CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren_Motivering

Commissie Omgeving en Economie 15 september 2026, gemeente TubbergenBij agendapunt: 8: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren26.878 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. 5.5.2 Situatie plangebied Het plangebied in de gemeente Tubbergen ligt niet in een aandachtsgebied met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). Dit volgt uit artikel 5.51 lid 2 Bkl. Om te beoordelen of het voornemen 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. Hierbij is gebruik gemaakt van de verkeersgeneratie zoals omschreven in paragraaf 5.3. Voor het vrachtverkeer is met 3% gerekend.

Aangezien het voornemen uitsluitend de functie 'wonen' betreft wordt verwacht dat het aantal vrachtverkeer in realiteit lager zal liggen. Het aandeel van vrachtverkeer in de aanlegfase is buiten beschouwing gelaten, omdat dit tijdelijk van aard is. Onderstaande tabel 4 geeft de uitslag van de NIBM-tool weer. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 47 Tabel 4: NIBM Berekening (Bron: IPLO) Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging. 5.5.3 Conclusie Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 5.6 Geluid 5.6.1 Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid.

Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten.

Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen; Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, 48 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl.

Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel: Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Woongebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB). 5.6.2 Situatie plangebied 5.6.2.1 Situatie plangebied weg- en verkeerslawaai Door BJZ.nu is een akoestisch onderzoek geluid door wegen uitgevoerd. De volledige rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 8 bij deze motivering gevoegd. Hierna worden de belangrijkste onderzoeksresultaten kort besproken.

Onderzoeksresultaten Het geluid als gevolg van de gemeentelijke wegen bedraagt hoogstens 51 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. Dit betekent dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. 5.6.2.2 Situatie plangebied, industrielawaai Het plangebied ligt niet in of nabij een geluidgezoneerd industrieterrein. Het aspect industrielawaai is voor voorliggende ontwikkeling niet relevant. 5.6.2.3 Situatie plangebied, geluid als gevolg van belastende activiteiten (bedrijven) Door Munsterhuis geluid en advies is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Dit omdat het plangebied in de nabijheid van Combiglas, Elsten IT en Busscher Licht en Geluid en CV De Kroegtijgers ligt. Gezien de afstand kunnen andere bedrijven buiten beschouwing worden gelaten. De volledige rapportage is opgenomen als Bijlage 9 van deze motivering. Hierna worden de onderzoeksresultaten kort besproken. Combi Glas bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 49 Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt ter plaatse van de nabij gelegen toekomstige woningen maximaal 48 dB(A) in de dagperiode.

De ambitiewaarden uit het geluidbeleid van de gemeente voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau worden ter plaatse van de toekomstige woningen overschreden maar de bovengrenswaarde wordt niet overschreden. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is hierbij gewaarborgd. De waarden voor geluidgevoelige gebouwen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uit het omgevingsplan worden ter plaatse van de toekomstige woningen niet overschreden. De maatgevende geluidbron is de rondrijdende heftruck. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat het maximale geluidniveau ter plaatse van de toekomstige woning maximaal 65 dB(A) bedraagt in de dagperiode. De waarden voor geluidgevoelige gebouwen voor het maximale geluidniveau worden ter plaatse van de toekomstige woningen niet overschreden. Er is nog steeds sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wanneer het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bij toekomstige woningen maximaal 48 dB(A) bedraagt in de dagperiode, ook als hiermee de ambitiewaarden uit het lokale geluidbeleid worden overschreden maar de bovengrenswaarde niet wordt overschreden. Ambitiewaarden zijn streefwaarden, terwijl bovengrenswaarden juridisch afdwingbare minimale beschermingsniveaus zijn. Dit betekent dat er een voldoende beschermingsniveau is.

