Bijlage TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
Tekst van het document
1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-merplichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.
Beoordeling van de plannen: De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De voorgenomen activiteit voor het uitsluiten van veehouderij staat niet benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling. Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen 34
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
heeft, zodat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid moet vervolgens worden beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden aangetoond dat de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren moet worden getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018, waarbij het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen erf plaatsvindt. . Indien nodig worden de aanleg en instandhouding van de parkeerplaatsen opgenomen als voorwaarde aan deze vergunning. Beoordeling van de plannen: Voor de locatie Kotkampsweg 7 geldt dat enkel uitsluiten van veehouderij en hiervoor wat wijzigingen van gebouwen gaat plaatsvinden, inclusief een mestsilo. De mest van de mestsilo is van derden afkomstig, en kan daarmee zeer beperkte verkeersgeneratie opleveren. Doordat er geen sprake meer is van een veehouderij en enkel akkerbouw, zal de verkeersgeneratie met dit gebruik niet wijzigen of afnemen.
Al met al zorgt deze ontwikkeling niet voor wijzigingen als het gaat om structurele verkeersgeneratie en/of parkeren. Nadere toetsing is dan ook niet zinvol. Conclusie Het voornemen zorgt niet voor onaanvaardbare gevolgen voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren.
5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 5.4.1
Natura 2000-gebieden
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten. De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op.
In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
35
Situatie planlocatie Het voorgenomen besluit voorziet in het toestaan van een nieuwe activiteit op Kotkampsweg 7 Geesteren die stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige habitat(ten) binnen Natura 2000 gebied(en) Springendal & Dal van de Mosbeek. Het nieuwe project wordt aangevraagd in directe samenhang met beëindiging van de bestaande veehouderij-activiteiten op dezelfde Kotkampsweg 7 Geesteren in het kader van de LBV-regeling. Het doel van de regelingen is om daarmee de stikstofemissie door vrijwillige beëindiging van veehouderijlocaties te verlagen en daarmee de stikstofdepositie vanuit de veehouderij op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden te verlagen, zodat die gebieden kunnen worden behouden en kunnen herstellen. Op grond van deze regelingen dient de productie en productiecapaciteit op een veehouderijlocatie definitief en onherroepelijk beëindigd te worden en mag op de locatie slechts een nieuwe activiteit worden verricht als deze maximaal 15% van de oorspronkelijk met het project vergunde stikstofruimte oplevert. Om de stikstofemissie van het aangevraagde nieuwe project te mitigeren wordt de emissie van het reeds toegestane project als referentiesituatie gehanteerd. Daarmee is sprake van een situatie die wordt aangemerkt als intern salderen.
Hieronder wordt onderbouwd op welke wijze daarbij wordt voldaan aan de wetgeving en jurisprudentie inzake intern salderen en (indien van toepassing) aan de vereisten die volgen uit provinciale beleidsregels.
Stikstofdepositie aangevraagd project De aangevraagde activiteit leidt tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebied(en) 'Springendal & Dal van de Mosbeek'. Tabel 1 geeft een overzicht van de habitattypen waarop het project depositie veroorzaakt en de omvang van de depositie.
36
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
Tabel 1. Resultaten AERIUS-berekening aangevraagde situatie
Voor bovenstaande habitattypen blijkt uit de natuurdoelanalyses dat eindoordeel ‘nee, tenzij’ wordt gegeven. Dit houdt in dat het vastgestelde pakket aan maatregelen niet volstaat om verslechtering tegen te gaan en realisatie van instandhoudingsdoelstellingen mogelijk te maken. De natuurdoelanalyse maakt in dat geval duidelijk wat de knelpunten zijn. In deze habitattypen is stikstofbelasting een knelpunt. In de natuurdoelanalyses is geconcludeerd dat aanvullende stikstofreducerende maatregelen noodzakelijk zijn voor het behalen van de relevante instandhoudingsdoelstellingen. Zodoende is het noodzakelijk dat aanvullende maatregelen worden getroffen om tot het doelbereik te komen.
Verderop in dit besluit lichten wij verder toe waarom wij van mening zijn dat de mitigerende maatregel, die een in emissie en depositie minimale toekomstige activiteit mogelijk maakt, niet noodzakelijk is om ingezet te worden als aanvullende maatregel voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Wij geven namelijk met de LBV-regeling, waar dit besluit mee samenhangt, en andere passende maatregelen, waaronder, invulling aan HR 6.2.
