CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren_Bijlagen bij de motivering

Gemeenteraad Tubbergen 22 september 2026, gemeente TubbergenBij agendapunt: 8: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren173.297 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 17 van 17

Het hemelwater zal grotendeels via natuurlijk afschot over de weg naar de wadi’s worden geleid. Het water van de huizen die aan de Langeveenseweg zijn gelegen, zal naa | r het bestaande hemelwaterriool in de Langeveenseweg worden geleid. Het water van de huizen die aan de Heetkampweg projectnummer | datum 20250070/NASC | oktober 2025 | 18 / 25

Waterhuishoudkundig plan LTC-terrein te Geesteren 5.5.2 | Wadi Bij de dimensionering van de wadi dienen de volgende uitgangspunten van kracht te zijn:  | De wadi mag een maximale waterstand van 30 cm bevatten met een minimale wake van het waterpeil van 10 cm;  | De wadi moet in 24 uur weer leeg zijn doormiddel van infiltreren dan | wel vertraagd afvoeren;  | Het talud mag een maximaal verhang | bevatten van 1:3;  | Wadi’s dienen ten allen tijde voorzien te zijn van een overstort en eventueel drainage om de infiltratiecapaciteit te bevorderen. Op basis van de eisen van de gemeente dienen de wadi’s een minimale bodembreedte te hebben van 1,5 m. Daarnaast dient de wadibodem op 0,3 m boven de GHG aangelegd te worden. De wadi’s zijn onderling met elkaar verbonden d | oormiddel van duikers. De drie wadi’s hebben samen een bergingscapaciteit van | ruim 1.000 m3 op basis van een waterstand van 0,3 m, zie tabel 5.3. De greppel of verlaagde groenstrook aan de westzijde van de locatie (langs de Heetkampweg) heeft een zeer beperkte bergingsfunctie, maar vervult een belangrijke functie in het verzamelen van | afstromend hemelwater voor de woningen langs de Heetkampweg. Vanuit deze verlaagde groenstrook dient het water richting wadi 3 worden geleid. Dit kan middels een roosterput in de verlaagde groenstrook waarmee het water via een duiker kan uitstromen in wadi 3.

De duikers zorgen voor de evenredige verdeling van water tussen de wadi’s vanaf een waterdiepte van 0,1 m (15,0 m NAP). Indien de wadi’s tot | 30 cm gevuld zijn, kan het water middels een overstort richting de greppel ten zuidwesten van de locatie worden geleid. De overstort wordt op 15,2 m NAP aangelegd, zodat eerst het hele systeem binnen de locatie gevuld wordt. Vanwege de grote bergingscapacit | eit van de wadi’s binnen de locatie, zal deze overstort naar verwachting enkel bij extreme omstandigheden gebruikt worden | (> 70 mm neerslag t.o.v. het verhard oppervlak). Tabel 5.3: Wadistructuur Capaciteit bij 0,3 m | Bodemhoogte waterhoogte | (m NAP) (m3) Wadi 1 | 530 | 14,9 Wadi 2 | 150 | 14,9 Wadi 3 | 350 | 14,9 Totaal: | 1.030 5.5.3 | HWA-riool Binnen het plangebied wordt één nieuw hemelwaterriool aangelegd. Het betreft een leiding om het bestaande HWA-riool in de Langeveenseweg middels een HWA-riool te verbinden met wadi 3 aan de zuidzijde van het plangebied. Op deze manier kan het hemelwater van de woningen aan de Langeveenseweg eveneens in deze wadi geborgen worden. 5.5.4 | DWA riool Het DWA riool wordt uitgevoerd als PVC riool met een diameter van 315 mm. Het vuilwaterriool zal zoveel mogelijk aansluiten op het bestaande riool aan de Langeveenseweg, aan de oostzijde van het plangebied, met een b.o.b.

hoogte van 13,77 m NAP, omdat dit riool onder vrij verval richting het hoofdgemaal gaat. Om de ophoging binnen het gebied beperkt te houden, zal een deel van de woningen worden aangesloten op het bestaande riool projectnummer | datum 20250070/NASC | oktober 2025 | 20 / 25

Waterhuishoudkundig plan LTC-terrein te Geesteren projectnummer datum 20250070/NASC oktober 2025 23 / 25 6 .2 A a n d a c ht s p u nt e n bou wr ijp mak e n Tuinen In de tuinen moet grond worden verwerkt die geschikt is om vegetatie te laten groeien en voldoende doorlatend is om regenwater voldoende snel te laten wegzakken. De bestaande bodem wordt voldoende doorlatend geacht. Als gevolg van de bouwwerkzaamheden kan het voorkomen dat verslemping van de bodem optreedt met wateroverlast (plasvorming) in de nieuwe situatie. Het is ter overweging van de bewoners de tuinen te spitten na uitvoering van de (bouw)werkzaamheden. Ophoging Door de beperkte ophoging/ afgraving door bouwrijp maken in het projectgebied zal de grondwaterstand weinig tot niet beïnvloed worden. Aanvullende maatregelen worden niet nodig geacht. Bebouwing: Indien onder de te realiseren woningen kruipruimten aanwezig zijn, dienen deze bij voorkeur ondiep te zijn (< 1 m t.o.v. vloerpeil). Op deze manier wordt (grond)wateroverlast zoveel mogelijk voorkomen. Bij diepere kruipruimten dient de bodem voorzien te zijn van goed doorlatend zand. Op deze manier kan water ten tijde van de bouw en ontwikkeling van de woonwijk infiltreren in de bodem en kan in later stadium eventueel water in de kruipruimte in de bodem kan infiltreren.