Er is zorgvuldig een balans gezocht tussen economische ruimte voor bedrijven en bescherming van woonkwaliteit, zonder ontoelaatbare geluidhinder. Een belangenafweging is gemaakt waarbij het maatschappelijke belang van nieuwe woningbouw, zwaarder weegt dan de lichte toename in geluid. De situatie past binnen de randvoorwaarden van het gemeentelijk geluidsbeleid. De geluidhinder is beperkt in frequentie en duur. Het langjarige gemiddelde geluid betreft vooral de dagperiode, waarin hinder door bewoners minder intens wordt ervaren dan in avond- of nachtperiode. Er is geen sprake van permanente hinder. Het maatschappelijke belang van woningbouw is groot vanwege het tekort aan woningen, wat ruimtelijk maatwerk en het benutten van beschikbare locaties noodzakelijk maakt. Belangrijk is verder dat de beoogde woningen worden gerealiseerd in een omgeving die reeds in overwegende mate bestaat uit woonbebouwing. De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door bestaande woonfuncties. Redelijkerwijs kan worden aangenomen dat bij de bestaande woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De toevoeging van nieuwe woningen sluit dus logisch aan bij het ruimtelijk-functionele karakter van het gebied en versterkt de woonfunctie die in de omgeving dominant aanwezig is.

Deze afweging zorgt ervoor dat ondanks lichte overschrijding van ambitiewaarden, de functie woningbouw verantwoord en evenwichtig aan deze locatie kan worden toegewezen. CV De Kroegtijgers Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt ter plaatse van de nabij gelegen toekomstige woningen maximaal 31 en 34 dB(A) in respectievelijk de dag en avondperiode. De ambitiewaarden uit het geluidbeleid van de gemeente voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau worden ter plaatse van de toekomstige woningen niet overschreden. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is hierbij gewaarborgd. De waarden voor geluidgevoelige gebouwen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uit het omgevingsplan worden ter plaatse van de toekomstige woningen niet overschreden. De maatgevende geluidbron is de uitstraling van het dak. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat het maximale geluidniveau ter plaatse van de toekomstige woning maximaal 47 dB(A) bedraagt in de dag en avondperiode. De waarden voor geluidgevoelige gebouwen voor het maximale geluidniveau worden ter plaatse van de toekomstige woningen niet overschreden. Elsten IT en Busscher en licht en geluid Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt ter plaatse van de nabij gelegen toekomstige woningen maximaal 34 en 30 dB(A) in respectievelijk de dag en avondperiode.

De ambitiewaarden uit het geluidbeleid van de gemeente voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau worden ter plaatse van de toekomstige woningen niet overschreden. De waarden voor geluidgevoelige gebouwen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uit het omgevingsplan worden ter plaatse van de toekomstige woningen niet overschreden. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat het maximale geluidniveau ter plaatse van de toekomstige woning 50 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren maximaal 70 dB(A) bedraagt in de dagperiode. Dit als gevolg van de vrachtwagen ten behoeve van het laden en lossen. Voor de toetsing aan de bruidsschat (uit omgevingsplan) mag deze buiten beschouwing worden gelaten en bedraagt de maximale geluidbelasting 58 dB(A). Gecumuleerd De individuele bedrijven voldoen. De gecumuleerde langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus bedraagt maximaal 48 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag en avondperiode. Er wordt voldaan aan de waarden. 5.6.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect geluid er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.7 Geur 5.7.1 Algemeen In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken.

Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.

5.7.2 Situatie plangebied In de omgeving van het plangebied zijn een aantal agrarische bedrijfspercelen aanwezig, overige geurbelastende functies liggen op voldoende afstand van het plangebied. Daarom is door BJZ.nu een geuronderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan worden hieronder besproken. De volledige rapportage is opgenomen als Bijlage 10. Tussen de te realiseren woningen en de reeds aanwezige veehouderijen zijn andere woonbestemmingen aanwezig. Verder wordt opgemerkt dat het voornemen tevens aan de wettelijke afstand van 100 meter binnen de bebouwde kom voldoet. Gelet op vorenstaande tast het plan geen planologische rechten van de omringende veehouderijen aan. Om het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen is zowel de voor- als de achtergrondgeurbelasting berekend. Vanwege de veehouderij aan de Schotboersweg 10-10a bedraagt de voorgrondgeurbelasting ten hoogste 10,5 OUE/m3 ter plaatse de grens van het planbied. Het woon- en leefklimaat t.a.v. de voorgrondgeurbelasting ter plaatse van te realiseren woningen is volgens de berekening als 'tamelijk slecht' te kwalificeren. Voor het grootste deel van het plangebied geldt dat het woon- en leefklimaat als 'matig' tot 'redelijk goed' te kwalificeren is. De achtergrondgeurbelasting bedraagt ten hoogste 11,43 OUE/m3. Volgens tabel 1 in het rapport (Bijlage 10) is het woon- en leefklimaat t.a.v.

