Bijlage VTSBP Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerweg 140-142.pdf
Tekst van het document
29
4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.
Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: Als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van ten hoogste 50 m²; als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd; als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). Beoordeling van de plannen: Itterbeekweg 9 De gronden binnen het plangebied waar de uitbreiding is beoogd hebben een agrarische functie en mogen niet bebouwd worden. Om inzage te krijgen in de geschiktheid van de gronden is een bodemonderzoek (NEN 5725) uitgevoerd. De bevindingen zijn te vinden in Bijlage 2 en luiden als volgt: Het besluitvormingsgebied is grotendeels onbebouwd en verhard met klinkers en is gelegen ten westen van het erf aan de Itterbeekweg 9 in Langeveen. Het besluitvormingsgebied en de omgeving zijn op de topografische kaarten vanaf circa 1900 in gebruik als landbouwgrond.
Op de topografische kaart van 1904 de eerste bebouwing op het erf aan de Itterbeekweg 9 weergegeven. Uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) blijkt dat de boerderij met huisnummers 7 en 9 gebouwd is in 1975. De schuur ten zuid-westen hiervan is gebouwd in 1991. Het bouwjaar van de kapschuur ten oosten van het besluit-vormingsgebied is niet bekend, omdat deze niet in de BAG is opgenomen. De kapschuur is in 2018 gerenoveerd. Op de topografische kaarten vanaf 2010 is te zien dat het erf in westelijke richting is uitgebreid. Op de luchtfoto van 2015 is te zien dat in het weiland ten westen van het erf (ter plekke van het besluitvormingsgebied) 3 depots met grond en zand zijn opgeslagen. Door de eigenaar is aangegeven dat het schone grond betreft, maar de herkomst van de grond is niet te achterhalen. In 2018 is de grond gebruikt om het weiland ten zuiden van het besluitvormingsgebied circa 0.5 meter op te hogen. Het besluitvormingsgebied is sindsdien in gebruik als opslagterrein voor Ter Groot Grond- en Loonwerk. De eigenaar heeft aangegeven dat ter plekke van het besluitvormingsgebied de graszode is verwijderd en dat het terrein met puingranulaat op hoogte is gebracht. Uit de milieudossiers van de gemeente Tubbergen blijkt dat het besluitvormingsgebied lange tijd in gebruik is geweest als landbouwgrond of sleufsilo.
Op minstens 15 meter ten oosten van het besluitvormingsgebied heeft op 3 locaties een bovengrondse dieseltank gestaan. Gezien de afstand tot het besluitvormingsgebied, kan aangenomen worden dat de voormalige dieseltank geen invloed hebben gehad op de bodemkwaliteit. Het besluitvormingsgebied is in gebruik als opslagterrein van Ter Groot Grond- en Loonwerk. Het terreindeel wordt gebruikt voor het stallen van onder andere graafmachines, tractoren en landbouwwerktuigen. Het zuidelijke deel van de locatie (deels buiten het besluitvormingsgebied gelegen) wordt gebruikt voor de opslag van onder andere klinkers, tegels, grond en zand. In de overkapping aan de westzijde van de kapschuur, grotendeels ter plekke van het besluitvormingsgebied, staat een bovengrondse dieseltank. De bovengrondse dieseltank wordt als verdachte deellocatie beschouwd. Ter plekke van het besluitvormingsgebied of in de directe omgeving hiervan is voor zover bekend niet eerder een bodemonderzoek uitgevoerd. Op basis van de bodemkwaliteitskaart wordt verwacht dat de boven- en ondergrond ter plekke van het besluitvormingsgebied niet verontreinigd zijn (klasse AW2000). 30
bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerweg 140-142
Er is, met uitzondering van de bovengrondse dieseltank, geen informatie waaruit blijkt dat de bodem mogelijk verontreinigd is. Het overige deel van het besluitvormingsgebied kan als onverdacht worden beschouwd. Een verkennend bodemonderzoek ter plekke van de verdachte deellocatie is noodzakelijk in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. In het kader van de voorgenomen nieuwbouw kan een verkennend bodemonderzoek achter wege blijven. Het deel van het besluitvormingsgebied ter plekke van de kapschuur wordt als onverdacht beschouwd. Mede omdat de te bouwen kapschuur geen verblijfsruimte is (minder dan 2 uur per dag mensen aanwezig), is een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk. Resultaten verkennend bodemonderzoek verdachte deellocatie In het mengmonster van de bovengrond (A - BG) en in het grondwater (peilbuis A1) worden de achtergrond- of de streefwaarden niet overschreden. De bovengrondse dieseltank heeft geen aantoonbare (negatieve) invloed gehad op de bodemkwaliteit. Omdat het overige deel van het besluitvormingsgebied als onverdacht wordt beschouwd, is er vanuit milieukundig oogpunt geen bezwaar tegen de voorgenomen uitbreiding van de bedrijfs bestemming en de bouw van een kapschuur. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (erf).
Hardenbergerweg 140-142 De rapportage is opgenomen in Bijlage 3. Het besluitvormingsgebied is geheel bebouwd met een dubbele varkensschuur en is gelegen aan de Hardenbergerweg 140 en 142 in Geesteren. Het besluitvormingsgebied is op de topografische kaarten vanaf 1850 al in gebruik als erf bij een boerderij. Tot circa 1970 zijn er op het erf enkele kleinere schuren aanwezig ten noorden en oosten van de boerderij (huisnummer 142). In de jaren hierna breidt de boerderij uit worden de kleine schuurtjes vervangen door enkele grote schuren. De schuur ter plekke van het besluitvormingsgebied is weergegeven op de topografische kaart vanaf 1988. Uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) blijkt dat deze schuur gebouwd is in 1978. Op luchtfoto’s is te zien dat de te slopen schuur vanaf 2012 in verval raakt. Door de jaren heen zijn er steeds meer en grotere gaten in het dak zichtbaar. Ten oosten van de schuur zijn in 2014 en 2019 de mestbassins verwijderd. Uit de (vervallen) Hinderwet- en milieuvergunningen blijkt dat op dak van de te slopen schuur asbestcement golfplaten aanwezig zijn. In 1989 is de schuur in oostelijke richting circa 13 meter uitgebreid. Op circa 15 tot 20 meter afstand van het besluitvormingsgebied zijn in het verleden bovengrondse dieseltanks aanwezig geweest. Ter plekke van het besluitvormingsgebied zijn geen tanks aanwezig geweest.
Er is op het erf voor zover bekend één eerder bodemonderzoek uitgevoerd. In de boven- en ondergrond zijn licht verhoogde gehalten aan minerale olie aangetoond. De gehalten worden waarschijnlijk veroorzaakt door humuszuurachtige verbindingen, die van nature voorkomen in de grond. In het grondwater zijn (zeer) licht verhoogde gehalten aan cadmium, nikkel en zink aangetoond. De verhoogde waarden worden (deels) toegeschreven aan verhoogde natuurlijke achtergrondwaarden. In het westelijke deel van de schuur zijn paarden gestald. Het overige deel van de schuur is vervallen en niet in gebruik. De asbesthoudende golfplaten zijn deels beschadigd waardoor er deels geen dak meer aanwezig is. Aan de noordzijde van de schuur watert het asbesthoudende dak af op onverhard terrein. Hier is sprake van een asbestverdachte druppelzone. Er is, met uitzondering van de asbestverdachte druppelzone, geen informatie waaruit blijkt dat de bodem mogelijk verontreinigd is. Het overige deel van het besluitvormingsgebied kan als onverdacht worden beschouwd. Voor de druppelzone aan de noordzijde van de schuur worde de hypothese “verdacht” gebruikt. Een verkennen asbestbodemonderzoek ter plekke van de verdachte deellocatie is noodzakelijk in het kader van de voorgenomen sloop van de schuur.
