Bijlage VBP bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek.pdf
Tekst van het document
Onderhavig plan betreft de uitbreiding van een lokaal bedrijventerrein van Harbrinkhoek, waarvoor de plaatselijke ondernemersvereniging al jaren verzoekt om meer ruimte voor ontwikkeling. Het plan voorziet dan ook in maatwerk door invulling te geven aan deze concrete wens. Deze concrete behoefte komt ook ten uiting in de lijst met ingeschreven ondernermers voor de bedrijfskavels (vijftien ondernemers). De geïnteresseerden bestaan volledig uit lokale bedrijven. Geconcludeerd wordt daarom dat onderhavig plan in overeenstemming is met de Integrale ontwikkelingsvisie bedrijventerreinen gemeente Tubbergen. 3.3.3
Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'
De gemeente Tubbergen heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Tubbergen heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Dinkelland, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.7) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.
bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
31
Figuur 3.7: Fragment casco-kaart (bron: www.overijssel.nl/cascokaart) Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets Binnen het plangebied zijn geen cascostructuren aanwezig. Het dichtstbijzijnde element is de bomenrij langs de Almeloseweg (langs de noordgrens plangebied). Deze structuur ligt buiten het plangebied en blijft dan ook conform de bestaande situatie in stand. De voorliggende ontwikkeling van het bedrijventerrein houdt afstand ten opzichte van deze bomenrij en voorziet ook in een groene inpassing aan deze zijde van het plangebied. Derhalve wordt deze structuur niet aangetast, maar juist verder versterkt. Voor het overige heeft de planvorming geen gevolgen voor de casco benadering.
Nieuwe groenstructuren worden toegevoegd welke in overleg met het kwaliteitsteam van de gemeente Tubbergen als passend beschouwd worden in de omgeving. Daarmee kan juist gesproken worden van een versterking van kenmerkende landschapselementen ter plaatse van het plangebied. 3.3.4
Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016
De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 bevat het welstandsbeleid voor de beide gemeenten. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveau’s van omgevingskwaliteit: 1. Basis omgeving 2. Midden omgeving 3. Bijzondere omgeving Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart genoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de
32
bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor: ‘Ambtelijk’: alleen kleine bouwwerken van- en voor de voorgevel worden getoetst. Deze toets vindt ambtelijk plaats. Bouwplannen achter de voorgevel zijn toetsvrij. 'Stadsbouwmeester’: de stadsbouwmeester toetst. ‘Q-team’: het Q-team beoordeelt en kan daarbij in overleg treden met de inititatiefnemer en/of ontwerper. Toets Het plangebied ligt in een gebied dat het niveau voor kernen 'Midden' kent en voor buitengebied 'Basis'. Zie onderstaand een weergave van de kaart bij de nota omgevingskwaliteit.
Figuur 3.8: Fragment Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 Op voorhand worden er geen belemmeringen verwacht vanuit de Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016. Bovendien is een beeldkwaliteitsplan opgesteld voor onderhavig plan welke voorziet in kaders voor wat betreft de ontwikkelingen binnen het plangebied. Toetsing op welstand vindt uiteindelijk plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen.
bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
33
34
bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Er wordt middels dit bestemmingsplan een uitbreiding van het bedrijventerrein in Harbrinkhoek mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied is agrarisch. Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op de activiteiten genoemd in de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r.
onderdeel D categorie 11.3: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein.' De in kolom 2 genoemde drempelwaarden worden niet overschreden. Het bestemmingsplan wordt genoemd in zowel kolom 3 als kolom 4 van onderdeel D, categorie 11.3. Ingevolge artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer moet het bevoegd gezag, van activiteiten waarvan op grond van artikel 7.2 lid 2 onder b van die wet moet worden beoordeeld of deze activiteiten nadelige gevolgen hebben voor het milieu, een beslissing nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Met de wijziging van het Besluit m.e.r. op 7 juli 2017 is de procedure voor de formele m.e.r.-beoordeling en de vormvrije m.e.r.-beoordeling grotendeels gelijkgetrokken. Van het besluit met betrekking tot de vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft echter geen kennisgeving gedaan te worden. Onderzoeksresultaten vormvrije m.e.r.-beoordeling In bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling staan drie hoofdcriteria centraal: de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten. Er is in het kader van onderhavige ontwikkeling een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 2.
In de vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn de criteria beschreven en wordt de (milieu)situatie en de effecten van het plan daarop beschreven. De Omgevingsdienst Twente heeft op 7 juli 2020 besloten dat er geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden. In Bijlage 3 is het besluit opgenomen. Met inachtneming van vorenstaande vormt het Besluit milieueffectrapportage geen belemmering voor het onderhavig plan.
bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
35
4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Bij de realisatie van nieuwe functies deint in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Daarbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking) 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking) Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Als gevolg van dit bestemmingsplan worden nieuwe milieubelastende functies toegevoegd. Bij onderhavig bestemmingsplan is daarom grotendeels een zonering toegepast van het bedrijventerrein welke overeenkomt met de uitgangspunten zoals aangegeven in het bestemmingsplan 'Kleine Kernen' dat op Harbrinkhoek en het huidige bedrijventerrein De Krön van toepassing is verklaard. Deze zonering gaat uit van het type 'gemengd gebied'. Deze typering is toegepast vanwege het gemengde karakter rondom de Almeloseweg, met aan de noordzijde veelal woningen en aan de zuidzijde diverse bedrijvigheid, kantoren, sport en maatschappelijke faciliteiten. Zodoende wordt het gebied getypeerd als gemengd gebied.
Hierbij is voor voorliggende ontwikkeling rekening gehouden met de bestaande hindergevoelige functies in of 36
bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
direct aangrenzend aan het bedrijventerrein. Dit betreffen de woningen aan de Almeloseweg en Peuversweg. Van daar uit is 'uitwaarts gezoneerd'. Dit betekent dat vanaf de gevels van de bestaande woningen zones zijn getrokken. Hierbij geldt dat: binnen 30 meter van het gevoelige object uitsluitend bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan zijn; binnen 50 meter uitsluitend bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan zijn. Belangrijk te vermelden is dat in overleg met de omwonenden aan de Almeloseweg de milieucategorie voor de bedrijfskavels aan deze zijde gemaximaliseerd zijn op milieucategorie 3.1, hoewel dit op basis van de afstand niet persé noodzakelijk zou zijn. Dit is echter om een goede overgang van woongebied naar bedrijventerrein naar wens van de omwonenden te garanderen. Binnen het resterende deel van het bedrijventerrein zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan. Hogere milieucategorieën zijn binnen het kleinschalige bedrijventerreinen niet wenselijk en derhalve niet mogelijk gemaakt. De verdeling is zichtbaar in het volgend figuur.
Figuur 4.2: contouren en milieucategorieën binnen plangebied (bron: Ad Fontem ruimtelijk advies) De toegestane milieucategorieën zijn eveneens middels aanduidingen aangegeven op de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan. Voor wat betreft milieuzonering is hiermee sprake van een goede ruimtelijke ordening dat voldoet aan de benodigde afstanden voor milieuzonering. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. De bedrijven zelf worden niet aangemerkt als een milieugevoelige functie. Wel worden bedrijfsgebouwen in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij aangemerkt als geurgevoelige objecten. Bij de omliggende veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veehouderijen bepalend. Hier wordt in de paragraaf voor geur (4.3) in dit hoofdstuk nader op ingegaan. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
37
4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets Geurhinder en veehouderij Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, is met de realisatie van een bedrijventerrein sprake van geurgevoelige objecten in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij. Dit wordt geconcludeerd op basis van jurisprudentie; Uitspraak ABRvS, 200709155/1 d.d. 24 december 2008. In de omgeving van het plangebied komen een tweetal veehouderijen voor. In beide gevallen betreffen het grondgebonden veehouderijen waarvoor, indien het plangebied wordt gerekend tot de bebouwde van Harbrinkhoek, een vaste afstand van 100 meter geldt. Het dichtsbijzijnde bestemmingsvlak 'Bedrijventerrein' waarbinnen geurgevoelige objecten is toegestaan is gelegen op een afstand van minimaal 240 meter van het dichtsbijzijnde agrarische bouwvlak. De andere veehouderij is gelegen op meer dan 330 meter afstand. Overige veehouderijen zijn gelegen op aanzienlijk ruimere afstanden. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de wettelijke aan te houden afstanden en voor wat betreft voorliggend plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Andersom worden de omliggende agrarische bedrijven ook niet extra in de bedrijfsvoering beperkt als gevolg van dit bestemmingsplan.
Algemeen - Activiteitenbesluit (niet-agrarische bedrijven) In het activiteitenbesluit is het aspect geurhinder geregeld voor niet agrarische bedrijven en het kleinschalig houden van landbouwhuisdieren. Als een bestaand bedrijf dat wil uitbreiden of een nieuw bedrijf dat zich wil vestigen valt onder het Activiteitenbesluit milieubeheer, kan dat alleen als het bedrijf voldoet aan de eisen van het Activiteitenbesluit (inclusief de hierin opgenomen afstanden). In sommige gevallen is het mogelijk om met een maatwerkvoorschrift aanvullende eisen te stellen aan een bedrijf, waardoor de minimale afstand tot gevoelige functies geborgd kan worden. In dit geval zijn geen bedrijven bekend die zich ter plaatse willen vestigen en die een grote mate van geurhinder met zich mee brengen. Bovendien is door de milieuzonering reeds rekenschap gehouden met voldoende mate van afstand ten opzichte van omliggende gevoelige objecten. Ten alle tijden zal moeten worden voldaan aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. Conclusie Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het 38
bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Kruse Milieu heeft binnen het plangebied in een verkennend bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terrein ter grootte van circa 14.162 m² aan Peuversweg/De Krön in Harbrinkhoek. De rapportage van het verrichtte onderzoek is opgenomen in Bijlage 4. De onderzoekslocatie is onbebouwd en onverhard (akker). Aanleiding voor het bodemonderzoek is de bestemmingsplanwijziging en de uitbreiding van het industrieterrein De Krön. Resultaten veldwerk Het terrein is beschouwd als niet verdacht. In totaal zijn er 24 boringen verricht, waarvan 2 tot 2.60 en 2.50 meter diepte welke zijn afgewerkt tot peilbuizen. Voor het bepalen van de k-waarde zijn 4 tijdelijke filters geplaatst. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn zand met in de ondergrond sterk zandige leemlagen. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen in de bodem waargenomen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem.
Het freatische grondwater is in peilbuis 1 aangetroffen op 0.80 en in peilbuis 2 aangetroffen op 0.65 meter min maaiveld. Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG I) is zeer licht verontreinigd met cadmium; de bovengrond (BG II) is niet verontreinigd; de bovengrond (BG III) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG I) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG II) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is (zeer) licht verontreinigd met barium, cadmium en zink; het grondwater (PB 2) is licht verontreinigd met barium, cadmium, zink en sterk verontreinigd met koper. Resultaten k-waarde bepalingen Vanwege de hoge grondwaterstanden is infiltratie in de bodem niet mogelijk. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG I) en in het grondwater zijn verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van de rapportage. In de bovengrond (BG II en BG III) en in de ondergrond (OG I en OG II) zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Gesteld wordt dat het sterk verhoogde kopergehalte in het grondwater, met instemming van de gemeente Tubbergen, is toe te schrijven aan een plaatselijk verhoogde achtergrondwaarde. Nader grondwateronderzoek is niet noodzakelijk.
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de uitbreiding van het industrieterrein, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. Er zijn mogelijk wel (humane) risico’s aanwezig, wanneer het freatische grondwater gebruikt wordt als drinkwater voor vee of voor de besproeiing van gewassen in een moestuin. Deze risico’s worden gering geacht bij de vastgestelde gehalten. Gebruik van het freatisch grondwater wordt echter afgeraden om enig risico uit te sluiten. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (industrie).
4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
39
Wegverkeerslawaai Binnen de begrenzing van het plangebied worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten gerealiseerd. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek voor wegverkeerslawaai kan dan ook achterwege blijven. Railverkeerslawaai Van spoortrajecten in de omgeving het plangebied (dichtstbijzijnde traject ligt op circa 5 km) is geen sprake. Bovendien worden geen geluidsgevoelige objecten toegevoegd. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de planvorming. Industrielawaai Ten aanzien van het aspect industrielawaai wordt opgemerkt dat in de omgeving van het plangebied geen gezoneerd bedrijventerrein aanwezig is. Hiervan is als gevolg van voorliggend plan eveneens geen sprake. Voor voorliggende plannen wordt door middel van milieuzonering voldoende ruimtelijke scheiding aanbracht tussen de bestemmingen waarbinnen bedrijvigheid is toegestaan en milieugevoelige functies zoals woningen. Voor een nadere toelichting hierop wordt volledigheidshalve verwezen naar paragraaf 4.2 over milieuzonering. Bij nadere invulling van de bedrijfskavels kan het bevoegd gezag vragen om akoestisch onderzoek in verband met de milieuregelgeving. Het plan voldoet gezien vorenstaande aan een goede ruimtelijke ordening.