de achtergrondgeurbelasting ter plaatse van de realiseren woningen te kwalificeren als 'redelijk goed'. Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de voorgrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als 'tamelijk slecht' tot 'redelijk goed'. De geurbelasting voldoet hiermee niet aan de wettelijke standaardnorm van 3,0 OUE/m3 voor geurgevoelige gebouwen binnen een concentratiegebied en binnen de bebouwingscontour. Wel wordt voldaan bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 51 aan de grenswaarde van 14,0 OUE/m3. Daarmee is juridisch-planologisch sprake van een toelaatbare situatie. De waarden voor geur op een geurgevoelig object zijn vastgesteld in de juridische regels van het TAM-omgevingsplan, met als doel het voorkomen van geurhinder. Deze regels zorgen ervoor dat de geurbelasting op die locaties binnen aanvaardbare niveaus blijft, conform de wettelijke kaders. Het oordeel over een aanvaardbaar woon- en leefklimaat dient integraal te worden gemaakt, waarbij niet alleen geur, maar ook andere relevante aspecten van de fysieke leefomgeving in beschouwing worden genomen.

Voor de thema's zoals bijvoorbeeld geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemkwaliteit, waterhuishouding, verkeer en parkeren volgt uit voorgaande en navolgende paragraven dat geen belemmeringen bestaan voor de uitvoering van het plan. Op al deze onderdelen wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving en is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De gemeente Tubbergen, en meer specifiek het gebied rondom de woningbouwlocatie, is van oudsher een agrarisch gebied, zodat een hogere geurbelasting inherent is aan de locatie, en daarmee aanvaardbaar kan worden geacht. Belangrijk is verder dat de beoogde woningen worden gerealiseerd in een omgeving wat een overgang vormt tussen de bebouwde kom en het buitengebied, waar reeds in overwegende mate woonpercelen aanwezig zijn. De toevoeging van nieuwe woningen sluit dus logisch aan bij het ruimtelijk-functionele karakter van het gebied en versterkt de woonfunctie die in de omgeving dominant aanwezig is. Bij de beoordeling van dit plan is een zorgvuldige afweging gemaakt tussen enerzijds de belangen van de agrarische bedrijven in de omgeving en anderzijds de belangen van de woningbouwontwikkeling en het creëren van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het geuronderzoek volgt dat de agrarische bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden of planologische rechten worden beperkt.

De beoogde woningen voegen zich bovendien in een gebied dat reeds als woonomgeving functioneert. Daarmee wordt enerzijds recht gedaan aan de agrarische belangen, doordat geen extra belemmeringen ontstaan, en anderzijds aan de maatschappelijke opgave om nieuwe woningen te realiseren in een omgeving waar reeds sprake is van een aanvaardbare woonsituatie. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingswet, waarin een evenwichtige toedeling van functies aan locaties centraal staat. Gelet op het feit dat wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor geur, dat de rechten van nabijgelegen veehouderijen niet worden beperkt, dat de overige milieu- en leefomgevingsaspecten geen knelpunten opleveren en dat de ontwikkeling plaatsvindt in een reeds bestaande woonomgeving, wordt geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningbouwontwikkeling. 5.7.3 Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.8 Omgevingsveiligheid 5.8.1 Algemeen Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt.

Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van 52 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk.

Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning.

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). 5.8.2 Situatie plangebied Aan hand van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.10 is een uitsnede van de risicokaart opgenomen. Het plangebied is hierin weergegeven met de rode ster. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 53 Afbeelding 5.10: Uitsnede risicokaart (Bron: atlasleefomgeving.nl, bewerkt) Uit afbeelding 5.10 blijkt dat zich in de omgeving van het plangebied geen risicobronnen bevinden en dat het plangebied ook niet binnen een aandachtsgebied ligt.

