebouwing op het perceel van de firma Frisia. Enige afwijking in bouwhoogte is goed verdedigbaar en
doet geen afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit op deze kavel. Ook de positionering van de nieuwbouw doet geen afbreuk aan het gehele ensemble van gebouwen op de kavel.
2. 3 Bij
Verkeer en parkeren nieuwe
ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die door de nieuwe ontwikkeling ontstaan. In dit geval wordt aangesloten op de uitgangspunten uit de nota ‘Parkeernormen 2015’. Inzake de verkeersgeneratie wordt aangesloten op de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren 381' (december 2018). Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Bij het gebruik van kencijfers moet rekening worden gehouden met onder meer de bereikbaarheidskenmerken van de locatie. Ook de stedelijkheidsgraad is van invloed op het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen en dus ook de hoogte van het parkeerkencijfer. Onder stedelijkheidsgraad wordt verstaan het aantal adressen per vierkante kilometer. In de vermelde publicatie van het CROW worden parkeerkencijfers onderverdeeld naar functie, de stedelijke zone en de stedelijkheidsgraad. In de voorgenomen ontwikkeling valt het bedrijf in de functiegroep 'Werken' en heeft het bedrijf het functietype 'Bedrijf arbeidsextensief/bezoekarm'.
Het gebied is volgens het CBS aan te duiden als 'niet stedelijk' en is gelegen in het buitengebied. 2. 3. 1
Parkeren Er wordt gerekend met de gemiddelde norm voor parkeren vanuit het CROW. Uit de onderstaande berekening in tabel 2. 1 blijkt er een toename in de parkeerbehoefte te zijn van afgerond 14 parkeerplaatsen. Het bedrijf parkeert de voertuigen op het eigen terrein. Het terrein is van voldoende omvang om in de toename van parkeerplekken te kunnen voorzien. Tabel 2. 1. Parkeerbehoefte BVO
Parkeercijfer CROW
Parkeerbehoefte normatief
Huidige situatie
1. 764
0,0105
18,5
Nieuwe situatie
3. 018
0,0105
31,7
Verschil
13,2
Het voornemen zorgt voor theoretische toename in de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie. In de werkelijke situatie zal de toename kleiner zijn. Het plan draagt niet bij aan een verdere uitbreiding van activiteiten, maar om een bouwkundige uitbreiding om bedrijfsonderdelen beter te kunnen huisvesten. In de werkelijke situatie
zal de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte lager zijn dan berekend aan de hand van de cijfers van het CROW.
12/67
2. 3. 2
Verkeersgeneratie In deze berekening zijn dezelfde waarden gehanteerd als bij de parkeerbehoefte. In tabel 2. 2 is de verkeersgeneratie weergegeven. Bij de beoogde ontwikkeling is sprake van een toename van afgerond 61 verkeersbewegingen. Tabel 2. 2. Verkeersgeneratie BVO
Parkeercijfer CROW
Parkeerbehoefte normatief
Huidige situatie
1. 764
0,048
84,7
Nieuwe situatie
3. 018
0,048
144,9
Verschil
60,2
De Kloosterweg is een doorgaande weg welke voldoende is toegerust op het aantal extra verkeersbewegingen. Het aspect verkeer en parkeren vormt door de toename van het aantal verkeersbewegingen geen belemmering voor de
13/67
uitvoerbaarheid van het plan.
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3. 1
Rijksbeleid
3. 1. 1
Nationale Omgevingsvisie
Toetsingskader De Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft de uitdagingen van de toekomst weer en geeft daarbij aan wat de nationale belangen zijn, welke keuzes op nationaal niveau gemaakt worden en welke richting daarbij wordt gegeven aan decentrale keuzes. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie om grote opgaven aan te pakken. Bij het maken van alle plannen moet aandacht worden besteed aan de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid. De belangrijkste opgaven van de NOVI zijn: 1. klimaatbestendige inrichting van Nederland met oog voor energietransitie; 2. 3. 4.
duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van landelijk gebied.
