CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

04 - Bijlage 2 - Ruimtelijke onderbouwing bouw 3 woningen Jistrum

RAAD IT BESLUT 22 mei 2025, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Adviesaanvraag omgevingsvergunning woningbouw Schoolstraat 46 Jistrum (besprekstik)11.937 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

17

Bij verbouwing, vervanging, of nieuwbouw van individuele gebouwen in woongebieden, gerealiseerd na 1950, dienen de volgende kenmerken zoveel mogelijk te worden opgeheven en in ieder geval te worden vermeden. Aspecten --

 

Op te heffen kenmerken --

4.6.6 Natuur en Landschap Aangezien de te bouwen woningen aangrenzend aan het buitengebied gebouwd zullen worden (op nu nog agrarische percelen), is er een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie figuur 7 en bijlage 8.). De gemeente Tytsjerksteradiel streeft naar behoud en versterking van de bestaande landschappen en de daarbij horende landschapselementen. Dit streven is onder andere verwoord in de Omgevingsvisie van de gemeente Tytsjerksteradiel en voorgaande bestemmingsplannen op de locatie. En sluit aan op het beleid uit de Omgevingsverordening Fryslân en de structuurvisie ‘Grutsk op ’e Romte’. Daarbij wordt voor deze ontwikkeling gezocht naar meervoudig ruimtegebruik en koppelkansen. Bij nieuwe ontwikkelingen streeft de gemeente dan ook naar een plus voor bestaande landschappen, door bijvoorbeeld ruimte te bieden aan biodiversiteit en water, Figuur 7: Landschappelijk inpassingsplan klimaatadaptatie en duurzaam energie- en materiaalgebruik. De bestaande ruimtelijke waarden en identiteit vormen de basis voor alle ontwikkelingen. Dat betekent dat ontwikkelingen voortbouwen op bestaande kwaliteiten en deze zo mogelijk versterken of door ontwikkelen. Met de in bijlage 8 opgenomen landschappelijke inpassing, is hieraan invulling gegeven.

De toevoeging van nieuwe blauwe en groene elementen op de locatie, in een aard en vorm die passen bij het kenmerkende landschap, vormen een plus. Verder is ervoor gekozen om voor (circa) 50% van de huidige landschapskamer de bestemming ‘cultuurgrond’ in stand te houden. Waardoor nieuwe landschapsverstorende bebouwing beperkt wordt en nieuwe ontwikkelingen niet een grotere impact hebben op het landschap (dan in de huidige situatie planologisch al mogelijk is). Door het aanbrengen van nieuwe landschapscontouren in de landschapskamer wordt het contrast van de woningbouw verzacht - en vormt de beoogde ontwikkeling zich in het historische cultuurlandschap. De bij het plan horende landschappelijk inpassingsplan (bijlage 8) zal integraal onderdeel uitmaken van de voorschriften in de vergunning. 4.6.7 Duurzaamheid Bij de bouw van de nieuwe woningen zal worden gestreefd naar een energieneutraal gebruik. De woningen zullen in elk geval gasloos functioneren. Dit sluit aan bij de ambitie van Tytsjerksteradiel om in 2040 energieneutraal, circulair en gasloos te zijn. 4.6.8 Recreatie en Toerisme Aangezien het hier gaat over de bouw van 3 nieuwe woningen heeft dit geen raakvlak met het onderdeel Recreatie en Toerisme.

18

4.6.9 Erfgoed Het initiatief wordt niet beïnvloed door de erfgoedverordening. Aan de hand van deze verordening kunnen alleen bestaande woningen met een zekere cultuurhistorische waarde (voor de Mienskip) aangewezen worden. 4.6.10 Gezondheid Voor het thema gezondheid zou de enige belemmerende factor de veehouderij zijn geweest. Aangezien dit bedrijf is gestopt en de bestemming gewijzigd zal worden naar wonen, valt dit weg. 4.6.11 Economische zaken Het initiatief levert geen bijdrage aan het economisch beleid van de gemeente Tytsjerksteradiel aangezien het om de bouw van 3 woningen gaat zonder een extra andere functie. N.v.t.

