Bijlage TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren_Bijlagen bij de motivering
Tekst van het document
toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura gebieden. Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening) De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). m © OSM & Kadaster Projectberekening 4/7RaR9ErG4nRcE (31 oktober 2025) Resultaten stikstofgevoelige Natura gebieden situatie "Gebruiksfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Er zijn geen resultaten voor deze weergave. Projectberekening 5/7RaR9ErG4nRcE (31 oktober 2025) Gebruiksfase, Rekenjaar Verkeer | Rijdend verkeer Naam Route Links Rechts NOₓ , kg/j Locatie X: , Y: , Type scherm - - NO₂ , kg/j Lengte . , m Hoogte - - NH₃ , kg/j Wegtype Buitenweg Afstand tot de weg - - Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v.
maaiveld m Verkeer Maximum snelheid Aantal voertuigbewegingen In le Licht verkeer Voorgeschreven factoren , /etmaal , % Middelzwaar vrachtverkeer Voorgeschreven factoren , /etmaal , % Zwaar vrachtverkeer Voorgeschreven factoren , /etmaal , % Busverkeer Voorgeschreven factoren , /etmaal , % Verkeer | Koude start: overig Naam Koude start Locatie X: , Y: , Oppervlakte , ha NOₓ , kg/j NH₃ , kg/j Type voertuig Koude starts Licht verkeer , /etmaal Middelzwaar vrachtverkeer , /etmaal Zwaar vrachtverkeer , /etmaal Busverkeer , /etmaal Verkeer | Rijdend verkeer Naam Route Links Rechts NOₓ , kg/j Locatie X: , Y: , Type scherm - - NO₂ , kg/j Lengte , m Hoogte - - NH₃ , kg/j Wegtype Binnen bebouwde kom (normaal) Afstand tot de weg - - Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld m Verkeer Maximum snelheid Aantal voertuigbewegingen In le Licht verkeer Voorgeschreven factoren , /etmaal , % Middelzwaar vrachtverkeer Voorgeschreven factoren , /etmaal , % Zwaar vrachtverkeer Voorgeschreven factoren , /etmaal , % Busverkeer Voorgeschreven factoren , /etmaal , % Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie.
Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van Projectberekening 6/7RaR9ErG4nRcE (31 oktober 2025) AERIUS versie . . _ _db f b Database versie . . _db f b_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website Projectberekening 7/7RaR9ErG4nRcE (31 oktober 2025) Bijlage 7 Natuurwaarden onderzoek bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 119
3 Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................................................... 4 HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................................................................ 6 HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED ...................................................................................................................... 7 2.1 Situering ................................................................................................................................................ 7 2.2 Beschrijving van het plangebied ............................................................................................................ 8 HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN .................................................................................................... 9 3.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 9 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ........... 10 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ..........................................................................................................
10 HOOFDSTUK 4 TOETSINGSKADERS .................................................................................................................. 11 4.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 11 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 ............................................................................................................... 11 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming ................................................................................................. 11 4.4 Specifieke zorgplicht............................................................................................................................ 13 4.5 Regelgeving ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ............................................................. 14 HOOFDSTUK 5 GEBIEDSBESCHERMING ............................................................................................................ 15 5.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 15 5.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................................
15 5.3 Natura 2000 ......................................................................................................................................... 16 5.4 Slotconclusie ........................................................................................................................................ 18 HOOFDSTUK 6 SOORTENBESCHERMING ........................................................................................................... 19 6.1 Verwachting en bureauonderzoek ...................................................................................................... 19 6.1.1 Algemeen...................................................................................................................................... 19 6.1.2 Bronnenonderzoek ....................................................................................................................... 19 6.3 Resultaten ........................................................................................................................................... 21 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................ 26 HOOFDSTUK 7 CONCLUSIES ...........................................................................................................................
31 Bijlagen .......................................................................................................................................................... 33 Bijlage 1. De Natuurkalender .................................................................................................................... 33 Bijlage 2 Toelichting Omgevingswet flora- en fauna-activiteit ................................................................. 34 Bijlage 3. Fotobijlage ................................................................................................................................. 39 Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen ............................................................................................................ 48 4 SAMENVATTING Er zijn concrete plannen om een nieuwe woonwijk met 61 grondgebonden woningen te realiseren op het terrein aan de Langeveenseweg 55 te Geesteren. Momenteel bestaat dit terrein uit een bedrijfspand dat als opslag wordt gebruikt, een parkeerplaats en twee percelen agrarisch cultuurland . Ten behoeve van deze nieuwe woonwijk zal de huidige bebouwing en een deel van de beplanting verwijderd worden. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden.
Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 4 maart 2025 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking).
Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, voor zowel de ontwikkel als de gebruiksfase niet op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten kunnen wel worden uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk bezetten vogels er een nestplaats, bezetten grondgebonden zoogdieren en vleermuizen er voortplantings- of rustplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Als gevolg van het rooien van de beplanting en het slopen van de gebouwen tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.
Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet worden uitgesloten dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, en dat voortplantings - en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de wezel, bunzing, steenmarter en egel geldt dat deze beschermd zijn. De voortplantings- of rustplaatsen van deze soorten mogen niet worden beschadigd of vernield zonder Omgevingsvergunning flora en fauna . Voor de egel , bunzing , steenmarter en de wezel bestaat geen 5 onderzoeksplicht.
Voor deze soorten kan gelijk een omgevingsvergunning aangevraagd worden, wel moet er gewacht worden tot andere nadere onderzoeken zijn uitgevoerd omdat er slechts een omgevingsvergunning aangevraagd kan worden waarin alle soorten meegenomen moeten worden. Voor de soorten veldmuis, huisspitsmuis, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis en bosmuis, waarvan mogelijk de voortplantings- of rustplaatsen negatief beïnvloed kunnen worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling met betrekking tot het ‘beschadigen/vernielen van voortplantings - en/of rustplaatsen’. Voor het doden van deze soorten geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat deze dieren gedood worden, dienen zij te worden weggevangen of het werkterrein dient natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen gelegenheid het gebied kunnen verlaten. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Wel moet met bovenstaande acties gewacht worden tot de omgevingsvergunning verleend is en de voorschriften zoals genoemd in de omgevingsvergunning zijn nageleefd. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren wordt door de voorgenomen activiteiten niet negatief beïnvloed. Door het slopen van de gebouwen worden mogelijk vleermuizen of verblijfplaatsen van vleermuizen negatief beïnvloed.
Vleermuizen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Om vast te kunnen stellen of vleermuizen negatief beïnvloed worden, dient de functie van de gebouwen voor gebouw bewonende vleermuizen vastgesteld te worden. Geadviseerd wordt om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de functie van de gebouwen voor vleermuizen, conform het vleermuisprotocol 2021. Dat houdt in dat de bebouwing meermaals onderzocht dient te worden in de periode half mei – september. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaatsen negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust - en voorplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna -activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Nader onderzoek naar de functie van de bebouwing voor gebouw bewonende vleermuizen uitvoeren; • Omgevingsvergunning voor het beschadigen/ vernielen van de voortplantings- of rustplaats van egel, wezel, bunzing en steenmarter aanvragen; • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); • Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); 6 HOOFDSTUK 1 INLEIDING Er zijn concrete plannen om een nieuwe woonwijk met 61 grondgebonden woningen te realiseren op het terrein aan de Langeveenseweg 55 te Geesteren. Momenteel bestaat dit terrein uit een bedrijfspand dat als opslag wordt gebruikt, een parkeerplaats en twee percelen agrarisch cultuurland. Ten behoeve van deze nieuwe woonwijk zal de huidige bebouwing en een deel van de beplanting verwijderd worden. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden.
Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet (soorten en Natura 2000 -gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel (Natuurnetwerk Nederland).
8 2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit een bedrijfshal, de omliggende verharding en twee percelen agrarisch cultuurland. Het terrein is nog in gebruik als opslag en het agrarisch cultuurland wordt nog actief gecultiveerd met maïs als laatste hoofdteelt. Het bedrijfspand beschikt over gevels bekleed met damwand en kunststof, het gebouw heeft een platdak bedekt met bitumen en grind. Aan de zuidkant van het gebouw is een bomenrij bestaande uit berk, els en eik. Aan de oostzijde van het gebouw ligt een blusvijver omringd met verschillende heesters en klimplanten zoals laurier, rododendron, hedera en dwergmispel. Rond en op de parkeerplaats groeien enkele wilgen , berken, sparren, eiken en een laurierhaag . Het agrarisch cultuurland wordt omringd en doorkruist met een bomenrij bestaande uit eiken, berken , dennen en een laurierhaag. Op onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven met een gele omkadering. Voor een verbeelding van de huidige situatie wordt verwezen naar de fotobijlage. Luchtfoto met de begrenzing van het plangebied, aangegeven met de gele lijn (bron: topotijdreis.nl).