Zoals in paragraaf 6.3 van het bodemrapport is weergegeven, is er in druppelzone A asbest aangetoond, maar het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Omdat het overige deel van het besluitvormingsgebied als onverdacht wordt beschouwd, is er vanuit milieukundig oogpunt geen bezwaar tegen de voorgenomen sloop van de schuur. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (erf). bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerw eg 140-142
31
Resumerend Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de plannen.
4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan, een motivering worden verstrekt aangaande geluidshinder, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: in stedelijk gebied: - voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; - voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; in buitenstedelijk gebied: - voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; - voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; - voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.
Deze zonering geldt niet: voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Beoordeling van de plannen: Op voorhand valt te constateren dat voor de locatie Hardenbergerweg 140-142 geen wijzigingen in de geluidssituatie aangebracht wordt, daarom blijft deze locatie verder buiten beschouwing op dit onderdeel. De uitbreiding van het bedrijfsperceel aan de Itterbeekweg 9 zorgt niet voor extra geluidsgevoelige objecten. Op het huidig erf blijft de bestaande woning behouden en in die hoedanigheid treedt er geen wijziging op. Voor wat betreft industrielawaai wordt verwezen naar de toetsing onder bedrijven en milieuzonering. Met inachtneming hiervan blijft sprake van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect geluid.
4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet 32
bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerweg 140-142
luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Beoordeling van de plannen: Een loonbedrijf wordt volgens de CROW aangemerkt als een bedrijfsfunctie met het kenmerk 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief). Voor een dergelijk bedrijf in het buitengebied, niet stedelijk bedraagt de verkeersgeneratie worst-case 5,7 per 100 m2 bvo. De uitbreiding van het erf bedraagt 391 m2. Het bedrijf heeft op dit moment geen personeel in dienst. De eigenaar en enige medewerker is woonachtig op de locatie. Dagelijks bestaan de verkeersbewegingen met name uit het wegrijden en terugkomen op de bedrijfslocatie door de eigenaar van het bedrijf. Daarom kan afgevraagd worden of de kengetallen 1:1 op deze planlocatie van toepassing is. Desondanks worden ze wel benut om worst-case verkeersgeneratie inzichtelijk te maken. Worst-case ontstaat volgens de kengetallen daarmee een extra verkeersgeneratie van 23 bewegingen. Uitgaande dat hiervan circa 50% vrachtverkeer/zware machines betreft, de overige 50% is regulier verkeer (vervoer met licht materieel, aan- en afrijden leveranciers/onderhoudsmonteurs e.d.). Middels de NIBM-tool is aangetoond dat uit de worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit blijkt dat de luchtkwaliteit in 'niet betekende mate' zal verslechteren.
Afbeelding 4.2: NIBM-tool worst-case berekening vanwege de ontwikkeling (bron: infomil.nl) bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerw eg 140-142
33
Conclusie Het voorliggende plan draagt niet bij aan een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit.
4.7 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beoordeling van de plannen:
34
bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerweg 140-142
Afbeelding 4.3: uitsnede risicokaart met afstand plangebied tot dichtstbijzijnde risicobron (bron: Atlas Leefomgeving, bewerkt) Bovenstaande figuur toont een uitsnede van de risicokaart. Uit de kaart volgt dat zich op minstens 1,75 km van het plangebied Itterbeekweg 9 de dichtstbijzijnde risicobron bevindt. Het betreft een tankstation met LPG-installatie. Deze onderlinge afstand is dermate groot dat deze risicobron geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Bovendien voorziet het plan niet in de realisatie van extra verblijfsobjecten. Het aspect externe veiligheid is daarmee geen belemmering voor het initiatief. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.8 Water Algemeen In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Watertoetsproces In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is de digitale watertoets uitgevoerd. De korte procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen, daaruit is gebleken dat de standaard waterparagraaf volstaat voor dit plan. Het toetsingsdocument is bijgevoegd als Bijlage 5 Digitale watertoets. Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd.
Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe 'eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren' is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerw eg 140-142
35
waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe 'eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren' een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Wateraspecten plangebied Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1.500 m2.
Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via een gescheiden stelsel. Hemelwater wordt geïnfiltreerd. Afvalwater wordt verwerkt via het afvalwaterriool dan wel een IBA. Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Watertoetsproces Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets.
De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. Het bedrijfsperceel wordt in de toekomstige situatie omgeven door groenstructuren en agrarische onbebouwde gronden. Hemelwater vanaf de verharding kan daarmee vertraagd infilteren in de omgeving, waarvoor voldoende ruimte bestaat. Voor het overige hebben de bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.
4.9 Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Onderstaand wordt op deze aspecten ingegaan voor wat betreft de plannen. Beoordeling van de plannen: 4.9.1
Quickscan natuurwaarden
Door Natuurbank Overijssel is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd, bijgevoegd in Bijlage 4. In navolgende alinea's volgen de bevindingen hieruit. Aan de Itterbeekweg 9 in Langeveen zijn plannen om een schuur te realiseren. Deze schuur zal in het kader van de schuur voor schuur regeling elders gesloopt worden (Hardenbergerweg 142 in Geesteren). Naast de schuur wordt een houtsingel gerealiseerd aan de Itterbeekweg 9 in Langeveen. Aan de Hardenbergerweg 142 wordt daarnaast een houtsingel en verharding gerealiseerd. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet 36
bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerweg 140-142
natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 19 juli 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan op voorhand uitgesloten worden. Er is geen nader onderzoek nodig om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook worden uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: Itterbeekweg 9 Langeveen De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er vaste (winter)rustplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Vermoedelijk nestelen er vogels in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, dient gewerkt te worden buiten de voortplantingsperiode of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden zodat de aanwezigheid van een bezet vogelnesten uitgesloten kan worden. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood worden en dat vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, waarvan mogelijk de vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste (winter)rust- en voorplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze verjaagd of weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist.
De functie van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Deze afname leidt niet tot wettelijke consequenties. Gevolgen van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; Geen beschermde amfibieën of zoogdieren doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); Harderbergerweg 142 Geesteren bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerw eg 140-142
37
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën bezetten geen vaste (winter)rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. Vermoedelijk nestelen er vogels in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, dient gewerkt te worden buiten de voortplantingsperiode of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden zodat de aanwezigheid van een bezet vogelnesten uitgesloten kan worden. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Deze afname leidt niet tot wettelijke consequenties. Gevolgen van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; 4.9.2
Stikstofdepositie en gebiedsbescherming
Natura 2000 In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. De locatie Itterbeekweg is gelegen op circa 2,5 kilometer van het Natura 2000-gebied Engbertsdijkvenen. Voor de locatie Hardenbergerweg 140-142 is de afstand minimaal 4,1 kilometer ten opzichte van het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd.
Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens beschouwd te worden of sprake kan zijn van mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Bij deze beoordeling is zowel de aanlegfase (tijdelijk karakter) als de gebruiksfase van belang. In voorliggend plan gaat het hoofdzakelijk om een uitbreiding van een loonbedrijf aan de Itterbeekweg in Langeveen. Op de uitbeidingsgronden zal één gebouw worden gebouwd ten behoeve van stalling en opslag. De uitbreiding dient dan ook hoofdzakelijk om werktuigen en materialen van het bedrijf goed te kunnen stallen en opslaan. De uitbreiding is op voorhand niet direct om bedrijfsgroei te bewerkstelligen, maar om de bestaande bedrijfsactiviteiten en -inventaris op het perceel te kunnen accommoderen. Van een directe toename van bedrijfsactiviteiten is daarom geen sprake.