4.6.12 Overige

4.6.13 Conclusie Gezien de bovenstaand factoren, past het project binnen de doelstellingen en het beleid van de Gemeente.

19

5. Fysieke leefomgeving 5.1

Beschermen van de gezondheid

Het plan betreft enkel een bestemmingswijziging van bedrijf naar wonen en het realiseren van drie woningen. Het verdwijnen van de agrarische activiteit zal een verbetering van de leefomgeving teweegbrengen. Bedrijfsmatige activiteiten zullen namelijk niet meer mogelijk zijn in deze bebouwde kern. Dit heeft een positief effect op de luchtkwaliteit, omdat de uitstoot van fijnstof afneemt, en er is sprake van een (sterke) vermindering van geurhinder. 5.1.1 Conclusie Dit plan zal geen nadelige gevolgen teweegbrengen voor de (volks) gezondheid. Er zal met deze wijziging vanuit het aspect gezondheid sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies.

5.2

Milieubelastende activiteiten

5.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

N.v.t.

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 5.3.1 Toetsing Aangezien dit project enkel 3 woningen betreft, is deze ontwikkeling niet Ladderplichtig. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. 5.3.2 Conclusie Het initiatief is daarom passend op deze locatie.

5.4

Geluid

Wegverkeerslawaai Gelet op het bepaalde in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) gelden er geen geluidsaandachtsgebieden voor wegen waarbij de jaargemiddelde verkeersintensiteit niet hoger ligt dan 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Bij dergelijke wegen kan zonder nader akoestisch onderzoek de aanname worden gedaan dat de geldende voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. De aan te leggen toegangsweg richting de drie woningen (zijweg van De Geasten) is doodlopend en zal alleen worden gebruikt door aanwonenden. De jaargemiddelde verkeersintensiteit zal daarmee niet hoger liggen dan 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Gevoelige objecten De woningen veroorzaken (anders dan een bedrijfsmatige activiteit) geen te beoordelen geluidsemissies richting andere gevoelige objecten. Dit betekent dat de drie nieuwe woningen qua geluid weinig tot geen impact zullen hebben op de omgeving. Echter moeten de woningen zelf wel beoordeeld worden als geluidsgevoelige objecten die – door bedrijfsmatige geluidsemissies vanuit de directe omgeving – wel als dusdanig beoordeeld moeten worden. Echter door het wegvallen van de bedrijvigheid op Schoolstraat 46 vervalt er een directe belemmering. In de verdere directe omgeving zijn geen belemmerende bestemmingen aanwezig.

5.4.1 Onderzoek Uit eerder akoestisch onderzoek dat onderdeel is van het huidige tijdelijke Omgevingsplan (Jistrum 2017, vastgesteld op 19 juli 2017) blijkt dat op het 60 km/u-deel van de Schoolstraat de voorkeursgrenswaarde op een afstand van 29 meter vanaf de weg niet wordt overschreden. Daarmee is aangetoond dat ter hoogte van de nieuw te realiseren woningen (30 km-zone van Schoolstraat, afstand tot Schoolstraat minimaal 90 meter) aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. De (bedrijfs)woning (Schoolstraat 46) heeft reeds een woonfunctie. Verdere toetsing is daarom niet relevant.

20

N.v.t.

5.4.2

Te treffen maatregelen

5.4.3 Conclusie Gelet op het bovenstaande kan er geconcludeerd worden dat dit initiatief voor het onderdeel geluid geen belemmeringen op zal leveren voor de fysieke leefomgeving. Daarnaast is aangetoond dat er – in het kader van wegverkeerslawaai – kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde.