5.8.3 Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.9 Trillingen 5.9.1 Algemeen In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.

Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of 54 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 5.9.2 Situatie plangenbied Op basis van de Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen is het onderzoeksgebied in beginsel 100 meter. Binnen 100 m van het plangebied is geen spoorlijn aanwezig.

Daarnaast vinden er ook geen andere activiteiten plaats in de omgeving die trillingen veroorzaken. Hiermee is aannemelijk dat het trillingsniveau niet boven de streefwaarde uitkomt. 5.9.3 Conclusie Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.10 Archeologie en cultuurhistorie 5.10.1 Algemeen De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst. 5.10.2 Situatie plangebied 5.10.2.1 Archeologie Het plangebied ligt grotendeels binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Geesteren, Hutten”. In het kader van het bestemmingsplan “Geesteren, Hutten” is een archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek zijn de gronden ten aanzien van archeologie vrijgegeven. Voor de gronden binnen de begrenzing van het bestemmingsplan zijn geen archeologische waarden vastgesteld die in een dubbelbestemming zijn vastgelegd. Voor het deel van het plangebied dat ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan “Geesteren, Hutten” is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Een beperkt deel van het plangebied ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan “Tubbergen Buitengebied 2016”. Op basis van dit bestemmingsplan heeft dit deel van het plangebied de archeologische dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4' (deels) en 'Waarde – Archeologie 3' (deels).

Archeologisch onderzoek is noodzakelijk wanneer er bodemingrepen plaats zullen vinden dieper dan 40 cm onder het maaiveld en over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2. Kijkend naar de beoogde ontwikkeling op dit deel van het plangebied, kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat de oppervlakte bepaling van 5.000 m2 niet wordt benaderd. Een archeologisch onderzoek kan dan ook achterwege blijven. 5.10.2.2 Cultuurhistorie Het plangebied kent, op basis van de Rijksmonumenten en Werelderfgoedkaart van Atlas Leefomgeving geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich tevens geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. Hierdoor wordt gesteld dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor voorliggend initiatief. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 55 5.10.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden. 5.11 Bodem 5.11.1 Algemeen Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem.

In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). 5.11.2 Situatie plangebied In dit geval worden de gronden herbestemd van een agrarische en bedrijfsmatige functie naar een woonfunctie. Om aan te tonen dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik, is bodemonderzoek vereist. Voor een deel van het plangebied heeft de Kruse Groep een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, inclusief een eindsituatie-onderzoek. Deze rapportages zijn als bijlage 11 en 12 aan deze motivering toegevoegd. Voor de overige delen van het plangebied zijn door Ortageo verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd. Ook deze rapportages zijn als bijlage 13 en 14 bijgevoegd. Hierna worden de belangrijkste onderzoeksresultaten weergegeven. Rapport verkennend en nulsituatie bodemonderzoek Langeveenseweg 55 te G eesteren - juli 2016 In de vaste bodem van het onverdachte terreindeel zijn geen of slechts licht verhoogde gehalten aangetoond. De bovengrond van deellocaties A en B zijn licht verontreinigd met minerale olie en PAK. De ondergrond van deellocatie C is niet verontreinigd.

De lichte verontreinigingen geven geen aanleiding voor nader onderzoek. Het grondwater is niet tot matig verontreinigd. In peilbuizen 3A en C1 overschrijden de kopergehalten de tussenwaarde (dit zijn de matig verhoogde gehalten). Het grondwater ter plekke van peilbuis 3A was in 1996 (Geofox) licht verontreinigd met koper. Het destijds aangetoonde sterk verhoogde zinkgehalte in peilbuis 3 is nu niet aangetoond. Het destijds matig verhoogde kopergehalte in peilbuis 9 is in peilbuis 9A niet aangetoond. Omdat er in de huidige situatie geen blootstellingrisico's zijn, is nader grondwateronderzoek naar de matig verhoogde kopergehalten in peilbuis 3A en C1 niet noodzakelijk. Geadviseerd wordt om op een later moment het grondwater uit peilbuizen 3A en C1 her te bemonsteren. Langeveenseweg 55 G eesteren - rapport eindsituatie bodemonderzoek na vertrek LTC – maart 2024 In het grondwater zijn (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Er kan geconcludeerd worden dat het gebruik van het terrein na juli 2016 geen significante negatieve invloed heeft gehad op de bodemkwaliteit. De 56 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren eindsituatie ter plekke van de onderzoekslocatie is in voldoende mate vastgelegd.