9 HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 3.1 Algemeen Er zijn concrete plannen om een nieuwe woonwijk te realiseren op het terrein aan de Langeveenseweg 55 te Geesteren. Momenteel bestaat dit terrein uit een bedrijfspand dat als opslag wordt gebruikt, een parkeerplaats en twee percelen agrarisch cultuurland. Ten behoeve van deze nieuwe woonwijk zal de huidige bebouwing en beplanting verwijderd worden. De bomenrij en rondom en door het agrarisch cultuurland en ten zuiden van het pand blijven behouden. In de nieuwe situatie zullen er 61 grondgebonden woningen komen. Naast de woningen worden er een rondweg met parkeerplaatsen aangelegd, een wadi gegraven en wordt het perceel ingeplant met soli taire bomen, struweel en kruidenrijke vegetatie. Op onderstaande inrichtingstekening staat de gewenste eindsituatie weergegeven. Afbeelding wenselijk eindbeeld (bron: Ter Steege). De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet flora- en fauna-activiteit: • Slopen gebouw; • Verwijderen vijver, parkeerplaats en verharding; • Rooien beplanting; • Bouwrijp maken; • Wadi uitgraven; • Aanleggen verharding; • Bouwen woningen; • Aanleggen beplanting; • Bewonen woningen;
10 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust - en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaarrond beschermde nesten; • Doden van dieren; • Afname en verdwijnen van functioneel leefgebied van dieren; 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgeno men activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar de uitvoering van de bouwwerkzaamheden en het in gebruik nemen van de nieuwe woningen.
Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend wordt het plangebied begrensd door straten, een grondwal en een tuin. Er is aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied is niet gelijk aan het plangebied. Een deel van de tuinen en het agrarisch cultuurland rondom het plangebied wordt betrokken bij het onderzoeksgebied. Met de gele lijn wordt het plangebied weergegeven en met rode lijn wordt het onderzoeksgebied weergegeven.
11 HOOFDSTUK 4 TOETSINGSKADERS 4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000 - gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een in passingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voor toets. Als significante gevolgen in de voor toets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (Artikel 11.37 t/m Artikel 11.40 Bal): 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van, van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3.
Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Soorten Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 t/m Artikel 11.48 Bal); Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; 12 c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Andere Soorten (Artikel 11.54 Bal) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a.
het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow een Omgevingsvergunning flora- en fauna -activiteit te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. 13 4.4 Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier - en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht. Toelichting op de verschillende verbodsbepalingen Bal.
14 Het is niet geheel duidelijk wat de consequenties zijn van een effect van een activiteit op soorten die vermeld staan op de Rode Lijst, evenals het toetsen van het effect van een activiteit op ‘trekvogels’. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1° van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2° van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3° dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en 4° voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b.
als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. Nieuw is de zorgplicht voor het aantasten van belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats van vogels en soorten van de Rode lijst. Voor activiteiten die leiden tot overtreding van een verbodsbepaling dient een Omgevingsvergunning flora - en fauna -activiteit verkregen te worden (dit heette in de Wet natuurbescherming een ontheffing).
Ind ien sprake is van het aantasten van belangrijk leefgebied of natuurlijke habitat van een Rode lijstsoort, dient een document opgesteld te worden. Dit zal vergelijkbaar zijn met een ecologisch werkprotocol (EWP). In een EWP wordt beschreven op welke wijze een negatief effect op beschermde soorten, soorten van de Rode Lijst en belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats voorkomen kan worden, of hoe dit hersteld kan wor den. Ook wordt een monitoringsplicht ingevoerd tijdens en na de uitvoering van de werkzaamheden, indien maatregelen getroffen worden. Dit geldt alleen voor belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats. 4.5 Regelgeving ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland Het Besluit kwaliteit leefomgeving is een AMvB onder de Omgevingswet waarin onder andere regelgeving over de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opgenomen. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels te n aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belange n, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden.