5.5

Kwaliteit van de buitenlucht

In de Omgevingswet zijn normen opgenomen voor de kwaliteit van de buitenlucht. Deze normen hebben betrekking op de concentraties in de buitenlucht van een aantal luchtverontreinigende stoffen. Het betreft de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxide, fijn stof (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Deze wetgeving vloeit onder andere voort uit normen voor luchtkwaliteit die door de Europese Unie zijn gesteld. De locatie van het initiatief (niet in of nabij een aandachtsgebied), de geringe omvang van het initiatief en het feit dat er geen sprake is van een uitgezonderde situatie maakt dat verdere toetsing niet nodig is. N.v.t. N.v.t.

5.5.1

Onderzoek

5.5.2

Te treffen maatregelen

5.5.3 Conclusie Aangezien er een bedrijfsbestemming met veel transportbewegingen vervalt en daarvoor in de plaats vier woningen in planologische zin mogelijk worden gemaakt is er geen toename van verkeersbewegingen te verwachten. De genoemde stoffen ontstaan vooral door het verkeer. Ingevolge de regeling NIBM (“niet in betekende mate”) kan het onderhavige initiatief derhalve als een NIBM-project (een verslechtering van minder dan 3% van de grenswaarde) worden beschouwd waardoor onderzoek naar de luchtkwaliteit achterwege kan blijven.

5.6

Geur

Woningen veroorzaken (anders dan een bedrijfsmatige activiteit) geen te beoordelen geuremissies richting andere gevoelige objecten. Dit betekent dat deze drie woningen qua geur weinig tot geen impact zullen hebben op de omgeving. Echter moeten de woningen zelf wel beoordeeld worden als geurgevoelige objecten die – door bedrijfsmatige geuremissies vanuit de directe omgeving – wel als dusdanig beoordeeld dienen te worden. 5.6.1 Onderzoek Gezien het verdwijnen van de veehouderij zal deze directe invloed op de woningen verdwijnen. De andere (agrarische) bedrijven die zich in de buurt van het projectgebied bevinden, bevinden zich op een dusdanige afstand dat dezen geen impact zullen hebben op het initiatief. N.v.t.

5.6.2

Te treffen maatregelen

5.6.3 Conclusie Gezien het bovenstaande kan er geconcludeerd worden dat qua geur geen belemmeringen zijn en dat het initiatief passend is.

5.7

Bodemkwaliteit

In het kader van de Omgevingswet dient te worden onderzocht of in het plangebied sprake is van een bodemverontreiniging. Uit het bodemloket (bodemloket.nl) blijkt dat voor het plangebied (3 woningen) geen bodembedreigende activiteiten bekend zijn. Hiernaast is gelet op het tot op heden agrarische gebruik geen sprake van een verdachte locatie. Toch is een verkennend bodemonderzoek verricht naar de kwaliteit van de bodem. 5.7.1 Onderzoek In de rapportage van WMR te Rinsumageest d.d. 3 juli 2023 wordt het volgende geconcludeerd: Op basis van de gemeten gehalten in de grond en het grondwater is de gestelde onderzoekshypothese,

21

een onverdachte locatie, formeel gezien niet juist. De gehalten zijn echter dusdanig dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. Uit de resultaten van het onderzoek (zie bijlage 3) blijkt dat in de opgeboorde grond geen waarnemingen zijn gedaan die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan kwik en lood zijn aangetoond, in de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater zijn de concentraties aan barium, cadmium, zink, molybdeen en dichloormethaan licht verhoogd gemeten. 5.7.2 Te treffen maatregelen Bij afvoer van grond vanaf het perceel dient rekening te worden gehouden met de regels van het Besluit bodemkwaliteit. De mengmonsters zijn indicatief getoetst aan de normen van het Besluit bodemkwaliteit. Eén mengmonster van de bovengrond (MMbg1) wordt beoordeeld als klasse Wonen. De overige mengmonsters van grond worden beoordeeld als klasse Achtergrondwaarde (altijd toepasbaar). 5.7.3 Conclusie Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen plannen. De integrale bodemonderzoeksrapportage is als bijlage bijgevoegd.