Infiltratievoorzieningen: De bodem van de wadi’s moet een zodanige samenstelling hebben dat hierop vegetatie kan groeien en het water voldoende snel kan wegzakken. De samenstelling van de wadibodem moet daarom voldoen aan:  Doorlatendheid bodem > 0,5 m/dag;  Humusgehalte 3-5% ;  Lutumgehalte <1% ;  M50-getal 200-300 µm. Omdat de doorlatendheid van de bodem overwegend goed is, is drainage in de wadi’s niet direct noodzakelijk. Wel wordt aanbevolen de wadi’s te voorzien van een slokop met overstort in geval de waterstanden > 0,3 m hoog zijn. Extreme situaties: De wadi’s hebben een totale bergingscapaciteit van ruim 1.000 m3 op basis van een waterstand van 0,3 m. Vervolgens zal het water via een overstort aan de zuidwestzijde van het plangebied in een nabijgelegen greppel stromen. De overstort zal naar verwachting enkel bij extreme omstandigheden worden gebruikt. Vanwege de grote toevoer van water over het verhard oppervlak naar de wadi’s zal op dat moment een groot deel van de wegen als goot functioneren. De vloerpeilen zijn echter zo gekozen dat er geen kans bestaat op water in de woning. Waterhuishoudkundig plan LTC-terrein te Geesteren projectnummer datum 20250070/NASC oktober 2025 24 / 25 7 Samenvatting en conclusie In opdracht van BJZ.NU B.V.

heeft Geofoxx, als onafhankelijk adviesbureau, een waterhuishoudkundig plan opgesteld inclusief geohydrologisch onderzoek uitgevoerd op de planlocatie LTC-terrein te Geesteren. Naar aanleiding van overleg met Devri Infra BV op 17 juli 2025 en met de gemeente op 8 oktober 2025 is het waterhuishoudkundig plan aangepast en geoptimaliseerd. Aanleiding en doel De aanleiding voor het laten uitvoeren van het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen nieuwbouw op de locatie en de daarvoor benodigde omgevingsvergunning. In verband met de geplande woningbouw en de omgevingsvergunning is het nodig om de lokale waterhuishouding en de gevolgen van de herontwikkeling op de huidige waterhuishoudkundige situatie in kaart te brengen. Resultaten Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater (droogweerafvoer) gescheiden worden afgevoerd. Het water zal over maaiveld naar een drietal wadi’s binnen het plangebied worden geleid. Door de ontwikkeling is in het openbaar gebied straks circa 1,4 ha verharding aanwezig. In lijn met de bergingseis (40 mm) is binnen het plangebied circa 565 m3 bergingscapaciteit benodigd. Binnen het plangebied is ruim voldoende ruimte (ruim 1.000 m3) gereserveerd om deze hoeveelheid water te kunnen bergen middels wadi’s. In tabel 6.1 zijn de vloerpeilen opgenomen.

Op basis van de toekomstige inrichting van het plangebied is er voldoende ruimte aanwezig om deze te sluiten op de bestaande peilen op aangrenzende percelen, echter wordt aanbevolen om bij de verdere (civiele) uitwerking van het plan aandacht te hebben voor de hoogteverschillen welke ontstaan tussen de percelen. Aandachtspunten:  Tussen wadi 3 en de Langeveenseweg kan een verbinding aangebracht worden tussen het bestaande hemelwaterriool en de nieuwe wadistructuur. Voordeel is dat de te realiseren woningen aan de Langeveenseweg hiermee hun hemelwater ook indirect kunnen laten afstromen op de wadi’s.  Het vuilwaterriool wordt zoveel mogelijk aangesloten op het bestaande stelsel in de Langeveenseweg. Een deel van de woningen zal worden aangesloten op het stelsel in De Potstal.  Binnen het plangebied zijn de toekomstige hoogtes zo gekozen dat ter plaatse van de te behouden bomen in de noordwesthoek van de locatie de huidige maaiveldhoogten gehandhaafd blijven. Watertoets Om vast te stellen welke waterbelangen spelen bij de planontwikkeling en welke procedure in het kader van het wateradvies moet worden gevolgd, is het digitale wateradvies uitgevoerd op de website www.het wateradvies.nl in juni 2025. Disclaimer Het onderzoek is op een zorgvuldige wijze uitgevoerd met behulp van de voor het onderzoek gangbare technieken, inzichten en methodes.

Bij het uitvoeren van onderzoek streven wij optimale representativiteit na. Het blijft mogelijk dat er plaatselijk afwijkingen voorkomen. Deze afwijkingen komen door het steekproefsgewijze karakter van het onderzoek niet aan het licht. Geofoxx is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit bovengenoemde aspecten. Waterhuishoudkundig plan LTC-terrein te Geesteren projectnummer datum 20250070/NASC oktober 2025 25 / 25 De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van het wateradvies van toepassing is. De bestemming en de grootte van het plan hebben invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van het wateradvies is goed doorlopen. De aanvraag is bijgevoegd in bijlage 3. Waterhuishoudkundig plan LTC-terrein te Geesteren projectnummer datum 20250070/NASC oktober 2025 Bijlagen Bijlage 1: Situatietekeningen

Waterhuishoudkundig plan LTC-terrein te Geesteren projectnummer datum 20250070/NASC oktober 2025 Bijlagen Bijla ge 2: Boorstaten

Waterhuishoudkundig plan LTC-terrein te Geesteren projectnummer datum 20250070/NASC oktober 2025 Bijlagen Bijlage 3: De watertoets Het wateradvies 19-06-2025 09:38 1 https://hetwateradvies.nl Het wateradvies Het wateradvies helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces. Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Normale procedure 2. Er worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd. 3. Zuiveringtechnisch werk Op basis van onderstaande locatie

Het wateradvies 19-06-2025 09:38 2 https://hetwateradvies.nl Vragen en antwoorden uit de check 1 Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt? nee Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd? ja Is er in of rondom het plangebied wel eens sprake (geweest) van wateroverlast of grondwateroverlast? nee Ligt binnen plangebied (een beschermingszone) van een watergang of waterkering? nee Maakt het plan deel uit van een groter plan, zoals een masterplan/ stedenbouwkundige visie? nee Wordt water aangelegd, gedempt of aangepast? nee Wordt recreatief medegebruik van watergangen of gronden in beheer van het waterschap mogelijk gemaakt? nee Bedraagt het verschil tussen de hoogte van de weg en de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 30 centimeter? nee Is de afstand tussen de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de bovenzijde van de begane-grondvloer kleiner dan 80cm? nee Zijn er kansen voor afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? nee Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? nee Worden bedrijfsmatige activiteiten uitgevoerd, waardoor het afstromende hemelwater verontreinigd kan raken? nee Worden er materialen gebruikt waardoor het afstromende hemelwater verontreinigd kan raken? nee Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan

1500m2? nee Wordt regenwater gescheiden van het afvalwater afgevoerd? ja Ligt in of nabij het plangebied een zonering zuiveringtechnisch werk? ja Ligt het plangebied in een zonering waterwingebieden Drenthe? nee Ligt het plangebied in een zonering grondwaterbeschermingsgebieden Drenthe? nee Ligt het plangebied in een zonering waterwingebieden Overijssel? nee Ligt het plangebied in een zonering grondwaterbeschermingsgebieden Overijssel? nee Ligt het plangebied in een zonering Natura 2000? nee Het wateradvies 19-06-2025 09:38 3 https://hetwateradvies.nl Details 1. Normale procedure Op basis van uw locatie en gegeven antwoorden blijkt dat u waterschapsbelangen raakt. Wat moet ik doen? Het wateradvies 19-06-2025 09:38 4 https://hetwateradvies.nl Gebruik alstublieft de knop ““DIRECT AANVRAGEN”” om een advies aan te vragen bij het waterschap. Hiervoor is een eenmalige registratie benodigd. In een startoverleg kan gezamenlijk bepaald worden welke wateraspecten een rol spelen en tot welk detailniveau deze uitgewerkt dienen te worden. Dit kan ook betekenen dat er een waterhuishoudkundig plan, een geohydrologisch onderzoek of een uitgebreide analyse van het huidige watersysteem noodzakelijk is. Gezamenlijk wordt er invulling gegeven aan de wateraspecten. Als er overeenstemming is over de inhoud van de waterparagraaf kan u de tekst opnemen in de toelichting van het ruimtelijk plan.

Hengelo

Het wateradvies 19-06-2025 09:38 5 https://hetwateradvies.nl • gemeente Enschede Telefonisch bereikbaar via mailverzoek of algemeen telefoonnr. 088-2203333. Algemene info: In de procedurebepalingen van de Wro voor het bestemmingsplan is opgenomen dat de kennisgeving wordt toegezonden aan de instanties die bij het overleg zijn betrokken. De terinzagelegging van het bestemmingsplan kunt u zenden aan kennisgevingwro@vechtstromen.nl. Copyright Digitale watertoets - http://www.dewatertoets.nl//. Dit document is gegenereerd via de website http:// www.dewatertoets.nl//. Het document mag alleen worden gebruikt ten behoeve van het plan, dat in dit document is omschreven. De informatie in dit document is houdbaar tot maximaal 1 jaar, gerekend vanaf de genoemde datum in dit document. Het wateradvies 19-06-2025 09:38 6 https://hetwateradvies.nl 2. Er worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd. Wij streven naar een doelmatige werking van de gehele afvalwaterketen. Wij treden daarom graag in een vroeg stadium in gesprek over nieuwe ontwikkelingen. Hemelwater wordt min mogelijk afgevoerd naar de afvalwaterzuivering, zodat meer water in de bodem wordt vastgehouden, de efficiëntie van de waterzuivering vergroot wordt, en het aantal riooloverstorten op het oppervlaktewater wordt teruggedrongen. Een toename van afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen.

Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de rioolgemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) dienen de toename te kunnen verwerken, zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Wat moet ik doen? Waar moet ik op letten? Achtergrondinformatie Het wateradvies 19-06-2025 09:38 7 https://hetwateradvies.nl 3. Zuiveringtechnisch werk Wat moet ik doen? Waar moet ik op letten? Achtergrondinformatie

Bijlage 16 Nader onderzoek vleermuizen bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 761

2 Nader onderzoek vleermuis, Langeveenseweg 55 Geesteren Colofon Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Opdrachtgever: BJZ Projectnummer en versie: 8037 versie 1.0 Status: Definitief Auteur: Veldmedewerker(s): Ligging projectgebied: Langeveenseweg 55 Geesteren Rapportdatum: 20-10-2025 Correspondentieadres: Nobelstraat 7-5 7131PZ Lichtenvoorde E: info@natuurbankoverijssel.nl T: 0850-509852 Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet - en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Natuurbank Overijssel accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Natuurbank Overijssel uitgevoerde onderzoek. Natuurbank Overijssel is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Natuurbank Overijssel; opdrachtgever vrijwaart Natuurbank Overijssel voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

3 Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING ......................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................................... 4 1.2 Onderzoeksvraag ........................................................................................................................................... 4 1.3 Reikwijdte ...................................................................................................................................................... 4 HOOFDSTUK 2 HET ONDERZOEKSGEBIED ...................................................................................................................... 5 2.1 Situering ........................................................................................................................................................ 5 2.2 Beschrijving van het onderzoeksgebied ........................................................................................................ 6 HOOFDSTUK 3 METHODE .......................................................................................................................................

7 3.1 Vleermuizen .................................................................................................................................................. 7 3.2 Overige soorten ............................................................................................................................................. 8 HOOFDSTUK 4 RESULTATEN..................................................................................................................................... 9 4.1 Vleermuizen .................................................................................................................................................. 9 4.2 Overige soorten ............................................................................................................................................. 9 HOOFDSTUK 5 SAMENVATTING EN CONCLUSIES ......................................................................................................... 10 5.1 Samenvatting............................................................................................................................................... 10 5.2 Conclusie .....................................................................................................................................................

