CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage VTSBP - Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 25 oktober 2022, gemeente TubbergenBij agendapunt: 10: Bestemmingsplan ‘Buitengebied Landgoed Dikkersweg ong’27.975 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke omgevingsvisie. 3.3.2

Woonvisie 2021+

De 'Woonvisie 2021+' is op 6 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Tubbergen vastgesteld. De woonvisie bevat het woonbeleid van de gemeente Tubbergen voor de komende jaren en is gebaseerd op cijfers, trends en ontwikkelingen op de woningmarkt. Met het vaststellen van de woonvisie biedt de gemeenteraad een kwantitatief en kwalitatief kader voor woningbouwontwikkelingen in de gemeente Tubbergen. Woningbouwprogramma Voor de periode 2020-2030 gaat de gemeente uit van een woningbehoefte van 640 woningen. Vanwege de huidige druk op de markt wil de gemeente deze woningbouwopgave zoveel mogelijk tussen 2020 en 2025 realiseren. Daarnaast houdt de gemeente een ruimere plancapaciteit aan dan enkel te koersen op de verwachte woningbehoefte. De ervaring leert dat een deel van de plannen vertraging oploopt of helemaal niet doorgaat. De gemeente wil hier tijdig op kunnen inspelen. Er wordt uitgegaan van een zachte plancapaciteit van 130%, zo'n 830 woningen. De prognose is vertaald in een woningbouwprogramma per kern. De gemeente geeft echter ruimte aan goede plannen die mogelijk de woningbehoefte per kern overstijgt. Hieronder is de woningbehoefte per kern opgenomen. Voor het buitengebied worden 40 tot 50 woningen gereserveerd.

28

bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong.

Figuur 3.6: overzicht behoefte en plancapaciteit kernen gemeente Tubbergen Bouwen in het buitengebied Er blijven op beperkte schaal mogelijkheden voor woningbouw in het buitengebied. Die zijn vooral gekoppeld aan de rood voor rood regeling. Door de gestage daling van het aantal agrarische bedrijven hebben we in de afgelopen jaren een toename gezien in het aantal aanvragen voor de rood voor rood regeling. Woningbouw op deze plekken biedt de mogelijkheid om vrijgekomen agrarische bebouwing te verwijderen. Het is wel belangrijk dat de te realiseren woningen tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied leiden. Kwaliteitskader Woningbouw 2021 Naast de woonvisie is separaat ook een Kwaliteitskader opgesteld. Het geeft een woningbehoefteprofiel per doelgroep op gemeenteniveau en uitgewerkt per kern. Het buitengebied wordt niet specifiek genoemd. Daarom zal alleen ingegaan worden op het Kwaliteitskader voor doelgroepen. Deze profielen zijn richtinggevend voor de toekomstige woningbouwopgave. In het Kwaliteitskader Woningbouw 2021 worden vier doelgroepen genoemd: starters, doorstromers, gezinnen en senioren. Een landgoed met landhuis zal vooral interessant en betaalbaar zijn voor vermogende doelgroepen. Dit zal derhalve met name doorstromers en gezinnen zijn. Zowel doorstromers en gezinnen hebben een sterke voorkeur voor grondgebonden woningen.

De woonwensen van beide doelgroepen zijn redelijk vergelijkbaar, alhoewel gezinnen vaker neigen naar een vrijstaand woonhuis. Kavels dienen dan met name tussen de 400 tot 500 m² (of meer) te zijn. Vooral gezinnen zoeken in het dure segement. Toets Prognoses laten zien dat er voor het buitengebied behoefte is aan 40 tot 50 ectra woningen. Met dit bouwplan wordt één woning (landhuis) in het buitengebied toegevoegd. Tegenover het mogelijk maken van het landhuis staat een fors investering in ruimtelijke kwaliteit. Er wordt ten minste 4,35 hectare nieuwe natuur aangelegd. De bouw van het landhuis is noodzakelijk om het landgoed rendabel te krijgen en te houden, de bouw van het landhuis en de aanleg van het landgoed kunnen dan ook niet los van elkaar worden gezien. Het realiseren van deze woning (landhuis) past binnen de beschikbare contigenten. Ook in kwalitatieve zin moet het voorliggende plan in een behoefte voorzien. Wonen in het buitengebied is onverminderd populair. Plekken in het buitengebied van de gemeente Tubbergen komen maar sporadisch vrij. Met voorgenomen plan wordt er een mogelijkheden gecreerd op voor een specifieke doelgroep in deze wens te voorzien. Ter compensatie van dit woonrecht wordt er flink geinvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijk woonbeleid. 3.3.3