5.8

Wegen, verkeer en parkeren

5.8.1 Onderzoek De geplande woningaantallen hebben een verwaarloosbare invloed op de verkeersintensiteit en de geplande infrastructuur voldoet hiervoor. Volgens de geldende parkeernormering dient er voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid. In dit geval moet er rekening worden gehouden met een parkeernorm van 2.2 per woning. Dit kan gelet op de omvang van de opritten en kavels grotendeels op eigen terrein en daarnaast biedt de rijbaan voldoende buffer voor de extra parkeervraag. N.v.t.

5.8.2

Te treffen maatregelen

5.8.3 Conclusie Vanuit wegen en verkeer zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen plannen.

5.9

Omgevingsveiligheid

Bedrijven en milieuzonering Bedrijven en milieuzonering Woningen zijn 'milieugevoelig objecten' en 'kwetsbaar objecten'. Hiervoor gelden milieu- en veiligheidsafstanden ten opzichte van installaties, voorzieningen en / of inrichtingen, die onder de Wet milieubeheer vallen. Voor het oprichten van woningen dient bepaald te worden of deze in een milieuzone liggen van omliggende bedrijven. De VNG heeft de Handreiking: “Bedrijven en milieuzonering, Handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk” (2009) opgesteld. Deze handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van diverse bedrijfsactiviteiten. Tevens geeft het een richtafstand voor het ontwikkelen van bedrijfsactiviteiten in relatie tot het omgevingstype en voor het inpassen van gevoelige functies nabij bedrijven. Deze afstanden gelden in principe tussen enerzijds de perceelgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van een woning. De richtafstanden hebben betrekking op geur, stof, geluid en gevaar. De twee omgevingstypes die de VNG hanteert zijn: 1. Rustige woonwijk en rustig buitengebied: “Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor.

Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stilte gebied of een natuurgebied.” 2. Gemengd gebied: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook

22

lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Het omgevingstype wordt bepaald door het (soort) gebied, waarin de locatie zich bevindt en niet door de locatie zelf. Het gebied rondom dit plangebied kenmerkt zich als een rustige woonwijk. Een verlaging van de richtafstand met één afstandstrap is daarmee niet van toepassing. Leidingen Leidingen die in of rond het plangebied liggen kunnen mogelijk een beperking geven voor de invulling van een plangebied. Het gaat hierbij om belangrijke transportleidingen van water, rioolpersleidingen en gasleidingen. Deze leidingen liggen over het algemeen in openbare ruimten, langs wegen en/of in groenvoorzieningen. Omgevingsveiligheid Eén van de doelen van de Omgevingswet is de bescherming van de fysieke leefomgeving. Het gaat hierbij om het in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Regels hiervoor zijn gesteld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Groepsrisico: aandachtsgebieden Het instrument ‘aandachtsgebieden’ is onder de Omgevingswet geïntroduceerd. Een aandachtsgebied is een gebied ‘’waar mensen in een gebouw onvoldoende beschermd kunnen wijn tegen de gevolgen van een brand, explosie of gifwolk die van buitenaf komt’’. Een incident of ongeval kan leiden tot brand, explosie of gifwolk, daarom zijn er brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden vastgesteld. Binnen een aandachtsgebied kunnen aanvullende eisen aan (beperkt) kwetsbare gebouwen worden gesteld. Een aandachtsgebied geldt voor het groepsrisico. Bij een groepsrisico is de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Plaatsgebonden risico Bij het plaatsgebonden risico is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit (artikel 5.6 Bkl). Het plaatsgebonden risico houdt in dat (beperkt) kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties niet binnen een bepaalde afstand mogen komen te liggen van aangewezen activiteiten met externe veiligheidsrisico’s.