4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Voor het plan is verkeersonderzoek uitgevoerd door Goudappel Coffeng. Aangaande dit aspect is een verdere uitwerking opgenomen in paragraaf 4.11. Op basis van dit onderzoek is een verkeersgeneratie van 360 extra voertuigen berekend voor de ontwikkeling.
Voor wat betreft de berekening voor de bijdrage van het verkeer aan de luchtkwaliteit is het aandeel vrachtverkeer op 25 % gezet, dat wil zeggen dat het model rekening houdt met het feit dat een kwart van de verkeersbewegingen vrachtverkeerbewegingen zal betreffen. Dit is derhalve worst-case aangehouden. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 360 extra voertuigbewegingen. 40
bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
Figuur 4.3: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
41
in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets Risicobronnen in het plangebied Met de ontwikkeling van het bedrijventerrein De Krön II wordt niet voorzien in Bevi- en Brzo inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit. Dergelijke bedrijvigheid wordt in de regels van dit bestemmingsplan ook uitgesloten. Een nadere onderbouwing ten aanzien van de invloed van het bedrijventerrein op de omgeving in relatie tot externe veiligheid kan dan ook achterwege blijven. Risicobronnen in de omgeving van het plangebied Op enige afstand van het plangebied zijn risicobronnen gelegen. Onderstaand volgt een weergave van de risicokaart.
Figuur 4.4: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 150 m van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. Deze dichtstbijzijnde risicobron betreft een verkooppunt voor motorbrandstoffen met LPG-installatie aan de Almeloseweg 175, ten westen van het plangebied. Derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
42
bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.
De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.
Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 6 november 2019 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht. Een afschrift van deze watertoets is opgenomen in Bijlage 5. De uitkomst van de watertoets geeft aan dat de normale procedure van toepassing is.
Hierop heeft op 21 november 2019 nadere afstemming plaatsgevonden met het waterschap Vechtstromen, gemeente Tubbergen en adviseur van de ontwikkelaar. Overeengekomen is dat waterberging als gevolg van verharding van de locatie binnen het plangebied wordt opgevangen. De infiltratievoorziening dient een minimale berging van 37 mm te hebben. Deze minimale berging komt voor het toekomstig verhard oppervlak (maximaal 12.000 m2) overeen met een bergingsopgave van 445 m3. Omdat van de helft van de benodigde berging plaatsvindt op de particuliere terreinen, wordt deze hoeveelheid gereduceerd tot 250 m3 . In deze waterberging wordt voorzien door de aanleg van waterbergingen aan de noord- en zuidzijde van het plangebied. Het hemelwater dient in de noordelijke wadi en zuidelijke bergingsvijver en de infiltratiekratten (-op particulier terrein) geborgen te worden. De wadi en vijverdienen met elkaar verbonden te worden om waterafvoer in bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
43
extreme situaties mogelijk te maken. De functie van de bestaande watergang dient behouden te blijven om de mogelijkheid voor afvoer van water, vanaf de wadi’s noordelijk van de Almeloseweg, te behouden. Daarnaast kent het hemelwaterriool op het bestaande plangebied de Krön een overstort op de watergang, welke gehandhaafd dient te blijven. Tevens is gesproken over een watergang in het beheer van het waterschap aan de oostzijde van het plangebied (tussen bestaande bedrijventerrein en het nieuw beoogde bedrijventerrein). Deze sloot is van belang aangezien deze zorgt voor afvoer van hemelwater uit de wijdere omgeving. Demping van de bestaande sloot is desondanks gewenst, omdat behoud van de sloot tussen bedrijventerrein niet wenselijk is qua onderhouds- en gebruiksmogelijkheden. Behoud van de afvoermogelijkheid en capaciteit is echter wel het uitgangspunt en daarom wordt een duiker onder het plangebied aangebracht welke voorziet in voldoende afvoercapaciteit. De maatregelen en benodigdheden inzake de waterhuishouding zijn nader uitgewerkt in het geohydrologisch rapport en waterhuishoudkundig plan. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 6. Met inachtneming van vorenstaande wordt voor wat betreft het aspect water geen belemmering verwacht.
4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden (Natuurbank Overijssel, projectnummer 2237, d.d. 22-11-2019), zie ook Bijlage 7. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Er zijn concrete plannen om een perceel, gelegen aan de zuidzijde van de woonkern Harbrinkhoek nabij het bestaande industrieterrein De Krön, te ontwikkelen als bedrijventerrein. Het streven is om bouwgrond te realiseren voor een aantal bedrijven om zich in het plangebied te vestigen. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In bijgevoegd rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd.
Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 5 november 2019 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen schaduwwerking kent. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura2000-gebied en het plangebied, heeft het uitvoeren van fysieke werkzaamheden geen negatief effect op Natura2000-gebied. Uit een stikstofberekening, welke is doorgerekend met Aerius Calculator, is gebleken dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet leidt tot een verhoogde depositie van NOx op Natura2000-gebied. Deze rapportage is tevens in Bijlage 9 opgenomen. Wettelijke consequenties m.b.t.
soortbescherming: Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën-, vleermuisen grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied en bezetten er geen rust- of voortplantingsplaats. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende amfibieën-, vogel- en grondgebonden zoogdiersoorten niet beschermd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de meeste soorten niet aangetast. Het plangebied betreft geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Samenvattende conclusie Het plangebied bestaat uit een intensief beheerde akker. Er is geen bebouwing of opgaande beplanting aanwezig 44
bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een weinig geschikt functioneel leefgebied voor zeldzame- en kritische (grondgebonden) diersoorten en als een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten beschouwd. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura2000-gebied en het plangebied, is met behulp van de Aerius -Calculator vastgesteld dat de voorgenomen activiteiten niet leiden tot een negatief effect op Natura2000-gebied. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden.
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie In het vigerende bestemmingsplan ‘Tubbergen Buitengebied 2016’, vastgesteld op 23-05-2016, ligt het plangebied in een zone met een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4. Indien bodemingrepen over een oppervlakte van meer dan 5.000 m² en dieper dan 40 cm-mv plaats zullen vinden, is archeologisch onderzoek verplicht. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Tubbergen heeft het centraal-westelijke deel van het plangebied een middelmatige verwachting op resten uit alle archeologische perioden wegens de ligging op dekzandwelvingen en -vlakten. De rest van het plangebied heeft een lage verwachting op archeologische resten wegens de ligging in een beekdal of overige laagte. De geplande ontwikkeling overschrijdt de vastgestelde ondergrenzen. Ten behoeve van het nieuw op te stellen bestemmingsplan is een archeologisch onderzoek noodzakelijk om de archeologische verwachting nader te specificeren en te toetsen. Toets Hamaland Advies heeft een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek (zie Bijlage 8) uitgevoerd voor het plangebied De Krön II, gelegen tussen de Almeloseweg in het noorden en de Peuversweg in het zuiden.
De aanleiding voor het onderzoek is de geplande ontwikkeling tot bedrijventerrein. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 1,457 hectare. De exacte verstoringsdiepte is nog niet bekend, maar zal in verband met de aanleg van vorstvrije fundering naar verwachting minimaal 80 cm-mv bedragen. Het door Hamaland uitgevoerde onderzoek bestaat uit een KNA 4.1 conform bureauonderzoek (BRL 4000, protocol 4002). Het plangebied is gelegen ter plaatse van grondmorenewelvingen, die in de zuidoostelijke hoek overgaan in een smeltwaterrug. In deze geomorfologische eenheden is een veldpodzol ontstaan. Op basis van historisch kaartmateriaal is te herleiden dat het plangebied tot in de 18e eeuw in een heideveld gelegen was. Na de (gedeeltelijke) ontginning van het plangebied werd het als weiland gebruikt en maakte het onderdeel uit van het Schoolveld. Het plangebied werd doorsneden door een pad of weg. Pas vanaf 1988 is er sprake van bouwland en in de periode 1988-2009 heeft in de noordwestelijke hoek bebouwing gestaan. Beschikbaar kaartmateriaal geeft geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van een es. In het plangebied is de oorspronkelijke veldpodzol volledig verstoord. De verstoring reikt tot in de natuurlijke ondergrond, die bestaat uit dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden).
De verstoring is vermoedelijk het gevolg van diepploegen, waardoor tevens aangegeven kan worden dat er sprake is van jonge ontginningen. Op basis van het booronderzoek adviseert Hamaland Advies om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. De bodem is tot in de C-horizont verstoort en derhalve wordt de kans gering bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
45
geacht dat er bij de geplande bodemingrepen archeologische waarden verloren gaan. Verder dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet) kenbaar te worden gemaakt, om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister”. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort en de verantwoordelijk beleidsadviseur archeologie van de Gemeente Tubbergen. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.
Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in en/of om het plangebied geen cultuurhistorische waarden voorkomen. Deze waarden worden als gevolg van de planvorming dan ook niet aangeast. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.11
Verkeer en parkeren
Verkeer Voor wat betreft het aspect verkeer is door Goudappel Coffeng B.V. verkeerskundig onderzoek uitgevoerd naar bedrijventerrein De Krön II. Deze volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 10. Hierbij is onder meer gekeken naar de verkeersgeneratie van de ontwikkeling, het effect hiervan op het omliggende wegennet en de maatregelen die gewenst c.q. noodzakelijk zijn om de kwaliteit van de verkeersafwikkeling te laten voldoen. De resultaten worden onderstaand beschreven. De ontwikkeling heeft een totale verkeersgeneratie (optelling aankomend en vertrekkend verkeer) van circa 360 motorvoertuigen (mvt) per werkdagetmaal. In zowel het ochtend- als het avondspitsuur bedraagt de totale verkeersgeneratie circa 40 mvt. De kwaliteit van de verkeersafwikkeling is beoordeeld op twee wegvakken van de Almeloseweg: tussen Demmersdwarsweg en N349 en tussen Noordegraafsingel en Jannes Brouwerstraat. Op beide wegvakken ligt kwaliteit van de verkeersafwikkeling na realisatie van De Krön II binnen de door Duurzaam Veilig gestelde kaders. Hierbij is tevens uitgegaan van een ‘worst case’-scenario waarin het extra verkeer als gevolg van de ontwikkeling van De Krön 2 volledig via de betrreffende wegvakken (gerekend met 100% verkeersgeneratie per wegvak) wordt afgewikkeld.
Kriuspunt De Krön - Almeloseweg is beoordeeld op de kwaliteit van de verkeersafwikkeling in 2030 inclusief de ontwikkeling van De Krön II. Gelet op zowel de wachtrijlengtes, de verliestijden alsmede verhouding tussen de intensiteit en de capaciteit van het kruispunt, kan de kwaliteit van de verkeersafwikkeling op kruispuntniveau als goed geclassificeerd worden. Op advies van de Veiligheidsregio Twente wordt ten behoeve van een calamiteitenroute aan de zuidwestkant van een plangebied een doorgang beoogd. Deze wordt - zoals de naam al aangeeft - enkel toegankelijk gemaakt in het geval van calamiteiten. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de wegenstructuur in de omgeving voldoende toereikend is voor de extra verkeersafwikkeling van onderhavige planvorming. Parkeren Het parkeerbeleid van de gemeente Tubbergen is vastgelegd in de Beleidsnotitie Bouwen & Parkeren 2018. Het beleid geldt als beoordelingskader voor de parkeerbepalingen in bestemmingsplannen. De parkeerbehoefte van een bouwplan en/of een gebruikswijziging wordt bepaald door het vermenigvuldigen van de parkeernorm met de bruto vloeroppervlakte of met een aantal. Dat kan op grond van de afzonderlijke ruimtes in een bouwwerk of op grond van het totale bouwwerk (b.v. een kantoorgebouw, indien van zeer homogene functie sprake is).
Daarbij wordt de rekensystematiek aangehouden zoals is opgenomen in de beleidsnotitie. Voor onderhavig bestemmingsplan geldt dat op moment van schrijven nog geen duidelijkheid bestaat over de hoeveelheid te vestigen bedrijven en de opppervlakte van op te richten bebouwing. Uitgangspunt van het beleid Bouwen & Parkeren 2018 is dat parkeergelegenheid wordt gerealiseerd op eigen gronden. Elke gebruiker c.q. 46
bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
eigenaar van de betreffende gronden dient hiermee in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. De benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen is afhankelijk van het aantal werknemers en het te verwachten aantal bezoekers. Per te ontwikkelen kavel dient de ontwikkelaar zelf te zorgen voor voldoende oppervlak op eigen terrein om het parkeren van werknemers en bezoekers op te vangen. Evenzo dient telkens op eigen terrein voldoende ruimte te zijn om laden en lossen op te vangen. In de ‘Overige regels’ van dit bestemmingsplan is een regeling omtrent parkeren opgenomen. Deze regels zijn juridisch bindend, waardoor een goede invulling van het aspect parkeren voldoende geborgd is.
bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
47
48
bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2 Toelichting op de regels 5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier bestemmingsplan bedrijventerrein De Krön 2 Harbrinkhoek
49
om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.
De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2