Daarbij gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen wordt voorkomen. Bij de NOVI
hoort een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven op welke wijze medeoverheden en de samenleving uitvoering geven aan de NOVI. Nederland is daarbij verdeeld in vijf landsdelen. Voor Friesland is een uitvoeringsagenda voor landsdeel Noord in de maak (contour). Toetsing Het plan raakt geen rijksbelangen die vermeld worden in de NOVI.
14/67
3. 1. 2
Ladder voor Duurzame verstedelijking In de SVIR is de Ladder voor Duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3. 1. 6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de Ladder voor Duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de Ladder, is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. In de Bro zijn in artikel 1. 1. 1 definities opgenomen voor:
Bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. ´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de
ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). voorgenomen
De Ladder voor Duurzame
verstedelijking is van toepassing wanneer een bestemmingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m 2 of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m,2 deze ontwikkeling dient dan in beginsel als een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Toetsing Ladder Duurzame verstedelijking Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het streven is om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik en daarmee het voorkomen van (onaanvaardbare) leegstand en onnodig bouwen in de groene omgeving. Het projectgebied ligt in het buitengebied van de gemeente Tytsjerksteradiel. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van twee nieuwe bedrijfsgebouwen waarmee het bedrijf zich op de huidige locatie kan
ontwikkelen en op die manier de continuïteit van het bedrijf wordt gewaarborgd. Uit jurisprudentie is gebleken dat wanneer een plan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m 2 of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m,2 deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. In voorliggend geval wordt deze oppervlakte overschreden, hierdoor is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3. 1. 6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Behoefte aan uitbreiding
15/67
De toenemende vraag naar groen- onderhoud en aanleg heeft de initiatiefnemer doen besluiten het bedrijf uit te breiden, zodat alle benodigde materieel inpandig gestald kan worden. Daarnaast is r behoefte aan meer
vergaderruimte. Het inpandig stallen komt de staat van onderhoud van het materieel ten goede. In voorliggend geval is dan ook sprake van een concrete en noodzakelijke behoefte, aangezien het materieel op dit moment niet inpandig gestald kan worden in verband met ruimtegebrek. Locatiekeuze Voor voorliggende ontwikkeling is tevens de overzichtsuitspraak ABRvS 23 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1421) van belang. Uit deze uitspraak blijkt onder meer dat niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio en in de regionale behoefte door benutting van beschikbare gronden kan worden voorzien, wanneer de locatie van het bedrijf van groot belang is voor de bedrijfsvoering en een verplaatsing zal leiden tot kapitaalvernietiging en onevenredige bedrijfseconomische gevolgen, wanneer het voortbestaan op de bestaande locatie van groot belang is voor betrokken lokale en regionale partijen en de werkgelegenheid in de gemeente of wanneer het gaat om de uitbreiding van een bestaand bedrijf dat van oudsher op die locatie gevestigd is. Het bedrijf is van oudsher op de huidige locatie gevestigd en betreft qua activiteiten een aan het buitengebied gelieerd bedrijf. Ook heeft het bedrijf vanuit het verleden een sterke band met de directe omgeving. Dit uit zich,
behalve het bieden van werkgelegenheid, in sociale betrokkenheid met de samenleving. Om bedrijfseconomische redenen en ter behoud van deze sociale betrokkenheid is het de wens van de initiatiefnemer om het bedrijf op de bestaande locatie te behouden. Theoretisch gezien is het wellicht mogelijk om de regionale behoefte in het bestaand stedelijk gebied in de regio op te vangen. Echter, dit zal onder meer negatieve gevolgen hebben voor de (vaste) klantenkring van het bedrijf. Het merendeel van deze klanten bevindt zich in de omgeving. Daarnaast is de te handhaven bebouwing in goede staat en is in de afgelopen jaren fors geïnvesteerd in het huidige bedrijfsperceel. Verplaatsing van het bedrijf naar een andere locatie leidt dan ook tot kapitaalvernietiging en tot onevenredige bedrijfseconomische gevolgen voor het bedrijf. Daarnaast is het behoud van het bedrijf op de bestaande locatie van belang voor de werkgelegenheid in de directe omgeving. Aangezien het hier gaat om de uitbreiding van een bedrijf dat van oudsher op deze locatie gevestigd is en dus lokaal geworteld is, is de locatie van groot belang voor de bedrijfsvoering (herkomst klanten) en leidt
verplaatsing tot kapitaalvernietiging en onevenredige bedrijfseconomische gevolgen. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat binnen bestaand stedelijk gebied in de regio niet kan worden voorzien in de behoefte van het bedrijf door benutting van beschikbare gronden door herstructurering of transformatie of op andere wijze. Het uitbreiden van het bestaande bedrijfsperceel op de bestaande locatie betreft de enige logische en realistische mogelijkheid. Conclusie Gelet op het vorenstaande is een gedegen afweging gemaakt om het bedrijf uit te laten breiden binnen het projectgebied. Geconcludeerd wordt dat het planvoornemen voldoet aan de uitgangspunten van de Ladder voor Duurzame verstedelijking.
