Bijlage VTSBP Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse - toelichting en regels.pdf
Tekst van het document
Er is sprake van een goede invulling in het buitengebied van Tubbergen. 3.3.4
Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'
De gemeente Tubbergen heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Tubbergen heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Dinkelland, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1.
Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets
28
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
In het ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 1 is uitgewerkt dat met de plannen het Casco op de locatie behouden en versterkt wordt. Het plan is in lijn met de uitgangspunten van de cascobenadering. 3.3.5
Conclusie gemeentelijk beleid
De voorgenomen ontwikkeling past binnen het gemeentelijk van toepassing zijnde beleid en levert bovendien een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op.
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
29
30
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Er wordt middels dit bestemmingsplan een bestaand recreatieterrein (reguliere camping) getransformeerd naar een kleinschalig verblijfsrecreatiief ecopark. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied is daarmee reeds verblijfsrecreatie.
Een dergelijke ontwikkeling vindt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage de meeste aansluiting bij nummer 10 (aanleg, wijzgiing of uitbreiding recreatieve of toeristische voorzieningen). De m.e.r.- plicht geldt bij projecten met een bezoekersaantal van 250.000 bezoekers of meer per jaar of een oppervlakte van 25 ha of meer, dan wel 10 ha of meer in een gevoelig gebied een onderzoek verricht dient te worden naar de gevolgen voor het milieu. Van een dergelijk grootschalige ontwikkeling is geen sprake. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Of sprake is van de activtiteit zoals bedoelt in D-lijst, nummer 10 hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging met de ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. In onderhavig plan betreffen de activiteiten een transformatie van een bestaande toeristische voorziening. De aard van de ontwikkeling betreft juist een extensivering van het terrein.
In plaats van het voorgaande gebruik (camping met 110 kampeerplekken en 18 plekken voor stacaravans) wordt in de toekomstige situatie een recreatiepark met 25 duurzame recreatiebungalows verspreid gesitueerd binnen het plangebied. De omvang van de ontwikkeling wijzigt niet als gevolg van de plannen; het bestaande recreatieterrein wordt qua omvang immers gehandhaafd. Een uitbreiding is niet aan de orde. Uit voorgaande volgt dat de onttwikkeling in algemene zin niet te kwalificeren is als een activiteit als bedoeld in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld.
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
31
4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets De recreatieve functies op het perceel kunnen aangemerkt worden als kampeerterrein, vakantiecentra, e.d. (met keuken). Deze activiteiten kunnen gerangschikt worden onder categorie 3.1. Er is sprake van een rustig gebied, waardoor rekening moet worden gehouden met de indicatieve afstand van 50 meter. Het aspect geluid brengt de grootste afstand van 50 m met zich mee. Externe werking In de bestaande situatie bedraagt de afstand van het plangebied tot de dichtstbijgelegen woning (Denekamperweg 227) circa 45 m. De transformatie van het plangebied brengt geen verandering in onderlinge afstand, waardoor er voor wat betreft bedrijven en milieuzonering in feite geen wijzigingen worden aangebracht. Bovendien zijn de huidige activiteiten (kampeerterrein, camping) en toekomstige activiteiten (recreatiebungalows) vergelijkbaar, maar moet worden aangegeven dat het terrein geextensiveerd wordt. Zoals eerder aangegeven van 110 kampeerplekken en 18 plaatsen voor stacaravans naar 25 recreatiebungalows. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. 32
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
De recreatieverblijven zelf worden niet aangemerkt als een milieugevoelige functie. Wel worden de objecten in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij aangemerkt als geurgevoelige objecten. Bij de omliggende veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veehouderijen bepalend. Hier wordt in de paragraaf voor geur (4.3) in dit hoofdstuk nader op ingegaan. Conclusie Geconcludeerd wordt derhalve dat voldaan wordt aan een zorgvuldige ruimtelijke ordening en het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de plannen.