Referentiesituatie van het project Om bovenstaande depositie van de aangevraagde activiteit te mitigeren gaat de aanvraag uit van intern salderen met de toegestane activiteit op de locatie. Dit betreft de volgende toestemming:
Tabel 2. Overzicht bestaande toestemming Mitigerende maatregel (intern salderen) Op grond van de LBV-regeling geldt voor deelnemers de voorwaarde dat na beëindiging van de veehouderijactiviteiten de toestemming niet meer mag bedragen dan de werkelijke stikstofemissie van het nieuwe project, met een maximum van 15% van de eerder toegestane stikstofemissie. Om de nieuw aangevraagde activiteit voldoende te mitigeren dient onderstaand deel van de bestaande toestemming als referentie te worden gehanteerd voor de nieuw aangevraagde activiteit.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
37
Overzicht benodigde restruimte/referentiesituatie Wanneer de emissies van NH3 en NOx van de bestaande toestemming worden vergeleken met de benodigde ruimte, geldt dat 0.72% van de bestaande toestemming nodig is om het nieuwe project te mitigeren. Aangezien dit minder is dan 15% én een representatieve emissie is behorend bij de nieuw aangevraagde activiteit voldoet de aanvrager daarmee aan de voorwaarden van de LBV- regeling. Met deze mitigerende maatregel zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van het beoogde project uitgesloten.
Het additionaliteitsvereiste Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat getoetst moet worden aan het additionaliteitsvereiste bij het inzetten van mitigerende maatregelen. Uit de PAS- uitspraak van 29 mei 2019 volgt dat een maatregel die als instandhoudings- of passende maatregel ingezet zou kunnen worden, alleen als mitigerende maatregel bij vergunningverlening ingezet mag worden als het behoud van natuurwaarden is geborgd. Hierbij moet worden gelet op de instandhoudingsdoelstellingen en huidige staat van instandhouding, op basis van bijvoorbeeld natuurdoelanalyses. Of, in het geval dat er een verbeter- of hersteldoelstelling geldt, dat doel ook op andere wijze kan worden gerealiseerd. Hieronder lichten wij toe waarom wij reden zien om een mitigerende maatregel te mogen betrekken bij de beoordeling dat het beoogde nieuwe project geen significante effecten heeft op Natura 2000-gebieden.
Intern salderen als mitigerende maatregel Gelet op de urgentie om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied(en) 'Springendal & Dal van de Mosbeek' blijvend te verminderen zou de voorliggende mitigerende maatregel in beginsel als een passende of instandhoudingsmaatregel kunnen worden gezien. Echter, de aanvraag dient te worden beschouwd in de context van beëindiging van de veehouderij op de locatie van de aanvrager, waarmee in totaal 99,28% van de toegestane emissie op de locatie wordt ingetrokken. Weliswaar zou het inzetten van het percentage aan overgebleven stikstofruimte op onderhavige projectlocatie ten goede kunnen komen aan de natuur, maar volgens ons is het geen passende maatregel. Er dient een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het scenario van deelname aan de LBV- regeling inclusief het beoogde toekomstige project binnen de circa 1% stikstofruimte en anderzijds het scenario van geen deelname en voortzetting van de volledige bedrijvigheid op onderhavige projectlocatie. Dit overwegende zijn wij van mening dat de mitigerende maatregel die ingezet wordt voor het aangevraagde project in geen verhouding staat tot de passende maatregel die hier uit voortvloeit, zijnde de vrijwillige LBV-regeling.
De totale stikstofdepositiereductie als gevolg van beëindiging van de veehouderijactiviteiten en de ontwikkeling van een nieuwe schuur, mestsilo en bijgebouw, op een erf gelegen 38
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
aan Kotkampsweg 7 te Geesteren, betreft immers 99% op de omliggende Natura 2000-gebied(en) 'Springendal & Dal van de Mosbeek'. Daarnaast draagt deze ontwikkeling ook bij aan reductie van de landelijke stikstofdeken. Samenvattend heeft het beëindigen van de veehouderijactiviteiten en het toestaan van de nieuwe activiteit een groot effect op het terugdringen van de stikstofbelasting. Door deze stikstofreductie is de LBV-regeling aan te merken als een passende en instandhoudingsmaatregel. De samenhang tussen de beëindiging van de veehouderij en het voornemen tot het nieuw aangevraagde project maakt daarom dat wij de mitigerende maatregel in deze specifieke situatie niet als passende of instandhoudingsmaatregel beoordelen in het kader HR 6.2.