16/67
3. 2
Provinciaal beleid
3. 2. 1
Omgevingsvisie Fryslân
Fryslân heeft in 2020 de Omgevingsvisie Fryslân vastgesteld. Met deze omgevingsvisie laat de provincie zien welke accenten zij op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van Friesland wil leggen. De provincie wenst brede welvaart voor een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Friesland. Met de leefomgeving bedoelt de provincie: 'De gedeelde ruimte waarin de mensen in de provincie samenleven. Friesland is van alle mensen die er wonen, werken of te gast zijn'. Provincie
biedt ontwikkelmogelijkheden voor wonen en werken, die tegelijkertijd bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van Friesland. Gemeenten en anderen krijgen de ruimte om de gewenste kwaliteiten te leveren: er wordt 'romte foar kwaliteit' geboden door de provincie. De
provincie
De Omgevingsvisie is geen blauwdruk voor hoe Friesland erbij ligt over tien, twintig of dertig jaar. Toch moeten
keuzes worden gemaakt en daarop moet worden aangestuurd. De provincie stuurt aan op doelen en zo min mogelijk op regels. Zij onderscheidt doelen voor de bestaande kwaliteit van de leefomgeving én doelen voor de aanpak van Friesland vier nieuwe, urgente opgaven. Voor de manier van werken staan negen principes centraal, principes die richting geven aan het maken van keuzes. Deze principes worden altijd in samenhang met elkaar toegepast en kunnen in verschillende situaties tot verschillende oplossingen leiden. Zo kan de provincie maatwerk bieden. er
Toetsing De Omgevingsvisie biedt ontwikkelmogelijkheden voor bedrijven die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. De
uitbreiding van het bedrijf draagt bij aan de werkgelegenheid en heeft geen negatieve invloed op de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Hierbij sluit het plan aan op de Omgevingsvisie Fryslân.
Verordening Romte Fryslân 2014 (geconsolideerde versie 2021-03-23)
3. 2. 2
De Verordening Romte Fryslân (2014) stelt regels die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in nieuwe bestemmingsplannen. Geldend provinciaal beleid is omgezet in algemeen
geldende regels. De verordening is een integrale herziening van de vorige Verordening Romte uit 2011 op grond van nieuw provinciaal beleid inzake (intensieve) veehouderij, landschap en cultuur '(Grutsk op 'e Romte!') en weidevogels. Daarnaast heeft een tussentijdse evaluatie van het streekplan plaatsgevonden die van invloed is geweest op de verordening. Ook op grond van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) was een aanpassing van de verordening vereist. Een ruimtelijk plan kan een uitbreiding van een bestaand bedrijfsterrein bevatten indien dit qua oppervlakte en invulling van bedrijfstypen in overeenstemming is met een bedrijventerreinplan, dat schriftelijke instemming van
17/67
Gedeputeerde Staten heeft. In afwijking hiervan kan een ruimtelijk plan een uitbreiding van een bestaand
bedrijfsterrein bevatten voor een of enkele bedrijven, met inachtneming van de volgende voorwaarden: Er is sprake van een directe, concrete behoefte van bedrijven die naar aard en schaal passen bij de aard en schaal van de overige kern, de bedrijfsconcentratiekern, het regionaal centrum of het stedelijk centrum;
Aangetoond is dat de behoefte waarin wordt voorzien niet inpasbaar is op een bestaand bedrijfsterrein of een in ontwikkeling zijnde bedrijfsterrein in de regio; Het totale ruimtebeslag van deze bedrijven staat in redelijke verhouding tot de schaal van de kern; Het is gewaarborgd dat de bedrijven goed worden ingepast wat betreft milieu, ontsluiting en landschap; Met dit plan wordt enkel de situering van het bestaande bouwvlak gewijzigd, waarbij de oppervlakte niet toeneemt.
