Bijlagen motivering Bijlage 6 Ecologie
Tekst van het document
MEI VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN Natuurwaardenonderzoek Omgevingswet Ontwikkeling : Nieuwbouw Datum: 27 juni 2024 Project: NWO 52122 Natuurwaardenonderzoek 2 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK INHOUD 1. Colofon 3 2. Samenvatting en advies 4 3. Inleiding 6 3.1 Aanleiding 6 3.2 Planlocatie 6 3.3 Ontwikkelingen en effecten 6 4. Kader en methode 8 4.1 Wettelijk kader 8 4.2 Onderzoeksmethode 16 4.3 Toepasbaarheid 17 5. Gebiedsbescherming 18 5.1 Natura 2000 18 5.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) 20 5.3 Stikstofdepositie 21 6. Soortbescherming 22 6.1 Habitatcheck 22 6.2 Flora en fauna 23 6.3 Houtopstanden 33 Verantwoording 34 Bijlagen 34 Disclaimer 47 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK 1. Colofon Onderzoek | Natuurwaardenonderzoek Document | NWO52122 Datum | 27 juni 2024 Locatie | Vinckenweg - Vriezenveenseweg | ; Geesteren Opdrachtgever | BJZ.NU B.V. Opdrachtnemer | Ecofect B.V. Ecoloog | Mw. A. van der Voort Adres | Laan 21, 8071 JG Nunspeet Telefoon | 06-41737676 Email | info@ecofect.nl Internet | www.ecofect.nl KvK-nummer | 87036487 Btw-identificatienr. | NL864184311B01 Rekeningnummer | NL39 RABO 0198 8908 69 3 4 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK 2.
Samenvatting en advies Uit dit Natuurwaardenonderzoek is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden er geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit (soorten) Omgevingswet zullen plaatsvinden. Wel dient nadere toetsing plaats te vinden of er een vergunningplicht geldt voor Natura 2000-activiteit (stikstof). Gebiedsbescherming Natura 2000 Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand ten opzichte van N atura 2000-gebieden wordt geen verstoring verwacht. Een voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht. Ten aanzien van stikstof wordt er in de aanleg- en nieuwe gebruiksfase mogelijk depositie verwacht. Een Aerius (stikstof) berekening wordt daarom ook noodzakelijk geacht. Natuurnetwerk Nederland De planlocatie is gelegen buiten het NNN ( Natuurnetwerk Overijssel). Aangezien het plangebied buiten het Natuurnetwerk valt wordt het niet noodzakelijk geacht dat een verdere toetsing, in de vorm van ja, mits toets, aan de orde is. Soortbescherming Flora Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vleermuizen Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswe t. Het wordt aangeraden om t.o.v. zorgvuldig handelen bij de aanleg - en nieuwe gebruiksfase de bomen rondom de planlocatie niet actief te belichten.
Zoogdieren Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vogels Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingsw et. Het wordt aangeraden om de werkzaamheden t.o.v. zorgvuldig handelen buiten het broedseizoen uit te voeren of voorafgaande een broedvogelonderzoek uit te voeren. Overige soorten Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet . Het wordt aangeraden t.o.v. zorgvuldig handelen om voorafgaande en gedurende de werkzaamheden rondom de planlocatie een reptielen/amfibieën scherm te plaatsen. 5 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in de omgevingswet die vallen onder het onderdeel houtopstanden. Geen herplant- of meldingsplicht. 6 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK 3. Inleiding 3.1 Aanleiding Met de voorgenomen ontwikkelingen betreffende het plangebied gelegen aan Vinckenweg - Vriezenveenseweg te Geesteren heeft BJZ.NU B.V. namens cliënt aan Ecofect B.V. opdracht gegeven een Natuurwaardenonderzoek Omgevingswet uit te voeren t.b.v. het vergunning traject en inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Omgevingswet.
Voorliggend rapport geeft inzicht in het wettelijk kader, de gebruikte methodiek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. 3.2 Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Vinckenweg - Vriezenveenseweg te Geesteren en betreft een wei-/grasland met loofbomen en struwelen. Het plangebied heeft aan de oostzijde een sloot, met glooiende oever, lopen. De omgeving heeft deels een landelijk, deels een bebouwd karakter. Figuur 1 Plan- en onderzoeksgebied Geesteren is een dorp in de gemeente Tubbergen in de Nederlandse provincie Overijssel. Geesteren telt 4.325 inwoners. De plaats hoort tot het type van de losse esdorpen.
7 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK 3.3 Ontwikkelingen en effecten Initiatiefnemer is voornemens om op de planlocatie 20 nieuwbouw woningen te realiseren. De functie van de planlocatie zal veranderen naar wonen . Het plangebied zal gedeeltelijk ook nog landschappelijk ingericht worden. Voor inhoudelijke vragen over het ontwerp of de inrichting wordt verwezen naar de opdrachtgever. Figuur 2 – Inrichting planlocatie. Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn blijvend van karakter . De functie en ecologie van het plangebied zal deels veranderen. De ingrepen en effecten van de ingreep in relatie tot natuurwaarden: • Bouwwerkzaamheden • Aan- en afvoer materiaal • Herinrichting perceel bij welke functie wonen kan worden verwacht • Aan- en afvoer materiaal • Egaliseren terrein Dit onderzoek is gericht om een inschatting te maken of beschermde soorten voorkomen en gebruik maken van de projectlocatie.
8 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK 4. Kader en methode 4.1 Wettelijk kader Voor het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingen is o.a. Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt de Wet natuurbescherming . In deze wet is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot de gebiedsbescherming en de soortenbescherming. In dit Natuurwaardenonderzoek worden de verschillende onderdelen van de omgevingswet getoetst. Omdat een veld - en bureauonderzoek geen zekerheid geeft of de omgevingswet wordt overtreden, wordt de potentie van het object ingeschat voor wat betreft beschermde soorten. Indien het object potentie heeft, zal een aanvullend onderzoek vast moeten stellen of uit moeten sluiten of er beschermde soorten gebruik maken van de opstallen. Potentie-inschatting vindt plaats op basis van habitatkenmerken, habitatseisen en ervaring van de ecoloog. De Omgevingswet is een wet die alle regels omvat met betrekking tot alle activiteiten in de fysieke leefomgeving. De wet bundelt 26 wetten die gaan over de regels met betrekking tot onder meer infrastructuur, bouwwerken, water, lucht, bodem, milieu, cultur eel erfgoed en natuur.