4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets In de omgeving van het plangebied ligt een veehouderij (niet intensief) aan de Beekzijdeweg 25 in Vasse (320 m van het plangebied) en een veehouderij (niet intensief) aan de Hooidijk 31 in Vasse, 330 m van het plangebied. De locaties voldoen ruimschoots aan de vaste afstanden van 50 m, waardoor voor geur sprake is van een aanvaardbare situatie. Bovendien geldt in alle gevallen dat er tussengelegen woningen aanwezig zijn, waardoor enerzijds geen sprake is van belemmeringen voor de betreffende bedrijfslocaties en anderzijds een bescherming van goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Door Terra Agribusiness is op de locatie gelegen aan de Tutenbergweg 6, kadastraal bekend gemeente: Tubbergen, Sectie: P, nummer(s): 409 en 203 is op 8,9 en 10 november 2021 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707 uitgevoerd. Het rapport is bijgevoegd in Bijlage 2.
De locatie bevindt zich aan de Tutenbergweg 6 in het buitengebied van Vasse. De locatie betreft de voormalige camping “Camping de Tutenberg”. Initiatiefnemer is voornemens om circa 25 recreatiebungalows en een woning te bouwen op de locatie. Verkennend bodemonderzoek NEN5740
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
33
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740, NEN5707 en NEN5897. Gehele locatie In de bovengrondmengmonsters BM3 t/m BM10 zijn geen verhogingen aangetroffen. In de ondergrondmengmonsters OM1, OM2 en OM3 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. In de grondwatermonsters Pb8wm1 en Pb9wm1 zijn lichte verhogingen naftaleen aangetroffen. Vml dieseltank + chlooropslag In het bovengrondmengmonster BM2 zijn geen verhogingen aangetroffen. Ter plaatse van deze deellocatie is geen grondwater aangetroffen op een boordiepte van 5,50 m -mv. Zwembad In het bovengrondmengmonster BM1 zijn geen verhogingen aangetroffen. In de grondwatermonsters Pb1wm1 zijn lichte verhogingen xylenen (som), chloroform, minerale olie en naftaleen aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" & NEN5897 "asbest in puin" Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van deze deellocaties geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. De maaiveldinspectie werd beperkt door de aanwezige vegetatie.
Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetroffen, met uitzondering van MM8. Het mengmonster MM8 is licht asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Grindpaden Ter plaatse van de grindpaden zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; 34
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Toets Het plangebied betreft een bestaand verblijfsrecreatief terrein. De recreatieverblijven worden niet aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. De toekomstige bedrijfswoning wordt gerealiseerd op ruime afstand ten opzichte van omliggende wegen. Bovendien is de dichtstbijzijnde weg (Tutenbergweg) onverhard en niet geschikt voor doorgaand verkeer. Vanuit het aspect wegverkeerslawaai gelden derhalve geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Er blijft sprake van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect geluid.
4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets De beoogde ontwikkeling voorziet in een transformatie van het recreatieterrein. Bepaald moet worden of er extra verkeersbewegingen voortkomen vanuit deze ontwikkeling die een effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse.