Toetsing Het planvoornemen betreft een uitbreiding op bestaand bedrijfsperceel. Dit is al ingepast in het landschap, zoals beschreven in paragraaf 2. 1. In paragraaf 3. 1. 2 is de behoefte aangetoond en is de locatiekeuze onderbouwd. Het beoogde plan sluit daarmee aan op deze verordening. Conclusie Rekening wordt gehouden met zorgvuldig ruimtegebruik, aangezien de bebouwing al reeds plaatsvindt op het bestaande terrein. Het beoogde plan is niet strijdig met het provinciale beleid.
3. 3
Gemeentelijk beleid
3. 4
Structuurvisie
De structuurvisie 'Finster op romte (2010)' geeft de toekomstvisie weer van de gemeente Tytsjerksteradiel tot
het jaar 2020. In 2018 is de structuurvisie geëvalueerd. Deze evaluatie was bedoeld om lessen te trekken en deze te vertalen naar concrete aanbevelingen voor een op te stellen omgevingsvisie en om vast te stellen welke ambities uit de structuurvisie op dit moment nog actueel zijn en dit als ruimtelijk beleidskader te blijven hanteren tot het moment van vaststelling van de nieuwe omgevingsvisie. Tytsjerksteradiel biedt ruimte aan de groei van bestaande en nieuwe bedrijven. Het op peil houden en zo nodig laten groeien van de werkgelegenheid is belangrijk voor de gemeente. Ze spelen daarbij in op de economische structuurverandering die al jarenlang plaatsvindt, een daling van het aantal banen in de landbouw en, in mindere mate, in de industrie. Daar staat tegenover een toename van het aantal banen in de commerciële en maatschappelijke dienstverlening en recreatie. Mits passend binnen regelgeving is dit mogelijk. Bij herontwikkeling van gebouwen, locaties of inbreiding wordt niet automatisch alleen aan woningbouw gedacht, maar staat menging van functies, binnen een pand, of binnen
gebied voorop. De bedrijven die door hun aard en schaal niet in of aan de rand van de bebouwde kom passen, vinden een plek op de nieuwe bedrijventerreinen Quatrebras en Burgum Súd. een
Toetsing De gemeente
18/67
wil graag ruimte bieden aan de groei van bestaande bedrijven en in zetten op voldoende
werkgelegenheid in de regio. Deze beleidsuitgangspunten sluiten aan bij het voornemen van de initiatiefnemer om een bestaand bedrijf verder uit te breiden en/ of te optimaliseren en te kunnen voorzien in mogelijk extra werkgelegenheid in de regio. Frisia B. V. bevindt zich niet aan de rand van de bebouwde kom. Het bedrijf hoort qua aard en schaal thuis op de al gevestigde locatie, de gronden zijn bestemd met 'Bedrijf 2' waar bedrijven met milieucategorie 1 en 2 zijn toegestaan. De uitbreiding is niet van dusdanige aard dat het noodzalijk is om het bedrijf verplaatsen richting een bedrijventerrein. In paragraaf 4. 1 wordt aangetoont dat de externe omgeving geen hinder ondervindt door
de beoogde ontwikkeling. Conclusie De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de beleidsuitgangpunten gesteld in het gemeentelijk beleid.