Het doel van de nieuwe wet is een vereenvoudiging van de regels voor de fysieke leefomgeving en een duurzame ontwikkeling en beschermen en verbeteren van het leefmilieu. Om alle regels voor de fysieke leefomgeving op een gestructureerde manier te regelen, is er sprake van een stelsel Omgevingswet. Het stelsel Omgevingswet kent een bepaalde opbouw, die bepalend is voor waar de relevante onderdelen terug te vinden zijn met betrekking tot de verschillende onderwerpen van de fysieke leefomgeving, waaronder natuurbescherming. Het stelsel bestaat uit een algemene wettekst – de Omgevingswet zelf – dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in zogenaamde uitvoeringswetten (Algemene Maatregelen van Bestuur, of AMvB’s) en de Omgevingsregeling. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming in de Ow bestaat uit een beschermingsregime voor Natura 2000 - gebieden, regels voor de aanwijzing en bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Hieronder zijn per gebiedscategorie de regels beknopt toegelicht. In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000 -gebieden en bijzondere nationaal natuurgebieden (art. 11.6 Bal).
Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000 -gebied of ee n bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. Er moet worden nagegaan of na delige gevolgen op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan verplicht de specifieke zorg plicht om met betrekking tot deze gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6, 2e lid onder d), of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6, 2e lid onder f). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze maatregelen worden gemonitord. De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000 - 9 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK activiteiten (zie hierna) maar ook voor activiteiten die conform een Natura 2000 -beheerplan worden uitgevoerd of activiteiten die géén kans hebben op een significant gevolg.
Het is overigens niet zo dat als in het kader van de specifieke zorgplicht passende preventieve of herstelmaatregelen worden genomen, onder de vergunningplicht van een Natura 2000 -activiteit uit kan worden gekomen. Mitigatie mag namelijk niet worden meegenomen in de voortoets van een proj ect om te bepalen of het project leidt tot een kans op een significant gevolg en het project om die reden als een Natura 2000-activiteit moet worden beschouwd. De volgorde van toetsing van een voornemen aan de specifieke zorgplicht en de vergunningplicht zijn daarom van groot belang. Hierna wordt daar nader op ingegaan. Als de invulling van de specifieke zorgplicht niet helder is of het onduidelijk is of gedragingen onder de zorgplicht vallen, heeft het bevoegd gezag de ruimte om deze nader te duiden in een maatwerkvoorschrift, vergunningvoorschrift (indien vergunning) of maatwerkregel. Te denken valt aan een maatwerkregel in een provinciale Omgevingsverordening waarin staat hoe aan de specifieke zorgplichtbepaling kan worden gehouden. Natura 2000 projecten: Er is een onderscheid tussen een ‘Natura 2000 -activiteit’ en andere type activiteiten. Een ‘Natura 2000 - activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art.
1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000 -gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’ Een Natura 2000-activiteit is vergunning plichtig (art. 5.1, lid 1 Ow), tenzij er sprake is van een ‘vergunningsvrij geval’ (art. 11.16 t/m 11.21 Bal, zie hierna). Activiteiten die nodig zijn voor het beheer van Natura 2000-gebieden (om de doelstellingen te kunnen halen) of geen significante gevolgen hebben, vallen niet onder de regels voor een Natura 2000-activiteit. Er moet dan eerst worden getoetst wat de effecten zijn van een activiteit op Natura 2000-gebieden voordat duidelijk is hoe de activiteit moet worden aangeduid. Gezien de huidige praktijk, blijft er daarmee de noodzaak voor het uitvoeren van een voortoets die deze helderheid kan bieden. De uitslag van deze toets is van belang voor het vervolg van de behandeling van de activiteit. Is er sprake van een Natura 2000-activiteit dat niet vergunningsvrij is, dan is er een nader onderzoek nodig in de vorm van een passende beoordeling voordat een vergunning kan worden verleend. De regels waar een Passende Beoordeling aan moet voldoen staan in art. 16.53c Ow en art. 8.74b Bkl.
Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan de vergunning voor het project worden verleend als de zogenaamde ADC -toets met succes is doorlopen (art. 8.74b, lid 2 en 3 Bkl). Wanneer uit een individuele passende beoordeling niet de vereiste zekerheid kan worden verkregen dat er geen sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, zal alleen toestemming kunnen worden verleend aan de ha nd van de ADC -toets. Een toestemming op basis van de ADC-toets kan alleen worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: er zijn geen alternatieve oplossingen (A), het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang (met inbegrip van redenen van sociale of economische aard) (D), en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura -2000 bewaard blijft (C). Het resultaat van de compensatie moet in beginsel bereikt zijn op het moment waarop het betrokken gebied schade van het project ondervindt. De term ‘Natura 2000-activiteit’ geldt alléén voor projecten! Voor plannen is er een ander afwegingskader dat, hoewel vergelijkbaar met een Natura 2000-activiteit, elders in het stelsel Omgevingswet is verankerd dan met betrekking tot projecten.
Een plan m ag worden vastgesteld als uit een Passende Beoordeling, bedoeld in 10 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK artikel 16.53c, eerste lid Ow, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten (art. 10.24 Bkl). Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan het plan alleen wor den vastgesteld als de zogenaamde ADC-toets met succes is doorlopen (art. 10.24, lid 2 en 3 Bkl). Natuurnetwerk Nederland De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden vastgesteld per Omgevingsverordening door de provincie conform artikel 7.7 Bkl. In de Omgevingsverordening is daartoe een natuurbeheerplan vastgesteld waar in de regel de bestaande natuurwaarden en het a mbitieniveau zijn aangegeven middels natuurbeheertypen. Het hangt echter per provincie af hoe zij de wezenlijke kenmerken en waarden hebben gedefinieerd; in tegenstelling tot het Barro ontbreekt een definitie van de wezenlijke kenmerken en waarden in de Ow. In artikel 7.7, 2e lid Bkl wordt aangegeven dat deze waarden worden bepaald met inachtneming van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder g, van de wet.