Rapport verkennend bodemonderzoek weilandstrook 250m 2 aan de Langeveenseweg 65 in G eesteren – februari 2023 Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt het volgende: Visueel zijn op het maaiveld en aan de uitkomende grond geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen die duiden op een verontreiniging in de bodem. In de boven- en ondergrond geen verontreinigende stoffen zijn aangetoond. Deze grond is indicatief geclassificeerd als “altijd toepasbaar”. Het grondwater bevat een licht verhoogde concentratie aan nikkel, koper, cadmium en lood en een matig verhoogde concentratie aan zink. Deze verhoogde concentraties zijn waarschijnlijk van nature in het grondwater aanwezig. Er zijn geen minerale olie-producten aangetoond. De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de geplande transactie en nieuwbouw. Rapport verkennend bodemonderzoek Langeveenseweg in G eesteren – januari 2023 Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt het volgende: Visueel is een matige tot sterke bijmenging met puin aangetroffen. Er is geen asbestverdacht materiaalwaargenomen. De puinhoudende bovengrond is licht verontreinigd met PAK. Analytisch is geen asbest aangetoond. De grond is indicatief geclassificeerd als klasse 'industrie' en heeft daardoor beperkte afzetmogelijkheden. Er zijn geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen.

Wel is tijdens de bemonstering van de peilbuis een vettige substantie op de bemonsteringslang waargenomen. In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen aan koper aangetoond. Er zijn licht verhoogde gehalten aan PFAS aangetoond. De bovengrond is indicatief geclassificeerd als klasse ”industrie” en heeft daardoor beperkte afzetmogelijkheden. In de ondergrond geen verontreinigende stoffen zijn aangetoond. Deze grond is indicatief geclassificeerd als “altijd toepasbaar”. Het grondwater is licht verontreinigd met enkele zware metalen, naftaleen en sterk verontreinigd met minerale olie. Aromaten zijn niet aangetoond. De concentratie olie in het grondwater overschrijdt de interventiewaarde. Verwacht wordt dat de olieverontreiniging niet aanwezig was tijdens de uitvoering van het veldwerk en het plaatsen van de peilbuis omdat dit niet is waargenomen, de grondlaag rond de grondwaterspiegel geen olie bevat en het grondwater in een nabij geplaatste peilbuis (nog) niet verontreinigd is. Vermoedelijk is de olie aangebracht na het plaatsen van de peilbuis. Nader onderzoek is formeel niet nodig omdat op basis van bovenstaande de zorgplicht van toepassing is. 5.11.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12 Waterbelang 5.12.1 Algemeen Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 57 voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art.

5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn. 5.12.2 Situatie plangebied In verband met de geplande woningbouw is het nodig om de lokale waterhuishouding en de gevolgen van de herontwikkeling op de huidige waterhuishoudkundige situatie in kaart te brengen. Hiertoe is door Geofoxx een waterhuishoudkundig plan opgesteld, die is opgenomen in Bijlage 15 van deze motivering. Hemelwater Op basis van het Water en Rioleringsprogramma 2025-2030 van de gemeente Tubbergen kan worden uitgegaan van een minimale berging van 40 mm voor het verhard oppervlak. Waterschap Vechtstromen gaat uit van een bergingseis van 91 mm voor het toegenomen verhard oppervlak. Aangezien bij onderhavige ontwikkeling sprake is van een afname van het verhard oppervlak, is deze bergingseis formeel niet van toepassing. Het te bergen hemelwater zal in de openbare ruimte geborgen moeten worden en waar mogelijk ook infiltreren.