Ontwikkeling van nieuwe landgoederen in de gemeente Tubbergen 2011

Op 19 september 2011 heeft de gemeenteraad van Tubbergen het beleidsdocument ‘gemeentelijk beleid ten aanzien van de ontwikkeling van nieuwe landgoederen in de gemeente Tubbergen 2011’ vastgesteld. Het provinciale beleid ten aanzien van de ontwikkeling van landgoederen is hierin beschreven. Aan de gemeentelijke toetsingscriteria uit paragrafen 3.1 (gebieden) en 3.2 (algemene randvoorwaarden) moet elke aanvraag voldoen. Deze vloeien hoofdzakelijk voort uit het provinciale beleid. In de daarop volgende paragrafen zijn aanvullende vragen opgenomen die worden gebruikt om te kijken of het nieuwe landgoed de bestaande waarden van het buitengebied niet onevenredig aantast dan wel het project voldoende maatschappelijke meerwaarde heeft. Op de provinciale regeling en vervolgens de paragrafen uit het gemeentelijk beleid wordt kort ingegaan, waarna vervolgens het voorliggende initiatief is getoetst. Provinciale regeling De provincie bepaalt dat een nieuw landgoed een oppervlakte heeft van minimaal 10 hectare, één landhuis met allure dat exclusief is met een monumentaal karakter en met een inhoud van tenminste 1000 m³. Bij de oppervlakte van 10 hectare wordt er vanuit gegaan dat dit landbouwgrond is die nog niet onder de Natuurschoonwet valt. De oppervlakte van een voormalig agrarisch bouwblok valt dus niet onder de hectares.

Tenminste 30% van het landgoed bestaat uit nieuw bos of een ander natuurdoeltype conform de Natuurschoonwet en 90% van het landgoed is openbaar toegankelijk. Beplanting en landhuis verrijken het landschap. Het nieuwe landgoed vormt een aaneengesloten en samenhangend geheel. De randvoorwaarden voor de aanleg van een nieuw landgoed zijn als volgt: het nieuwe landgoed moet voldoen aan de voorwaarden van rangschikking onder NSW; de aanvraag door een initiatiefnemer voor een nieuw landgoed bestaat uit een beeldkwaliteitplan; een bouwplan voor het woongebouw, een inrichtingsplan voor de tuin en overig terrein, een document bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong. 29

waarin de juridische vormgeving is opgenomen en een exploitatieopzet voor onderhoud en beheer van het gehele landgoed; bij de planontwikkeling worden een architect en een landschapsarchitect betrokken; in de aanvraag is aangegeven welke doeleinden met het nieuwe landgoed worden beoogd en wat de maatschappelijke meerwaarde is voor natuur, landschap, recreatie, cultuur, water en milieu. Deze maatschappelijke meerwaarde moet uit eigen middelen worden gerealiseerd. Naast de eisen van de provincie, heeft de gemeente de volgende aanvullende eisen. Paragraaf 1: Gebieden De provincie biedt ruimte voor het ontwikkelen van nieuwe landgoederen in het grootste deel van de gemeente Tubbergen. De provincie heeft in zone 4 van het streekplan gebieden gemarkeerd waarin de mogelijkheid tot het realiseren van landgoederen is uitgesloten. Ook in weidevogel- en in open grootschalige landschappen, zijn landgoederen niet mogelijk. Ook zijn landbouw-ontwikkelingsgebieden uitgesloten voor de vestiging van nieuwe landgoederen. Tot slot dienen gronden met de bestemming ‘esgronden’ vanwege de landschappelijke kwaliteit (openheid en reliëf (steilranden en bolle ligging) vrij te blijven van bebouwing. Een en ander betekent dat alleen binnen de gebiedsbestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarde” landgoederen kunnen worden gesticht.

Dit komt overeen met de in het bestemmingsplan buitengebied opgenomen regeling ten aanzien van de realisatie van een landhuis op een voormalig agrarisch bouwblok waarbij 800 m² aan bedrijfsgebouwen gesloopt dienen te worden en 1,5 ha aan het landhuis grenzende gronden bijdragen tot een natuur- en landschappelijke versterking. Van deze regeling kan afgeweken worden in die gevallen waarin sprake is van natuurontwikkeling aansluitend aan bestaande (nieuwe) natuur. Op deze manier kan worden bijgedragen aan de realisatie van afgeronde eenheden natuur. Toets: De gronden van de initiatiefnemers liggen in landbouwontwikkelingsgebied. In eerste instantie zijn nieuwe landgoederen op locaties in landbouwontwikkelingsgebied niet mogelijk. In het huidige beleid is echter wel een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Van de regeling kan worden afgeweken in die gevallen waarin sprake is van natuurontwikkeling aansluitend aan bestaande (nieuwe) natuur. Op deze manier kan worden bijgedragen aan de realisatie van afgeronde eenheden natuur. Het beoogde landgoed van de initiatiefnemers is voorzien aan de zuidkant van reeds bestaande natuur. Dit betreft het Dikkersbos, in eigendom van Landgoed Huize Almelo. Door de investering in de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving kan de realisatie van nieuwe natuur conform het landgoedbeleid, verbonden worden aan de reeds bestaande natuur.

Op deze manier wordt er een bijdrage geleverd aan de natuurontwikkeling aansluitend op reeds bestaande (nieuwe) natuur. Daarnaast heeft de ontwikkeling van een landgoed aan de Dikkersbosweg geen negatieve invloed op het functioneren van bedrijven in het landbouwontwikkelingsgebied. Landbouwontwikkelingsgebieden zijn primair bedoeld voor landbouw. In deze gebieden wordt de mogelijkheden gegeven tot uitbreiding en ontwikkeling van bestaande bedrijven en nieuwvesting van intensieve veehouderijbedrijven. De gronden van de initiatiefnemers liggen aan de rand van het huidige landbouwontwikkelingsgebied, tegen de grens met de gemeente Almelo. De directe omgeving van het beoogde landgoed bestaat vooral uit bos- en natuurpercelen aan de noord en westzijde. Er liggen momenteel geen intensieve veehouderijen in de directe omgeving. De ontwikkeling van een landgoed sluit dan ook goed aan op de huidige structuur en heeft geen negatieve invloed op uitbreidingsmogelijkheden van bestaande of nieuwe intensieve veehouderijen. Dit wordt nader getoetst in paragraaf 4.2 Milieuzonering. De ontwikkeling van een landgoed aan de Dikkersbosweg vormt geen belemmering voor (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Daarentegen kan de ontwikkeling van het landgoed juist een bijdrage leveren aan de realisatie van afgeronde eenheden natuur, doordat de ontwikkeling aansluit op bestaande natuur.

De ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van paragraaf 1 van het gemeentelijk beleid ten aanzien van de ontwikkeling van nieuwe landgoederen. Paragraaf 2: Algemene randvoorwaarden Het nieuwe landgoed heeft een oppervlakte van minimaal 10 hectare. Bij de oppervlakte van 10 hectare wordt er vanuit gegaan dat dit landbouwgrond is die nog niet onder de Natuurschoonwet (NSW) valt. De oppervlakte van een voormalig agrarisch bouwperceel valt niet onder de hectares. Aanvullend op de 10 hectare mag per 5 hectare extra nieuw groen één woning worden gebouwd. Het maximaal aantal woningen dat op deze wijze mag worden gerealiseerd is drie. Indien er sprake is van meer dan één woning vertonen de woningen een duidelijke ruimtelijke samenhang. Het nieuwe landgoed moet voldoen aan de voorwaarden van rangschikking onder NSW. 30

bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong.

Het landhuis heeft een minimale inhoudsmaat van 1000 m³. Bestaande, niet functionele, bebouwing wordt gesloopt en slechts karakteristieke bebouwing die bijdraagt aan de landgoedallure mag intact worden gelaten. Het landgoedplan moet voorzien in een goed evenwicht tussen de publieke belangen op gebied van landschap, natuur, milieu en recreatie en de private belangen van de initiatiefnemer in het realiseren van nieuwe rode functies. Een privaatrechtelijke overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente biedt voldoende waarborg tot tijdige realisatie en duurzame instandhouding van het nieuwe landgoed en met name van de groene- en milieuelementen. Er is sprake van een voldoende economische basis voor de wijziging van het bestemmingsplan en de realisatie van het plan. Indien de aanvraag niet voldoet aan de bovengenoemde randvoorwaarden, wordt deze afgewezen. Toets De initiatiefnemers brengt afgrond 10,85 hectare landbouwgrond in voor de realisatie van het landgoed. De landbouwgrond valt nog niet onder de Natuurschoonwet. Het landgoed zal voldoen aan de randvoorwaarden van rangschikking van de NSW en het landhuis zal een inhoudsmaat krijgen van minimaal 1.000 m³. Er is geen bestaande bebouwing aanwezig die gesloopt hoeft te worden. Voor het plan is een landgoedplan opgesteld, deze is opgenomen in Bijlage 1.

Hierin is eveneens een onderscheid gemaakt in de verschillende private en publieke belangen. Ter compensatie van het realiseren van een nieuw landhuis, wordt flink geinvesteerd in de aanleg van nieuwe natuur en recreatieve routes. Er is derhalve sprake van een goed evenwicht in de belangen. Ook zal tussen initiatiefnemer en gemeente een overeenkomst worden gesloten om tot een duurzame instandhouding van het nieuwe landgoed te komen. In het landgoedplan uit Bijlage 1 is hier reeds een aanzet voor gemaakt. Tot slot is er voldoende economische basis om het bestemmingsplan te wijzigen en om tot realisatie van het plan te komen. Het initiatief voldoet aan de bovengenoemde randvoorwaarden uit paragraaf 2. Paragraaf 3: Nieuwe landgoederen en economisch duurzame landbouw De realisatie van een nieuw landgoed mag niet ten koste gaan van de basisfuncties (landbouwbedrijven). Om dit aan te kunnen tonen moet een analyse worden gemaakt van de landbouw in de omgeving van het beoogde nieuwe landgoed. Op basis hiervan kan een check worden gemaakt of de beschikbare gronden niet ook doelmatig ingezet kunnen worden voor areaalvergroting en/of structuurversterking van de nabij gelegen grondgebonden veehouderijen. Mogelijk kan een kavelruilproject mogelijkheden bieden.

Voor een potentieel vestigingsgebied dient een analyse antwoord te geven (in eerste instantie) de eerste twee vragen: Worden er bestaande (landbouw)bedrijven in de directe omgeving van het voorgenomen nieuwe landgoed direct of op termijn beperkt in hun bedrijfsvoering of uitbreidingsmogelijkheden. Worden er geen bestaande grondgebonden toekomstbedrijven in de directe omgeving van het beoogde nieuwe landgoed zodanig in hun toekomstige uitbreidingsmogelijkheden gehinderd door het plan, dat duurzame bedrijfsontwikkeling op hun bestaande locatie niet meer mogelijk is. Toets: Onderstaand figuur 3.7 geeft de omliggende bestemmingen van het plangebied weer. Conform het beleid van de gemeente Tubbergen mogen landbouwbedrijven zo min mogelijk beperkt worden in hun bedrijfsvoering bij de realisatie van een nieuw landgoed. Zoals te zien wordt het plangebied omringd door de bestemmingen ‘Wonen’ (geel), ‘Bos-natuur’ (donkergroen) en ‘Agrarisch’ (lichtgroen). De met rood omlijnde percelen zijn bestaande agrarische bedrijven. De dichtstbijzijnde zijn: Dikkersbosweg 1: een paardenhouderij op ca. 350 meter afstand; Watereggeweg 1 en 1a: een kleinschalig agrarisch bedrijf op ca. 400 meter afstand; Watereggeweg 6 en 6a: een agrarisch bedrijf op ca. 500 meter afstand. Voor een melkveehouderij en een paardenhouderij geldt een richtafstand van 50 meter in verband met geur.

Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. De bestaande agrarische bedrijfsactiviteiten worden met de beoogde landgoedontwikkeling niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Daarnaast wordt op korte termijn geen inplaatsing van een ander agrarisch bedrijf verwacht. Het initiatief voldoet aan de randvoorwaarden uit paragraaf 3.

bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong. 31

Figuur 3.7: uitsnede omliggende agrarische percelen (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Paragraaf 4: Ecologische en hydrologische afwegingen Bij de ecologische afweging is belangrijk of het realiseren van de voorgestelde nieuwe natuur iets toevoegt aan de al bestaande natuur, kwantitatief maar bij voorkeur ook kwalitatief. Zo mogelijk moet ook in het plan verbetering van de hydrologische situatie worden gerealiseerd zoals verdrogingbestrijding, sanering van bodemof oppervlaktewater. Aan de hand van de volgende vragen kan de ecologische en hydrologische afweging worden gemaakt. 1. Leidt de realisatie van het nieuwe landgoed tot een duurzame versterking van de kwantiteit en de kwaliteit van de natuur in het gebied: a. Door areaal vergroting? b. Als stapsteen tussen twee natuurgebieden in? c. Sluit het landgoed aan bij bestaande natuur en bossen? d. Vormt het een onderdeel van ecologische verbindingszone? 2. Passen de beoogde natuurdoelen van het nieuwe landgoed bij de natuurdoelen die gesteld zijn in het natuurgebiedsplan van de provincie voor het gebied in de omgeving? 3. Kan goed inzichtelijk worden gemaakt welke kwantiteit en welke kwaliteit natuur wordt gerealiseerd en geeft het voorgestelde inrichtings- en onderhoudsplan voldoende garanties dat de natuurdoelen ook daadwerkelijk gerealiseerd en duurzaam in stand worden gehouden? 4.

Draagt het plan bij aan de realisatie van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (NNN)? 5. Is het nieuwe landgoed gelegen binnen een gebied dat op grond van het reconstructieplan is aangewezen als extensiveringsgebied? 6. Leidt de realisatie van het nieuwe landgoed tot een verbetering van de hydrologische situatie in het gebied, zoals verdrogingsbestrijding, sanering van bodem- of oppervlaktewater, herstel van natuurlijke waterlopen en oevers? 7. Leidt de realisatie van het nieuwe landgoed tot een verslechtering van de ontwatering van omliggende landbouwpercelen waardoor de landbouwkundige gebruiksmogelijkheden afnemen? Toets: Initiatiefnemers zijn voornemens om circa 4,35 hectare nieuwe natuur te ontwikkelen (40%). Hiermee voldoet het aan de normering van minimaal 30% nieuwe natuur. De nieuwe natuur zal aansluiten op reeds bestaande bos en natuurpercelen. Het landgoed zorgt daarmee voor een duurzame versterking van de kwantiteit én kwaliteit van de natuur in het gebied. Het plangebied is niet opgenomen op de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan 2022 van de provincie Overijssel. Wel is het bestaande bosperceel binnen het plangebied aangeduid als 'Droge heide'. Momenteel is hier geen heide meer aanwezig, maar vanuit cultuurhistorisch perspectief markeert het wel de laatste plek waar de heide was gelegen. Met voorliggend landschapsplan wordt 32

bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong.

het oorspronkelijke landschap (heide), weer teruggebracht. Het plan past goed binnen de natuurdoelen van de provincie Overijssel. Het landschapsplan is tot stand gekomen middels een Natuurpotentieonderzoek inclusief fosfaatonderzoek (Bijlage 3). Hierin is in voldoende mate gebleken dat de verschillende natuurdoelen realiseerbaar zijn en in stand gehouden kunnen worden. Dit is opgenomen in het beheerplan zoals opgenomen in het landschapsplan (Bijlage 1). Het plan sluit wel aan op bestaande natuur (Dikkersbos). Deze natuur is echter niet aangemerkt als NNN. Ook ligt het plangebied niet in extensiveringsgebied. Wel draagt het plan bij aan een verbetering van de hydrologische situatie in het gebied. Uit onderzoek (zie Bijlage 3) blijkt dat de bodems in het plangebied verdroogd zijn. Door de detailontwatering te dempen kunnen de grondwaterstanden deels hersteld worden. Het waterschap kan instemmen met deze plannen. De realisatie van het landgoed leidt dan ook niet tot een verslechtering van de ontwatering van omliggende landbouwpercelen. Paragraaf 5: Landschap Bij de landschappelijke overwegingen speelt met name of de beoogde inrichting en de groene en blauwe en rode elementen in het voorgestelde plan, passen in de omgeving of het landschap dat ter plekke gewenst wordt. Verder speelt het mee of de bestaande situatie erg storend, rommelig of ontsierend is.

In dergelijke gevallen kan er veel ruimtelijke winst worden geboekt. Ook kunnen overwegingen spelen van het creëren van een groene buffer tegen een dorp aan of tegen een storende contour van een bedrijventerrein en dergelijke. Bij stijl en omvang van de nieuwe gebouwen spelen overwegingen die staan in de gemeentelijke welstandsnota. Mogelijk wordt de gemeentelijke welstandsnota nog aangevuld met een specifiek hoofdstuk over nieuwe landgoederen. Hierin moet tot uitdrukking komen dat bij nieuwe landgoederen naar een hoge architectonische kwaliteit wordt gestreefd. De onderstaande vragen gaan in op het aspect landschap. 1. Past het ontwerp en de structuur van het nieuwe landgoed (de groene, blauwe en rode elementen) in het bestaande en/of beoogde landschap zoals dit is vastgelegd in het landschapsontwikkelingsplan? 2. Past de voorgenomen bebouwing qua omvang, locaties en vormgeving (hoogte, bouwstijl en kleurstelling) binnen de kaders van de welstandsnota en een eventueel beeldkwaliteitplan? 3. Wordt het nieuwe rood gerealiseerd op een plek van bestaande bebouwing of is er sprake van nieuwe bouwlocaties? 4. Leidt de realisatie van het nieuwe landgoed tot een verbetering of versterking van het landschap door de aanleg van nieuwe bos- en landschapselementen? 5.

Is er sprake van een bestaande situatie die storend, lelijk of rommelig is en die door en vanwege het plan gesaneerd en verbeterd wordt? 6. Wordt door het plan een groene buffer gecreëerd waardoor een storende contour van bebouwing of andere functie wordt weggewerkt? 7. Is er sprake van versterking of herstel van cultuurhistorische waarden? Toets: Voor de realisatie van het landgoed is een landschapsplan opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 1. Belangrijke uitgangspunten uit dit landschapsplan zijn: onder andere openheid is een schoonheid, benut het bosje om het landhuis stevig te verankeren in het landschap en benut de kans om de oude (natte) heidevelden te herstellen. Voor de slagingskans voor natuurdoeltypen is daarnaast nader advies gevraagd. Hiervoor is een natuurpotentieonderzoek opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 3. Samengevat liggen er kansen om binnen het onderzoeksgebied inrichtingsmaatregelen te treffen om vochtige hooilanden en vochtige/droge heide te ontwikkelen. Het ontwerp en structuur van het nieuwe landgoed past binnen het landschap. Daarnaast is de locatie voor het landhuis en overige bebouwing zorgvuldig gekozen. Er moet sprake zijn van een landhuis met allure van tenminste 1.000 m³. Daartoe is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, deze is opgenomen in Bijlage 2. Voor de plek is resoluut de verbinding gezocht met het bestaande bosje.