Hiermee wordt gedoeld op de verantwoordelijkheid van de provincies om, op het geb ied van natuur, zorg te dragen voor het behoud of herstel van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen, van hun biotopen en habitats, en van in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, in overeenstemming met de internationaalrechtelijke verplichtingen. Hieruit kan worden gehaald dat het NNN mede als doel heeft om deze taken te bereiken, zodat dit artikel in taakstelling overeenkomt met artikel 1.12, 2e lid Wnb. Daarnaast heeft de provincie zelf de ruimte om te bepalen of zij ook potentiële natuurwaarden (en de daarvoor vereiste bodem - en watercondities) meenemen in de definiëring van de wezenlijke kenmerken en waarden (art. 7.7, 2e lid Bkl). Dit komt min of meer overeen met de definitie van wezenlijke kenmerken en wa arden in het Barro, die ook aangeeft dat de potentiële waarden worden meegenomen ‘voor zover deze natuurwaarden en condities in het licht van de internationale biodiversiteitdoelstellingen relevant zijn’. Beschermingsregime Het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in art.
7.8, 2 e lid Bkl, dat een instructieregel betreft voor uitwerking van het beschermingsregime in de Omgevingsverordeningen van provincies: ‘De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerkactiviteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven.” Een vergelijkbare instructieregel voor de bescherming van het NNN is opgenomen voor projectbesluiten die door het Rijk wordt vastgesteld in art. 9.3, 1 e lid Bkl. Het grote verschil met de huidige Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is dat er onder de Ow geen strikt ‘nee, tenzij’-principe meer geldt. Er is geen noodzaak meer om een groot openbaar belang aan te tonen of reële alternatieven af te wegen om de NNN te mogen aantasten. Daarentegen dient er in plaats van bij een significante aantasting, nu bij nadelige gevolgen te worden gecompenseerd dat er in de praktijk vaker zal leiden tot een compensatieplicht.
Doordat er echter onder de Ow sprake is v an een ‘ja, mits’-principe, kan een afzwakking van de bescherming van de NNN worden gelezen. De daadwerkelijke afzwakking van de bescherming van de NNN hangt erg af van de uitwerking van de regels in de provinciale Omgevingsverordeningen. Een deel van de nieuwe Omgevingsverordeningen van provincies zijn (vooralsnog) beleidsneutraal en komen overee n met het beschermingsregime conform het Barro (‘nee, tenzij’-principe aan de hand van zogenaamde ADC -criteria), een ander deel heeft echter de regels 11 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK geconformeerd aan de regels in de Ow. Of nieuwe of gewijzigde Omgevingsverordeningen na het loslaten van een beleid neutrale overgang een ander beschermingsregime zullen bevatten, zal de toekomst uitwijzen. Meer informatie over de ligging van het NNN en het geldende natuurbeheerplan met de huidige staat en het ambitieniveau van het NNN, is te vinden op de Informatiekaart Natuur. https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/applicaties-en-databanken/informatiekaart-natuur-ikn/ Bijzondere natuurgebieden en landschappen Het Rijk kan op basis van art. 2.44, lid 2 Ow zogeheten bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen.
De bijzondere nationale natuurgebieden kunnen worden aangewezen vooruitlopend op de aanwijzing of begrenzing als Natura 2000 -gebied, bijvoorbeeld als het gaat om compensatie voor handelingen die leiden tot een significant gevolg of als het gaat om gebieden die nodig zijn om de doelstellingen van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn te bereiken (art. 3.63 Bkl). Daarnaast kan het Rijk ook bijzondere nationa le natuurgebieden aanwijzen als de bescherming van het gebied nodig is voor de instandhouding of herstel van biotopen en leefgebieden van in Nederland van nature in het wild voorkomende soorten genoemd in bijlage I Vogelrichtlijn of Bijlage I, II, IV of V Habitatrichtlijn. In die gevallen bevat het aanwijzingsbesluit instandhoudingsdoelstellingen (art. 3.64 Bkl). Het ministerie van LNV heeft de taak zorg te dragen dat de maatregelen worden getroffen voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van deze type natuurgebieden (art. 2.19, lid 5 Ow), tenzij Gedeputeerde Staten is aangewezen om deze taak uit te voeren (art. 2.18, lid 1, onder g, 2°, tweede streepje Ow). Voor de bescherming van bijzondere nationale natuurgebieden geldt, naast een mogelijke toegangsbeperking, de specifieke zorgplicht zoals genoemd in art. 11.6 Bal (zie hiervoor). De provincies kunnen zogeheten bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art.
2.44, lid 5 Ow). Niet iedere provincie h anteert dezelfde juridische bescherming. Sommige hanteren alleen een predicaat, anderen hanteren een soort ADC -criteria (‘nee, tenzij’ -principe) en daarmee juridische beschermingsregime naast NNN en Natura 2000. Kijk voor de geldende regels in de van toepassing zijnde provinciale Omgevingsverordening. Soortbescherming Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ Anders dan bij een ‘Natura 2000 -activiteit’, waarvan pas sprake is als een activiteit leidt tot een kans op significante gevolgen op beschermde Natura 2000 -gebieden (zie hiervoor), is er al sprake van een ‘flora - en fauna-activiteit’ als het een mogelijk gevolg heeft voor één van nature in het wild levend dier of plant, ongeacht of deze soort beschermd is volgens de Omgevingswet. Doordat in de definitie wordt verwezen naar ‘van nature’ in het wild levende soorten, gaat de definitie niet op voor niet-van nature voorkomende soorten. Met andere woorden, de regels voor flora - en fauna-activiteiten gelden niet voor soorten die buiten he t natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld.
Als er sprake is van een flora - en fauna-activiteit, dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art. 11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen). Hoewel de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden de artikelen 11.27 en 11.28 ook met betrekking tot de niet-beschermde soorten. Specifieke zorgplicht flora en fauna In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ die, zoals hiervoor aangegeven, vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). 8 Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht die in de Omgevingswet staat (zie hiervoor).9 Iedereen die een flora - en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk 12 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht.
In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn. Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: • Vogelrichtlijn -soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl; • Habitatrichtlijn -soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl; • nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal); • dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; • voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt ge vraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen.
Verder wordt er ook gevraagd om tijdens en na het verrichten van de activiteit na te gaan of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning. De z orgplicht voor soorten is bovendien niet beperkt tot de dieren en planten zelf, maar ook tot de directe leefomgeving van de soorten. Dat betreft voor dieren de foerageergebieden, rust en vaste verblijfplaatsen en plaatsen voor het grootbrengen van de jongen. Mochten de zorgplichtbepalingen niet helder genoeg zijn, dan staat het bevoegd gezag vrij om middels maatwerkregels (artikel 11.29 Bal) of maatwerkvoorschriften (artikel 11.31 Bal) deze te verduidelijken. Bijvoorbeeld door het opnemen van regels in e en provinciale Omgevingsverordening of het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift. Zoals ook aangegeven hiervoor met betrekking tot de specifieke zorgplicht voor Natura 2000 -gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden, is de kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art.
11.27, tweede lid wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. In art. 11.27, tweede lid onder b Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Daarnaast zijn de overige voorwaarden in het tweede lid onder c t/m f zodanig concreet dat in deze bewoording kan worden gelezen dat er aantoonbaar aan deze voorwaarden moet worden voldaan, zeker ook met in het achterhoofd dat de specifieke zorgplichten in de Omgevingswet zowel bestuurlijk als strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te kunnen voldoen, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek wordt vastgelegd. Hiertoe kan door ecologische adviesbureaus – naast een bureaustudie door raadpleging van verspreidingsgegevens in tools zoals de NDFF – een ‘Habitatcheck’ worden uitgevoerd naar het voorkomen van de genoemde soorten, op basis van de geschiktheid van het aanwezige habitat als leefgebied van deze soorten. Afhankelijk van het aan te treffen habitat, kan daardoor goed inzicht worden verkregen in het mogelijk voorkomen van soorten of soortgroepen.
Of een nader onderzoek ook naar redelijkheid kan worden gevergd om de aanwezigheid te kunnen uitsluiten, zal afhangen van de opdrachtgever. Vervolgens moet worden beschreven in de Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten of dat deze kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt door maatregelen zoals hiervoor aangegeven. De soortenbeschermingsregimes In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 Bal zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: 13 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK • § 11.2.2 Bal: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn • § 11.2.3 Bal: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn • § 11.2.4 Bal: omgevingsvergunning andere soorten Onder iedere paragraaf zijn de vergunning plichtige gevallen en de vergunningsvrije gevallen aangegeven. In de Omgevingswet wordt niet meer gesproken over verbodsbepalingen waarvoor een ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, maar over schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval.
De inhoud van de schadelijke handelingen komen overeen met de verbodsbepalingen van de soortenbeschermingsregimes uit de Wnb, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen en betreffen de volgende schadelijke gevallen: Schadelijke handelingen Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal): Schadelijke handelingen Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal): Schadelijke handelingen andere soorten (art. 11.54 Bal) Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in art. 1 Vrl Het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren Hrl bijlage IV, onder a, Bern bijlage II, Bonn bijlage I (ex. vogels art.
1 Vrl); Het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A Het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels Het opzettelijk verstoren van dieren Het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels Het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren Het opzettelijk storen van vogels* Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B Het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b Hrl of bijlage I verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied 14 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK Vrijstelling schadelijke handelingen vogelrichtlijn Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, geldt niet, • Als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de
vogelsoort: • Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel Vrijstelling schadelijke handelingen habitatrichtlijn Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel Vrijstelling schadelijke handelingen andere soorten Het verbod geldt niet voor bosmuis, huisspitsmuis en veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel Toetsing algemene en specifieke zorgplichtbepalingen Het benoemen hoe aan de zorgplichtbepalingen in de Omgevingswet getoetst is in een rapportage, is voldoende om aan de algemene en specifieke zorgplichtbepalingen te voldoen. De zorgplichten zijn niet vergunning plichtig, dus het is niet noodzakelijk om het voor te leggen aan bevoegd gezag. De zorgplichten kunnen elkaar aanvullen en versterken, omdat zij toezien op bepaald onderdelen van de natuur in de fysieke leefomgeving die soms kunnen samenvallen.
Zo kan een habitat van een bedreigde soort bijvoorbeeld in een boom bevinden, waarmee zowel in het kader van de specifieke zorgplicht voor een flora - en fauna-activiteit als de specifieke zorgplicht voor het vellen van een houtopstand gevraagd kan worden om de boom en het habitat intact te laten. Om deze reden kan de toets aan de zorgplichtbepalingen het beste in één paragraaf worden behandeld, na de toets aan de verschillende beschermingsregimes voor gebieden, soorten en houtopstanden. Een belangrijke noot is dat in de zorgplichten staat aangegeven dat de gevra agde zorg naar redelijkheid moet kunnen worden gevergd. Een initiatiefnemer moet er redelijkerwijs alles aan doen om overtreding van de zorgplichtbepalingen te voorkomen. Er worden volgens de toelichting op het Aanvullingsbesluit Natuur ‘geen extreme eisen gesteld. Wel wordt vereist dat de zorgvuldigheid aan de dag wordt gelegd die in redelijkheid vanuit een oogpunt van natuurbescherming mag worden geëist. Onder «zoveel mogelijk» […] moet niet alleen worden verstaan hetgeen fysisch, qua resultaat mogelijk i s, maar ook hetgeen redelijkerwijs van degene die de schade veroorzaakt kan worden gevergd.’ Bij de toetsing van de redelijkheid kan bijvoorbeeld gedacht worden aan financiële aspecten, ruimtelijke aspecten en/of planning technische aspecten.
Afhankelijk van de situatie zal deze beoordeling volgens het Aanvullingsbesluit Natuur worden gemaakt door de initiatiefnemer (en/of diens adviseur). Wat redelijkerwijs gevergd kan worden, verschilt per initiatiefnemer. Er kan minder worden verw acht van een particulier dan van een ondernemer of bedrijf. Wat in ieder geval mag worden gevraagd is het in beeld brengen van de gebieden en soorten die worden genoemd en het voorkomen van effecten door bijv. kwetsbare perioden te ontzien. In hoeverre nader onderzoek naar het vo orkomen van de genoemde soorten en het treffen van passende preventieve of passende herstelmaatregelen kunnen worden gevergd, zal in de praktijk afhangen van de ruimte en het vermogen van een initiatiefnemer. Welke maatregelen nodig zijn om nadelige gevolg en te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, hangt van de definitie van een ‘nadelig gevolg’. De regels in de Wnb zijn in 15 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK principe beleidsneutraal opgenomen in de Ow (volgens de toelichting op het Aanvullingsbesluit Natuur). Zoals ook toegelicht in het Aanvullingsbesluit Natuur, geldt dat, waar sprake is van een beleid neutrale omzetting, op de parlementaire geschiedenis van de Wnb kan worden teruggevallen voor de uitleg van bepalingen.