5.9.1 Onderzoek De drie woonkavels die mogelijk gemaakt worden, zijn gesitueerd naast de bedrijfskavel (bedrijf – 2, functieaanduiding ‘’specifieke vorm van bedrijf-veehandel’’) gelegen aan de Schoolstraat 46 te Jistrum. Onderdeel van dit woningbouwplan betreft mede de wijziging van deze bedrijfsfunctie naar een woonbestemming. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen verdere bedrijfsbestemmingen gelegen waarmee – in het kader van de VNG publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ – rekening mee dient te worden gehouden. Er wordt voldaan aan de betreffende richtafstanden. Stofhinder Woningen worden aangeduid als een gevoelig object. In de directe nabijheid van het plangebied zijn – nu de bedrijfsfunctie in de directe nabijheid komt te vervallen – geen bedrijfsbestemmingen gelegen. Sprake van stofhinder afkomstig van bedrijfsmatige activiteiten is daarmee uitgesloten. Er is geen nadere toetsing nodig. Lichthinder Voor het voorkomen van lichthinder zijn – voor verlichting rond woningen – geen specifieke regels opgenomen in de Omgevingswet, maar de algemene zorgplicht is ten alle tijden van toepassing. De gemeente Tytsjerksteradiel heeft hiervoor geen specifiek beleid vastgesteld.

23

Openbare verlichting dient te voldoen aan de richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichting uit 2020 (NSVV 2020). Deze richtlijn betreft alle soorten van verlichting en gaat uit van de zorgplicht en het voorzorgprincipe. In relatie met de in de Richtlijn gehanteerde grenswaarden zijn verschillende zones gedefinieerd:

Figuur 8: Zonering van de omgeving in relatie met lichthinder volgens Richtlijn Lichthinder

De nieuw te realiseren woningen worden aansluitend aan een bestaande woonwijk gerealiseerd en grenzen aan het landelijk gebied. De woningen worden onderdeel van de bebouwde kom. Daarmee is zone E3 van toepassing. Leidingen Ter weerzijden van de leidingen ligt een beheerstrook. Binnen die strook zijn, ter bescherming van de leiding, bepaalde grondbewerkingen aan een vergunning gebonden. Verder zijn binnen deze beheerstrook bouwactiviteiten in beginsel niet toegestaan. In het plangebied liggen geen belangrijke transportleidingen van water, rioolpersleidingen en een gasleiding. Dit aspect vormt dan ook geen beperking voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Omgevingsveiligheid Het plangebied is niet binnen een aandachtsgebied (groepsrisico) of binnen een contour van een aangewezen activiteit met externe veiligheidsrisico’s (plaatsgebonden risico) gelegen. Nadere toetsing is daarmee niet nodig. 5.9.2 Te treffen maatregelen Lichthinder Bij het verdere ontwerp en inrichting van het plangebied zal rekening worden gehouden met lichthinder bij de aanleg van openbare verlichting. Voor de openbare verlichting zal gewerkt worden met ledverlichting die weinig uitstraling naar de omgeving zal geven. 5.9.3 Conclusie Voor stofhinder is geen nadere toetsing nodig en het aspect lichthinder zal geen belemmering vormen voor de onderhavige ontwikkeling.

Omdat het plangebied niet binnen een aandachtsgebied (groepsrisico) of binnen een contour van een aangewezen activiteit met externe veiligheidsrisico’s (plaatsgebonden risico) is gelegen, is nadere toetsing hiervoor ook niet nodig.

24

5.10

Water en watersystemen

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat mis belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Vanwege het belang van het water in de ruimtelijke ordening, moet bij nieuwe ruimtelijke plannen worden aangegeven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor ruimtelijke ordening (Bro). Waterschappen moeten daarom in een vroeg stadium betrokken worden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. 5.10.1 Onderzoek Vanwege het feit dat het verharde oppervlak door de sloop van een bedrijfsgebouw en de bouw van drie woningen toeneemt met 680 m2, is op 14 augustus 2023 de digitale watertoets uitgevoerd welke als bijlage is bijgevoegd. 5.10.2 Te treffen maatregelen Doordat er sprake is van een toename van verharding zal ten behoeve van de versnelde afvoer van hemelwater 68 m2 aan oppervlaktewater worden toegevoegd door de aanwezige kavelsloten te verbreden. In het kader van het klimaat-robuust bouwen wordt hier opgemerkt dat het maaiveld boven het maatgevende boezempeil ligt.

5.10.3 Conclusie Indien het bovenstaande wordt verwerkt in het plan, zal dit de verwezenlijking van dit project niet in de weg staan.

5.11

Bedrijfsmatige activiteiten

5.12

Toetsing Besluit m.e.r./m.e.r.-beoordeling

N.v.t.

Onder de Omgevingswet (vanaf 1 januari 2024) is onder bijlage V onder J11 van het Besluit Omgevingsrecht bepaald dat voor een stedelijk ontwikkelingsproject een m.e.r.(beoordeling) nodig is. 5.12.1 Beoordeling In het voormalige Besluit m.e.r. waren hiervoor drempelwaarden opgenomen. Onder de Omgevingswet zijn deze drempelwaarden komen te vervallen. In dit kader is er feitelijk dus altijd sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht als er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Echter, in de memorie van toelichting wordt aangegeven dat er geen verandering plaatsvindt ten opzichte van het voormalige Besluit m.e.r. De huidige lijn in de jurisprudentie kan daarom gebruikt worden om te beoordelen of er hier sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Uit deze jurisprudentie blijkt dat de bouw van drie woningen niet als zodanig is aan te merken. N.v.t. N.v.t.

5.12.2 Onderzoek 5.12.3 Te treffen maatregelen

5.12.4 Conclusie Uit de jurisprudentie blijkt dat wen m.e.r-beoordeling niet nodig is voor dit plan.

25

6.

Beperkingsgebieden

In het geval van dit initiatief is er geen sprake van een hindering vanwege een beperkingsgebied.

7. 7.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid 7.1.1

Financieel economische haalbaarheid

In de anterieure overeenkomst is het kostenverhaal geregeld voor het verhalen van de kosten die de gemeente heeft gemaakt voor het faciliteren van de ontwikkeling. De anterieure overeenkomst wordt gesloten vóór het vaststellen van de planologische maatregel en de exploitatiebijdrage wordt vervolgens na de ondertekening ervan betaald. In artikel 10 van de overeenkomst is het betalen van deze exploitatiebijdrage vastgelegd. Middels drie bijlagen die bij de overeenkomst worden bijgesloten is inzichtelijk wat deze kosten zijn. Het betreft een plankostenscan die de kosten aangeeft welke zijn gemaakt binnen de ambtelijke organisatie en die samenhangen met het vaststellen van de planologische maatregel. Daarnaast wordt bij deze ontwikkeling het openbaar gebied aangelegd door de gemeente op kosten van de initiatiefnemer. De kosten hiervan zijn in de overige twee bijlagen opgenomen. Middels het sluiten van een anterieure overeenkomst is het kostenverhaal verzekerd. Financiële haalbaarheid De ontwikkeling heeft betrekking op een particulier initiatief. De uitvoeringskosten worden gedragen door de initiatiefnemer, die hiervoor de financiële middelen heeft. Grondexploitatie Het doel van de grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van een overeenkomst. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden. Voor dit bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van anterieure overeenkomst om het kosten verhaal (inclusief eventuele planschade) tussen initiatiefnemer en bevoegd gezag vast te leggen. Deze overeenkomst is in afschrift bijgevoegd. Daarbij zal voor het in behandeling nemen van dit plan door het bevoegd gezag kosten worden berekend overeenkomstig de geldende legesverordening Tytsjerksteradiel. 7.1.2 Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). De afspraken over onder andere de ruimtelijke kaders, het te realiseren programma, de fasering, het kostenverhaal en de financiële bijdragen worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst. De anterieure overeenkomst is door de gemeente en initiatiefnemer ondertekend voordat de planologische maatregel (de Bopa) wordt vastgesteld. 7.1.3 Nadeelcompensatie De initiatiefnemer heeft een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten op basis van artikel 4.5 Awb. Bij een eventuele claim is de nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer.

26

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1 Participatie Dit project doorloopt de in de Omgevingswet opgenomen procedure voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Inclusief een voorontwerp-plan procedure waarbij de omwonenden en andere belanghebbenden worden geïnformeerd over het voorgenomen plan. De initiatiefnemer heeft vooroverleg gepleegd met de directe omwonenden op 29 en 30 november 2023. Een verslaglegging van deze gesprekken is bijgevoegd (bijlage 9.) waarnaar kortheidshalve wordt verwezen. De strekking van deze gesprekken is dat de buren grotendeels positief zijn over deze ontwikkeling, met name over de kansen die zij zien voor het dorp. Een enkeling heeft aangegeven negatief tegenover het plan te staan gezien de nabijheid van het plangebied bij hun perceel. 7.2.2 Advies en instemming De gemeenteraad heeft een lijst opgesteld waarin de gevallen zijn aangegeven waarvoor (bindend) advies/instemming moet worden gevraagd van de raad. Dit valt onder ‘Lijst adviesrecht in geval van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten’ (2022). In deze lijst valt dit plan onder de regels voor buiten de bebouwde kom: ‘’Het oprichten van een nieuw hoofdgebouw in strijd met de gebruiksbepalingen van het tijdelijk omgevingsplan, met uitzondering van de hoofdgebouwen genoemd onder punt 10.’’ Dit plan moet dus voor adviesrecht naar de raad.

7.2.3 Vaststellingsprocedure De aanvraag om de omgevingsvergunning heeft onder andere betrekking op het toestaan van een gebruik in afwijking van het geldend omgevingsplan. Op de onderhavige aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn hiervoor is acht weken. 7.2.4 Bezwaar/Beroep De mogelijkheid van bezwaar komt alleen in de reguliere procedure voor. Het bezwaar dient ingediend te worden bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan. In de uitgebreide procedure is bezwaar niet nodig. Daar bestaat namelijk de mogelijkheid om zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. In beginsel zal de rechtbank zich hierover buigen. Daarna kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In bijlage 2 artikel 2 van de Algemene wet bestuursrecht staan besluiten opgenomen waarbij er geen beroepsmogelijkheid is. Belanghebbenden kunnen eventueel ook een voorlopige voorziening vragen tegen de omgevingsvergunning.

27

8. Belangenafweging en conclusie 8.1

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7) Na een zorgvuldige afweging in de voorgaande hoofdstukken kan er geconcludeerd worden dat er voor dit initiatief sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 8.2 Voorstel voor het opnemen in het omgevingsplan In het oude bestemmingsplan heeft het perceel van Schoolstraat 46 een wijzigingsbevoegdheid om de bedrijfsbestemming om te zetten naar wonen. Dit kon voorheen met een wijzigingsplan. Omdat het gaat om een functieverandering en niet om een bouwactiviteit kan dit wijziging niet gewijzigd worden met een binnenplanse opa maar moet het met een Bopa. De wet verplicht dat wij een verleende Bopa binnen 5 jaar moeten verwerken in het omgevingsplan. Een onherroepelijke Bopa kan niet opnieuw ter discussie worden gesteld bij het opnemen in het omgevingsplan. In bijlage 10 is het voorstel te vinden waarin staat onder welke activiteiten er regels moeten worden opgenomen of aangepast.

Voor dit plan wordt de activiteit ‘wonen’ mogelijk gemaakt voor het plangebied. Daarnaast zal er ook een wijzigen in het plangebied plaatsvinden naar tuin, verkeer en groen. Hierop zijn de regels van het voorheen vigerende bestemmingsplan Jistrum 2017 van toepassing die gelden voor ‘Wonen Vrijstaande woningen 1’, ‘Tuin’, ‘verkeer-verblijf’, ‘groen-groenvoorziening’. Deze regels zijn te vinden in bijlage 10. 8.3 Conclusie Gezien het bovenstaande kan er geconcludeerd worden dat het initiatief bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=606cabbe-0a8a-4e5e-8ce8-fb4d034043fe