Voor het bepalen van de huidige verkeersgeneratie is aangesloten bij de CROW-publicatie 381. Daarbij is eerst de omgevingstype van het plangebied (buitengebied) bepaald en de stedelijkheidsgraad (niet-stedelijk). In de huidige situatie is er plaats voor 110 kampeerplekken en 18 stacaravans. Voor de kampeerplekken is aangesloten bij de verkeersgeneratie voor een camping in het buitengebied, te weten maximaal 0,4 verkeersbewegingen per standplaats komende bij 44 verkeersbewegingen. Voor de stacaravans is aangesloten bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
35
bij de verkeersgeneratie voor bungalowpark in het buitengebied, te weten maximaal 2,8 verkeersbewegingen per bungalow komende bij afgerond 50 verkeersbewegingen. Wat betreft de bedrijfswoning bedraagt het aantal dagelijkse verkeersbewegingen maximaal 8,6, afgaande van een vrijstaande woning in het buitengebied. Er zullen 25 recreatiebungalows, een beheerderswoning en een opslaggebouw worden gerealiseerd. De recreatiebungalows kunnen in de CROW-publicatie 381 worden ondergeschaald bij 'Bungalowpark (huisjescomplex), waarbij per bungalow/huisje een maximale verkeersgeneratie geldt van 2,8 verkeersbewegingen per dag. Uitgaande van 25 verblijven komt dit neer op 70 verkeersbewegingen. Voor de beheerderswoning wordt in de uitgave voorzichtigheidshalve uitgegaan van een vrijstaande woning, oftewel een maximale verkeersgeneratie van 8,6 verkeersbewegingen per dag. Het opslaggebouw kan in de uitgave ondergeschaald worden bij 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf). Per 100 m² geldt er een verkeersgeneratie van dagelijks maximaal 5,7 verkeersbewegingen inclusief zwaar vrachtverkeer. Voor een opslaggebouw van 160 m² groot geldt derhalve een verkeersgeneratie van afgerond 9 verkeersbewegingen. In de huidige situatie zijn daarmee afgerond 103 verkeersbewegingen te verwachten. In de toekomstige situatie is dit afgerond 88 verkeersbewegingen.
Daarmee is er geen sprake van extra verkeer en niet in betekende mate sprake van effect op de luchtkwaliteit (zelfs een verbetering t.o.v. de huidige situatie). Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.
Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. 36
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
Toets
Figuur 4.2: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 3,1 km van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. De dichtstbijzijnde risicobron betreft een bewaarplaats voor vuurwerk. Derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.
De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
37
inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.
Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 2 februari 2022 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 3. Op basis van die watertoets is de standaard waterparagraaf van toepassing verklaard. Nader contact met het waterschap toont echter aan dat het waterschap de normale procedure van toepassing acht.
Tegelijkertijd doet het waterschap de volgende bevindingen: "Bij de digitale watertoets hadden de vragen over de aantallen wooneenheden en toename verhard oppervlak inderdaad met ja moeten worden beantwoord, en daarmee was het plan in de normale procedure terechtgekomen in plaats van in de korte procedure. Dit betekent dat de initiatiefnemer op grond van de digitale watertoets contact op had moeten nemen met het waterschap. Het aantal wooneenheden is vooral van belang vanwege de toename in de hoeveelheid afvalwater die via het gemeentelijk rioolstelsel naar de rwzi wordt afgevoerd. Er is echter geen grote toename van het afvalwater te verwachten, aangezien in de huidige situatie ook al sprake was van stacaravans. De toename van het verhard oppervlak is zodanig dat in dit gebied geen nadelige gevolgen voor de waterhuishouding worden voorzien. Wel is het van belang dat er aandacht wordt geschonken aan de wijze waarop met hemelwater wordt omgegaan. Het waterschap voorziet dus geen negatieve gevolgen van de ontwikkeling voor de waterhuishouding en kan hiermee instemmen. Over het plan is overigens wel contact gezocht met het waterschap over de verlegging van een watergang over het terrein van de camping.
Het waterschap is akkoord gegaan met deze ontwikkeling en heeft voor de herinrichting van de beek reeds een vergunning afgegeven.” Voor wat betreft vuilwater wordt gebruik gemaakt van het aanwezige drukriool. Het hemelwater wordt op de locatie geinfiltreerd en eventueel vertraagd afgevoerd naar de beekzone aan de zuidzijde van het plangebied. Hier verkrijgt de beek (zoals in de planbeschrijving aangegeven) een royale zone om in te stromen en is daarmee ook geschikt voor de opvang van hemelwater. Binnen het plangebied wordt de hoeveelheid verharding zo min mogelijk gehouden. Zo wordt de toegang tot het terrein beperkt tot een lusvormige weg die een ronde 38
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
maakt binnen het plangebied. Het parkeerterrein wordt aangelegd met behulp van grasbetonklinkers, waardoor hemelwater kan infiltreren. Bij realisatie van het voorgenomen initiatief wordt dan ook rekening gehouden met de uitgangspunten vanuit het waterschap Vechtstromen. Voorliggend plan houdt in voldoende mate rekening met het aspect water.
4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing 4.9.1
Quickscan Natuurwaarden
Door Natuurbank Overijssel is een quickscan natuurwaarden (projectnummer 3767, d.d. 19-01-2022) uitgevoerd voor de ontwikkeling. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 4. De bevindingen luiden als volgt: Aan de Tutenbergweg 6 te Vasse is camping ‘De Tutenberg’ gevestigd. Er zijn concrete plannen om de camping om te vormen naar een verblijfsrecreatieterrein met recreatiebungalows. Onderdeel van de plannen is het slopen van bebouwing. Omdat overtreding van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming, Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland in beeld te brengen. In het rapport (eerdergenoemde bijlage) worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 12 oktober 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland.
Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort gedeeltelijk tot Natuurnetwerk Nederland, Ontwikkelopgave Natura 2000 en Natura 2000-gebied. Het perceel dat tot Natuurnetwerk Nederland behoort blijft ongewijzigd qua gebruik, het deel van het plangebied dat aangewezen is als Ontwikkelopgave Natura 2000 krijgt deels een natuurlijke inrichting. Deze inrichting is niet strijdig met de beleidsregels voor de bescherming van Natura 2000-gebied, zoals opgenomen in de Provinciale ruimtelijke verordening. De wenselijke inrichting en gebruik van het deel van het plangebied dat tot Natura 2000 behoort, leidt niet tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Omdat sprake is van afname van stikstofemissie, hoeft geen stikstofberekening uitgevoerd te worden. Ondanks dit gegeven is vanwege de zeer nabije ligging ten opzichte van Natura 2000 een AERIUS berekening uitgevoerd. Zie hiervoor paragraaf 4.9.2 voor de bevindingen. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.
Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats, bezetten vleermuizen er een verblijfplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen en hun vaste rust- en voortplantingsplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen dient aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden. Dit onderzoek bestaat uit minstens vijf bezoeken aan het plangebied in de periode half mei-half september (half oktober). Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd en de bebouwing gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
39
bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier en (winter)rustplaats van een beschermd amfibie beschadigd en vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten en amfibieënsoorten, die een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Mits geen beschermde amfibieën of beschermde grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Onderdeel van het werken volgens een gedragscode, is het opstellen van een ecologisch werkprotocol en het werken buiten de kwetsbare periode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming de uitvoerbaarheid van het voorliggend bestemmingsplan niet in de weg staat. Voor wat betreft de functie van de te slopen gebouwen voor vleermuizen is nader onderzoek uitgevoerd. In paragraaf 4.9.3 worden de uitkomsten van dit onderzoek besproken. 4.9.2
Stikstofdepositie
De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator. De rapportage is te vinden in Bijlage 5. In alle situaties is er gerekend voor het rekenjaar 2023. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. Uitkomsten AERIUS Calculator Referentiesituatie In de huidige situatie is er een NOx-emissie van 6,1 kg/j en een NH3-emissie van 0,8 kg/j. Er zijn rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De hoogste bijdrage bedraagt 0,21 mol/ha/j bij het Natura 2000-gebied ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’. Aanlegfase De totale NOx-emissie als gevolg van de realisatie van de beoogde ontwikkeling bedraagt 7,4 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,2 kg/j. Er zijn rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De hoogste bijdrage bedraagt 0,13 mol/ha/j bij het Natura 2000-gebied ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’. Gebruiksfase De totale NOx-emissie als gevolg van het gebruik van het plangebied in de toekomstige situatie bedraagt 4,4 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,3 kg/j. Er zijn rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De hoogste bijdrage bedraagt 0,07 mol/ha/j bij het Natura 2000-gebied ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’. Conclusie aangaande stikstofdepositie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel stikstof als ammoniak vrij.
Door uitvoering van de AERIUS-berekening is aangetoond dat dit zowel in de referentiesituatie, aanleg- als gebruiksfase sprake is van een hoger rekenresultaat dan 0,00 mol/ha/j. De hoogste bijdrage bedraagt 0,21 mol/ha/j in de referentiesituatie, 0,13 mol/ha/j in de aanlegfase en 0,07 mol/ha/j in de gebruiksfase. Aangezien in alle situaties sprake is van een meetbare depositie die neerslaat in het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’ is er zowel voor de aanleg- als gebruiksfase een verschilberekening gemaakt, waarin de depositie in deze fasen zijn afgezet tegenover de depositie in de referentiesituatie. Door uitvoering van de verschilberekening is aangetoond dat er sprake is van een afname van depositie. Zo bedraagt de afname in de verschilberekening tussen de aanlegfase en referentiesituatie 0,08 mol/ha/j. De afname in de verschilberekening tussen de gebruiksfase en referentiesituatie bedraagt 0,14 mol/ha/j. Geconcludeerd kan worden dat als gevolg van de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling en het gebruik van de toekomstige functies binnen het plangebied de depositie van stikstof en ammoniak in stikstofgevoelig Natura 2000-gebied zal afnemen. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit 40
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Sprigendal & Dal van de Mosbeek’, maar juist tot een verbetering. Hierdoor wordt een nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. De resultaten van de AERIUS calculator 2022 worden betrouwbaar geacht en zijn bruikbaar bij ruimtelijke plannen. Vanuit de Wet natuurbescherming worden geen belemmeringen aanwezig geacht voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.9.3
Vleermuizenonderzoek
In de periode juni-september 2022 is bebouwing aan de Tutenbergweg 6 te Vasse onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. De rapportage is bijgevoegd in Bijlage 6. Uit het onderzoek kwam naar voren dat vleermuizen geen verblijfplaats bezetten in de te slopen bebouwing. Het uitgevoerde onderzoek voldoet aan het vleermuisprotocol 2021. Het onderzoek is volledig uitgevoerd, onder gunstige weersomstandigheden. Conclusie Als gevolg van de voorgenomen sloop van de gebouwen, wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen verblijfplaats verstoord, beschadigd of vernield. Het slopen van de bebouwing in het plangebied leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden.
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Op basis van de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Tubbergen zijn de kenmerken 'stuwwalhellingen met droge zandige en/of grindrijke bodems' en 'stuwwalhellingen met vochtige zandige of kleiige bodems' op het plangebied van toepassing.
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
41
Figuur 4.4: uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Tubbergen) Op basis van het kenmerk 'stuwwalhellingen met droge zandige en/of grindrijke bodems' geldt de 'zwaarste' bescherming aangaande archeologie en hierbij geldt dat bij in bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Toets Binnen het plangebied zullen grondwerkzaamheden (dieper dan 40 cm) plaatsvinden voor de realisatie van de nieuwe bedrijfswoning, bijgebouw en materiaalschuur. De materiaalschuur komt daarbij op de locatie van het bestaande bouwwerk, waar grond dus reeds geroerd is. De toekomstige recreatieverblijven betreffen prefab recreatieverblijven die op paalfunderingen worden aangebracht. Derhalve zijn grondwerkzaamheden voor deze objecten slechts beperkt noodzakelijk. De totale oppervlakte aan bodemingrepen dieper dan 40 cm binnen dit kenmerk als gevolg van de plannen zal dan ook niet groter zijn dan 2.500 m2. Archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van Overijssel kan worden afgeleid dat er zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen in de directe nabijheid bevinden. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
42
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
4.11
Verkeer en parkeren
4.11.1 Verkeersgeneratie Voor het bepalen van de huidige verkeersgeneratie is aangesloten bij de CROW-publicatie 381. Daarbij is eerst de omgevingstype van het plangebied (buitengebied) bepaald en de stedelijkheidsgraad (niet-stedelijk). In de huidige situatie is er plaats voor 110 kampeerplekken en 18 stacaravans. Voor de kampeerplekken is aangesloten bij de verkeersgeneratie voor een camping in het buitengebied, te weten maximaal 0,4 verkeersbewegingen per standplaats komende bij 44 verkeersbewegingen. Voor de stacaravans is aangesloten bij de verkeersgeneratie voor bungalowpark in het buitengebied, te weten maximaal 2,7 verkeersbewegingen per bungalow komende bij afgerond 49 verkeersbewegingen. Er zullen 25 recreatiebungalows worden gerealiseerd in plaats van de huidige verblijfsrecreatie. De bungalows kunnen in de CROW-publicatie 381 worden ondergeschaald bij 'Bungalowpark (huisjescomplex), waarbij per bungalow/huisje een maximale verkeersgeneratie geldt van 2,7 verkeersbewegingen per dag. Uitgaande van 25 huisjes komt dit neer op 68 verkeersbewegingen per dag. In de huidige situatie zijn daarmee afgerond 93 verkeersbewegingen te verwachten. In de toekomstige situatie is dit afgerond 68 verkeersbewegingen. Daarmee is er geen sprake van extra verkeer. Het plangebied wordt ontsloten via de Tutenbergweg. Deze weg is in de huidige situatie ook de toegangsweg.
Er is geen toename van verkeer, waardoor de verkeersgeneratie eenvoudig via de huidige weg kan worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. 4.11.2 Parkeren Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. Conform de normen vanuit CROW-publicatie 317 en conform het beleid Bouwen en Parkeren 2018 staat hiervoor volgens het kenmerk 'Bungalowpark (huisjescomplex)' een parkeerbehoefte van 2,1 per bungalow. Daarmee in totaal een behoefte van afgerond 53 parkeerplaatsen. Voor parkeren is aan de noordzijde van het plangebied een zone beschikbaar, alwaar gasten en bezoekers kunnen parkeren. Er is bewust gekozen om de auto's ten behoeve van het park op één locatie in het plangebied te laten parkeren. Dit zodat de auto's zo min mogelijk impact hebben op het landschappelijke en natuurlijke karakter van het park. Het terrein zal worden voorzien van grasbeton op de parkeervakken en de rijroute, ingepast met gras en groenstructuur. Een indicatieve weergave van de parkeergelegenheid (parkeervakken 2,5 m * 5,5 m) is zichtbaar in figuur 4.5.
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
43
Figuur 4.5: indicatieve weergave parkeerterrein, capaciteit max. 63 parkeerplaatsen Voor wat betreft de bedrijfwoning wordt parkeergelegenheid gerealiseerd nabij de woning en bijgebouw. Hier is voldoende ruimte om een aantal voertuigen te kunnen parkeren. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.
44
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2 Toelichting op de regels 5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
45
om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.
De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Enkelbestemmingen 'Bos - Natuur'; 'Groen'; 'Recreatie - Verbijfsrecreatie 1'; Dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3'; 'Waarde - Archeologie 4'; 'Waarde - Ecologie' De twee eerstgenoemde enkelbestemmingen hangen nauw samen met de landschapsstructuren en groene omkadering van het recreatieterrein. De bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 1' is toegekend aan het recreatieterrein zelf en betreft een maatwerkbestemming om de beoogde herontwikkeling van het terrein mogelijk te maken. Binnen de bestemming is de herbouw van bedrijfsgebouwen mogelijk en zijn 25 recreatiewoningen in de vorm van bungalows binnen de planregels toegestaan. 46
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
De dubbelbestemmingen archeologie 3 en 4 zijn opgenomen om de archeologische waarden te beschermen. Ten slotte is de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie' opgenomen om de natuurwaarden van beschermd natuurgebied in de omgeving te beschermen, deze is conform bestaand overgenomen. Er is zoveel mogelijk aangesloten is bij de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2016' en het daar opvolgende veegplan van de gemeente Tubbergen. Elementen die echter niet van toepassing zijn in het voorliggende bestemmingsplan zijn niet meegenomen. Dit geldt ook voor diverse begrippen bij de inleidende regels.
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
47
48
bestemmingsplan Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.