Afgezien van de concretere uitwerking van de specifieke zorgplichten in lid 2 van de betreffende artikelen, is de belangrijkste vraag wat precie s wordt bedoeld met een nadelig gevolg. Pas als d eze (dreigen) zich voordoen met betrekking tot de genoemde gebieden of soorten, zijn er namelijk maatregelen vereist (passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen). Daarnaast is de definitie relevant met betrekking tot soorten die in bee ld moeten worden gebracht waar de activiteit een nadelig gevolg op kan hebben, gezien de verwijzing naar verschillende uitgebreide lijsten met kwetsbare tot bedreigde soorten en de hiermee gepaard gaande potentieel intensieve onderzoeksinspanning. In de pa rlementaire geschiedenis van de Wnb wordt aangegeven dat de zorgplicht met name bedoeld is als instrument om de in het wild levende planten en dieren (en overigens ook habitats) in een gunstige staat van instandhouding te houden. Dit vergt vooral een focus op mogelijke nadelige gevolgen op de staat van instandhouding en niet zozeer op nadelige gevolgen voor ieder exemplaar afzonderlijk (of ieder oppervlak van een habitattype). Bescherming houtopstanden Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een beplanting van twintig bomen of meer in een rij, gerekend over het totaal aantal rijen.
Buiten de bescherming houtopstanden (artikel 11.3 Bal) vallen de • Houtopstanden binnen door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden, • Houtopstanden op erven of in tuinen en fruitbomen en windschermen om boomgaarden, • Naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar en kweekgoed, • Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en beplantingen langs landbouwgronden (enkele rij) • Het dunnen van een houtopstand, Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die: • Minimaal eens per tien jaar worden geoogst, • Bestaan uit ten minste tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, • Zijn aangelegd na 1 januari 2013. Volgens artikel 5.165b Bkl is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant.
Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels een goedgekeurde gedragscode of de werkzaamheden voortvloeien uit instandhoudingsdoelstellingen voor Natura2000 -gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen. 16 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK 4.2 Onderzoeksmethode De volgende methoden zijn bij het onderzoek gebruikt: 1. Door middel van bureauonderzoek is onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recentelijk zijn waargenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Op basis van het onde rzoek in verspreidingsatlassen en overige beschikbare natuurinformatie is een inschatting gemaakt welke soorten er redelijkerwijs zijn te verwachten in het plangebied. 2. Op 27 juni 2024 is het plangebied door A van der Voort bezocht. Daarbij werden de, in het plangebied aanwezige, natuurwaarden geïnventariseerd en beoordeeld. Tijdens dit veldbezoek was het zonnig en ongeveer 30 graden Celsius. Er is gekeken naar mogelijke groeiplaatsen dan wel vaste rust- en verblijfplaatsen van de beschermde flora - en fauna. Dit is uitgewerkt in het hoofdstuk soortbescherming. 3. Er is een visuele inspectie uitgevoerd op aanwezigheid van kieren, holten en spleten (voor zover aanwezig). 4.
De controle is te voet uitgevoerd en waar mogelijk zijn eventuele toegankelijke holtes en spleten verkennend geïnspecteerd (met zaklamp en/of endoscoop). 5. Bewijslast is verzameld met fotomateriaal. 6. De ligging van het plangebied ten opzichte van nabijgelegen beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) werd opgezocht. Dit is uitgewerkt in het hoofdstuk gebiedsbescherming. 7. In samenspraak met de opdrachtgever is de ingreep in kaart gebracht. 8. Door middel van een nauwkeurige analyse van deze data en waarnemingen is: a. bepaald of negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand zijn uit te sluiten of dat hiervoor een aanvullend onderzoek noodzakelijk is, b. een inschatting gemaakt van de redelijkerwijs te verwachten negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en functies, c. bepaald of de bescherming van houtopstanden aan de orde is. 9. Er is gebruik gemaakt van de volgende hulpmiddelen (zie verantwoording). 10. De opgestelde rapportage is gecontroleerd en beoordeeld door een tweede lezer. 17 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK 4.3 Toepasbaarheid Dit Natuurwaardenonderzoek is gericht op de mogelijke overtreding van de omgevingswet, niet aan andere (natuur)wetgeving. De resultaten van het onderzoek zijn 3 jaar geldig.
Dit onderzoek kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen dat natuuronderzoek is verricht. Deze rapportage kan dan ook ingediend worden aan belanghebbende partijen zoals gemeente en provincie. Op basis van in de deze rapportage opgenomen projectgegevens (zie hoofdstuk 3; juni 2024 ) is dit onderzoek uitgevoerd en een inschatting gemaakt van de effecten hiervan op de beschermde soorten en gebieden. Latere wijzigingen van het project kunnen invloed hebben op deze effecten en zijn dus niet opgenomen in deze rapportage. Er zal dan een nieuwe beoordeling plaats moeten vinden. Deze verstrekte natuurinformatie is ten behoeve van de initiatief - en ontwerpfase van de planontwikkeling. Om in de uitvoerings- en beheerfase overtreding van de omgevingswet te voorkomen, wordt – indien nodig- in deze rapportage aangegeven wanneer het noodzakelijk is om te werken volgens één van de volgende standaarden: • Algemeen zorgvuldig handelen • Gedragscode ruimtelijke ontwikkeling • Ecologisch werkprotocol • Vergunning/vrijstelling omgevingswet 18 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK 5. Gebiedsbescherming 5.1 Natura 2000 In Europa is een netwerk van beschermde gebieden opgezet. Dit zijn de zogenoemde Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn in de Omgevingswet strikt beschermd.
Volgens de Omgevingswet is het volgens artikel 2.7 lid 2 verboden zonder vergunning projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Dit geldt ook voor projecten die fysiek buiten het Natura 2000-gebied gelegen zijn maar wel een effect kunnen hebben op het gebied (externe werking). Het plangebied ligt nabij het Natura 2000-gebied Engbertsdijkvenen op een afstand van respectievelijk 4,2 kilometer (figuur 3). Figuur 3 – 4,2 kilometer t.o.v. Natura 2000-gebied Engbertsdijkvenen Engbertsdijkvenen Engbertsdijkvenen is een restant van een groot voormalig veengebied. De Engbertsdijkvenen is nu een vrijwel geheel afgegraven hoogveengebied. De meest grootschalige vervening vond plaats in de periode 1850 tot 1950. Omdat de randen geheel zijn afgegraven, steekt het gebied ver boven het omringende landschap uit. Het gebied herbergt een restant niet afgegraven veen. Deze omvangrijke hoogveenkern is voor boekweitbrandcultuur gebruikt, maar niet verveend en tijdig tegen verdere verdroging beschermd. Een groot deel van het overige veen is tot circa 1940 in gebruik ge weest voor boekweitcultuur.
Om wegzijging tegen te gaan, was het nodig het gebied (hydrologisch) te isoleren. Daartoe is het gebied gecompartimenteerd door middel van dammen. Buiten de actieve hoogveenkern bestaat het gebied uit natte heide, waarin ook drogere delen aanwezig zijn. Langs de randen van het gebied zijn enkele kleine berkenbossen te vinden.
19 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK Het plangebied is gelegen nabij Natura 2000-gebieden. Deze Natura 2000-gebieden zijn ter plaatse begrensd als Habitat- en Vogelrichtlijngebied. Voor de Natura 2000 -gebieden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor habitattypen, habitatsoorten, broedvogels oorten en niet -broedvogels. Omdat de werkzaamheden van het plangebied buiten het Natura 2000-gebieden plaatsvinden heeft dit geen invloed op de oppervlakte van het Natura 2000 gebied. U kunt te maken hebben met de zogenoemde externe werking van het Natura 2000 -gebied. U moet daarbij bijvoorbeeld denken aan mogelijke effecten op de waterhuishouding, uitstoot van stikstof (zie paragraaf 5.3) of effecten die het gevolg zijn van een groot project zoals aanleg van windmolens, zandwinning, een woonwijk of industrie. Om te bepalen of dit het geval is moet een natuurtoets worden uitgevoerd door een deskundig bureau. Als uw activiteit een negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied is een vergunning nodig, voor meer info zie: vergunning Natura 2000-gebieden. Het plangebied is gelegen nabij het Natura 2000 -gebied Engbertsdijkvenen . Deze zijn ter plaatse begrensd als Habitat- en Vogelrichtlijngebied.
Voor de Natura 2000 -gebieden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor habitattypen, habitatsoorten, broedvogelsoorten en niet -broedvogels. Omdat de werkzaamheden van het plangebied buiten het Natura 2000-gebied plaatsvinden heeft dit geen invloed op de oppervlakte van het Natura 2000-gebied. Conclusie Natura 2000 De planlocatie is gelegen op +/- 4,2 kilometer van Natura 2000-gebied Engbertsdijkvenen (figuur 3). Gezien de (effect) afstand tot het Natura 2000-gebied, in relatie tot de geplande ontwikkelingen, worden er geen significante invloeden op de beschermde natuurwaarden of aangewezen (beheer)doelstellingen. Externe werking zal naar verwachting niet optreden. Een voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht. 20 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK 5.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Figuur 4 - Gelegen binnen Natuurnetwerk Overijssel. Conclusie Natuurnetwerk Nederland Aangezien het plangebied is gelegen buiten het NNN van Overijssel (figuur 4), is nadere toetsing niet aan de orde. Een Ja, mits toetsing wordt niet noodzakelijk geacht.
21 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK 5.3 Stikstofdepositie Met betrekking tot de bepaling van mogelijke nadelige gevolgen als gevolg van de depositie van stikstof, is er met betrekking tot de toetsing van Natura 2000 -activiteiten in de wet een verplichting opgenomen tot het gebruik van Aerius Calculator (artikel 4.15 Or). Vooralsnog blijft de inhoudelijke beoordeling met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000 -gebieden grotendeels hetzelfde als onder de Wnb. Onder de Ow wordt het Programma stikstofreductie en natuurverbetering voortgezet. Ook de beleidsregels met be trekking tot intern en extern salderen blijft voorlopig onveranderd, al is er wel een internetconsultatie afgerond voor het vergunning plichtig stellen van intern salderen. In de Ow is de mogelijkheid opgenomen voor vergunningverlening voor Natura 2000 - activiteiten met een stikstofdepositie op basis van stikstofdepositieruimte volgens een register (huidig stikstofregistratiesysteem (SSRS)). Vanwege de noodzaak, zijn de regels voor het vrijgeven van stikstofdepositieruimte tijdelijk opgenomen in de Or in pla ats van het Bkl totdat Bkl is gewijzigd. De beoordelingsregel voor Natura 2000 -activiteiten met stikstofdepositie betreft vergunningverlening aan de hand van stikstofdepositieruimte in AERIUS Register (art. 17a.2 Or, tijdelijk i.p.v. art. 8.74e Bkl).
AERIUS Register registreert per stikstofgevoelig N2000-gebied wat de stikstofreductie is door stikstofmaatregelen en aan het register zijn gekoppeld. Hierbij is te denken aan onder andere sluitingen varkenshouderijen (art. 17a.3, lid 1 Or). De stikstofdepositie ruimte wordt alleen toebedeeld aan bouw van aardgasvrije woningen, bepaalde snelwegen of gemelde PAS-activiteiten (art. 17a.2, leden 4 en 5 Or). Let op! voor vergunningverlening moet er wel eerst stikstofdepositieruimte zijn! Voor de bouwsector is het van belang dat door inwerkingtreding van de Ow ook het tweede deel van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het bijbehorende Besluit in werking treedt, dat onder meer toeziet op een emissiereductieplicht. Deze pli cht is uitgewerkt in artikel 7.19a van het Bbl en houdt in dat bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden, adequate maatregelen worden getroffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken. Volgens de toelichting van het hiervo or aangegeven besluit moeten initiatiefnemers informatie aanleveren over de maatregelen die bij een concreet project getroffen worden bij het indienen van een sloopmelding aan het bevoegd gezag. Indien er voor de bouwactiviteit een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, moet deze informatie bij deze aanvraag gevoegd worden.