10 4 HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Natuurbank Overijssel heeft van bureau BJZ opdracht gekregen de functie van de te slopen bebouwing en aangrenzende percelen op het adres Langeveenseweg 55 te Geesteren voor vleermuizen te onderzoeken. Dit onderzoek is vereist in verband met de mogelijke aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in de te slopen bebouwing. In voorliggend rapport worden de bevindingen van onderzoek naar de functie van de bebouwing en overige plangebied voor vleermuizen gepresenteerd. Het onderzoek is uitgevoerd in de periode juni-september 2025. In het kader van de zorgplicht (Art. 11.27, Bal) moet voorafgaand aan een ingreep, welke mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde diersoorten, een effectbeoordeling plaats vinden. Omdat met een eenmalige visuele inspectie, de functie en betekenis van de aanwezige bebouwing voor vleermuizen niet (volledig) vastgesteld kan worden, was gericht vervolgonderzoek noodzakelijk. 1.2 Onderzoeksvraag Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de volgende onderzoeksvragen: 1. Bezetten vleermuizen een verblijfplaats in de te slopen bebouwing en bomen in het plangebied? Zo ja, welke soort, welke aantallen, welke functie heeft de verblijfplaats en waar bevinden zich de verblijfplaatsen? 2.

Op welke wijze gebruiken vleermuizen de buitenruimte in het plangebied? Welke soorten gebruiken de buitenruimte, wat is de functie van de buitenruimte voor vleermuizen en hoeveel dieren maken gebruik van de buitenruimte? 1.3 Reikwijdte Voorliggend rapport is eenvoudig van opzet. Niet relevante informatie verkregen tijdens het onderzoek wordt niet meegenomen in dit rapport. Natuurbank Overijssel beseft dat natuuronderzoek kostbaar is en probeert de kosten voor de opdrachtgever zo laag mog elijk te houden, onder andere door het rapport kort en bondig op te stellen met uitsluitend de benodigde en relevante informatie zoals methode, verantwoording van de afgelegde bezoeken en weergave van de bevindingen.

6 2.2 Beschrijving van het onderzoeksgebied Het plangebied bestaat uit een bedrijfshal, de omliggende verharding en twee percelen agrarisch cultuurland. Het terrein is nog in gebruik als opslag en het agrarisch cultuurland wordt nog actief gecultiveerd met maïs als laatste hoofdteelt. Het bedrijfspand beschikt over gevels bekleed met damwand en kunststof, het gebouw heeft een platdak bedekt met bitumen en grind. Aan de zuidkant van het gebouw is een bomenrij bestaande uit berk, els en eik. Aan de oostzijde van het gebouw ligt een blusvijver omringd m et verschillende heesters en klimplanten zoals laurier, rododendron, hedera en dwergmispel. Rond en op de parkeerplaats groeien enkele wilgen, berken, sparren, eiken en een laurierhaag. Het agrarisch cultuurland wordt omringd en doorkruist met een bomenrij bestaande uit eiken, berken, dennen en een laurierhaag. Op onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven met een gele omkadering. Voor een verbeelding van de huidige situatie wordt verwezen naar de fotobijlage. Luchtfoto met de begrenzing van het onderzoeksgebied, aangegeven met de gele lijn (bron: topotijdreis.nl). Impressie van het onderzochte gebouw (bron foto’s: auteur).

7 HOOFDSTUK 3 METHODE In dit hoofdstuk wordt de toegepaste onderzoeksmethode verwoord. 3.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Voor het in kaart brengen van verblijfplaatsen van vleermuizen is zowel visueel als auditief geïnventariseerd. Met behulp van een heterodyne batdetector met opname- en vertragingsfunctie (type: Petterson D240x) is de echolocatie die vleermuizen uitzenden voor ons hoorbaar gemaakt. Wanneer op basis van frequentie, klank en ritme niet met 100% zekerheid de soort bepaald kon worden, is een opname gemaakt op een extern opname apparatuur (type: Zoom H2n). Door de dieren ook zoveel mogelijk visueel waar te nemen is de determinatie geverifieerd en is het gedrag (en daarmee vaak de functie van het gebied) vastgesteld. Dit onderzoek is specifiek gericht op het in kaart brengen van verblijfplaatsen, soortsamenstelling en gebiedsgebruik. Tijdens het onderzoek is ook gebruik gemaakt van een warmtebeeldcamera (Pulsar Helion xq28). Een dergelijke camera is van grote meerwaarde bij het waarnemen van zwermende dieren tijdens het binnenvliegen, tijdens de baltsperiode en voor het waarnemen van vleermuizen met een extree m zachte sonar, zoals de gewone grootoorvleermuis. Het onderzoek is opgezet om duidelijkheid te krijgen over de functie van het gebouw in het onderzoeksgebied als verblijfplaats voor vleermuizen.

Het onderzoek is afgestemd op het mogelijk voorkomen van alle gebouwbewonende soorten. Het gebouw lijkt geschikt als zomer-, kraam-, paar- en (massa)winterverblijfplaats. Aanpassing vleermuisprotocol 2025 In februari 2025 is het vleermuisprotocol aangepast. Deze aanpassing treft uitsluitend onderzoek naar meervleermuizen om de omgeving van bekende kraamverblijven en mannengroepen en onderzoek naar paarverblijfplaatsen van deze soort. Voor paarverblijf - & zw ermplaatsen is de definitie van de objecten aangepast, de inspanning is niet bedoeld voor gebouwen zoals woonhuizen, maar denk hier aan bruggen, sluizen, gemalen, elektriciteitshuisjes, boomholtes, vleermuiskasten, stadsmuren, bunkers, meerpalen, ijskelders, forten, verlaten gebouwen, schoorstenen, putten, etc. De aanpassing bestaat uit het uitvoeren van extra bezoeken indien de onderzoekslocatie in de directe omgeving van een bekende kraamkolonie ligt en een ochtendronde in juli in de buurt van een mannengroep. Het geactualiseerde protocol schrijft nu ochtendonderzoek voor in plaats van avondonderzoek. In gebieden nabij kraamkolonies (te downloaden via Netwerk Groene Bureaus/vleermuisprotocol, zijn twee ochtendrondes (verplicht in de kraamperiode). In zowel de rode gebieden (kraamkolonies) als de blauwe gebieden (mannenverblijven) is een extra ochtendronde in juli nodig voor het opsporen van satelliet verblijfplaatsen.