Aangezien op dit moment onbekend is hoe de particuliere terreinen worden ingedeeld, wordt enkel bergingscapaciteit gerealiseerd voor het openbaar terrein. Door de ontwikkeling is in het openbaar gebied straks circa 1,4 ha verharding aanwezig. In lijn met de bergingseis (40 mm) is binnen het plangebied circa 565 m3 bergingscapaciteit benodigd. Binnen het plangebied is ruim voldoende ruimte (ruim 1.000 m3) gereserveerd om deze hoeveelheid water te kunnen bergen middels wadi's. In afbeelding 5.11 is het watersysteem schetsmatig ingetekend. Afbeelding 5.11: Uitsnede watersysteem (Bron: Geofoxx) Afvalwater 58 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren Het DWA riool wordt uitgevoerd als PVC riool met een diameter van 315 mm. Het vuilwaterriool zal zoveel mogelijk aansluiten op het bestaande riool aan de Langeveenseweg, aan de oostzijde van het plangebied, met een b.o.b. hoogte van 13,77 m NAP, omdat dit riool onder vrij verval richting het hoofdgemaal gaat. Om de ophoging binnen het gebied beperkt te houden, zal een deel van de woningen worden aangesloten op het bestaande riool in De Potstal, aan de zuidwestzijde van het plangebied. Hier heeft het bestaande riool een b.o.b. hoogte van 13,52 m NAP. In totaal zal het vuilwater van 19 woningen worden aangesloten op het bestaande riool in De Potstal.

Vanwege het beperkte aantal woningen wordt er van uit gegaan dat het bestaande stelsel voldoende capaciteit heeft om deze woningen op aan te sluiten. Vloerpeilen In afbeelding 5.12 is een voorstel voor de toekomstige de peilen opgenomen. Op basis van de toekomstige inrichting van het plangebied is er voldoende ruimte aanwezig om deze te sluiten op de bestaande peilen op aangrenzende percelen, echter wordt aanbevolen om bij de verdere (civiele) uitwerking van het plan aandacht te hebben voor de hoogteverschillen welke ontstaan tussen de percelen. Afbeelding 5.12: Voorstel toekomstige peilen (Bron: Geofoxx) 5.12.3 Conclusie Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.13 Gezondheid 5.13.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 59 het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt.

5.13.2 Situatie plangebied In dit hoofdstuk van de motivering zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en bodemkwaliteit). Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat telkens wordt voldaan aan het wettelijk kader. Bovendien wordt vermeld dat er binnen het plangebied ruimte is voor groenvoorziening. Groenvoorziening en buitenruimtes stimuleren lichamelijke activiteit, sociale interactie en algemeen welzijn, wat ook bekend staat als positieve gezondheid. Het voornemen levert geen verslechtering op van de leefomgeving of omgevingskwaliteit. Daarom kan geconcludeerd worden dat het voornemen bijdraagt aan het maatschappelijk doel uit artikel 1.3 Omgevingswet. 5.13.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect gezondheid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.14 Duurzaamheid 5.14.1 Algemeen Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip 'duurzame ontwikkeling' als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten.

Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. 5.14.2 Situatie plangebied De ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van 61 woningen in Geesteren. De nieuw te bouwen woningen zullen volgens de laatste duurzaamheidsnormen en -eisen worden gebouwd. Nieuwbouw dient sinds 1 juli 2018 aardgasloos te zijn en bijna energieneutraal (BENG). 5.14.3 Conclusie Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 60 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren 5.15 Gewasbeschermingsmiddelen 5.15.1 Algemeen Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd. Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu.

De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar. De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 'niet onredelijk wordt geacht'. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van rekenmodellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol. In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten.

De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. 5.15.2 Situatie plangebied In een zone van 50 m rondom de gevoelige functies binnen het plangebied, de woonfunctie, is op agrarische gronden een functieaanduiding ('specifieke vorm van agrarisch uitgesloten – het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen') gelegd. Op gronden binnen deze functieaanduiding is het niet mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Hiermee wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voorkomen op een afstand van minder dan 50 m rondom gevoelige functies. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat gewasbeschermingsmiddelen en bijbehorende drift een risico vormen voor de volksgezondheid. De spuitvrije zone is bedoeld om de toekomstige bewoners te beschermen. Zolang de woningen niet worden bewoond, is deze zone dus niet noodzakelijk. In het gebruiksverbod is de spuitvrije zone gekoppeld aan het moment van ingebruikname van de woningen.