De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij' -principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. 15 HOOFDSTUK 5 GEBIEDSBESCHERMING 5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000- gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij" -regime vast gelegd.
Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er ka n echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN -spelregels gehanteerd: her -begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel.
Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt.
18 Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000 -gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000 -gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000 -gebied kunnen uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal, de aanvoer van bouwmaterialen en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de afstand tot Natura-2000 gebied kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden. Er is een stikstofberekening nodig om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000- gebied. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt, als gevolg van het realiseren van de woonwijk, toe ten opzichte van de huidige situatie .
Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, kan voor de gebruiksfase een negatief effect op Natura 2000 gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden. Er is een stikstofberekening nodig om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. 5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, voor zowel de ontwikkel als de gebruiksfase niet op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten kunnen wel worden uitgesloten. 19 HOOFDSTUK 6 SOORTENBESCHERMING 6.1 Verwachting en bureauonderzoek 6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Bronnenonderzoek (o.a.
internet en de Nationale databank flora en fauna); • Veldbezoek op 4-3-2025 door ervaren ecoloog; 6.1.2 Bronnenonderzoek Op 3 maart 2025 is de NDFF geraadpleegd en is gekeken of waarnemingen van beschermde planten en dieren in of nabij het plangebied aanwezig zijn in de databank. In het zoekgebied van de NDFF zijn 36 waarnemingen vastgesteld in de periode 20 20-2025. De relevante waarnemingen binnen deze zoekopdracht betroffen de volgende: - Een baltsende/zingende bonte vliegenvanger ten noorden van het plangebied in mei 2023; - Een boomkruiper baltsend/zingend in het plangebied in maart 2024; - Een egel ten zuiden van het plangebied in september 2020; - Een baltsend/zingende spreeuw ten noordoosten van het plangebied in mei 2023; - Een zwarte roodstaart baltsend/zingend ten noordoosten van het plangebied in mei 2023; Deze waarnemingen worden verder behandelt bij het onderdeel resultaten. De overige waarnemingen betreffen algemene, niet beschermde soorten, hebben geen bindingen met het plangebied en-/of worden door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten niet negatief beïnvloed, daarom worden deze soorten buiten beschouwing gelaten tijdens deze studie. Op onderstaande afbeelding wordt het zoekgebied in de NDFF weergegeven.
Met de zwarte lijn wordt het zoekgebied in de NDFF weergegeven, met de gele omkadering het plangebied en met de groene stippen de locatie van de opgenomen waarnemingen. Er zijn in de periode 2020-2025 – 36 flora- en faunawaarnemingen in het plangebied en de directe omgeving opgenomen (bron: ndff-ecogrid.nl).
20 6.2 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 4 maart 2025 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovsk i 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat slechts een deel van de broedvogels territorium- indicerend gedrag vertoont in deze tijd van het jaar. Het grootste deel van de zomergasten is nog niet terug uit de overwinteringsgebieden. Roofvogels, watervogels, uilen en huismussen zijn al wel aanwezig op de broedplaats. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal.
Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar ongeschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren hebben doorgaans geen zogende jongen in deze tijd van het jaar. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-,krab- , en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat niet alle vleermuizen de winterverblijfplaatsen verlaten hebben en de zomerverblijfplaatsen bezetten. De gewone dwergvleermuis bezet al wel de zomerverblijfplaats, al worden de kraamverblijven nog niet bezet. Sommige vleermuissoorten bezetten de winterverblijfplaats op enige afstand (>100km) van de zomerverblijfplaats.
Sommige vleermuizen in winterrust zitten diep weggekropen in gebouwen of bomen, maar er zij n ook vleermuizen die open en bloot aan de binnenzijde van gebouwen hangen, zoals op tochtvrije zolders. Vleermuizen kunnen in maart actief zijn. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken in het plangebied. Amfibieën Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde amfibieën. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en beperkt geschikt voor onderzoek naar voortplantingswateren. Vroege soorten als gewone pad, heikikker, bruine kikker, kleine watersalamander en kamsalamander hebben de winterverblijfplaats verlaten en bezetten de voortplantingswateren in deze tijd van het jaar, maar soorten als ‘groene kikker’ en boomkikker zitten nog diep weggekropen in hun winterverblijfplaats en zijn dan niet of nauwelijks waar te nemen.
Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzich te van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. 21 Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als : dag- en nachtvlinders, reptielen, libellen, bladmossen, sporenplanten, vissen, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren en planten. In het plangebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht zoals beschermde weekdieren (platte schijfhoren en Bataafse stroommossel) en kevers (juchtleerkever, vermiljoenkever en vliegend hert). De voorgenomen ontwikkelingen vinden plaats buiten het fu nctionele leefgebied van bovengenoemde soorten.
Mogelijk komen er populaties van beschermde nachtvlinders voor (teunisbloempijlstaart), voor in de omgeving van het plangebied , maar die ontbreken in het plangebied. Vanwege het ontbreken van waardplanten, ontbreekt geschikt leefgebied voor beschermde vlinders in het plangebied. Daarnaast zijn beschermde planten (grotendeels) gebonden aan natuurreservaten zoals Natura 2000 - gebied. Alle beschermde planten stellen kritische eisen aan de standplaats (vochtgehalte, zuurgraad en voedselrijkdom) en bijbehorend behee r. Dergelijke standplaatsen zijn doorgaans niet aanwezig op voedselrijke plekken waar het beheer ontbreekt of niet gericht is op verschraling. Open water is weliswaar aanwezig maar wordt niet nadelig beïnvloed bij uitvoer van voorgenomen werkzaamheden. Een negatief effect op vissen en libellen (larven) wordt daarom op voorhand uitgesloten. Het plangebied ligt buiten het normale verspreidingsgebied van reptielen. Alleen van de ringslang is bekend dat zwervende dieren op ruime afstand van het normale verspreidingsgebied kunnen opduiken. Gelet op de afstand tussen plangebied en de meest nabij gelegen populaties, wordt de aanwezigheid van deze soort uitgesloten in het plangebied. 6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd.
Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk vogels in de bomen, bosjes, struiken en de vijver op het terrein. Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen. De bomen, bosjes en struiken vormen een mogelijke nestplaats voor houtduif, holenduif, merel, zanglijster, grote lijster, zwartkop, winterkoning, tjiftjaf, koolmees, pimpelmees, staartmees, heggenmus, vink en roodborst. De vijver vormt een mogelijke nestplaats voor wilde eend en meerkoet. De bebouwing is gecontroleerd op sporen van aanwezigheid of nestplaatsen van zwarte roodstaart en huiszwaluw. Hier zijn geen sporen , potentiële nestplaatsen of oude nesten van aangetroffen. De bebouwing is ongeschikt voor soorten als huismus en gierzwaluw. Deze soorten broeden bij voorkeur onder een pannendak of andere hol le ruimtes rond het dakvlak. Steenuilen zijn sterk afhankelijk van de omgeving van de nestplaats, deze foerageren binnen een straal van 200 meter van de nestplaats.
Dergelijke ontwikkelingen zijn vanwege het areaal dat bebouwd wordt funest voor het succes van de nestplaats . Om te voorkomen dat er onverhoopt toch een nestplaats van een steenuil binnen of rond het plangebied is, is in een groter zoekgebied (2 km) en ruimer tijdbestek (afgelopen 10 jaar) gehandhaafd. Hieruit blijkt dat er drie mogelijke territoria in de omgeving van het plangebied zijn. Eén 750 meter ten noordoosten, één 1,2 kilometer ten zuidoosten en één 1.3 kilometer ten zuidwesten van 22 het plangebied. Door de afstand (>500m) tot het plangebied is het niet aannemelijk dat deze nestplaatsen ongeschikt raken door uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden. Waarnemingen van steenuil afgelopen 10 jaar (2015-2025) opgenomen in de NDFF. Mogelijke territoria zijn rood omcirkeld, het plangebied is geel omcirkeld. Doordat het dak be dekt is met zowel bitumen als grind kan het een geschikte nestplaats bieden voor dakbroeders als scholekster, visdief en kleine mantelmeeuw (al komen de laatste twee in dit deel van Overijssel niet of nauwelijks voor als broedvogel). Doordat het dak goed toegankelijk is, is het gehele dak af gelopen om te controleren op oude nesten of schijtsporen van deze soorten.