Belang van nieuwe activiteit in het kader van een vrijwillige regeling De beëindigings- en verplaatsingsregelingen zijn subsidieregelingen voor veehouders die willen stoppen met hun bedrijf of met een locatie van hun bedrijf. Essentieel is dat sprake is van een vrijwillige regeling, waarbij de definitieve en onherroepelijke beëindiging van een veehouderijbedrijf of locatie van een veehouderijbedrijf wordt gesubsidieerd. Ondernemers komen in aanmerking voor één van de regelingen indien zij voldoen aan vastgestelde drempelwaarden voor depositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. De initiatiefnemer van deze aanvraag neemt deel aan een van de regeling. Deze subsidieregeling maakt het financieel mogelijk voor de aanvrager om het bedrijf op verantwoorde wijze te beëindigen, maar vormt geen dekkende inkomstenbron voor de toekomst. Daarbij is het idee altijd geweest dat er een beperkte hoeveelheid ruimte moet overblijven voor deelnemers om op de betreffende locatie een andere activiteit te verrichten. De aard van de regeling is immers dat de deelnemers op dezelfde locatie blijven zitten en het eigendom over de grond behouden. Dat werkt alleen maar als je de deelnemers ook in staat stelt op die locatie een andere activiteit te ontplooien. Het volledig intrekken voldoet niet aan de doelstelling van die regeling en heeft bovendien sociaaleconomisch ongewenste effecten.
Het is dus van belang dat de initiatiefnemers een goed toekomstperspectief geboden krijgen, zodat deelname aantrekkelijk is doordat er financiële zekerheid is. Ter ondersteuning van dit doel is bepaald dat een deelnemer maximaal 15% van de vergunde stikstofemissie mag behouden voor de ontwikkeling van een toekomstige activiteit. Op deze manier vindt minimaal 85% vermindering van de stikstofemissie vanaf de deelnemende locatie plaats, wat ten goede komt aan de natuur en de instandhouding van stikstofgevoelige habitattypen bevordert. Niet onbelangrijk om hierbij te vermelden is dat deelnemers aan de regeling eraan zijn gehouden om slechts de stikstofruimte die benodigd is voor de toekomstige activiteiten te behouden. De 15% betreft dus een maximum waarbij niet meer ruimte behouden mag worden dan nodig voor de beoogde activiteiten. In dit geval is slechts 0,72% (0,01 mol/ha/jr) van de toegestane emissie benodigd voor het nieuw beoogde project. Daarnaast is de vergunninghouder vanuit de regeling ook verplicht om de natuurvergunning in te laten trekken wanneer niet langer gebruik wordt gemaakt van de uit deze vergunning voorvloeiende stikstofruimte. Dit voorschrift volgt uit de bedoelde regelingen. Door een dergelijke intrekking wordt bewerkstelligd dat de stikstofruimte niet meer voor externe saldering beschikbaar is.
Als het voorliggende nieuwe project niet wordt toegestaan kan dit dus betekenen dat voor de aanvrager onvoldoende toekomstperspectief ontstaat om deelname aan de subsidieregeling voort te kunnen zetten. Er bestaat daarmee een reëel risico dat de beëindiging van deze veehouderijlocatie geen doorgang zou vinden en de emissiereductie van 99% niet gerealiseerd zou worden. De regeling zou in zoverre dan dus niet het beoogde effect van een passende en instandhoudingsmaatregel zijn. Een onvrijwillige beëindiging van alle activiteiten op een locatie behoort in dit kader ook tot de bevoegdheden van het bevoegd gezag, maar heeft over het algemeen een veel langere doorlooptijd met daarnaast hoge maatschappelijke en economische kosten. Deze kosten en langere doorlooptijd, in combinatie met juridische onzekerheid over het te behalen doel, wegen niet op tegen de zeer beperkte extra depositiedaling die een met een onvrijwillige beëindiging van alle activiteiten op een locatie kan worden gerealiseerd.
Conclusie Op basis van bovenstaande uiteenzetting kan worden geconcludeerd dat: de aanvraag samenhangt met het treffen van een instandhoudings- of passende maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid Habitatrichtlijn, in de vorm van permanente beëindiging van de veehouderij op locatie Kotkampsweg 7 te Geesteren; er is sprake van een situatie waarbij op basis van vrijwilligheid tot bedrijfsbeëindiging wordt overgegaan, mits een toekomstige activiteit mogelijk is. Het niet toestaan van het nieuwe project leidt ertoe dat de bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
39
bestaande stikstofemissie en -depositie die worden veroorzaakt door de veehouderij in stand blijven, omdat de aanvrager afziet van deelname aan de subsidieregeling en niet overgaat tot beëindiging; de beperkte emissie die met de toestemming voor het nieuwe project wordt verleend door het inzetten van intern salderen als mitigerende maatregel ruimschoots opweegt tegen de langere doorlooptijd en hoge maatschappelijke en economische kosten bij een onvrijwillig beëindigingstraject; er met onderhavig besluit een dusdanige stikstofreductie wordt bewerkstelligd, dat het nieuwe beoogde project met een zeer beperkte depositie kan worden gezien als additioneel.