19/67
Hoofdstuk 4
4. 1
Milieu- en omgevingsaspecten
Milieuzonering
Toetsingskader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor een reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of van 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor en langs de randen is weinig verstoring door verkeer. In de VNG-uitgave wordt een buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast de woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Tabel 4. 1. Milieucategorieën met bijbehorende richtafstand per omgevingstype (bron: VNG)
20/67
Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0 m
2
30 m
10 m
3. 1
50 m
30 m
3. 2
100 m
50 m
4. 1
200 m
100 m
4. 2
300 m
200 m
5. 1
500 m
300 m
5. 2
700 m
500 m
5. 3
1. 000 m
700 m
6
1. 500 m
1. 000 m
Aan
de hand van het toetsingskader dient onderzoek verricht te worden naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Bij het realiseren van nieuwe bestemmingen dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Toetsing Het projectgebied ligt aan de Kloosterweg 81. Het bedrijf ligt in het buitengebied met lintbebouwing met overwegend de agrarische functie, woonfuncties en andere bedrijvigheid. Hierdoor wordt het projectgebied als gemengd gebied aangemerkt. Interne werking Bij interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het projectgebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. In voorliggend geval gaat het om de uitbreiding van een
al bestaand bedrijf waarbij geen nieuwe milieugevoelige objecten mogelijk worden gemaakt.
Het planvoornemen beoogt een bestaand bedrijf verder uit te breiden. Het eerste nabijgelegen bedrijf is gericht op het fokken en houden van rundvee en heeft milieucategorie 3. 2. Volgens de richtlijnen van het VNG geldt
hier een richtafstand van 100 meter. Het bedrijf ligt op minimaal 210 meter afstand van het projectgebied, daarmee is sprake van voldoende afstand tussen de twee percelen. Andere functies liggen verder weg en worden daarom buiten beschouwing gelaten. Externe werking Bij externe werking gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is
sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast.
21/67
Zoals eerder vermeld betreft het planvoornemen het uitbreiden van een bestaand bedrijf. Op basis van het geldende bestemmingsplan zijn ter plaatse bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Met de uitbreiding van het bedrijf veranderen de activiteiten ter plaatse niet. In het nieuwe bedrijfsgebouw komen werkplekken, vergaderruimtes, stallingsruimte en de kapschuur voor het stallen van materieel. Het daadwerkelijk uitvoeren van de werkzaamheden vinden elders op de locatie van klanten plaats. Hiermee blijven de bedrijfsactiviteiten gelijk aan de huidige bedrijfsactiviteiten zoals toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan. De afstand tussen de bouwvlakken van de woningen en het bouwvlak waarbinnen het bedrijf mag bouwen, bedraagt tenminste 20 meter. Met een milieucategorie van 2 moet de afstand minimaal 10 meter zijn. Gelet
hierop wordt voldaan aan de richtafstand. Conclusie Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect milieuhinder en (agrarische) bedrijven staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4. 2
Geluid
Toetsingskader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen voor de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna:
Wgh) als geluidgevoelige functie aangemerkt. Indien nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht wanneer deze worden geprojecteerd binnen de geluidzone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat ook sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau wanneer de ontwikkeling is gesitueerd nabij niet-gezoneerde wegen (30km/u-wegen). Langs alle wegen, met uitzondering van 30km/u-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg moet worden getoetst. De
breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Toetsing Met het voorliggende plan worden geen geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt. In paragraaf 4. 1 is reeds ingegaan op het geluidsaspect. Daar is onderbouwd waarom voldaan wordt aan de richtafstand voor onder andere het aspect geluid. Tenslotte wordt opgemerkt dat in de nabijheid van het projectgebied geen spoorwegen of geluidgezoneerde bedrijventerrein aanwezig zijn, waardoor deze aspecten voor het planvoornemen geen belemmeringen opleveren. Deze worden daarom verder buiten beschouwing gelaten.
22/67
Conclusie Het aspect geluid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4. 3
Ecologie
Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: • Natura 2000-gebieden; • Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden Een ruimtelijke ontwikkeling die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende
beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project, de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan alsnog worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; het plan is nodig omwille van dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en deze moeten worden getoetst aan het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij'-principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. In figuur 4. 1 is een uitsnede gemaakt van de NNN gebieden waarbij ter plaatse van de rode ster het projectgebied betreft.
23/67
Figuur 4. 1 NNN gebieden, projectgebied is aangegeven met een ster (bron ArcGIS)
Soortenbescherming In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten
(hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij
provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen
24/67
worden verkregen. Toetsing Gebiedsbescherming Het projectgebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het projectgebied of de directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Grote Wielen
bedraagt circa 6 km en tot het dichtstbijzijnde NNN -gebied bedraagt de afstand 1,7 km. Het projectgebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het projectgebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Voor de voorgenomen ontwikkeling
is een stikstofberekening uitgevoerd, zie bijlage 2. Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat voor de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie Friesland staan de uitvoering van het plan dan ook niet in
de weg. Soortenbescherming De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Tot slot is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij
provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het is niet aannemelijk dat het projectgebied een waardevol habitat vormt voor beschermde soorten. Een quickscan flora & fauna wordt niet noodzakelijk geacht.
Conclusie Voor de concrete uitvoering van de bouwplannen is het niet nodig om bomen te kappen, water te dempen en/of
25/67
gebouwen te slopen. De nieuwbouw wordt binnen de aanwezige structuren ingepast zodat de bomen rondom het projectgebied niet gekapt hoeven worden. In het projectgebied wordt mogelijk groepjes struiken verwijderd. Omdat het om jong struikgewas gaat en de nieuwe bebouwing binnen de bestaande structuren wordt ingepast, is het niet aannemelijk dat er vanuit ecologisch oogpunt een belemmering is voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. Daarom kan op voorhand worden bepaald dat er geen noodzaak is tot het uitvoeren van een quickscan flora en fauna. Wel moet rekening worden gehouden met de algehele zorgplicht. Dit houdt in dat men de plicht heeft om schade aan wilde planten en dieren zoveel mogelijk te voorkomen. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden.
4. 4
Water
In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen over de wijze waarop rekening wordt gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In de
zogenaamde waterparagraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Toetsingskader Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap aan bod komt. Europees niveau:
Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal niveau: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet
Provinciaal niveau: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte Waterschapsbeleid Het beleid van Wetterskip Fryslân is verwoord in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. In het Waterbeheerplan 2016-2021 beschrijft Wetterskip Fryslân de doelen ten aanzien van waterveiligheid, voldoende water, schoon water en water in de samenleving voor de komende jaren. Het wetterskip beschikt over een leidraad watertoets. Het doel van de leidraad is dat alle aspecten meegenomen worden, hiermee wordt voldaan
26/67
de thema's voldoende veilig en schoon water. Hiernaast zorgt de leidraad voor een betere samenwerking doordat het duidelijkheid geeft over de juridische status van het wateradvies. De leidraad bevat een overzicht van onderwerpen die vanuit het oogpunt van water belangrijk zijn bij ruimtelijke plannen. aan
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam
waterbeheer. Het projectgebied ligt binnen het beheergebied van het Wetterskip Fryslân, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het project wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Toetsing Huidige situatie Algemeen Het projectgebied bestaat uit een hoveniersbedrijf die gevestigd en het terrein valt onder de bestemming 'bedrijf - 2'. Te noorden van het terrein bevindt zich een sloot. In het projectgebied is geen water te vinden of functies aanwezig die invloed hebben op de waterhuishouding. Toekomstige situatie Waterkwantiteit Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van oppervlaktewater. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. In de waterparagraaf, regels en of verbeelding dient duidelijk aan te worden gegeven wat voor maatregelen er worden genomen om de versnelde afvoer als gevolg van de toename verharding te compenseren. Voor compensatie van de toename verhard oppervlak is onderstaande tabel van toepassing.
Tabel 4. 1 toename verharding Wetterskip Fryslân Dempen van water dient 100% te worden gecompenseerd. Dit is niet van toepassing met betrekking tot het plan. De initiatiefnemer gaat echter wel meer oppervlakte verharden. Totaal komt 1. 254 m 2 aan verharding bij. Bij een toename van verharding met meer dan 1. 500 m 2 dient de toename gecompenseerd te worden. Gelet op de toename van de verharding wordt gesteld dat compensatie niet noodzakelijk is.
Afvalwaterketen en riolering Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
27/67
hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
om
duurzame,
Watertoets Voor het plan is een digitale watertoets uitgevoerd. Deze is als bijlage 3opgenomen in de toelichting van deze ruimtelijke onderbouwing. Uit de watertoets komen de volgende resultaten: De normale procedure Deze procedure is van toepassing op het dempen van sloten, het lozen van afvalwater op oppervlaktewater of op het onttrekken van grondwater. Een melding is soms voldoende. De mogelijkheid bestaat dat het nodig is
hiervoor een watervergunning aan te vragen. In het beoogde plan is geen sprake van het dempen van sloten, het lozen van afvalwater of het onttrekken van grondwater. De normale procedure is aangevraagd. Aanbrengen van verharding Neemt het aantal vierkante meters toe ten opzichte van de bestaande bebouwing en bedraagt deze toename 2 meer dan 200 min de bebouwde kom (stedelijk gebied) of 1500 m 2 buiten de bebouwde kom (landelijk gebied) dan geldt de vergunningsplicht. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. De uitbreiding van het bedrijf bedraagt 1. 254 m.2 Hiermee valt het onder de gestelde norm voor het buitengebied. Een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van verharding is daarom niet nodig. Grondwaterbeschermingsgebied Het projectgebied ligt in een waterwingebied. Met bepaalde risicovolle activiteiten zijn verboden op de grond van de provinciale verordening. Het wordt aangeraden om contact op te nemen met de provincie Friesland. Door de bouw van de schuren worden geen nieuwe activiteiten toegevoegd, de bestaande activiteit blijft onveranderd. Gezien de bestaande activiteit is toegestaan en niet eerder als risico is bestempeld, vormt het aspect water geen belemmering voor het initiatief.
Raken van een hoofdwater Aan weerszijden van een hoofdwatergang ligt een beschermingszone 5 meter. De beschermingszone is nodig voor de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud aan de hoofdwatergang. In deze zone mag geen beplanting of bebouwing worden aangelegd. Werkzaamheden binnen de beschermingszone van hoofdwatergangen betreffen een vergunningsplichtige activiteit. De nieuwe schuren liggen op meer dan 5 meter afstand van de hoofdwatergang. Gelet hierop is het aspect hoofdwater niet van toepassing Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Enkel bij
28/67
het plaatsen van de bouwwerken in de beschermingszone van het waterschap is de eigenaar verplicht een watervergunning aan te vragen.
4. 5
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5. 2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen worden in ondestaande in tabel weergegeven. Tabel 4. 2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Toetsing van Stof Stikstofdioxide (NO)2 jaargemiddelde concentratie Fijn stof (PM)10 jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM) jaargemiddelde concentratie 2,5
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p. j. meer
dan 50 µg/ m³
25 µg /m³
Op grond van artikel 5. 16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een
overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit 'niet in betekenende mate' In het Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: 1,2 µg/m³); een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM(= 10 een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1. 500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3. 000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100. 000 m 2 bij één ontsluitingsweg en 200. 000 m 2 bij twee ontsluitingswegen. Toetsing De berekening is uitgevoerd aan de hand van de NIMB-tool. De NIBM-tool is een spreadsheet waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. De bijdrage van het extra verkeersbewegingen is niet in betekende mate; nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. De berekening wordt weergegeven in onderstaande tabel.
29/67
Tabel 4. 4 Berekening luchtkwaliteit
Conclusie De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggende ontwikkeling.
4. 6
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving geldt in de volgende situaties een
uitzondering op de bodemonderzoeksplicht: bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; bouwen van bouwwerken waarin niet (of nagenoeg niet) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan twee uur gehanteerd; B&W verlenen vrijstelling omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal vijf jaar oud en waarvan het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). Toetsing De nieuwe gebouwen zijn ten behoeve van het hoveniersbedrijf en zullen niet voortdurend (of nagenoeg geen)
30/67
verblijven. Om die reden is bodemonderzoek dan ook niet noodzakelijk op locatie. Daarnaast is onderhavige locatie niet aangewezen als een verdachte locatie volgens het bodemloket. Tenslotte is er al sprake van bedrijfsvoering op het terrein en is de bodemkwaliteit destijds van voldoende kwaliteit aangemerkt om het te kunnen gebruiken voor de bedrijfsactiviteiten. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat bodemonderzoek niet noodzakelijk is. mensen
Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen
ontwikkeling.
4. 7
Archeologie
Toetsingskader Het Rijk en de provincie stellen zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden meegewogen. Doelstelling van het Verdrag van Valletta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In de provincie Friesland wordt gebruik gemaakt van de archeologische kaart FAMKE. FAMKE staat voor Friese Archeologische Monumentenkaart Extra. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300. 000 - 800 v Chr. ), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr. ). Voor
deze indeling in twee perioden is gekozen, omdat de adviezen voor mogelijke vindplaatsen uit de steentijd vaak verschillen van die voor mogelijke jongere vindplaatsen. Toetsing Met betrekking tot het aspect archeologie is de archeologische kaart geraadpleegd. Voor de periode ijzertijd-middeleeuwen wordt het advies 'karterend onderzoek 3' gegeven. In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd-middeleeuwen. Het gaat hier met name om vroeg en vol-middeleeuwse veenontginningen. Daarbij bestaat de kans dat zich huisterpjes uit deze tijd in het projectgebied bevinden. Ook de wat oudere boerderijen kunnen archeologische sporen of resten bevatten, hoewel de veengronden eromheen al afgegraven zijn. beveelt aan om bij ingrepen van meer 5. 000 m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten. Het gezamenlijke oppervlakte van de te realiseren gebouwen is 1. 254 m.2 De ingrepen die gedaan worden zijn kleiner dan 5. 000 m,2 hierdoor is voor deze tijdsperiode geen onderzoek nodig. De provincie
31/67
Figuur 4. 2. Archeologische Kaart IJzertijd-Middeleeuwen (bron FAMKE). Voor de steentijd-bronstijd wordt het advies gegeven om onderzoek te doen bij zeer omvangrijke ingrepen van meer dan 2,5 hectare. Het beoogde plan omvat een ingreep van minder dan 2,5 hectare.
Figuur 4. 3. Archeologische Kaart steentijd-bronstijd (bron FAMKE).
Conclusie Gelet op het vorenstaande dient geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het beoogde plan.
32/67
4. 8
Cultuurhistorie
Toetsingskader De regering heeft in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd dat gemeenten vanaf 1 januari 2012 in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Burgers krijgen hiermee het recht om bij de planning van bouwwerkzaamheden aan te geven of cultureel erfgoed wordt geraakt. Toetsing Op basis van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân projectgebied geen cultuurhistorische waarden.
bevatten het projectgebied of de omgeving
van
het
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmeringvoor het beoogde plan.
4. 9
Kabels en leidingen
Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Toetsing het projectgebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen of straalpaden aanwezig. Wel bevinden zich boven het projectgebied hoogspanningskabels. Deze liggen reeds boven het projectgebied en de bestaande bebouwing in het gebied. Hedendaags wordt geen hinder ondervonden van de hoogspanningskabels in het projectgebied. Bij het realiseren van twee extra bedrijfspanden wordt geen extra hinder verwacht door de aanwezigheid van deze kabels. Daarnaast heeft reeds overleg plaatsgevonden met de netbeheerder TenneT, gezien het bedrijfsgebouw deels onder de hoogspanningskabels wordt gerealiseerd. De netwerkbeheerder geeft aan geen bezwaar te hebben tegen het bouwen van een bedrijfsgebouw en kapschuur ter plaatse. De corronspondentie is te vinden in bijlage 4. Binnen
Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4. 10
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR drukt de kans per jaar uit dat een persoon dodelijk