Zie voor een toelichting hierop ook de ladderonderbouwing in paragraaf 3.1.2 Gezien het feit dat in de aanlegfase slechts beperkte werkzaamheden zullen plaatsvinden, namelijk de bouw van een opslag en stallingsgebouw (eenvoudig gebouw). En het gegeven dat daarnaast in de gebruikfase slecht beperkt sprake is van extra verkeersbewegingen (zoals in de paragraaf 4.6 reeds omschreven), wordt gesteld dat er geen sprake zal zijn van extra stikstofdepositie in Natura 2000 gebied. Daarnaast geldt voor de locatie Hardenbergerweg 140-142 dat slechts een landschapsontsierend gebouw wordt gesaneerd en enkele landschapsmaatregelen plaatsvinden. In de ontwikkelfase betekent dit enkel de kortdurende inzet van enkele werktuigen, maar in de gebruikfase heeft dit juist louter een positief effect, vanwege de afschaling van een agrarische bedrijfslocatie ter plaatse. Een (structurele) toename van stikstofdepositie in Natura 2000 gebied is uitgesloten als gevolg van deze ontwikkeling. 4.9.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 38
bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerweg 140-142
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
4.10.1 Archeologie Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.
Beoordeling van de plannen: Voor het onderhavige plangebied is nagegaan of en in hoeverre in het plangebied sprake is van archeologisch waardevolle elementen. Daartoe is de "Archeologische verwachtings- en advieskaart" van de gemeente Tubbergen (RAAP, 2007) geraadpleegd. Voor de locatie aan de Hardenbergerweg 140-142 geldt dat alleen een bestaande schuur gesaneerd zal worden. Grond ter plaatse van deze schuur is al geroerd en kent daarom geen archeologische verwachting meer. Van verdere bodemingrepen die relevant kunnen zijn voor het aspect archeologie is geen sprake. Onderstaande afbeelding 4.4 toont een uitsnede van de kaart voor de Itterbeekweg, Het plangebied bevindt zich in het kenmerk dekzandhoogten en - ruggen met een plaggendek.
Afbeelding 4.4: uitsnede archeologische verwachtingskaart (bron: gemeente Tubbergen) Voor deze gronden geldt op basis van de archeologische kaart een hoge archeologische verwachting conform de beleidskaart. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 2.500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. De bodemingrepen als gevolg van voorliggende plannen zijn zeer beperkt en blijven ruim beneden de 2.500 m2 bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerw eg 140-142
39
en dieper dan 40 cm. Diepere bodemingrepen (dieper dan 40 cm) zullen naar alle waarschijnlijkheid alleen benodigd zijn voor de nieuwe schuur. Deze kent een ruim kleiner oppervlak dan de 2.500 m2. Het laten uitvoeren van archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van een vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 4.10.2 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.
Beoordeling van de plannen: Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van de plangebieden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.11
Verkeer en parkeren
4.11.1 Verkeer In de paragraaf voor luchtkwaliteit is al kort aangehaald wat de worst-case verkeerstoename betreft als gevolg van voorliggend plan. Een loonbedrijf valt in de CROW-uitgave Toekomstbestendig parkeren' in een bedrijfsfunctie met het kenmerk 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief). Voor een dergelijk bedrijf in het buitengebied, niet stedelijk bedraagt de verkeersgeneratie worst-case 5,7 per 100 m2 bvo. De uitbreiding van het erf bedraagt 391 m2. Het bedrijf heeft op dit moment geen personeel in dienst. De eigenaar en enige medewerker is woonachtig op de locatie. Daarom kan afgevraagd worden of de kengetallen 1:1 op deze planlocatie van toepassing is. Desondanks worden ze wel benut om worst-case verkeersgeneratie inzichtelijk te maken. Worst-case ontstaat volgens de kengetallen daarmee een extra verkeersgeneratie van 23 bewegingen. Qua ontsluiting vindt er geen wijziging plaats in die zin dat de huidige ontsluiting op de Itterbeekweg wordt benut. De 23 verkeersbewegingen kunnen door middel van de huidige inrit op de Itterbeekweg goed ontsloten worden om de openbare weg. De worst-case 23 extra verkeersbewegingen gaan op de Itterbeekweg op in het gangbare verkeersbeeld. Het huidig wegennet in de omgeving is voldoende berekend op de verkeersgeneratie als gevolg van de plannen.
Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. 4.11.2 Parkeren De gemeente Tubbergen heeft de beleidsnotitie "Bouwen & parkeren 2018" vastgesteld. Het beleid is van toepassing op gebouwen en ontwikkelingen binnen de gemeente. In de beleidsnotitie is nader uitgewerkt wat de parkeerbehoefte bij een bepaald gebruik is (parkeernorm, als de extra parkeerbehoefte niet op eigen erf kan worden gerealiseerd). Voor veel voorkomende gebruiksfuncties zijn de parkeernormen in de beleidsnotitie vermeld. Andere parkeernormen kunnen afgeleid worden uit de publicatie 317 van CROW. Een loonbedrijf valt onder de activiteit 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief'. De parkeerbehoefte bedraagt daarmee 1,05 pp per 100 m2 bvo. Afgerond komt de parkeerbehoefte op 5 extra parkeerplaatsen uit. De beoogde uitbreiding van het erf is juist benodigd om voldoende bedrijfsruimte, waaronder parkeer- en stallingsruimte te verwerven. Het toekomstig erf biedt voldoende ruimte voor het parkeren. De toe te voegen oppervlakte bedrijfsperceel zal namelijk - behoudens één stalling en opslaggebouw van 546 m2 - volledig onbebouwd blijven, waardoor er voldoende ruimte aanwezig is om te parkeren voor de medewerker en eventuele incidentele bezoekers. Zie ook Bijlage 1 voor een weergave en uitleg van de nieuiwe erfsituatie. 40
bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerweg 140-142
Conclusie Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerw eg 140-142
41
42
bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerweg 140-142
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels.
Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen. Opzet planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels 'Agrarisch -1' De gebiedsbestemming Agrarisch - 1 omvat de agrarische gebieden waar landbouw en landschap nevengeschikt zijn. De gronden die zijn inbestemd als "Agrarisch 1" zijn bestemd voor het agrarisch gebruik. De uitoefening van een agrarisch bedrijf is enkel mogelijk ter plaatse van de aanduiding “bouwvlak”. Het maximum bebouwingsoppervlakte aan bedrijfsgebouwen is in dit geval vastgelegd binnen het bouwvlak. 'Bedrijf' Onder deze bestemming vallen de niet-agrarische bedrijven. In beginsel is het bedrijf bestemd overeenkomstig de aard van het aanwezige bedrijf, een loon- en grondverzetbedrijf in dit geval. De bestemming biedt bebouwingsmogelijkheden voor bedrijfsgebouwen tot een maximale oppervlakte. De oppervlakte van de bij recht toegestane bedrijfswoning en daarbijbehorende bijgebouwen wordt echter niet meegerekend in de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing. bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerw eg 140-142
43
De uitbreiding van het bedrijfsperceel is mogelijk omdat gelijktijdig in het kader van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving geïnvesteerd wordt in de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Om de investering in de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen, is in de gebruiksbepalingen een voorwaardelijke verplichting opgenomen. 'Bos - Natuur' Omliggend aan het erf wordt een extra KGO-investering verricht in de vorm van aanplant van bomen en onderbeplanting. Deze gronden krijgen daarmee een groene invulling en zijn daarom bestemd als 'Bos - Natuur'. 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4' Voor de toekenning van de dubbelbestemmingen archeologie is het gemeentelijk archeologiebeleid (archeologische verwachtings- en advieskaart) gevolgd, De gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze dubbelbestemming is gekoppeld aan een plicht van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden alsmede aan bouwwerkzaamheden. Ingrepen in de bodem zijn in deze gebieden in principe niet toegestaan. Alleen als aangetoond is dat er geen archeologische waarden meer zijn, deze niet onevenredig worden geschaad of er maatregelen worden getroffen om de waarden te beschermen, is het mogelijk hier bodemroerende werkzaamheden uit te voeren.
De omgevingsvergunningen worden alleen verleend wanneer er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de voorkomende archeologische en cultuurhistorische waarden. De omgevingsvergunning is niet nodig voor werkzaamheden die gerekend worden tot het normale onderhoud. Hoofstuk 3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels Onder dit artikel wordt ter verduidelijking van het plannen aangegeven wat algemene gebruiksregels betreffen die gelden in het plangebied, dit kan zowel strijdig als toegestaan gebruik omvatten. Algemene afwijkingsregels Er is een algemene afwijkingsregel opgenomen wanneer dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond.
Overige regels Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en parkeren en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Hoofstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsregels Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Slotregel Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.
44
bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerweg 140-142
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
6.1 Financiële uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van niet-agrarisch bedrijf. Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro.
De gemeente heeft met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Wettelijk (voor)overleg In het Bro is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Inspraak In het kader van inspraak wordt het bestemmingsplan 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze perioden kan één ieder zijn of haar reacties indienen.?
bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerw eg 140-142
45
46
bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerweg 140-142
Hoofdstuk 7
Procedure en overleg
In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in deze bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan.
7.1 Procedurestappen Dit bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen: 7.1.1
Ontwerp
Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad. 7.1.2
Vaststelling
De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp. 7.1.3
Beroep
Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Daarom is het bestemmingsplan naar diverse instanties gestuurd. De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 4 'Nieuwe ontwikkelingen en uitbreiding met KGO', waardoor vooroverleg niet nodig is. Het Waterschap Vechtstromen is middels de Digitale Watertoets over de ontwikkeling geïnformeerd, omdat de normale procedure van toepassing is, is nader contact gezocht met het waterschap. Dit contact leidt tot de conclusies dat met inachtneming van de uitgangspunten vanuit het waterschap een positief advies wordt afgegeven.
7.3 Zienswijzen Het ontwerp van het bestemmingsplan heeft vanaf 28 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is één zienswijze ingediend, namelijk door de provincie Overijssel, omdat de verbetering van ruimtelijke kwaliteit niet voldoende zou zijn op de slooplocatie Hardenbergerweg 140. Om deze reden is het landschappelijk inpassingsplan voor de locatie Hardenbergerweg 140 aangepast, in reactie waarop de provincie Overijssel heeft aangegeven akkoord te kunnen gaan en geen verdere procedurele stappen te zetten.
bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerw eg 140-142
47
48
bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerweg 140-142
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerw eg 140-142
49
Bijlage 1
50
KGO-plan
bestemmingsplan Buitengebied, Itterbeekweg 9 en Hardenbergerweg 140-142
RU I M T E L I J K K WA L IT E IT S P L A N K G O •
I tt e r b e e k we g 9 L a n g eve e n e n H a r d e n b e r g e r we g 14 0 M a n d e r ve e n •
Tubbergen, 24 april 2024 - Versie 1 Definitief
A 6964
A 8488
5
A 8487
2
A 8475
A 8489 g
A 8486
eekwe
Itterb
7-9
A 6359
A 8087
A 8490
A 7920
28
142
A 7921
28a
140
A 8484
hm
A 6361
Haarakkersweg
A 6659
Project: KGO
Afbeelding: Ontwikkeling Itterbeekweg 9 en Hardenbergerweg 140 (Bron: N+L Landschapsontwerpers) A 6959
2
A 7693
A 1514
A 1513
Ruimtelijk kwaliteitsplan Project:
KGO
Locatie: Itterbeekweg 9 Langeveen
Titel rapport
RKP KGO - Itterbeekweg 9 Langeveen en Hardenbergerweg 140 Manderveen
Opgesteld:
30 september 2023, Tubbergen
Gewijzigd:
24 april 2024, Tubbergen
Status:
Versie 1 - Definitief
Auteur:
N+L Landschapsontwerpers Auteur: Ing. NH Getekend: Ing. DA Gecontroleerd: Ing. NH Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen 06-83337880 info@nl-landschap.nl www.nl-landschap.nl
3
4
1. Aanleiding
05
2. Huidige situatie Itterbeekweg 9
06
3. Huidige situatie Hardenbergerweg 140
08
4. Beleid
10
5. Nieuwe situatie Itterbeekweg 9
16
6. Nieuwe situatie Hardenbergerweg 140
18
1. Aanleiding Aan de Itterbeekweg 9 in Langeveen is het erf van de initiatiefnemer gelegen. Het erf betreft inmiddels een woonerf. In een eerdere situatie is er echter sprake geweest van een agrarisch erf. Destijds heeft het erf onderdeel uitgemaakt van een schuur voor schuur regeling. Achteraf blijkt nu dat dit anders had gemoeten. De initiatiefnemer heeft zelf een kraan- en grondverzetbedrijf en had de ruimte goed kunnen gebruiken.
inpassing uiteengezet. Er wordt een beschrijving van het plangebied gegeven, het omliggende landschap en het vigerende beleid. Dat resulteert in een beschrijving van de nieuwe situatie die aan het gestelde beleid voldoet.
Het gebied is gelegen in hoogveengebied. Het gebied was desondanks al vroeg in trek. Vanuit de ijstijd is Langeveen hoger gelegen waardoor de hogere delen in gebruik genomen konden worden. Dit resulteerde in een opvallend kleinschalig landschap met kleine afwisselende percelen met veel landschapselementen. Hoewel de modernisering en ruilverkavelingen invloed hebben gehad op het landschap is het nog altijd goed herkenbaar. De initiatiefnemer is voornemens om via de zogeheten KGO regeling (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) het oppervlakte aan bijgebouwen weer uit te breiden. Daarnaast is de aanduiding dan niet langer meer wonen, maar is er sprake van een niet- agrarisch bedrijf. De schuren worden gesloopt aan de Hardenbergerweg 140. De gemeente heeft op 28 april 2022 aangegeven in principe medewerking te kunnen verlenen aan een dergelijke verzoek. Dat was op basis van een ingediend principeverzoek d.d. 24 februari 2022. Landschappelijke inpassing De gemeente Tubbergen stelt voor de ontwikkeling een landschappelijke inpassing als voorwaarde. In dit document wordt daarom de landschappelijke
5
2. Huidige situatie Itterbeekweg 9 Het plangebied gelegen aan de Itterbeekweg 9 ligt in de overgang van een hoogveengebied naar een heidegebied. Het is gelegen aan de rand van een overgang van hoog (Langeveen) naar laag (West-Geesteren), zoals ook te zien is op de hoogtekaart. Reliëf is ontstaan tijdens de laatste ijstijd waarbij hoogteverschillen aanvankelijk aanwezig waren, maar waar veel verschillen verdwenen zijn door zandverstuivingen. Daarnaast zijn veel hoogteverschillen verdwenen door de grootschalige ontginning van de heide, veen en/of de moderne landbouw. De planlocatie kent hoogteverschillen, maar niet in de vorm van bijvoorbeeld steilranden. Hoogveenontginningen De planlocatie ligt in een hoogveenontginningsgebied met de overgang naar de heideontginning. Kenmerkend in die gebieden zijn de in gebruik genomen hogere gronden. Er was sprake van een blokverkaveling, waarbij de droge delen als eerste werden ontgonnen (met name de heide) en de natte delen later werden ontgonnen (natte heide tot veen). Het landschap Het landschap rondom de planlocatie oogt halfopen tot gesloten, zoals ook te zien is op de kaart omstreeks 1905. Veel erven zijn omheind door houtwallen, waarschijnlijk om het wild buiten het erf te houden.