Onderzoek naar paarverblij fplaatsen hoeft niet plaats te vinden bij door mensen bewoonde objecten, zoals woningen en appartementengebouwen. De onderzoekslocatie ligt niet nabij een bekende kraamkolonie , maar wel in de omgeving van een mannengroep van meervleermuizen (NDFF, 2025). Het onderzoek dient daarom afgeste md te worden op mogelijke aanwezigheid van een satellietverblijfplaats na de kraamperiode en paarverblijfplaats. Voor het in beeld brengen van de betekenis van de bebouwing voor vleermuizen zijn vijf verschillende bezoeken aan het onderzoeksgebied gebracht. De bezoeken in juni en juli zijn uitgevoerd voor het in kaart brengen van kraam - en zomerverblijven, de bezoeke n in augustus en september zijn uitgevoerd in verband met onderzoek naar paarverblijfplaatsen. De bebouwing wordt niet geschikt geacht als (massa) winterverblijfplaats voor vleermuizen vanwege het ontbreken van hoge bebouwing ( >2 bouwlagen) of bebouwing me t veel bouwmassa en wordt niet verwarmd. De inschatting van de geschiktheid van de bebouwing als massa-winterverblijfplaats wordt ook door het bevoegde gezag (provincie) toegepast. Het onderzoek is uitgevoerd door zes onderzoekers die tegelijkertijd het gebouw bekeken. Door deze onderzoekers strategisch te positioneren, kunnen alle in- en uitvliegende dieren waargenomen worden. Ook kunnen zo vliegpatronen ontdekt worden.

Vliegpatronen kunnen een sterke aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een kolonie. Nader onderzoek omgeving Naast onderzoek naar verblijfplaatsen in de te slopen bebouwing, is tevens gekeken naar de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in de aanwezige bomen in het plangebied en is gekeken naar vliegroutes en foeragerende vleermuizen in het plangebied. Uit een visuele inspectie kwam naar voren dat geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waren waargenomen. | Toch heeft een onderzoeker specifiek gekeken naar vliegbewegingen van boombewonende soorten in de avond en ochtend. Het gebruik van het terrein door vleermuizen is aanvullend op het onderzoek naar uit- en invliegende dieren en baltsende dieren gedaan. In het najaar zijn de bomen wel specifiek onderzocht op paarverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuizen (en andere boombewonende soorten, zoals rosse vleermuis). Er is gebruik gemaakt van een batdetector en twee warmtebeeldcamera’s (Helion Pulsar). In onderstaande tabel worden de verschillende bezoekdata weergegeven.

Datum | Tijd | Zon onder/op* | Aantal | Weersomstandigheden onderzoekers 01-06-2025 | 21:44-00:45 | 21:45 uur | 6 | Droog, 18 ºC, zwakke | wind, bewolkt 28-06-2025 | 21:55-1:00 | 21:59 uur | 6 | Droog, 23 ºC, zwakke | wind, bewolkt 12-07-2025 | 2:25-5:30 | 05:28 uur | 6 | Droog, 16 ºC, matige wind, bewolkt 22-8-2025 | 20:43-0:00 | 20:43 uur | 2 | Bewolkt, droog, zwakke wind 17 ºC 10-9-2025 | 20:00-0:00 | 20:00 uur | 2 | Bewolkt, droog (na buien overdag), zwakke wind, 17 ºC Bezoekschema vleermuisonderzoek (*bron: www.knmi.nl) 3.2 Overige soorten Onderzoekers letten tijdens het veldwerk altijd op andere beschermde soorten | , zoals steenmarter, egel, eekhoorn, nesten van roofvogels (buizerd, sperwer, boomvalk) en de aanwezigheid van uilen, zoals ransuilen in de beplanting. Ook wordt altijd gelet op bijzondere vogelsoorten, zoals de patrijs en huismus. Het plangebied is tweemaal in de avond en eenmaal in de vroege ochtend bezocht met de mogelijkheid voorgenoemde soorten en/of nesten te zoeken. 8 9 HOOFDSTUK 4 RESULTATEN 4.1 Vleermuizen Verblijfplaats Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen in het onderzoeksgebied vastgesteld. Er zijn in het geheel geen boombewonende vleermuizen waargenomen met enige binding met het plangebied.

In het huizenblok, grenzend aan het onderzoeksgebied in de noordoosthoek van het plangebied, is een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Dit paarverblijf kon vanuit het plangebied vastgesteld worden. Op 12 juli werden twee, hoog over het plangebied vliegende rosse vleermuizen waargenomen. Deze vlogen in zuidoostelijke richting op ca. 100 m hoogte. Vliegroute Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de bomenstructuren in het plangebied onderdeel vormen van een vliegroute. Aangezien deze structuren ook ‘dood lopen’ werd dat ook niet verwacht zonder aanwezigheid van een verblijfplaats in de bebouwing of bomen. Foerageergebied Geheel volgens verwachting zijn foeragerende vleermuizen waargenomen rond de laanbomen en houtsingels. Er werden hoofdzakelijk foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Enkele malen werd waargenomen dat deze dieren vanuit de woonkern kwamen aanvliegen. Er zijn nooit meer dan 3 gewone dwergvleermuizen tegelijkertijd in het onderzoeksgebied waargenomen. Tijdens drie bezoeken werd telkens kortstondig een langsvliegende laatvlieger opgemerkt. 4.2 Overige soorten Er zijn geen nesten van roofvogels of uilen vastgesteld en er zijn geen huismussen of patrijzen waargenomen in het onderzoeksgebied. Ook zijn geen egel of steenmarter in het onderzoeksgebied waargenomen.

10 HOOFDSTUK 5 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 5.1 Samenvatting In 2025 is bebouwing en beplanting in een perceel aan de Langeveenseweg 55 te Geesteren onderzocht op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen, vliegroute en betekenis als foerageergebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform het daarvoor geldende onderzoeksprotocol. Onderzoek heeft aangetoond dat vleermuizen geen verblijfplaats in het onderzoeksgebied bezetten. Ook is geen vliegroute van vleermuizen vastgesteld. Dat vleermuizen gebruik maken van de opgaande beplanting in het onderzoeksgebied is geen verrassing. Het aantal vleermuizen dat in het onderzoeksgebied foerageert is beperkt en de dieren foerageerden er n iet lang. De betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied is beperkt. Deze functie wordt door het herinrichten van het plangebied als woonwijk niet negatief beïnvloed omdat gewone dwergvleermuizen niet lichtschuw zijn en tuinen rond woningen tot het normale foerageergebied van gewone dwergvleermuizen en laatvliegers behoort. Er is tijdens het onderzoek geen egel of steenmarter waargenomen, en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat roofvogels of uilen een nestplaats bezetten in het onderzoeksgebied. Ook zijn geen patrijzen of huismussen in het onderzoeksgebied vastgesteld.