Deze zijn niet aangetroffen, echter zijn oude nestplaatsen van deze soorten moeilijk te herkennen doordat de eieren vaak op het grind gelegd worden, het nest wordt niet bekleed met andere materialen. Het valt niet geheel uit te sluiten dat een van deze soorten in het broedseizoen toch een nest bezet op het dak. De omgeving is gecontroleerd op jaarrond beschermde nesten van kraaiachtigen, roofvogels en uilen. Die zijn in deze tijd van het jaar goed zichtbaar in de bomen, deze zijn niet aangetroffen. Eveneens zijn er op het terrein geen sporen als schijtsporen, braakballen en prooiresten van roofvogels en uilen aangetroffen. Links; geschikt bosje voor soorten als tjiftjaf, roodborst, zwartkop, winterkoning, houtduif en zanglijster. Rechts; geschikte nestplaats voor dakbroeders als scholekster, zwarte stern en kleine mantelmeeuw. Geen nesten aangetroffen.
23 Als gevolg van het rooien van bomen en struiken tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest beschadigd of vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels neemt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet - Rooien bomen en struiken (tijdens de voortplantingsperiode van vogels); - Slopen van het gebouw (tijdens de voortplantingsperiode van vogels); Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende grondgebonden zoogdiersoorten als huisspitsmuis, bosmuis, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis , veldmuis , veldspitsmuis, haas, eekhoorn, wezel, bunzing, vos, ree, steenmarter en egel. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten huisspitsmuis, bosmuis, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis en veldspitsmuis een voortplantings- of rustplaats in holen en gaten in de grond of onder de strooisellaag van bomen en struiken binnen het plangebied.
W ezel, bunzing, steenmarter en egel kunnen ook een voortplantings- of rustplaats bezetten in holen en gaten onder de bosschage, onder takkenhopen en onder opgeslagen spullen/materialen op het buitenterrein . In de gebouwen zijn geen sporen van de steenmarter aangetroffen. Het gebied lijkt ongeschikt voor de hermelijn. De hermelijn heeft een voorkeur voor structuurrijke delen in meer vochtige gebieden als veengebieden, uiterwaarden, rietlanden of vochtige bossen. Het plangebied betreft goed ontwaterd agrarisch cultuurland en valt niet binnen de eerdergenoemde leefgebied van de hermelijn. Daarnaast is de soort grotendeels teruggedrongen tot beschermde natuurgebieden en kan deze goed op basis van verspre idingsgebied uitgesloten worden. De meest nabije waarnemingen zijn meer dan 8 jaar geleden gedaan in de engbertsdijksvenen (5km afstand). De veldspitsmuis is gebonden aan kleinschalig extensief beheerd agrarisch cultuurland en komt voor in lintvormige landschapselementen, overgangsvegetaties, opgaande kruidenvegetaties en overhoekjes. In het plangebied bezet deze mogelijk een voortplantings - of rustplaats in de groenstructuur tussen de beide percelen. Deze groenstructuur blijft gehandhaafd, het noordelijke deel komt tussen de wadi en het kruidenrijk grasland te liggen, het zuidelijke deel in de achtertuin van enkele woningen.
Doordat de groenstructuur gehandhaafd wordt en er kruidenrijk grasland en een wadi aangelegd worden (die doorgaans extensief beheerd worden) zal er geen voortplantings- of rustplaatsen beschadigd worden en het leefgebied niet minder geschikt worden voor de soort. Buiten het plangebied, aan de noordkant, naast het beoogde perceel voor kruidenrijke vegetatie is een eekhoornnest waargenomen. Binnen het plangebied zijn geen nesten van de eekhoorn waargenomen. Het is niet aannemelijk dat dit nest buiten het plangebied verstoord raakt door de voorgenomen werkzaamheden aangezien hiernaast enkel een perceel kruidenrijke vegetatie wordt aangelegd. Van beschadigen of vernielen van het eekhoornnest is geen sprake doordat hier geen fysieke handelingen plaatsvinden. 24 Linksboven; wezel, bunzing, egel en steenmarter kunnen een voortplantings- of rustplaats bezetten onder takkenhopen. Rechtsboven; mogelijk geschikt leefgebied en potentiële nestplaats voor veldspitsmuis. Linksonder; eekhoornnest net buiten plangebied (noordkant) Door het uitvoeren van grondverzet en sloopwerkzaamheden , het verwijderen van beplanting en het verwijderen van opgeslagen materiaal wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd of vernield.
Door het bebouwen en verharden van het plangebied neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Uitvoeren grondverzet; - Verwijderen spullen/materialen op het terrein; - Rooien beplanting; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. De bebouwing bevat geen open stootvoegen of andere ventilatieopeningen maar er zijn wel kieren of gaten waargenomen in de gevels die vleermuizen kunnen benutten om een verblijfplaats te bezetten in het gebouw . Het kan niet uitgesloten worden dat vleermuizen een verblijfplaats in de gebouwen bezetten.
26 kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond of onder opgeslagen spullen/materialen. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. De vijver in het plangebied is een blusvijver in deze blusvijver is vis uitgezet (voorn en baars), hierdoor wordt de vijver niet als geschikte voortplantingsplaats voor amfibieën beschouwd. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt er mogelijk een vaste (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor amfibieën neemt vermoedelijk af als gevolg van het bebouwen en verharden van het plangebied. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet - Uitvoeren grondverzet; - Verwijderen spullen/materialen; - Rooien beplanting; Rode-lijstsoorten Het plangebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van Rode-lijstsoorten. Het plangebied wordt als geschikt foerageergebied voor Rode-lijstsoorten als laatvlieger, grote lijster, spotvogel en haas beschouwd. Maar door de voorgenomen activiteiten worden er geen Rode -lijstsoorten gedood en neemt de kwaliteit van het foerageergebied voor deze soorten niet af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: • Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van het rooien van de beplanting en het slopen van de gebouwen tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield worden.
Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Rooien van beplanting en uitvoeren sloopwerkzaamheden buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); Grondgebonden zoogdieren Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet worden uitgesloten dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, en dat voortplantings - en/of rustplaatsen 27 beschadigd of vernield worden. Voor de wezel, bunzing, steenmarter en egel geldt dat deze beschermd zijn. De voortplantings- of rustplaatsen van deze soorten mogen niet worden beschadigd of vernield zonder Omgevingsvergunning flora en fauna . Voor de egel , bunzing , steenmarter en de wezel bestaat geen onderzoeksplicht. Voor deze soorten kan gelijk een omgevingsvergunning aangevraagd worden, wel moet er gewacht worden tot andere nadere onderzoeken zijn uitgevoerd omdat er slechts een omgevingsvergunning aangevraagd kan worden waarin alle soorten meegenomen moeten worden.
Voor de soorten veldmuis, huisspitsmuis, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis en bosmuis, waarvan mogelijk de voortplantings- of rustplaatsen negatief beïnvloed kunnen worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling met betrekking tot het ‘beschadigen/vernielen van voortplantings - en/of rustplaatsen’. Voor het doden van deze soorten geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat deze dieren gedood worden, dienen zij te worden weggevangen (zie onderstaande tabel voor in Overijssel toegestane vangmiddelen), of het werkterrein dient natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen gelegenheid het gebied kunnen verlaten. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning fl ora- en fauna -activiteit vereist. Wel moet met bovenstaande acties gewacht worden tot de omgevingsvergunning verleend is en de voorschriften zoals genoemd in de omgevingsvergunning zijn nageleefd. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren wordt door de voorgenomen activiteiten niet negatief beïnvloed.
Toepasbare vangmiddelen om beschermde grondgebonden zoogdieren weg te vangen uit het plangebied (Bron: Omgevingsverordening Overijssel, 2024) Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Omgevingsvergunning flora en fauna voor beschadigen of vernielen van voortplantings - of rustplaats van egel, wezel, steenmarter en bunzing aanvragen; - Geen beschermde grondgebonden zoogdieren doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het slopen van de gebouwen worden mogelijk vleermuizen of verblijfplaatsen van vleermuizen negatief beïnvloed. Vleermuizen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Om vast te kunnen stellen of vleermuizen negatief beïnvloed worden, dient de functie van de gebouwen voor gebouw bewonende vleermuizen vastgesteld te worden. Geadviseerd wordt om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de functie van de gebouwen voor vleermuizen, conform het vleermuisprotocol 2021. Dat houdt in dat de bebouwing meermaals onderzocht dient te worden in de periode half mei – september.
28 Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Nader onderzoek naar de functie van de gebouwen voor gebouw bewonende vleermuizen; • Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt het essentieel foerageergebied voor vleermuizen niet af. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes1 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.