Agrarisch perceel TBG02-K-8429 Het agrarisch bedrijfsperceel met kadastrale aanduiding 'TBG02-K-8429' ligt op ruim 40 meter van de dichtstbijzijnde woonfunctie. In deze situatie is het niet nodig om een beperking op te leggen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hieronder worden de omstandigheden toegelicht die samen maken dat een afstand van minder dan 50 meter in dit geval aanvaardbaar is. Het gaat niet om één doorslaggevend argument, maar om meerdere factoren die samen deze conclusie ondersteunen. Het belangrijkste punt is dat de dichtstbijzijnde toekomstige woning op ruim 50 meter van de grens van het agrarische perceel ligt. De woning voldoet daarmee aan de gebruikelijke richtafstand van 50 meter. Deze afstand is bedoeld om mensen die langdurig in een woning verblijven te beschermen tegen mogelijke blootstelling aan drift van gewasbeschermingsmiddelen. De woning is daarbij het belangrijkste en meest gevoelige object. Voorts is van belang dat de woonfunctie weliswaar op ruim 40 meter afstand ligt en dat het voor wat de indeling van het woonperceel geen invulling krijgt waar mensen langdurig verblijven. Het gaat bij bescherming niet om het perceel als geheel, maar om de plekken waar mensen langere tijd aanwezig zijn. Volgens het stedenbouwkundig plan wordt het deel van het woonperceel binnen 50 meter namelijk ingericht als voortuin en oprit.

Dit zijn geen plekken waar mensen normaal gesproken lang verblijven. Een voortuin heeft vooral een representatieve functie. Een oprit wordt gebruikt om te parkeren of te passeren, niet om te verblijven. Daarnaast is ook van belang dat tussen het agrarische perceel en de toekomstige woonpercelen meerdere bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 61 fysieke elementen aanwezig zijn die een buffer vormen: Bebouwing: Gebouwen tussen beide percelen vormen een fysieke barrière en verminderen de verspreiding van drift richting het woongebied. Relatief drukke weg: Tussen de percelen ligt een rijweg. Deze open ruimte zorgt voor verdunning van eventuele drift. Daarnaast veroorzaakt verkeer luchtbewegingen die drift verder verspreiden en verdunnen. Beplanting: Aanwezige beplanting werkt als extra filter. Ook als deze niet volledig dicht of wintergroen is, vermindert zij de concentratie van driftdeeltjes. Samen zorgen bebouwing, weg en beplanting voor een bufferende werking tussen het agrarisch perceel en de toekomstige woonpercelen. Gelet op deze omstandigheden is een kortere afstand dan 50 meter in dit geval verdedigbaar. 5.15.3 Conclusie Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is niet toegestaan binnen een zone van 50 meter rondom gevoelige functies.

In de planregels is dit vastgelegd door binnen het plangebied, rondom de woonfunctie, een zone van 50 meter aan te wijzen met een specifieke functieaanduiding op agrarische gronden. 62 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren Hoofdstuk 6 Financiële haalbaarheid De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland/Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld.

Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over het kostenverhaal. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 63 64 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren Hoofdstuk 7 Juridische verantwoording 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 7.2 Opzet van de regels 7.2.1 Algemeen TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet.

Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels voor activiteiten; Overgangsrechtbepalingen. 7.2.2 Preambule De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint.

Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven. Dit plan beoogt een wijziging van het omgevingsplan ten behoeve van het bouwen van 61 nieuwe woningen met bijbehorende voorzieningen op de Ten Cate locatie in Geesteren. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22o van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen.

In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22o' gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofdstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 65 22o bij het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels. 7.2.3 Toepassingsbereik van het wijzigingsbesluit Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de 'oude' standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, is in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels.

Het toepassingsbereik luidt als volgt: Artikel 3 (Toepassingsbereik) De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder b, g, h, i, of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing binnen het plangebied van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMGKTENCATE-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. 7.2.4 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 11): Deze regel is opgenomen om ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen; Algemene ruimtelijke bouwregels (Artikel 12): deze regel is opgenomen ten behoeve van het in acht nemen van het uiterlijk en situering van bouwwerken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1435/documents/27889