5.2 Conclusie Bij het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden hoeft geen rekening gehouden te worden met vleermuizen, verblijfplaatsen van vleermuizen, vliegroutes of essentieel foerageergebied. 11 Geraadpleegde bronnen Kennisdocument huismus (BIJ12) Kennisdocument gierzwaluw (BIJ12) Kennisdocument steenuil (BIJ12) Kennisdocument Laatvlieger (BIJ12) De steenmarter. KNNV Uitgeverij. Internet: www.sovon.nl www.kadaster.nl Vleermuisprotocol 2021, versie februari 2025 Bijlage 17 Reactienota zienswijzen bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie G eesteren 773 1 REACTIENOTA ZIENSWIJZEN WIJZIGING OMGEVINGSPLAN ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren’. Inhoudsopgave 1. Inleiding 2 2. Behandeling zienswijzen 4 2.1 Reclamant 1 en 2 4 2.2 Reclamant 3 6 2.3 Reclamant 4 7 3. WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET ONTWERP OMGEVINGSPLAN 9 2 1. INLEIDING In dit document worden de binnengekomen zienswijzen behandeld, die zijn ingediend tegen het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22 o LTC locatie Geesteren’. Na voorafgaande publicatie op 9 december 2025 is in overeenstemming met artikel 16.29 en artikel 16.30 Omgevingswet met ingan g van 10 december 2025 het ontwerpbesluit voor een ieder ter inzage gelegd.

Het ontwerpbesluit met de hierbij behorende stukken kon tijdens de openingsuren in het gemeentehuis worden ingezien. Ook was het ontwerpbesluit te raadplegen op de https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/. Plan Het ontwerpbesluit voorziet in de planologische regeling voor de herontwikkeling van de voorma- lige bedrijfslocatie L. Ten Cate te Geesteren tot een woongebied met maximaal 61 woningen, met bijbehorende voorzieningen zoals parkeervoorzieningen, waterberging (wadi’s) en land- schappelijke inpassing. Zienswijzen Gedurende de hiervoor genoemde termijn kon een ieder mondeling dan wel schriftelijk zienswijzen kenbaar maken. Er zijn drie reclamanten die gebruik hebben gemaakt van het recht om een zienswijze in te diene n. Mede naar aanleiding van deze zienswijzen zijn er meerdere gesprekken geweest met alle reclamanten. Mede op basis van de gesprekken is één zienswijze ingetrokken als er bij de vaststelling van het Omgevingsplan een bepaalde wijziging wordt doorgevoerd. In dit document worden de standpunten van de zienswijzen toegelicht , de gemeentelijke standpunten en of het Omgevingsplan vastgesteld kan worden en/of er wijzigingen worden doorgevoerd tov het ontwerp Omgevingsplan.

Beoordelingskader wijziging omgevingsplan De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt op grond van artikel 4.2 lid 1 Omgevingswet primair bij de gemeenteraad. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie: ­ de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; ­ de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; ­ eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld , zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie . Bij de beoordeling van het initiatief is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn deze betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de raad haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat het initiatief ook hieraan is getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden in de toelichting.

De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit initiatief aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen zijn 3 afgewogen. Initiatiefnemer wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon - en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat. Belangenafweging De raad heeft bij het bepalen om wel of niet af te wijken van het omgevingsplan beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoeringen vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk beslui t is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het besluit niet in strijd zijn met de instructi e(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit besluit aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.

Zoals uit de toelichting blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente hiervoor heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het initiatief. Verder is het initiatief afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in de toelichting de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen. Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de relevante (individuele) belangen, levert het besluit geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het besluit is evenwichtig en geschikt om het initiatief te realiseren. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Opzet reactienota In hoofdstuk 2 worden de ingekomen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit samengevat en vervolgens van een gemeentelijk standpunt voorzien. Tenslotte wordt elke zienswijze afgesloten met een conclusie. In hoofdstuk 3 worden de wijzigingen aan het omgevingsplan op een rij gezet. 4 2. BEHANDELING ZIENSWIJZEN 2.1 Reclamant 1 en 2 Datum mail: 30 januari 2026 en 4 februari 2026 De inhoud van deze twee reclamanten zijn exact hetzelfde en worden daarom als één be- schouwd.

Privacy Reclamanten stellen dat de ontwikkeling van woningbouw op korte afstand van hun perceel zal leiden tot een aantasting van hun privacy. Gemeentelijk standpunt De raad begrijpt dat nieuwe woningen nabij bestaande percelen zorgen kunnen oproepen over privacy. Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt echter dat geen recht bestaat op blijvend vrij uitzicht. Bij de beoordeling van privacyaspecten geldt dat een plan moet voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden, maar dat geen recht bestaat op een blijvend ongestoord uitzicht. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak1, waarin is overwo- gen dat een zekere mate van aantasting van uitzicht en privacy in beginsel moet worden aan- vaard. Daarbij beoordeelt de Afdeling de gestelde aantasting van privacy steeds aan de hand van de concrete omstandigheden, waaronder de afstand tus sen nieuwe bebouwing en de percelen/ de woningen van appellanten en de situering van de beoogde nieuwe woonpercelen. Tegelijkertijd moet worden beoordeeld of deze zorgen, objectief bezien, leiden tot de conclusie dat geen sprake meer is van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat. Daarbij is van belang dat de afstand tussen de woning van appellanten en de dichtstbijzijnde nieuwe woning meer dan 65 meter bedraagt en dat de afstand tot de perceelgrens ten minste 30 meter is.

Tevens wordt tussen de beoogde woningen en de woning van reclamant een nieuwe houtsingel gerealiseerd zodat in de toekomst er geen zicht meer is op de nieuwe woningen. Gelet op deze afstanden acht de raad het niet aannemelijk dat sprake zal zijn van een zodanige inkijk dat geen sprake meer is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor zover appellanten stellen dat zij extra privacymaatregelen moeten treffen die kosten mee- brengen wordt geconcludeerd dat dergelijke (mogelijke) kosten op zichzelf niet doorslaggevend zijn bij de toets of sprake is van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat. Bepalend zijn de ruim- telijk relevante omstandigheden, waarbij de in dit geval gehanteerde afstanden in overeenstem- ming zijn met wat in de vaste rechtspraak als aanvaardbaar is beoordeeld. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Geluids- en lichthinder Reclamanten vrezen toename van geluids- en lichthinder door bouwactiviteiten en toekomstige bewoners. 1 ABRvS 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:324 5 Gemeentelijk standpunt De raad begrijpt dat appellanten zich zorgen maken over de mogelijke gevolgen van de voorge- nomen ontwikkeling voor de rust en beleving van hun woonomgeving. Het is invoelbaar dat zo- wel de bouw- en aanlegfase als het toekomstige gebruik van de woonwijk vragen oproepen met betrekking tot geluid en verlichting.

Voor wat betreft de bouw- en aanlegfase overweegt de raad dat eventuele hinder inherent is aan de realisatie van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Deze mogelijke hinder is tijdelijk van aard en vormt op zichzelf geen grond om een omgevingsplan ruimtelijk onaanvaardbaar te achten. Even- tuele overlast tijdens de uitvoering wordt bovendien gereguleerd via andere wettelijke kaders en handhavingsinstrumenten, die geen onderdeel uitmaken van de planologische afweging. Ten aanzien van de gebruiksfase geldt dat het ontwerp -TAM-omgevingsplan voorziet in een woonfunctie. Aspecten zoals het gebruik van terrassen bij woningen, de aanwezigheid van instal- laties zoals warmtepompen en een toename van verkeersbewegingen zijn gebruikelijk en aan het wonen inherent. Dat hiermee een zekere mate van geluid en licht gepaard kan gaan, betekent niet zonder meer dat sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. Bij deze beoordeling is betrokken dat de afstand tussen de woningen van appellanten en de dichtstbijzijnde toekomstige woonpercelen ten minste 65 meter bedraagt. In samenhang met het woonkarakter van de ontwikkeling ziet de raad hierin geen aanleiding om a an te nemen dat het normale gebruik van de woonwijk zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woon - en leefklimaat ter plaatse van de woonpercelen van appellanten.

Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Gebruik Heetkampweg Reclamanten vrezen dat de Heetkampweg als sluiproute zal worden gebruikt. Gemeentelijk standpunt Voor de Heetkampweg geldt een geslotenverklaring voor gemotoriseerd verkeer, met uitzonde- ring van bestemmingsverkeer. Toezicht op naleving van verkeersregels behoort tot de uitvoe- rings- en handhavingspraktijk en maakt geen onderdeel uit van de planologische beoordeling. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. 6 2.2 Reclamant 3 Datum brief: 29 december 2025 Datum ontvangst: 29 december 2025 Spuitvrije zone Reclamant geeft aan dat een deel van zijn agrarische perceel binnen een spuitvrije zone komt te liggen, waardoor gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt beperkt. Gemeentelijk standpunt Naar aanleiding van de ingediende zienswijze heeft overleg plaatsgevonden met de adviseur van reclamant over de opgenomen spuitvrije zone op het perceel van reclamant. Uit nader on- derzoek blijkt dat, gelet op de locatiespecifieke omstandigheden ter plaatse, voldoende kan worden gemotiveerd dat een spuitvrije zone in dit geval niet noodzakelijk is voor een aanvaard- baar woon- en leefklimaat. Hierbij zijn onder meer de feitelijke situatie, de inrichting van het ge- bied en het gebruik van de omliggende gronden betrokken.

Daarom is besloten de spuitvrije zone in het vast te stellen Omgevingsplan te verwijderen. Reclamant heeft aangegeven de zienswijze in dat geval te zullen intrekken. De aanvullende motivatie van het verwijderen van de spuitvrije zone op dit specifieke perceel verwijzen wij naar paragraaf 5.15.2 van de motivering van het Omgevingsplan. Conclusie De zienswijze leidt tot een wijziging van het omgevingsplan. De spuitvrije zone wordt op het per- ceel verwijderd. 7 2.3 Reclamant 4 Datum brief: 8 januari 2026 Datum ontvangst: 8 januari 2026 Geurhinder en woon- en leefklimaat Reclamant stelt dat woningbouw wordt toegestaan binnen een gebied met een relatief hoge geurbelasting. Gemeentelijk standpunt Voor het plangebied is een geuronderzoek uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 11 bij de motivering. Uit dit onderzoek volgt dat, vanwege de veehouderij aan de Schotboersweg 10-10a, de voorgrondgeurbelasting ter plaatse van de grens van het plangebied ten hoogste 10,5 OUE/m³ bedraagt. Het woon- en leefklimaat wordt op die locaties, uitsluitend bezien vanuit de voorgrondgeurbelasting, als ‘tamelijk slecht’ gekwalificeerd. Voor het grootste deel van het plangebied geldt een kwalificatie ‘matig’ tot ‘redelijk goed’.

De achtergrondgeurbelasting bedraagt volgens het onderzoek maximaal 11,43 OUE/m³, hetgeen op basis van tabel 1 in het rapport is gekwalificeerd als ‘redelijk goed’. Volgens de in het onder- zoek gehanteerde vuistregel is de voorgrondgeurbelasting in deze situatie maatgevend, omdat deze ten minste de helft van de achtergrondbelasting bedraagt. Op basis daarvan varieert het woon- en leefklimaat binnen het plangebied van ‘tamelijk slecht’ tot ‘redelijk goed’. Daarbij is vastgesteld dat: • niet wordt voldaan aan de wettelijke standaardnorm van 3,0 OUE/m³ voor geurge- voelige objecten binnen de bebouwde kom en een concentratiegebied; • wel wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarde van 14,0 OUE/m³. Daarmee is juridisch-planologisch sprake van een toelaatbare situatie. De maximale toegestane geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten is vastgelegd in de juridische regels van het TAM-omgevingsplan, met als doel het voorkomen van geurhinder en het borgen dat de geurbe- lasting binnen de geldende wettelijke kaders blijft. Omgekeerde werking en agrarische belangen Appellant stelt dat geen onderzoek is verricht naar de omgekeerde werking van de geurcirkel en de mogelijke gevolgen voor het agrarische bedrijf.

Uit de motivering en het geuronderzoek volgt dat expliciet is beoordeeld of de voorgenomen woningbouw leidt tot een beperking van de plano- logische rechten en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. In paragraaf 5.7.2 is vastgesteld dat: • tussen de nieuwe woningen en de veehouderijen andere woonbestemmingen aan- wezig zijn; • wordt voldaan aan de wettelijke afstand van 100 meter binnen de bebouwde kom; • het plan geen planologische rechten van de omringende veehouderijen aantast. Het geuronderzoek is daarmee niet uitsluitend gericht op het woon - en leefklimaat van toekom- stige bewoners, maar tevens op de positie van de bestaande agrarische bedrijven. Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat de veehouderij aan de Schotboersweg 10-10a niet in haar bestaande rechten of ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt. Voor zover appellant vreest dat toekomstige klachten van bewoners zullen leiden tot extra toe- zicht of handhaving, wordt overwogen dat de handhaving van milieuregels en de behandeling van eventuele klachten losstaan van de planologische beoordeling en geen onderdeel vormen van de besluitvorming over het omgevingsplan. 8 Afweging en ruimtelijke context Het oordeel over een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is integraal tot stand gekomen, waarbij naast geur ook andere aspecten van de fysieke leefomgeving zijn betrokken.

Uit de overige pa- ragrafen van de motivering volgt dat voor thema’s als geluid, luchtkw aliteit, externe veiligheid, bodem, water, verkeer en parkeren geen belemmeringen bestaan en wordt voldaan aan de gel- dende wet- en regelgeving. Daarnaast is van belang dat de beoogde woningen worden gerealiseerd in een omgeving die reeds in overwegende mate uit woonbebouwing bestaat. De directe omgeving functioneert reeds als woongebied, waarbij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat bij de bestaande woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De toevoeging van nieuwe woningen sluit aan bij dit ruimtelijk-functionele karakter. Bij de totstandkoming van het ontwerp-omgevingsplan is een zorgvuldige belangenafweging ge- maakt tussen enerzijds de belangen van de agrarische bedrijven en anderzijds de maatschappe- lijke behoefte aan woningbouw. Daarbij is doorslaggevend dat: • wordt voldaan aan de wettelijke geurgrenswaarden; • geen extra planologische belemmeringen voor het agrarische bedrijf ontstaan; • en de ontwikkeling plaatsvindt in een reeds bestaande woonomgeving.

De raad onderkent dat het woon - en leefklimaat ter plaatse van een deel van het plangebied vanuit het aspect geur niet optimaal is, maar acht dit, gelet op de geldende wettelijke kaders, de bestaande woonomgeving en het ontbreken van extra beperkingen voor het agrarisch bedrijf, in dit specifieke geval aanvaardbaar. Wel wordt een planologische wijziging door gevoerd om de planregel rondom geur nader te verduidelijken door uit te gaan van de berekende voorgrondbe- lasting van 10,5 OUe/m³. Conclusie De zienswijze leidt tot een wijziging van het omgevingsplan. De aangepaste planregel luidt als volgt: “Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is, in afwijking van artikel 22.98, lid 1 van het Omgevingsplan, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor aan de Schotboersweg 10-10 te Geesteren de voorgrondbelasting op een g eurgevoelig object door de activiteiten niet hoger dan 10,5 ouE/m³.” Hiermee wordt invulling gegeven aan een zorgvuldige belangenafweging tussen woningbouwont- wikkeling en de bestaande agrarische bedrijfsvoering. 9 3. WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET ONTWERP OMGEVINGSPLAN Naar aanleiding van de zienswijzen worden de volgende wijzigingen doorgevoerd . Planregels 1. De planregel met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt aangepast.

In plaats van een algemeen verbod op gewasbeschermingsmiddelen wordt specifiek het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen uitgesloten binnen de aangewezen zone. 2. Tevens wordt een spuitvrije zone verwijderd op het agrarische perceel, kadastraal be- kend gemeente Tubbergen, sectie K, nummer 8429. Hierdoor zijn tevens de volgende aanpassingen doorgevoerd: - De betreffende gronden vallen bij vaststelling buiten het plangebied. - De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3', welke uitsluitend van toe- passing was op perceel TBG02-K-8429, is uit de regels verwijderd. Dit is tevens als zodanig doorgevoerd in hoofdstuk 7 van de motivering. 3. De planregel mbt geur wordt toegevoegd.De aangepaste planregel luidt als volgt: “Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is, in afwijking van artikel 22.98, lid 1 van het Omgevingsplan, bij het houden van landbouwhuisdieren met geu- remissiefactor aan de Schotboersweg 10-10 te Geesteren de voorgrondbelasting op een geurgevoelig object door de activiteiten niet hoger dan 10,5 ouE/m³.” Verbeelding Op de verbeelding worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. Op de verbeelding wordt de breedte van een aantal bouwvlakken van voornamelijk de beoogde rijwoningen zijn geoptimaliseerd naar aanleiding van kleine verschuivingen in het stedenbouwkundigplan.

Het gaat dan vooral om kleine verbredingen in het bouwvlak om er zeker van te zijn de alle woningen gaan passen. 2. De meest noordelijke woonbestemming is in (zeer) beperkte mate verruimd richting het oosten. De aangrenzende verkeersbestemming is hierdoor opgeschoven en de daar- aan grenzende groenbestemming is in beperkte mate versmald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1438/documents/27938