Het bestaande bosje is het laatste relict voormalige heide dat later is volgroeid met een (loof)bos. Juist door het bosje vindt de optimale verankering met het landschap plaats. Het landhuis komt, vanuit de Dikkersbosweg gezien, erachter te liggen en is daarmee ook meteen voor een groot gedeelte ingepast (groene buffer). Ook de hoofdlijnen van de architectuur zijn opgenomen in het beeldkwaliteitsplan en akkoord bevonden door het gemeentelijke kwaliteitsteam. Daarnaast is de ontwikkeling getoetst aan het Casco beleid Noordoost Twente. In paragraaf 3.3.4 wordt hier nader op ingegaan. In het plan wordt een bestaand Casco-element aangetast door een deel van de bomen te vellen. Hiervoor in de plaats wordt heide ontwikkeld. Vanuit cultuurhistorisch perspectief heel goed passend op deze locatie. Het Casco-element kan op deze manier juist alleen maar meer versterkt worden en cultuurhistorische waarden van het gebied herstellen. Daarnaast worden met voorliggend plan twee grote Casco-elementen met elkaar veronbden worden. Daarmee blijven elementen behouden en juist verder versterkt. bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong. 33

Het planvoornemen doet daarmee geen afbreuk aan de casco structuur. De realisatie van het landgoed zal juist zorgen voor een verbetering en versterking van het landschap door de aanleg van nieuwe natuur- en landschapselementen. Ook worden cultuurhistorische waarden hersteld en versterkt. De ontwikkeling voldoet aan de eisen die gesteld worden aan de categorie ‘landschap’. Paragraaf 6: Milieuafwegingen Bij de milieuafweging is met name van belang of het nieuwe landgoed een bestaande (over-) belaste milieusituatie saneert. Toets Er is in dit geval geen sprake van de ontwikkeling van een landgoed ter plaatse van een bestaande agrarische bedrijfslocatie. Paragraaf 6 is niet van toepassing. Paragraaf 7: Maatschappelijke en sociale afwegingen Vraag is of het nieuwe landgoed en zijn openstelling de recreatieve mogelijkheden van een gebied vermeerderen. Daarbij kan gekeken worden naar ligging van routes en aansluiting op bestaande voorzieningen. Daarnaast kan de lokale woonbehoefte worden betrokken in het plan. Het voorgaande komt tot uitdrukking in de volgende vragen. 1. Leidt de realisatie van het beoogde nieuwe landgoed met zijn publieke openstelling tot een structurele verbetering van de recreatieve mogelijkheden? a. Is het landgoed goed toegankelijk? b. Is er een aantrekkelijke fiets en/of wandelroute opgenomen in het plan? c. Sluiten deze routes aan op bestaande routes? 2.

Verhoogt realisatie van het beoogde landgoed het woongenot van bewoners in de omgeving? a. Door aantrekkelijkheid van het nieuwe landgoed? b. Door sanering of voorkoming van een ongewenste functie of situatie? 3. Welke bewoners of gebruikers gaan dit landgoed bewonen/gebruiken c.q. kunnen dat gaan doen? a. Is daar vanuit de lokale situatie juist wel of juist geen behoefte aan? b. Draagt het plan bij tot een verbetering van de volkshuisvesting in de gemeente? c. Draagt het plan bij aan de lokale economie? d. Voorziet het in een maatschappelijk behoefte naar de voorgestelde vorm van wonen c.q. werken? Vraag 1 dient positief beantwoord te kunnen worden. Positieve antwoorden op vragen 2 en 3 versterken het plan. Toets Op de gronden van het landgoed worden wandelpaden aangelegd die zoveel mogelijk aansluiten op bestaande wandelpaden van de naastgelegen bos en natuurpercelen. Dit draagt bij aan recreatieve profiel van de omgeving, maar ook aan het woongenot van bewoners en andere bezoekers uit de nabije omgeving. Tot slot zal het landhuis bewoond worden door inwoners uit de gemeente Tubbergen, waardoor het plan voorziet in een lokale behoefte. Het initiatief voldoet aan de randvoorwaarden uit paragraaf 7.

Paragraaf 8: Quotering Teneinde te voorkomen dat in de gebieden die in aanmerking komen voor de ontwikkeling van landgoederen, te veel landgoederen worden ontwikkeld, wordt een maximaal aantal van 3 landgoederen toegelaten binnen deze beleidsregel. Hierbij wordt als het maximaal toelaatbare aantal hectares uitgegaan van 40 hectare. Hiermee wordt een eventuele wildgroei voorkomen. Toets Er is contact geweest met de gemeente Tubbergen. Er is momenteel één andere landgoedaanvraag bekend bij de gemeente Tubbergen. Deze is nog niet in procedure gebracht. Dit betekent dat er nog ruimte is voor de realisatie van maximaal twee nieuwe landgoederen in de gemeente Tubbergen. Het initiatief voldoet aan de randvoorwaarden uit paragraaf 8. Samenvattend Met voorliggende ontwikkeling wordt een nieuw landgoed mogelijk gemaakt aan de Dikkersbosweg in Albergen. In totaal zal 10,85 hectare landbouwgrond worden ingebracht. Hiervan zal 40% worden herbestemd tot nieuwe natuur. De ontwikkeling van natuur zal zoveel mogelijk plaats vinden in directe aansluiting op reeds bestaande natuur. Tot slot worden de gronden van het landgoed zoveel mogelijk openbaar toegankelijk. Er worden wandelpaden en routes aangelegd die aansluiten op reeds bestaande routes. Op deze manier ontstaat een nieuw kwalitatief recreatief gebied.

34

bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong.

Geconcludeerd wordt dat het Landgoed Dikkersbosweg voldoet aan het landgoederenbeleid van de gemeente Tubbergen. 3.3.4

Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'

De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Tubbergen heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Dinkelland, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.8) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.

Figuur 3.8: Fragment casco-kaart (bron: www.overijssel.nl/cascokaart) Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets Met voorliggend plan wordt een bestaand Casco-element (groter dan 0,5 ha.) aangetast. Een gedeelte van dit bos zal worden geveld. Het cascobeleid is echter niet van toepassing op bos groter dan 0.5 hectare. Er mag echter geen onevenredige afbreuk ontstaan aan de kenmerken van het landschapstype en dynamiekklasse (bijlage 1 en bijlage 2 van het Casco-beleid). bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong. 35

Met voorliggend plan is er geen sprake van onevenredige afbreuk. Sterker nog, de kenmerken van het (historische) landschapstype worden alleen maar verder versterkt. De ingreep in het bos en de nieuwe aanplant dragen namelijk bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de herkenning van het landschap. De nieuwe aanplant is robuust en wordt aangeplant langs infrastructuren of perceel randen. Dat is, als er sprake is van beplantingsvormen, herkenbaar. Daarnaast is het vellen van een deel van het bosje en het gebied ontginnen naar heide vanuit cultuurhistorisch perspectief ook zeer waardevol. Voordat het gebied werd ontgonnen naar landbouwgrond, was het gehele plangebied een grootschalig heideveld genaamd 'Alberger Veld'. Enkel een klein gedeelte werd nooit ontgonnen. Dit betreft namelijk het bosperceel (casco-element) binnen het plangebied. Dit deel ligt iets hoger in het landschap en is door de jaren langzaam omgevormd van heide naar (loof)bos. Het bosje is cultuurhistorisch enerzijds weinig waardevol, maar anderzijds markeert het de laatste plek waar de heide was gelegen. Met voorliggend plan wordt het Casco-element dan juist ook alleen maar verder versterkt, namelijk doordat op deze manier een verbinding gemaakt kan worden met de te realiseren natuurontwikkeling van het landgoed (droge- en vochtige heide en vochtig hooiland).

Daarbij is voor het totale project een inrichtingsplan opgesteld gericht op het behoud, herstel en versterken van waarden in het gebied, waaronder het casco-element. De maatregelen en de achtergronden bij deze maatregelen zijn uitgebreid beschreven in het landschapsplan dat als Bijlage 1 bij deze plantoelichting is gevoegd. De uitvoering van het inrichtingsplan is geborgd via een voorwaardelijke verplichting in de planregels. De beoogde herinrichting is in lijn met de doelstelling van het Casco-beleid, waarmee afwijking van het Casco-beleid is gerechtvaardigd.

36

bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong.

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Het plan betreft het realiseren van een nieuw landgoed van ten minste 10 hectare (waarvan ten minste 30% nieuwe natuur). Ter compensatie wordt de bouw van één landhuis van ten minste 1.000 m³ mogelijk gemaakt.

Dit bestemmingsplan voorziet in principe ter plaatse van het landhuis in de bestemming 'Wonen' en voldoet daarmee aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Tevens is er geen sprake van vermelding op de D-lijst. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. Tevens is de zogenaamde ‘vergewisplicht’ niet van toepassing. Wel kan worden opgemerkt dat de locatie van de wooneenheid niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied is gelegen en ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft voor de omgeving. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Dit temeer omdat het plangebied op (zeer) ruime afstand (ca. 9,5 km afstand) van het plangebied van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen en de ontwikkeling relatief beperkt van aard is.

Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Dit is tevens bevestigd in de voorgaande milieu- en omgevingsaspecten. Geconcludeerd wordt dat de bouw van één woning is in algemene zin niet te kwalificeren als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld.

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong. 37

functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype.

De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend agrarische functies aanwezig. Daarnaast liggen er verspreid in de omgeving enkele woonpercelen. Gesteld kan worden dat het plangebied is gelegen in het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied'. Toets Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking) Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In voorliggend geval wordt een landhuis toegevoegd aan de Dikkersbosweg. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake.

Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Naast burgerwoningen bevinden zich in de directe omgeving met name agrarische bedrijven. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf ligt aan de Dikkersbosweg 1 in Albergen. Dit betreft een paardenhouderij. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter in verband met geur. Het beoogde landhuis is beoogd op ten minste 300 meter afstand van het erf aan de Dikkersbosweg 1. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. De overige 38

bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong.

agrarische percelen liggen op een grotere afstand. De voorgenomen ontwikkeling past in de omgeving en vormt geen belemmering voor de huidige bedrijven in de omgeving.

4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets Het perceel aan de Dikkersbosweg is gelegen in het buitengebied van Tubbergen. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf (paardenhoudeij) ligt aan de Dikkersbosweg 1. Hier geldt een minimale afstand van 50 meter. De afstand van het bouwvlak tot de nieuwe bestemming bedraagt minimaal 300 meter. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek [kenmerk: 22004610] om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen [zie: Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek].

De aanleiding van dit onderzoek is een bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de realisatie van een landgoed met een landhuis. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie altijd in gebruik is geweest als woning met tuin en als onverdacht kan worden beschouwd voor de aanwezigheid van chemische parameters en asbest. Resultaten veldwerk In totaal zijn er 18 boringen verricht, waarvan er 5 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn, zwak siltig zwak humeus zand. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater in peilbuis 1 is aangetroffen op 0.85 m-mv. Resultaten chemische analyses bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong. 39

Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG I en BG II) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is (zeer) licht verontreinigd met barium, cadmium, kobalt, koper en zink en matig verontreinigd met nikkel. Hypothese De hypothese "onverdachte locatie" dient formeel gezien te worden verworpen aangezien er enkele overschrijdingen van de streef- en tussenwaarden zijn aangetoond. Conclusies en aanbevelingen In het grondwater (PB 1) zijn enkele zeer licht tot matig verhoogde gehalten aangetoond. Het matig verhoogde nikkelgehalte in het grondwater, wordt beschouwd als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde en levert bij het huidig en toekomstig gebruik geen risico’s op. Naar onze mening is het dan ook niet noodzakelijk om over te gaan tot een nader onderzoek. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het verkennend bodemonderzoek. In de boven- en ondergrond (BG I, BG II en OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden van de overig gemeten gehalten niet worden overschreden, is daarvoor eveneens geen reden om een nader onderzoek uit te voeren.

Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (landgoed).

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.

in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het landhuis ligt in “buitenstedelijk” gebied en binnen de wettelijk vastgestelde geluidszone als bedoeld in art. 74 van de Wet geluidhinder, namelijk de zone van de Dikkersbosweg (60 km/uur). Het landhuis ligt op circa 210 meter afstand van de Dikkersbosweg. Momenteel worden er vier (woon)erven onsloten via de Dikkersbosweg. Ter hoogte van het erf aan de Dikkersbosweg 1, gaat de weg over in een onverharde zandweg.

40

bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong.

Gelet op het omliggende wegennetwerk wordt gesteld dat de Dikkersbosweg enkel door bestemmingsverkeer wordt gebruikt voor de huidige vier aanwezige erven en dus een lage verkeersintensiteit heeft. Er zal dan ook aan de voorkeurswaarde van 48 dB worden voldaan ter plaatse van het realiseren landhuis, waardoor er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen spoorwegen en/of geluidsgezoneerde bedrijventerreinen aanwezig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 8,2 verkeersbewegingen per dag gesteld worden (maximale verkeersgeneratie, zie paragraaf 4.11). In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 8,2 extra voertuigbewegingen

bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong. 41

Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart 42

bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong.

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

Figuur 4.3: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat op circa 54 meter afstand van het plangebied een buisleiding (NEN 3650-leiding) van de Gasunie met een werkdruk van 40 bar en een diameter van 6 inch. Het beoogde landhuis ligt op circa 300 meter afstand van de buisleiding. Voor een buisleiding met een werkdruk van 40 bar en een diameter van 6 inch geldt dat de 100% letaliteitsgrens is gelegen op een afstand van 100 meter en de 1% letaliteitsgrens op een afstand van 70 meter. Een deel van het plangebied ligt binnen de grens van 70 en 100 meter. Dit deel van het plangebied wordt ingericht met natuur die ook wordt opengesteld voor wandelaars. Er worden nadrukkelijk geen evenementen of feesten georganiseerd binnen het plangebied. Het beoogde landhuis ligt op ten minste 300 meter afstand. Aangezien het beoogde landhuis is gelegen op een afstand van ten minste 300 meter van de buisleiding geldt dat het plangebied ruimschoots buiten de risicocontour van deze buisleiding valt.

Derhalve kan geconcludeerd worden dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Dikkersbosweg ong. 43

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.

De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/892/documents/17110