5.4.2
Natuurnetwerk Nederland
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Situatie planlocatie Het plangebied ligt op minimaal 940 meter van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de groene kleur aangeduid. (bron: atlasleefomgeving.nl). Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, voor zowel de ontwikkel als de gebruiksfase op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten kunnen eveneens worden uitgesloten.
5.4.3
Soortenbescherming
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de 40
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Situatie planlocatie Het plangebied is gelegen aan de Kotkampsweg 7 te Geesteren, gemeente Tubbergen, provincie Overijssel. Het plangebied ligt in het buitengebied ten noordoosten van Geesteren. Het plangebied wordt omgeven door agrarisch cultuurland. Op de onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Voor de voorgenomen ontwikkeling is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd door de Natuurbank voor zowel de planlocatie. De resultaten van het onderzoek zijn in dit hoofdstuk opgenomen, en het volledige rapport is bijgevoegd in Bijlage 1. De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling 'het opzettelijk beschadigen en vernielen van voortplantings- en rustplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een Omgevingsvergunning vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de voortplantings- en rustplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode.
In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, voor zowel de ontwikkel als de gebruiksfase op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten kunnen eveneens worden uitgesloten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
41
er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren er een voortplantings- of rustplaats en amfibieën een (winter)rustplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied. Door het slopen van de gebouwen wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de soorten die mogelijk in het plangebied nestelen is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Het slopen van de bebouwing dient buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Mogelijk wordt als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een voortplantings- of rustplaats beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantings- en/of rustplaats negatief beïnvloed worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats'. Voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling.
Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van de verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden en dat (winter)rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de (winter)rustplaatsen negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van voortplantings- of rustplaats'. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling.
Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van de verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. 5.4.4
Conclusies
Uit het natuurwaardenonderzoek van de Natuurbank kan geconcludeerd worden dat, wanneer er zorgvuldig wordt gehandeld, geen beschermde soorten opzettelijk worden gedood. De uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepaling. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit aangevraagd te worden.
5.5 Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 42
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool.
Beoordeling van de plannen: Het voornemen ziet op het uitsluiten van veehouderij aan de Kotkampsweg 7. Zoals eerder is benoemd, is er als gevolg van de ontwikkeling geen toename in verkeersgeneratie. Derhalve zijn er geen veranderingen vanuit het aspect luchtkwaliteit. Juist kan de luchtkwaliteitverbeteren, aangezien de ammoniakemissies van veehouderijen komen te vervallen.
5.6 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
43
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen; Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Afbeelding 5.1:Standaardwaarden geluidgevoelige gebouwen (Bron: Art. 5.78T van het Bkl)
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB).
Beoordeling van de plannen:
44
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
In voorliggend geval zijn de aspecten railverkeers,- wegverkeers-, en industrielawaai niet van belang, want er wordt geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt dat bescherming geniet voor weg of railverkeer. Voor wat betreft het aspect industrielawaai wordt opgemerkt dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van een industrieterrein met geluidproductieplafond (gpp) en hier ook niet nabij is gelegen. Geluid afkomstig van project op omgeving De beoogde ontwikkeling van het uitsluiten van veehouderij en het voortzetten van het agrarisch bedrijf als akkerbouw levert uiteindelijk niet meer geluid op. Volgens de 'VNG handreiking activiteiten en milieuzonering' is de positiewaarde van geluid voor melkveehouderij hetzelfde als voor akkerbouw, dus is er geen wijziging in geluidswaarde. De omgeving zal dus geen geluidshinder ervaren. Geluid van nabijgelegen bedrijven In dit geval is er geen sprake van een nieuwe geluidsgevoelige activiteit. Derhalve is een nadere toelichting niet relevant in dit geval.
Conclusie Geluidhinder vormt in voorliggend geval geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.7 Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen.
Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
Beoordeling van de plannen: Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het het uitsluiten van de mogelijkheid voor het houden van vee. De agrarische bedrijfsfunctie blijft hiermee verder ongewijzigd. Er worden geen geurgevoelige objecten toegevoegd en het wegbestemmen van het houden van vee heeft voor het aspect geur geen ruimtelijk negatief effect op de omgeving. Met de toevoeging van een nieuwe mestsilo, is er sprake van een beperkte gewijzigde situatie betreft geur. In de huidige situatie is de veehouderij mogelijk, er is geen belemmering wat betreft geur. Met de voorgenomen ontwikkeling neemt de geurbelasting niet toe, juist is er sprake van een afname. Het uitsluiten van de veehouderij heeft daarom juist een positief effect op de omgeving wat betreft geur. Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat voorliggend plan niet voorziet in een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Andersom vormen de omliggende bedrijven geen hinder voor de betreffende locatie. Er zijn geen belemmeringen voor het plan als het gaat om het aspect geur.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
45
5.8 Omgevingsveiligheid Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastendeactiviteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; 46
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).
Beoordeling van de plannen: Onderstaand volgt de uitsnede uit de risicokaart waarop de locatie Kotkampsweg 7 is te zien ten opzichte van de meest nabijgelegen risicobron.
Afbeelding 5.2: uitsnede risicokaart ter plaatse van Kotkampsweg 7 (bron: Atlas Leefomgeving) Het betreft een gebied met LPG tankstation op 302 meter afstand. In onderhavig plan is er sprake van het uitsluiten van een veehouderij op een agrarisch bedrijf. De afstand tot het plangebied is ruim voldoende en levert geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Een en ander brengt met zich mee dat de planvorming in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot omgevingsveiligheid.
5.9 Trillingen In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
47
Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Beoordeling van de plannen: Als gevolg van de plannen is het aspect trillingshinder niet van belang. Er wordt geen gevoelig object opgericht en andersom zorgen omliggende functies/activiteiten niet voor trillingen. Het aspect vormt geen belemmering voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.10
Archeologie en cultuurhistorie
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen.
5.10.1 Archeologie situatie plangebied De planlocatie aan de Kotkampsweg 7 is zichtbaar op de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Tubbergen, zie onderstaande afbeelding. De locatie ligt in het kenmerk 'dekzandhoogten en -ruggen' en 'dekzandwelvingen en –vlakten'. Tevens is de aanduiding 'Waarde – Archeologie 3' van toepassing op de planlocatie.
48
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
Afbeelding 5.3: uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart, locatie met zwart omcirkeld (gem. Tubbergen) Archeologisch onderzoek is binnen deze gebieden noodzakelijk in plangebieden groter dan 2500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2500 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Met de voorliggende ontwikkeling wordt voornamelijk landschapsontsierende bebouwing gesloopt over een grote oppervlakte, daarmee is er geen sprake van bodemingrepen dieper dan 40 cm. De bodemingreep die groter is dan 2500 m2 vindt plaats op een locatie waar eerder een even grote schuur heeft gestaan. Archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
5.10.2 Cultuurhistorie Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van beide planlocaties geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
5.11
Bodem
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
49
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Beoordeling van de plannen Met deze ontwikkeling geldt dat er geen sprake is van een wijziging van een functie, enkel de veehouderij wordt uitgesloten. Daarmee nemen de overige gebruiks- en bouwmogelijkheden niet toe. Gelet op de uitvoerbaarheid van het plan staat het aspect bodem hieraan niet in de weg. Derhalve geldt dat er geen verkennend bodemonderzoek benodigd is.
Conclusie Uit het bodemonderzoek op beide locaties is gebleken dat het aspect geen belemmering vormt voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.12
Waterbelang
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool.
Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.
Beoordeling van de plannen: Op 21-08-2025 is de watertoets uitgevoerd voor de Kotkampsweg 7 te Geesteren. Hieruit volgde dat de korte procedure van toepassing is. Hieruit blijkt dat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering en/of tijdelijk van aard zijn. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan. De waterparagraaf volstaat voor dit plan, bijgevoegd als Bijlage 5. Als gevolg van de plannen neemt de oppervlakte aan verharding af. In de huidige situatie wordt hemelwater op het erf geleidelijk geïnfiltreerd of loopt vertraagd weg naar de in de omgeving aanwezige sloten. Dit blijft ook in de toekomstige situatie het geval.
50
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
Hoofdstuk 6 Financiële uitvoerbaarheid De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over: nadeelcompensatie. Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan.
Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
51
52
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren
Hoofdstuk 7
Juridische toelichting
7.1 Wijziging omgevingsplan 7.1.1
Omgevingsplan van rechtswege
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. 7.1.2
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na deze datum worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD). De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant.