CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren_Motivering

Commissie Omgeving en Economie 15 september 2026, gemeente TubbergenBij agendapunt: 8: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren26.878 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De voorgestelde herontwikkeling creëert een passend woonmilieu dat aansluit bij de karakteristieken van het gebied. Het plangebied is op de waardenkaart reeds geduid als kern met woon- en centrumfunctie. Er wordt hierbij rekening gehouden met waarden die gelden voor dit gebied vanuit de Omgevingsvisie. Dit vertaalt zich in kleinschalige woonbebouwing aan de dorpsrand, de toevoeging van ontmoetingsplekken (speelvoorzieningen), en de aanleg van ontsluitingen en wandelpaden die de verbinding met de groene omgeving versterken. Geconcludeerd wordt de ontwikkeling in overeenstemming is met de beleidsambities omschreven in de Omgevingsvisie Tubbergen. 4.1.4 Woonvisie 2021+ 4.1.4.1 Algemeen Het woonbeleid van de gemeente Tubbergen voor de komende jaren is weergegeven in de 'Woonvisie 2021+'. De afgelopen jaren hebben aangetoond dat de woningmarkt zeer dynamisch is. De woonvisie beschrijft daarom de gemeentelijke koers voor de komende jaren, maar er wordt flexibiliteit gehouden om tussentijds bij te sturen, mochten de ontwikkelingen op de woningmarkt daarom vragen. 4.1.4.2 Woningbouw om te voorzien in vraag (kwantitatief) Platteland in trek: toenemend aantal vestigers De gemeente Tubbergen wil voldoende woningen bouwen om te voorzien in de verwachte vraag. De afgelopen vijf jaar groeide het aantal huishoudens door positieve migratie, vooral van jongeren (15-25 jaar) en 50-plussers.

Jongeren verlaten de gemeente vaak vanwege werk of studie, maar keren terug bij gezinsvorming. 50-plussers zoeken steeds vaker ruime woningen in het groen, mede door de stijgende woningprijzen in steden. De gemeente wordt aantrekkelijker, ook voor andere leeftijdsgroepen, nu thuiswerken vaker voorkomt. Tubbergen biedt een kindvriendelijke omgeving met ruime gezinswoningen en veel voorzieningen, zoals scholen bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 27 in elke kern. Woningbouwprogramma: +640 woningen Voor de komende jaren gaat de gemeente uit van een woningbehoefte van 640 woningen voor de periode 2020-2030. Gezien de huidige druk op de markt wil de gemeente deze woningbouwopgave zoveel mogelijk de komende vijf jaar realiseren. Mocht er na de eerste vijf jaar meer woningen gebouwd zijn dan de geprognosticeerde behoefte, dan zal de gemeente daar met de woningbouwopgave na 2025 rekening mee houden. Daarnaast is het wenselijk om een ruimere plancapaciteit aan te houden dan enkel te koersen op de verwachte woningbehoefte. De ervaring leert dat een deel van de plannen vertraging oploopt of helemaal niet doorgaat. Voor het tijdig kunnen inspelen op de behoefte is een zachte plancapaciteit van 130% reëel; zo'n 830 woningen (ervan uitgaande dat 30% van de plannen niet of vertraagd wordt gerealiseerd).

Woningbouwopgave per gebied Om te kunnen voorzien in de woningbehoefte én als impuls voor de leefbaarheid en vitaliteit van kernen is het van belang dat er in alle kernen van Tubbergen kan worden gebouwd. De prognose is vertaald in een woningbouwprogramma per kern (zie afbeelding 4.4). De gemeente wil echter ruimte geven aan goede plannen die mogelijk de woningbehoefte in een kern overstijgt. Om die ruimte te bieden, voegt de gemeente de woningbehoefte voor de grote en kleine kernen samen. Dit biedt meer flexibiliteit. De behoefte per kern blijft echter het uitgangspunt (zie afbeelding 4.5). Afbeelding 4.4: Woningbouwprogramma naar kern (Bron: gemeente Tubbergen) Afbeelding 4.5: Woningbouwprogramma naar deelgebied (Bron: gemeente Tubbergen) Dit houdt in dat ruim de helft van de woningbehoefte landt in de drie grotere kernen. In deze kernen geldt de grootste woningbehoefte vanwege de nabijheid van voorzieningen; iets wat met name voor senioren en mensen met een zorgvraag een grote rol speelt. Ongeveer een derde van de behoefte landt in de overige woonkernen. Daarnaast reserveert de gemeente 40 woningen voor het buitengebied. De overige 40 woningen wijst de gemeente niet op voorhand toe maar kunnen vrij worden toegewezen aan kansrijke plannen die zich voor doen (knelpuntenpot).

4.1.4.3 Woningmarktmonitor De gemeente Tubbergen heeft door Tellers & Benoemers een Woningmarktmonitor laten opstellen om inzicht te krijgen in hoeverre de planvoorraad en het bestaande woningaanbod kwantitatief en kwalitatief aansluiten op de (veranderende) vraag. De monitor dient als input voor gemeentelijk beleid en ondersteunt beslissingen over ontwikkelingslocaties. 28 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren Uit de Woningmarktmonitor blijkt dat het verwachte woningtekort/-overschot voor 2033 volgens de meest recente prognose licht is gedaald van 712 woningen (januari 2023) naar 659 woningen (januari 2024). Desondanks blijft de vraag naar woningen hoger dan in de gemeentelijke Woonvisie 2021+ was voorzien voor de periode 2021-2030. 4.1.4.4 Bouwen op de juiste plek In overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking gaat de gemeente de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom op inbreidingslocaties realiseren. Op die manier blijft het buitengebied zo groen mogelijk. In Provinciaal verband (Regionale Woonagenda) is al aangegeven dat voor inbreidingsplannen de komende jaren geen kwantitatieve limiet wordt gesteld. Wel moeten deze plannen kwalitatief getoetst worden. In een aantal kernen zijn de mogelijkheden voor inbreiding beperkt.

Bijvoorbeeld omdat inbreiding te zeer ten koste gaat van het dorpse- en landelijke karakter, of omdat er niet of nauwelijks inbreidingslocaties voorhanden zijn. Daarom zetten we ons er voor in dat het ook in de toekomst mogelijk blijft om -uiteraard zo zorgvuldig mogelijk- potentiële locaties aan de randen van de bebouwde kom te benutten. De Regionale Woonagenda biedt ook die ruimte. 4.1.4.5 Prioriteiten voor starters en senioren (kwalitatief) Woningbouw voor starters De gemeente ziet een groeiende vraag naar kleinere woningen voor starters. Hoewel sommige starters nog steeds ruime kavels kopen, groeit de interesse in rijwoningen en kleinere zelfbouwkavels (250-300 m²), mede dankzij een korting op de grondprijs. Om starters binnen de gemeente te houden, wordt ingezet op betaalbare koopwoningen, ook voor alleenstaanden. Dit vraagt om slimme ontwerpen die betaalbaarheid en aantrekkelijkheid combineren, bijvoorbeeld flexibele woonconcepten zoals boven- en benedenwoningen die later kunnen worden samengevoegd. Levensloopgeschikte woningen voor senioren (en andere doelgroepen) Ook senioren vormen een belangrijke doelgroep. Veel ouderen wonen in ruime eengezinswoningen maar zoeken een levensloopgeschikte woning dichtbij voorzieningen. Omdat de juiste woningen vaak ontbreken, blijven velen langer in hun huidige woning.

Gerichte nieuwbouw voor senioren kan de doorstroming bevorderen, waardoor ook meer gezinswoningen vrijkomen. Beperkte woningbouwopgave voor gezinnen Voor gezinnen is er een beperkte nieuwbouwopgave, omdat het woningaanbod al grotendeels op hen is gericht. Toch blijft enige nieuwbouw wenselijk om doorstroming te ondersteunen en een gevarieerd woningaanbod te behouden. De gemeente streeft naar gemengde nieuwbouwlocaties met diverse woningtypen en prijsklassen, om eenzijdige wijken te voorkomen en een evenwichtige woningmarkt te realiseren. 4.1.4.6 Toetsing initiatief aan de Woonvisie 2021+ Het te realiseren woningbouwinitiatief biedt ruimte aan verschillende groepen inwoners die binnen de gemeente op zoek zijn naar een woning. Het gaat om zowel starters, doorstromers en senioren, door het diverse woningbouwprogramma. Met 61 woningen wordt voorzien in de woningbehoefte binnen de kern Geesteren. In de Ladderonderbouwing in paragraaf 5.1 wordt verder in detail ingegaan op de behoefte aan het type woningen binnen het plangebied. Het voornemen is daarmee in overeenstemming met de gemeentelijke woonvisie. 4.1.5 Beleidsnota Inbreidingslocaties gemeente Tubbergen 2016 4.1.5.1 Algemeen De Beleidsnota Inbreidingslocaties gemeente Tubbergen 2016 schept kaders en geeft meer duidelijkheid en zekerheid voor initiatiefnemers en omwonenden.

De doelstelling van deze nota is het hebben van een beleidsinstrument om aanvragen voor het bouwen op inbreidingslocaties ruimtelijk te verantwoorden en gemaakte keuzes te kunnen beargumenteren. Beleid op inbreidingslocaties geeft kansen voor verbetering en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij wordt primair ingezet op bouwen voor behoefte op locaties voor herstructurering of transformatie binnen bestaand stedelijk gebied. 4.1.5.2 Toetsingskader Een aanvraag voor bouwen op een inbreidinglocatie die niet past binnen het bestemmingsplan (omgevingsplan) moet aan de volgende zaken worden getoetst: bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 29 Beleid 1. Ladder voor duurzame verstedelijking; 2. Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel: woonafspraken; 3. Structuurvisie Tubbergen (nu: Omgevingsvisie Tubbergen); 4. Woonvisie 2015+ (nu: Woonvisie 2021+). Stedenbouwkundige aspecten 1. De stedenbouwkundige toetsing is erop gericht te kijken of de aanvraag aansluit op de omgeving, of deze een meerwaarde heeft voor de kwaliteit van de bestaande situatie en of het perceel geschikt is. 2. Afhankelijk van de aard en omvang van het voorgenomen bouwplan en de locatie kan het college besluiten de gemeentelijke kwaliteitsgroep in te schakelen voor de stedenbouwkundige toets. Aansluiting op de omgeving 1.

Bebouwing op inbreidingslocaties is alleen acceptabel als de bebouwing vanuit stedenbouwkundige overwegingen als logisch kan worden beschouwd, als het iets toevoegt aan de ruimtelijke situatie of als er aantoonbaar sprake is van een verbetering van de bestaande situatie. Er moet een logische aansluiting zijn op de bestaande stedenbouwkundige structuur en er moet samenhang worden gevormd met de omgeving. De groene elementen in een gebied en de stedenbouwkundig ruimtelijke waarde van een gebied zijn in hoge mate bepalend bij de afweging of bebouwing aanvaardbaar is. Wanneer het perceel deel uitmaakt van een groter geheel mag de bebouwing op de inbreidingslocatie geen kwaliteitsverlies betekenen van de samenhang met de omgeving. Herstructurering of transformatie 1. Indien een voorgenomen ontwikkeling voorziet in een regionale behoefte moet volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking vervolgens worden beoordeeld of deze binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Onder transformatie wordt verstaan de verandering van de functie van de bebouwing van het stedelijk gebied, bijvoorbeeld een winkelpand wordt woning of na sloop bedrijf ontstaat er ruimte voor woningbouw. Herstructurering betreft het vernieuwen van verouderde of verloederde woongebieden, b.v.

door sloop en nieuwbouw, waardoor met andere typen woningen voorzien wordt in de actuele vraag naar woningen. Het bebouwen van lege plekken valt niet onder transformatie en herstructurering. Behandeling en prioritering locaties 1. Plannen die betrekking hebben op een van de volgende situaties: a. de sanering van een (milieuhinderlijk) bedrijf uit de woonomgeving; b. het vervangen van een reeds langer leegstaande gebouw zoals een horecapand, winkelpand of schoolgebouw; c. Het oplossen van een stedenbouwkundig ongewenste situatie; d. Het bijdragen aan het realiseren van gemeentelijk beleid, zoals opgenomen in een structuurvisie, woonvisie of bestemmingsplan. 4.1.5.3 Toetsing initiatief aan Beleidsnota Inbreidingslocaties gemeente Tubbergen 2016 In dit geval betreft het de sanering van een bedrijf binnen een woonomgeving. In deze motivering bij het TAM-omgevingsplan wordt het relevante beleid getoetst. Specifiek wordt in paragraf 4.1.4 en 5.1 uiteengezet dat er met voorgenomen ontwikkeling in zowel de kwantitatieve als kwalitatieve woningbouwbehoefte voor de kern Geesteren wordt voorzien. Daarnaast zijn in samenspraak met de gemeentelijke kwaliteitsgroep het stedenbouwkundig plan en de aansluiting op de omgeving vastgesteld, waarover verder wordt uitgeweid in paragrafen 2.1, 2.2 en 2.3.

Het TAM-omgevingsplan waarborgt juridisch dat deze uitgangspunten worden nageleefd, zodat de ruimtelijke samenhang en kwaliteit van de omgeving behouden blijven. Een klein deel van het plangebied ligt buiten het bestaande stedelijk gebied. Gezien de transformatieopgave van een grootschalig bedrijf naar woningbouw, is in overleg met de gemeente vastgesteld dat deze ontwikkeling aanvaardbaar is. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de Beleidsnota Inbreidingslocaties gemeente Tubbergen 2016. 30 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren 4.1.6 Casco-benadering in N oordoost Twente 4.1.6.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken.

Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel. 4.1.6.2 Casco-benadering in de praktijk De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het 'kleinschalige groene karakter' van het landschap in totaliteit. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel.

Landschapstype Opmerking Elementen die tot het casco behoren Mogen in principe niet verplaatst worden Elementen die niet tot het casco behoren Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan Te compenseren elementen Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). In afbeelding 4.6 is een fragment van de Cascokaart behorende bij de Casco benadering opgenomen, met daarbij in zwarte contour het plangebied.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 31 Afbeelding 4.6 Uitsnede Casco-kaart Noordoost Twente (Bron: Atlas van Overijssel, bewerkt) 4.1.6.3 Toetsing van het initiatief aan de Casco-benadering in Noordoost Twente Zoals weergegeven in afbeelding 4.6 bevinden zijn er elementen van het casco aanwezig in het plangebied. Daarnaast worden delen van het plangebied begrensd door onderdelen van het casco. Het casco is de hoofdstructuur die in stand moet worden gehouden. Extra ruimte geven aan onderdelen van het casco is nodig om de levensduur te verlengen. Deze onderdelen zullen behouden blijven en niet worden verplaatst, dit blijkt ook uit het inrichtingsplan als bijlage 1 van deze motivering is opgenomen. Op deze wijze wordt gehandeld in overeenstemming met de Casco-benadering in Noordoost Twente. 4.1.7 N ota Omgevingskwaliteit 4.1.7.1 Algemeen Voor onderhavig plan bevat het omgevingsplan regels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit heet welstandstoezicht. De Nota Omgevingskwaliteit (welstandsnota) bevat onvoldoende welstandscriteria voor het plan. In het besluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn daarom op grond van artikel 4.19 Omgevingswet regels opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en voor de uitleg daarvan stelt de gemeenteraad beleidsregels vast, zodat kan worden beoordeeld of bouwwerk aan die regels voldoet.

Dit heet welstandscriteria. Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS). Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht). De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand. 32 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren 4.1.7.2 Toetsing van het initiatief aan de Nota Omgevingskwaliteit In de nota staan deelgebieden aangeduid.

Voor ieder deelgebied wordt een niveau voor omgevingskwaliteit geduid: 1. Basis omgeving 2. Midden omgeving 3. Bijzondere omgeving Voor het plangebied geldt dat het oostelijke gedeelte, grenzend aan de Langeveenseweg in het niveau 'midden' valt. Voor het westelijke gedeelte geldt het niveau 'basis'. Voor het gehele plangebied is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, er wordt niet getoetst aan de Nota omgevingskwaliteit. Het beeldkwaliteitsplan wordt namelijk gebruikt om de diverse woningbouwontwerpen te beoordelen. Het beeldkwaliteitsplan is als Bijlage 2 bij deze motivering opgenomen, daarnaast is hier in paragraaf 2.3 reeds op ingegaan. 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders In de voorfase er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan. De gemeente Tubbergen heeft middels positief principebesluit (4 december 2024) laten weten mee te willen werken aan de ontwikkeling onder voorwaarden. 4.2.1 Vooroverleg provincie In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie is akkoord met het plan. 4.2.2 Vooroverleg Waterschap Vechtstromen In de voorbereidingsfase van het voornemen is een digitale watertoets ingediend. In het verloop van het proces is het waterschap daarnaast betrokken bij het opstellen van het waterhuishoudkundig plan.

De aandachtspunten van het waterschap zijn verwerkt in de definitieve versie van het waterhuishoudkundige plan. Het waterschap heeft hiermee een positieve houding ten opzichte van het planvoornemen. 4.2.3 Participatie omgeving De gemeenteraad heeft het beleid 'Inwonersparticipatie' vastgesteld, waarin een 'Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie' is opgenomen. Aan de hand van deze checklist is een plan van aanpak voor het participatietraject opgesteld. Op 21 januari 2025 werd een inloopbijeenkomst georganiseerd voor de buurtbewoners en directe omwonenden van het plan aan de Langeveenseweg. Ook de Dorpsraad Geesteren was uitgenodigd. De bijeenkomst vond plaats in zalencentrum Kottink. De aanwezigen kregen de gelegenheid om hun suggesties en vragen zowel mondeling als schriftelijk in te dienen via een reactieformulier. Tevens konden omwonenden hun belangen, bezwaren en ideeën per e-mail doorgeven. Er is aangegeven dat BJZ.nu notulen van de bijeenkomst heeft opgesteld. Tot slot wordt vermeld dat buren, directe omwonenden, buurgenoten en potentiële gebruikers, huurders of kopers (oftewel overige belanghebbenden) zich via de website www.nieuwbouwgeesteren.nl konden aanmelden om op de hoogte te blijven en hun input te leveren. Het plan van aanpak en de verslaglegging van de participatie zijn opgenomen in Bijlage 3 van deze motivering.

In deze verslaglegging is ook aangegeven hoe is omgegaan met de geuite belangen, ideeën en opmerkingen. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 33 34 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt bij het doorlopen van een wijziging van het omgevingsplan dat de voorgenomen activiteit enkel wordt verleend wanneer bij de ontwikkeling of activiteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid. 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.1.1 Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl bevat een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden.

De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579. De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen als een stedelijke ontwikkeling worden gekwalificeerd. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt.

Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. 5.1.2 Situatie plangebied Stedelijke ontwikkeling Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling moet bepaald worden aan de hand van de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Het plan 'LTC terrein Geesteren' voorziet in woningen, als uitbreiding van de kern Geesteren. Volgens jurisprudentie is bij meer dan 11 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor dit plan als zodanig wordt aangemerkt. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 35 Behoefte In deze paragraaf is de behoefte van de in dit plan voorziene ontwikkeling opgenomen. Daarvoor is eerst het ruimtelijk verzorgingsgebied bepaald. Vervolgens is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte in beeld gebracht. Ruimtelijk verzorgingsgebied Het aantal verhuisbewegingen van, naar en binnen gemeente Tubbergen is een belangrijke indicator van het ruimtelijke verzorgingsgebied. Hieronder wordt eerst migratie (verhuisbewegingen) op intergemeentelijk niveau beschreven, waarna vervolgens specifiek op de binnengemeentelijke kernen wordt ingegaan. Migratie op intergemeentelijk niveau Kijkend naar de migratie van gemeente Tubbergen, zien we een relatief stabiel verloop over de periode van 2021 tot en met 2025, zie afbeelding 5.1.

De verhouding tussen verhuisbewegingen binnen de gemeente (hervestiging), naar de gemeente toe (vestiging/positieve migratie) en vertrek (negatieve migratie) uit de gemeente is eveneens stabiel gebleven. Over de periode 2021-2025 laten migratiecijfers zien dat circa 38% van de verhuisde personen binnen de gemeente Tubbergen verhuisde, 32% zich vestigde in de gemeente Tubbergen en 30% verhuisde uit gemeente Tubbergen. Daarmee (her-)vestigde gemiddeld ca. 70% van de verhuisde personen zich in Tubbergen over de periode 2021-2025. Afbeelding 5.1 Bevolkingsontwikkeling en binnenlandse migratie 2020-2024 (Bron: CBS) Het gemeentelijke migratiesaldo over de periode van 2020-2025 per jaar geeft een wisselend beeld; van -28 tot +72, met een negatieve uitschieter van -99 in 2023, met een gemiddeld positief migratiesaldo van 8 verhuisde personen per jaar (zie tabel 1). Verder tonen de migratiegegevens (2020-2025) aan dat 55% (4602/8400) van alle gevestigde personen in Tubbergen uit de gemeente zelf komt. Hiermee is het ruimtelijk verzorgingsgebied de gemeente Tubbergen en kent de gemeente Tubbergen een overwegend lokale woningmarkt. 36 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren Voor zover er sprake is van bovengemeentelijke verhuismigratie, betreft dit voor ruim de helft een regionale dynamiek (zie navolgende afbeelding).

Daarover vindt regionale afstemming plaats. Door deze regionale afstemming is geborgd dat het regionale woningbouwprogramma aansluit bij de actuele en te verwachten vraag in de regio, zonder dat er sprake is van onnodige concurrentie tussen gemeenten of overprogrammering binnen de regio. Migratie op kernniveau in de gemeente Tubbergen Om de migratie van de kern Geesteren binnen de gemeente in kaart te brengen, is gebruik gemaakt van gegevens over de periode 2021 t/m 2025 van de gemeente Tubbergen. Het grootste deel van de verhuisbewegingen van inwoners van Geesteren betreft verhuizingen binnen de eigen kern. Gemiddeld vond in de periode 2022–2025 circa 62% van alle verhuisbewegingen plaats binnen Geesteren zelf. Dit wijst erop dat veel inwoners bij een verhuizing binnen de eigen woonkern blijven wonen. Daarnaast heeft Geesteren verreweg de sterkste verhuisrelatie met de kern Tubbergen. Jaarlijks vonden de meeste verhuisbewegingen tussen deze twee kernen plaats. De verhuisuitwisseling met andere kernen, zoals Albergen, Langeveen en Harbrinkhoek, blijft duidelijk beperkter en schommelt doorgaans tussen enkele en circa tien verhuizingen per jaar. Verder laten de cijfers zien dat 2023 een uitschieter vormt wat betreft het aantal interne verhuizingen binnen Geesteren.

In dat jaar werden 165 verhuizingen binnen de kern geregistreerd, aanzienlijk meer dan in de overige jaren van de onderzochte periode. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 37 Migratie gemeente Tubbergen met Twentse gemeenten (2022–2024) Deze figuur toont de gecombineerde migratiecijfers over de jaren 2022 tot en met 2024 tussen de gemeente Tubbergen en de afzonderlijke gemeenten van de regio Twente. Positieve waarden duiden op vestiging in Tubbergen, negatieve op vertrek uit Tubbergen. Het migratiesaldo per gemeente is weergegeven als label. Tubbergen kent een migratiesaldo dat per Twentse gemeente sterk varieert, maar overwegend negatief is. Negatief saldo: Voor de meeste Twentse gemeenten (zoals Almelo, Hengelo, Enschede, Oldenzaal en Rijssen-Holten) verhuizen meer mensen vanuit Tubbergen naar die gemeenten dan andersom. Dit wijst op een uitstroom vanuit Tubbergen richting stedelijker gebieden. Positief of klein saldo: Alleen bij enkele gemeenten (zoals bijvoorbeeld Borne, Losser en Hellendoorn) is het saldo licht positief of bijna neutraal, wat kan duiden op wederzijdse of meer gebalanceerde verhuisbewegingen. Relatief lage instroom uit veel Twentse gemeenten in combinatie met een constante uitstroom geeft aan dat Tubbergen in deze periode mogelijk een structurele migratie-uitdaging kent ten opzichte van de rest van Twente.

Concluderend kent de gemeente Tubbergen een overwegend lokale woningmarkt. Voor zover bovengemeentelijke verhuismigratie plaatsvindt is deze voor de helft regionaal van aard en wordt deze regionaal afgestemd. Door deze regionale afstemming wordt overprogrammering voorkomen. De cijfers over de periode 2022–2025 laten zien dat gemiddeld circa 80% van alle verhuisbewegingen betrekking heeft op vestiging of hervestiging in de kern Geesteren. Ongeveer 62% van de verhuisbewegingen betreft verhuizingen binnen Geesteren zelf, terwijl circa 18% bestaat uit vestiging vanuit een andere kern binnen de gemeente Tubbergen. Slechts ongeveer 20% van de verhuisbewegingen betreft een vertrek vanuit Geesteren naar een andere kern. Dit maakt dat er sprake is van een sterke lokale verhuisdynamiek binnen zowel gemeente Tubbergen als de kern Geesteren. Het ruimtelijk verzorgingsgebied van voorliggend plan is daarom de gemeente Tubbergen. 38 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren Kwantitatieve Behoefte Regionaal In de Actualisatie Woondeal Twente 2025 t/m 2030 'Wonen met Kwaliteit' (verder Woondeal Twente) hebben provincie Overijssel en de 14 Twentse gemeenten vastgelegd welke bijdrage regio Twente in de periode tot en met eind 2030 levert aan de nationale ambities op het gebied van woningbouw. De Twentse woningbouwopgave omvat minimaal 19.100 nieuw te bouwen woningen.

Op dit moment bedraagt in Twente de plancapaciteit 32.762 woningen (periode 2024 t/m 2030), waarvan 17.207 woningen vallen onder de harde plancapaciteit en 15.555 woningen onder de zachte plancapaciteit (zie afbeelding 5.5). Er is dus sprake van een aanzienlijk woningtekort van 1.893 woningen. Afbeelding 5.5 Kerncijfers Woondeal 'Wonen met Kwaliteit' (2025 t/m 2030) (Bron: Woondeal Twente, concept februari 2025) Concluderend is voorliggend plan in het met de provincie afgestemde woonprogramma meegenomen en is ook in de regio afgestemd. De Woondeal Twente laat met een woningbouwopgave van minimaal 19.100 woningen en een harde plancapaciteit van 17.207 woningen voldoende ruimte voor realisatie van voorliggend plan. Kwantitatieve Behoefte Lokaal De in de Woonvisie 2021+ gehanteerde middellijn van de prognoses leidt tot een woningbehoefte van 640 woningen tot 2030. Voor de kern Geesteren betreft dit circa 60 woningen. Om realisatie van deze behoefte te borgen, wordt uitgegaan van een plancapaciteit van 130%. De extra 30% wordt ingevuld met zachte plannen, die vanwege hun voorbereidende status een hoger risico op vertraging of uitval kennen. Deze werkwijze sluit aan bij de Actualisatie Woondeal 2025 en voorziet in een noodzakelijke buffer om de woningbouwproductie op peil te houden. Voor Geesteren betekent dit een planvoorraad van circa 80 woningen.

Er zijn naast onderhavige woningbouwontwikkeling in Geesteren binnen de looptijd van de Woonvisie 45 woningen in harde plannen weggezet en 44 woningen in zachte plannen, in totaal derhalve 89 woningen. Met de 61 woningen in het onderhavige woningbouwplan, zijn derhalve 150 woningen in plannen weggezet. In het woningbouwprogramma van de Woonvisie 2021+ is een knelpuntenpot van 50 woningen opgenomen die ingezet kan worden, in het geval er in een bepaalde kern een goede woningbouwontwikkeling wordt voorgesteld en er onvoldoende woningen voor de betreffende kern beschikbaar zijn. Het zijn derhalve nog niet aan een kern toegekende aantallen woningen. Van deze pot is tot nog toe nog geen gebruik gemaakt. Gezien de grootte van de drie grote kernen en de respectievelijk toegewezen aantallen woningen per kern, is het reëel om deze knelpuntenpot in te zetten voor de kern Geesteren. Hiermee komen de cijfers in een meer logische verhouding te staan. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 39 Met deze toevoeging van 50 woningen aan de kern Geesteren, zijn nog niet alle genoemde woningbouwplannen passend binnen de aantallen voor de kern Geesteren; er zijn 20 woningen te veel in plannen weggezet. Echter, 32 woningen zijn opgenomen in inbreidingsplannen waar in Provinciaal verband (Regionale Woonagenda) geen kwantitatieve limiet wordt gesteld.

Daarnaast is de termijn van de Woonvisie 2021+ eind vorig jaar verstreken en zal er een nieuw tijdvak worden gehanteerd voor de opvolger van de Woonvisie 2021+, te weten het gemeentelijk Volkshuisvestingsprogramma waarin ook nieuwe aantallen zullen worden opgenomen voor de periode 2026 t/m 2035. Met een berekende behoefte tot 2035 van in totaal 1140 woningen, is voor de kern Geesteren, op basis van 130% plancapaciteit, een behoefte van 180 woningen berekend. Deze nieuwe aantallen zullen ruimte geven voor nieuwe woningbouwplannen, zodat aan dit woningbouwplan medewerking kan worden verleend. Concluderend passen de 61 woningen van voorliggend plan (net) niet in de resterende plancapaciteit van de kern Geesteren, zoals opgenomen in de Woonvisie 2021+, maar wel in het programma van het concept gemeentelijk Volkshuisvestingsprogramma. Kwalitatieve Behoefte Kwaliteitskader Woningbouw 2021 Naast de woonvisie is separaat ook een Kwaliteitskader opgesteld om te beoordelen of plannen van ontwikkelende partijen goed aansluiten bij de marktvraag. Dit Kwaliteitskader wordt tweejaarlijks bijgesteld op basis van verzamelde informatie over het functioneren van de woningmarkt en informatie van marktpartijen. Ook demografische trends zoals bevolkings- en huishoudensgroei worden daarin meegenomen.

Het kwaliteitskader bestaat uit een woningbehoefteprofiel per doelgroep (starters, doorstromers, gezinnen, senioren) op gemeenteniveau, nader uitgewerkt naar een profiel per kern. Deze woningbehoefteprofielen zijn richtinggevend voor de toekomstige woningbouwopgave, maar zijn niet in beton gegoten. Plannen die hier enigszins van afwijken maar toch een goede onderbouwing kunnen geven van de wijze waarop zij voorzien in de lokale behoefte kunnen eveneens in aanmerking komen voor realisatie. Het kwaliteitskader is opgenomen als bijlage bij de Woonvisie. Het geeft een woningbehoefteprofiel per doelgroep op gemeenteniveau en uitgewerkt per kern. Deze profielen zijn richtinggevend voor de toekomstige woningbouwopgave. Voor het dorp Geesteren is het profiel als volgt: 40 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren Starters Veel starters zoeken een middeldure koopwoning. Maar een deel van hen zoekt in het goedkope segment en een deel zelfs een ruime (en daarmee duurdere) woning. Een deel van de starters wenst een kavel om zelf een woning te bouwen. Gezinnen/doorstromers De huidige voorraad gezinswoningen lijkt goed aan te sluiten bij de huidige en toekomstige vraag. Er is een beperkte kwantitatieve opgave. Ook is het aanbod nog relatief betaalbaar. Er ligt geen grote kwalitatieve opgave. Senioren Deze groep groeit het sterkst de komende jaren.

De nabijheid van voorzieningen zorgt voor een extra aantrekkingskracht. Er is behoefte aan levensloopgeschikte woningen (voornamelijk koop). Een substantieel deel van deze vraag heeft betrekking op appartementen. Door de verkaveling af te stemmen op de doelgroepen starters en senioren, wordt voldaan aan de Woonvisie 2021+, waarin aan deze doelgroepen prioriteit wordt gegeven om voor te bouwen (zie paragraaf 2.3 Woonvisie 2021+). Er zijn afspraken gemaakt ten aanzien van de betaalbaarheid van een aantal te realiseren woningen om zo ook (deels) in de behoefte van starters te voorzien. Er worden rijwoningen en twee-onder-een kapwoningen gerealiseerd. Er zijn afspraken gemaakt ten aanzien van het realiseren van levensloopbestendige woningen; deze zijn specifiek ten behoeve van de doelgroep senioren. In de kern Geesteren is het onderhavige woningbouwplan binnen bebouwd gebied geprojecteerd. Er is sprake van transformatie: een fabriekscomplex wordt gesloopt en daarvoor in de plaats komen woningen. 5.1.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering vormt voor uitvoering van de wijziging van het omgevingsplan. 5.2 M.e.r.-beoordeling 5.2.1 Algemeen Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit.

De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten. de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's. De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34 lid 1 Ow). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen. De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer- (beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Ow) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is.

In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 41 eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-merplichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: 1. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; 2.

het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. Beoordeling of het plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken( art. 16.36 lid 3 Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht. Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol.

Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant, waarbij de bestaande planologische mogelijkheden meegewogen mogen worden (ABRS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414). 5.2.2 Situatie plangebied Het voornemen (realiseren van 61 woningen) valt onder 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' uit de eerste kolom van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het betreft een wijziging van het omgevingsplan dat wordt opgesteld voor een klein gebied op lokaal niveau. Hiervoor is een plan-merbeoordeling aan de orde. In voorliggend geval is een m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is als Bijlage 4 toegevoegd bij deze motivering. 42 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren 5.2.3 Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow). 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren 5.3.1 Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling) De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019.

De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. In dit geval is door Roelofs een verkeersonderzoek uitgevoerd voor de nieuwe ontwikkelingen. Dit onderzoek is als Bijlage 5 bij deze motivering gevoegd. Hierna worden de onderzoeksresultaten kort besproken. Onderzoeksresultaten Op basis van het ruimtelijk programma is met behulp van CROW publicatie 744 'Parkeerkencijfers – basis voor parkeernormering (2024)' is de te verwachten verkeersgeneratie inzichtelijk gemaakt voor een gemiddelde weekdag. Met de CROW omrekenfactoren van 1,11 (woningen) is de verkeersgeneratie inzichtelijk gemaakt voor een gemiddelde werkdag. De ontwikkeling leidt tot de volgende de te verwachten verkeersgeneratie: Afbeelding 5.7 Berekening verkeersgeneratie (Bron: Roelofs) De huidige (te vervallen verkeersgeneratie) is nagenoeg 0 mvt/werkdag, waarmee het planeffect uitkomt op een extra verkeersgeneratie van circa 490 mvt/werkdag.

Het plangebied kent een goede ontsluitingsstructuur voor alle modaliteiten. In de plansituatie dient de geslotenheidsverklaring voor gemotoriseerd verkeer opgeschoven te worden, waarbij het ook logisch is om de komgrens op te schuiven. Binnen het plangebied volstaat een rijbaanbreedte van minimaal 5,5 m. In de plansituatie ligt de geprognotiseerde verkeersbelasting op het noordelijk deel van de Langeveenseweg op circa 2.450 mvt/werkdag. Op het zuidelijk deel van de Langeveenseweg ligt de geprognotiseerde intensiteit op circa 2.250 mvt/werkdag en op de Randweg op circa 2.325 mvt/werkdag. De geprognotiseerde wegvakintensiteiten in de plansituatie vallen ruim binnen de wenselijke capaciteitswaarden voor de ontsluitende wegen. Vanuit de verkeersafwikkeling voorzien de kruispunten waar het plangebied ontsluit op de Langeveenseweg en Randweg in een acceptabele situatie. Vanuit de verkeersveiligheid voorziet de inrichting binnen het plangebied in een acceptabele situatie. Voor de ontsluitingen op de Langeveenseweg (30 km/uur) en Randweg (50 km/uur) zijn aanvullende verkeersmaatregelen gewenst om de verkeersveiligheid te waarborgen. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 43 5.3.2 Parkeren De gemeente Tubbergen heeft voor parkeren een beleidsnotitie opgesteld: “Bouwen & parkeren 2018”.

Hierin zijn parkeernormen opgenomen voor diverse functies, gebaseerd op publicatie 317 van het CROW. Voor de parkeerbehoefte van functies in het buitengebied verwijst de gemeente Tubbergen naar de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk / gemeente Tubbergen (Bron: CBS Statline) Stedelijke zone: rest bebouwde kom Functie: 1. Vrijstaand; 2. Twee-onder-een-kap; 3. Tussenwoning of rijtje. De beleidsnotitie “Bouwen & Parkeren 2018” van de gemeente Tubbergen maakt geen onderscheid naar prijsklasse binnen woningtypes. Daardoor worden sociale huurwoningen, betaalbare koopwoningen en levensloopbestendige woningen geclassificeerd als tussen- of rijwoningen. Hetzelfde geldt voor alle twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen: deze worden niet verder gedifferentieerd naar prijsniveau. In dit geval is door Roelofs een verkeersonderzoek uitgevoerd voor de nieuwe ontwikkelingen, waarbij parkeerbehoefte en parkeercapaciteit ook zijn besproken. Dit onderzoek is als Bijlage 5 bij deze motivering gevoegd. In onderstaande tabel wordt per functie de parkeernorm en de parkeerbehoefte uiteengezet.

Afbeelding 5.8 Berekening parkeerbehoefte (Bron: Roelofs) Om de parkeeropgave van 131 parkeerplaatsen te faciliteren dient binnen acceptabele loopafstand (circa 100 meter voor woonfuncties) voldoende parkeercapaciteit beschikbaar te zijn. Een deel van de parkeeropgave kan worden opgevangen op de parkeercapaciteit op eigen erf bij een deel van de woningen. De overige parkeeropgave (inclusief bezoekersparkeren) moet worden opgevangen in de openbare ruimte van het plangebied. Bij het bepalen van de parkeercapaciteit op eigen erf zijn de berekeningsaantallen conform de gemeentelijke beleidsnotitie toegepast. De 18 twee-onder-een kapwoningen en 6 levensloopbestendige woningen hebben hierbij een lange oprit met garage (berekeningsaantal 1,3), 8 rijtjeswoningen hebben een enkele oprit met garage (berekeningsaantal 1,0) en van de 13 vrijstaande woningen hebben 11 woningen een lange oprit met garage (berekeningsaantal 1,3), 1 woning een enkele garage met oprit (berekeningsaantal 1,0) en 1 woning een garage zonder oprit (berekeningsaantal 0,4). Afbeelding 5.9 Invulling parkeeropgave (Bron: Roelofs) Uit de tabel volgt dat de parkeercapaciteit in het plangebied als geheel voldoet aan de minimale parkeereis.

Kijkend op detailniveau naar de deelgebieden volgt dat er bij de woningen langs de Heetkampweg en Langeveenseweg openbare parkeercapaciteit ontbreekt en er in het plangebied juist een overschot is. Op basis van de acceptabele loopafstand is het parkeertekort in deelgebieden 'Heetkampweg' en 'Langeveenseweg' op te lossen in het deelgebied 'Plan intern'. In dit deelgebied is voldoende restcapaciteit. Hierdoor volstaat het voorziene parkeeraanbod ten opzichte van de vraag. Met een parkeeraanbod van totaal 131 parkeerplaatsen en een parkeervraag van totaal 131 parkeerplaatsen 44 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren kent het plangebied voldoende parkeercapaciteit. Met inachtneming van acceptabele loopafstanden kent het planvoornemen voldoende parkeercapaciteit. 5.3.3 Conclusie Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

5.4.1 N atura 2000-gebieden 5.4.1.1 Algemeen Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten.

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. 5.4.1.2 Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Engbertsdijkvenen' ligt op circa 4,0 kilometer afstand van het plangebied.

Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de afstand wordt geconcludeerd dat van directe hinder op het Natura 2000-gebied geen sprake is. Naast directe hinder dient tevens naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebied te worden gekeken. Voor voorliggende ontwikkeling is een AERIUS-berekening uitgevoerd door BJZ.nu. De berekening is bijgevoegd in Bijlage 6 van de motivering. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 45 5.4.2 N atuurnetwerk N ederland (N N N ) 5.4.2.1 Algemeen In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur).

De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. 5.4.2.2 Situatie plangebied Het plangebied ligt niet binnen het concreet begrensde NNN. Het plangebied ligt op circa 2,3 kilometer van het NNN. Gezien de ruime afstand tot het NNN en de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.4.3 Soortenbescherming 5.4.3.1 Algemeen In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld.

In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. 5.4.3.2 Situatie plangebied Omdat het voornemen voorziet in zowel sloop als nieuwbouw is door Natuurbank Overijssel een Natuurwaarden onderzoek uitgevoerd (Quickscan ecologie). Het volledige onderzoek is bij deze motivering gevoegd in Bijlage 7.

Hieronder worden de belangrijkste onderzoeksresultaten samengevat benoemd: Nader onderzoek naar de functie van de bebouwing voor gebouw bewonende vleermuizen uitvoeren; Omgevingsvergunning voor het beschadigen/ vernielen van de voortplantings- of rustplaats van egel, wezel, bunzing en steenmarter aanvragen; Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken). De volledige rapportage van het nader onderzoek voor gebouw bewonende vleermuizen is opgenomen in Bijlage 16 van deze motivering. Hierna wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Bij het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden hoeft geen rekening gehouden te worden met vleermuizen, verblijfplaatsen van vleermuizen, vliegroutes of essentieel foerageergebied. 5.4.4 Conclusie Vanuit de aspecten soortenbescherming en gebiedsbescherming is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, mits met een activiteitenplan worden aangetoond dat voortplantings- of rustplaatsen van de egel, wezel, bunzing en steenmarter niet worden beschadigd of vernield. Het aspect soortenbescherming staat de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg.

46 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren 5.5 Luchtkwaliteit 5.5.1 Algemeen Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1435/documents/27889