Voor de invulling van de emissiereductieplicht en het treffen van adequate maatregelen is er een programma Schoon en Emissie loos Bouwen (SEB) opgesteld. Op de website www.opwegnaarseb.nl staat meer informatie. De afstand tot depositiegevoelige Natura 2000 -gebieden (inclusief habitatsoorten) is 4,2 kilometer. Het gaat hier om het Natura 2000-gebied Engbertsdijkvenen. Gezien de afstand tot het N atura 2000-gebied in relatie tot de geplande ontwikkelingen wordt er mogelijk stikstofdepositie verwacht in de aanleg - en nieuwe gebruiksfase. Advies / conclusie In relatie tot de geplande ontwikkelingen wordt mogelijk stikstofdepositie verwacht in de aanleg - en nieuwe gebruiksfase. Een Aeriusberekening wordt noodzakelijk geacht. 22 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK 6. Soortbescherming 6.1 Habitatcheck Toetsing aan gebiedsbescherming vindt uitsluitend plaats indien beschermde gebieden in het geding zijn, terwijl toetsing aan de soortbescherming altijd vereist is, zowel binnen als buiten beschermde gebieden. Er is een habitatcheck uitgevoerd met als richtpunt de natuur activiteit. Bij het raadplegen van de soortenindicator via het programma Besi, zijn de volgende resultaten (Figuur 5) naar voren gekomen. Dit geeft de mogelijk nadelige effecten van de werkzaamheden op beschermde plant - en diersoorten weer in het plangebied.
Figuur 5- Rapport beschermde Soorten Indicator (BeSI) @ BIJ12
23 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK 6.2 Flora en fauna Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig (zie paragraaf 3.2) . Naast het gebruik van de Besi is bureauonderzoek uitgevoerd door onder andere het raadplegen van het NDFF en andere databases om een volledig beeld te kunnen krijgen. Flora Het perceel is nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde soorten, zoals korstmossen, orchissen en vaatplanten aangetroffen. Ook de geraadpleegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten op de projectlocatie. Fauna Huismus Deze soort nestelt in bebouwing en is daarmee sterk gebonden aan de mens. Op het plangebied bevindt zich geen bebouwing. Het habitat rondom de planlocatie en in de omgeving (tuinen en bestrating) is geschikt voor de huismus door de aanwezigheid van (groenblijvende) struiken, straatgras, zandbaden en water , dit habitat gaat echter niet verloren. Het voorkomen van de huismus is doorgaans niet gebruikelijk daar de huismus een humane omgeving verkiest als leefgebied. Het plangebied kan niet aangemerkt worden als essentieel aangezien er voldoende alternatieven in de omgeving aanwezig zijn. In de omgeving zijn geen waarnemingen gedaan van de huismus.
Een nader onderzoek naar de huismus wordt niet noodzakelijk geacht vanwege de afwezigheid van bebouwing. Gierzwaluw De gierzwaluw maakt ook gebruik van menselijke bebouwing als nestplaats. Deze 90 - dagenvogel broedt veelal onder dakpannen. Een aantal voorwaarden stelt de gierzwaluw aan zijn nestplaats (kolonie). Een potentiële nestplaats is vrijwel nooit onder de 3 mete r te vinden in verband met het aan - en afvliegen en doorgaans ook niet in de onmiddellijke omgeving van bomen. Gierzwaluwen hebben invliegopeningen nodig van ca 55 x 20 mm. Bovendien nestelt de gierzwaluw bij voorkeur in bebouwde gebieden. Het dak van het pand heeft geen kieren of openingen. Het plangebied heeft geen bebouwing en is daardoor niet geschikt als rust- en verblijfplaats voor de gierzwaluw. Daarnaast heeft het plangebied een ruraal karakter. Bij het raadplegen van NDFF kwam naar voren dat de gierzwaluw niet is waargenomen nabij en op de planlocatie. Een nader onderzoek gierzwaluw wordt niet noodzakelijk geacht. Roek De roek is een kolonievogel die met name voorkomt bij vochtige gras- en bouwlanden, of parklandschappen met vochtige bouwlanden in de buurt. De nesten en verblijfplaatsen bevinden zich meestal in clusters van hogere bomen van 15-25 meter hoogte. De minimale nesthoogte bevindt zich op 7 meter boven het maaiveld, maar het overgrote deel van de nesten bevindt zich hoger dan 14 meter.
De diversiteit aan boomsoorten waarin zich roekenkolonies bevinden is zeer groot. De aanwezigheid van stevige takvorken op een minimale hoogte van enkele meters boven het maaiveld is leidend bij de keuze voor de boomsoort. Zulke bomen met nest- en verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen. 24 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK Categorie 3 De grote gele kwikstaart maakt gebruik van de oeverzones van grote rivieren en kan dus uitgesloten worden van de planlocatie. De ooievaar is te vinden in agrarische cultuurlandschappen waar ze vaak nesten op grote hoogte maken in de wei- of graslanden. Deze nesten zijn niet aangetroffen. Uilen en Roofvogels De steenuil maakt gebruik van kleinschalige agrarische cultuurlandschappen. Deze soort is dan ook vaak te vinden op boerenerven of in holtes van bomen in landelijke omgeving. De kerkuil is een bewoner van (half)open landschappen met name agrarische cultuurlandschappen. Deze soort vestigt zich graag in boerenschuren of kerktorens. Het plangebied heeft een ruraal karakter zonder bebouwing. Bij het veldbezoek zijn enkele berken met holen waargenomen. Bij deze bomen zijn geen braakballen of schijtsporen aangetroffen. In de omgeving zijn geen waarnemingen gedaan van de steen- en kerkuil De oehoe en slechtvalk maken beiden gebruik van oude nesten van kraaiachtige of roofvogels.
De slechtvalk maakt met name gebruik van hoge bebouwing zoals flats aan de rand van stedelijke gebieden. Ze hebben een voorkeur voor open, afwisselende landschappen met weinig bebossing. De Oehoe heeft voorkeur voor beboste gebieden. Het plangebied is voor beide soorten niet habitatgeschikt door aanwezigheid van een pannendak, hoogte van het gebouw en/of bosrijk karakter van de omgeving. De Oehoe is niet waargenomen bij het veldbezoek. Bij het raadplegen van NDFF kwam geen waarneming naar voren. Nesten- of verblijfplaatsen van de eerdergenoemde soorten en de boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief , zwarte wouw en o verige soorten zijn niet aangetroffen. Een nader onderzoek uilen wordt niet noodzakelijk geacht. Spechten en Holtebroeders De bomen in de directe nabijheid van en op de planlocatie zijn in goede conditie. D e bomen, voornamelijk berken, hebben enkele kieren, holten of (scheur)spleten. Spechten of holtebroeders zullen mogelijk indirect verstoord worde n. Nader onderzoek holtebroeders wor dt niet noodzakelijk geacht. Ten aanzien van holtebroeders wordt aangeraden om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren om indirecte verstoring door licht en geluid te voorkomen.
Categorie 5 Van de vogels uit categorie 5 (zie tabel 3) kunnen in de omgeving worden verwacht: vink (Fringillidae), pimpelmees (Cyanistes caeruleus), koolmees (Parus major), ekster (Pica pica) en spreeuw (Sturnus vulgaris). Het plangebied biedt potentie als habitat voor meerdere vogelsoorten uit categorie 5. Vogels uit deze categorie kunnen gemakkelijk uitwijken van leefgebied en z ullen dan ook geen hinder ondervinden van de geplande werkzaamheden. Rust- nest-, of verblijfplaatsen van deze soorten zijn aangetroffen. Beiden de merel en de spreeuw zijn nestelend aangetroffen gedurende het veldbezoek. Ten aanzien van broedvogels wordt aangeraden om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren om indirecte verstoring door licht en geluid te voorkomen. Bonn en Bern Het voorkomen van vogels zoals genoemd in de verdragen van Bonn en Bern kan niet worden uitgesloten. Soorten zoals de graspieper, koekoek, rietgors, rietgors, ringmus, tjiftjaf en andere soorten vallen zowel onder het beschermingsregime Vogelrichtlijn als het beschermingsregime Habitatrichtlijn. Voor deze soorten geldt 25 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK dat ze niet opzettelijk mogen worden verstoord, ongeacht hun staat van instandhouding.
Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust - of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. In het kader van de Omgevingswet wordt voor het broedseizoen ge en standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Advies / conclusie Ten aanzien van vogels worden geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht. Het wordt aangeraden om de werkzaamheden t.o.v. zorgvuldig handelen buiten het broedseizoen uit te voeren. 26 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK Jaarrond beschermde nesten In onderstaande tabel zijn de nesten opgenomen welke door de wetgever in provincie jaarrond beschermd zijn. Een enkel van deze nesten zijn aangetroffen.
Nederlandse naam Bescherming Nederlandse naam Bescherming Nederlandse naam Bescherming Steenuil Categorie 1 Blauwe reiger Categorie 5 Kleine bonte specht Categorie 5 Gierzwaluw Categorie 2 Boerenzwaluw Categorie 5 Kleine vliegenvanger Categorie 5 Huismus Categorie 2 Bonte vliegenvanger Categorie 5 Koolmees Categorie 5 Roek Categorie 2 Boomklever Categorie 5 Kortsnavelboomkruiper Categorie 5 Grote gele kwikstaart Categorie 3 Boomkruiper Categorie 5 Oeverzwaluw Categorie 5 Kerkuil Categorie 3 Bosuil Categorie 5 Pimpelmees Categorie 5 Oehoe Categorie 3 Brilduiker Categorie 5 Raaf Categorie 5 Ooievaar Categorie 3 Draaihals Categorie 5 Ruigpootuil Categorie 5 Slechtvalk Categorie 3 Eidereend Categorie 5 Spreeuw Categorie 5 Boomvalk Categorie 4 Ekster Categorie 5 Tapuit Categorie 5 Buizerd Categorie 4 Gekraagde roodstaart Categorie 5 Torenvalk Categorie 5 Havik Categorie 4 Glanskop Categorie 5 Zeearend Categorie 5 Ransuil Categorie 4 Grauwe vliegenvanger Categorie 5 Zwarte kraai Categorie 5 Sperwer Categorie 4 Groene specht Categorie 5 Zwarte mees Categorie 5 Wespendief Categorie 4 Grote bonte specht Categorie 5 Zwarte roodstaart Categorie 5 Zwarte wouw Categorie 4 Huiszwaluw Categorie 5 Zwarte specht Categorie 5 IJsvogel Categorie 5 Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Omgevingswet het gehele seizoen: Categorie 1.
Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). Categorie 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). Categorie 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). Categorie 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Categorie 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestig en. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5 -soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
Indien dit het geval is, is een omgevingscheck benodigd. 27 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK Jaarrond beschermde nesten Overijssel Provincie Overijssel heeft conform eigen beleidsregels een lijst met jaarrond beschermde nesten opgesteld.
28 NATUURWAARDENONDERZOEK 52122 – VINCKENWEG - VRIEZENVEENSEWEG GEESTEREN HARDERWIJK Vleermuizen Het leefgebied van beschermde vleermuizen (artikel 3.5 Habitatrichtlijn bijlage IV) bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. In de toelichting vleermuizen (volgende pagina) worden deze onderdelen nader toegelicht. Bij alle typen verblijfplaatsen zijn onder andere de volgende aspecten relevant: • Microklimaat: temperatuur, verschillende temperaturen binnen één object (gradiënten), snelheid van opwarmen of afkoelen (bufferwaarde) en vochtigheid. Essentieel is dat de verblijfplaats tochtvrij is in verband met de temperatuurregulatie en het voorkomen van uitdroging in de winter. Winterverblijven moeten daarnaast grotendeels vorstvrij zijn. • Licht: er mag geen lichtbron vlakbij zijn. • Locatie en eigenschappen van de in- en uitvliegopeningen: de aanvliegroute moet vrij van obstakels als takken of bomen zijn. Ook mag de verblijfplaats niet via bijvoorbeeld een afdakje bereikbaar zijn voor katten en dergelijke. Geen obstakels, zoals steige rs, steigerdoek of hoge begroeiing, voor de ingang. • Materiaal: de binnenkant moet ruw zijn (geen glad beton of hout), niet geverfd en niet op den duur gaan rafelen. • Ruimtegebruik en veiligheid (tegen predatoren). • Ligging ten opzichte van de andere functies in het leefgebied.