Bijlage TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek Ruimtelijke motivering
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek
Indien het terrein niet wordt opgehoogd en/of indien ontgraving plaatsvindt dieper dan 15-20 cm minus het huidige maaiveld is archeologisch onderzoek van toepassing. We adviseren daarbij karterend booronderzoek in het gehele plangebied. Gezien de verwachting op vuursteenresten is methode E2 van de Leidraad Karterend onderzoek van toepassing. Dit omvat een boorgrid van 20 boringen per hectare waarbij een edelmanboor van 15 cm diameter wordt gebruikt en waarbij de boorkernen worden gezeefd over een maaswijdte van 4 mm. Met deze onderzoeksmethode kunnen indicatoren zoals vuursteen, natuursteen, aardewerk en houtskool effectief worden opgespoord. Deze methode is niet geschikt voor het opsporen van urnenveld. Statistisch is de kans dat een urn wordt aangeboord verwaarloosbaar. Met dit karterend booronderzoek kan worden bepaald of het aangetroffen vuursteenfragmentje een toevalstreffer is, of dat er binnen het plangebied sprake is van concentratie van vondsten. In dat geval kan gravend onderzoek een optie zijn. Archeologisch Inventariserend veldonderzoek - katerende fase In een deel van het plangebied worden archeologische resten verwacht. De in het rapport opgenomen advieskaart geeft de kansrijke zone aan. De begrenzing van dit adviesgebied is gebaseerd op Thiessen-polygonen. Er wordt geadviseerd binnen de aangegeven zone bodemingrepen dieper dan 10 cm -mv te vermijden.
Dit omvat ook kabels, leidingen en rioleringen. Idealiter wordt hier een grondpakket opgebracht en wordt dit terreintje ingericht als grasveldje, speelterrein, pleintje of iets dergelijks. Indien het niet mogelijk is dit gebied te ontzien wordt een proefsleuvenonderzoek op deze advieslocatie geadviseerd. Hiertoe is een door de gemeente goed te keuren archeologisch Programma van Eisen (PvE) benodigd. Er wordt geadviseerd in het PvE te voorzien naar een doorstart naar een opgraving indien een archeologische vindplaats wordt aangetroffen. Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Normaliter geldt een dekkingsgraad van tenminste acht procent. Vertaald naar de omvang van het adviesgebied (circa 940 m2) impliceert dit dat tenminste 75 m2 wordt ontgraven. In het overige deel van het plangebied wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Echter, grondsporen en resten van bijvoorbeeld een urnenveld kunnen hier niet uitgesloten worden. In dat verband wordt geadviseerd tijdens het bouwrijp maken van het terrein een aantal archeologische inspecties te laten uitvoeren door een gekwalificeerd archeoloog.
Dit advies is overgenomen door de gemeente Tubbergen, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente. Archeologisch Inventariserend veldonderzoek - proefsleuven Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen archeologische sporen en vondsten aangetroffen. In het noorden van proefsleuf 1 is een natuurlijke laag van de bodem van een vennetje aangetroffen. Uit het profiel bleek dat dit ven is opgevuld met een ophogingslaag. Hoe dit vennetje gedateerd kan worden is niet bekend. Zowel uit de natuurlijke bodemlaag van het vennetje als de ophogingslaag waarmee de laagte is opgevuld zijn geen vondsten aangetroffen. Op de historische kaart van 1820 is een veengebied met de naam Het Witte Veen direct naast of in het plangebied te zien. Naast de natuurlijke laag van dit vennetje zijn er in proefsleuf 1 en 2 enkele recente verstoringen waargenomen. In proefsleuf 1 bestond de bodemopbouw uit een recente bouwvoor op een B-horizont met daaronder een BC-horizont. In proefsleuf 2 was er geen B- of BC-horizont aanwezig en lag de bouwvoor direct op de C-horizont met in één van de profielen een dunne menglaag. In deze profielen werden ook ploegsporen waargenomen die tot in de C-horizont rijkte. Tijdens het onderzoek is er geen vindplaats aangetroffen. Er wordt geadviseerd geen verder onderzoek uit te voeren en het terrein voor de voorgenomen ontwikkeling vrij te geven.
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase (fase 2) In aanvulling op het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, is hetzelfde onderzoek ook uitgevoerd voor fase 2. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat. Om deze reden is geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren en het onderzoeksgebied vrij te geven. Met dit onderzoek kan het gehele plangebied vrij worden gegeven. 5.10.3 Situatie plangebied,cultuurhistorie Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp
5 Harbrinkhoek
45
5.10.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat in het kader van het aspect archeologie geen nader onderzoek noodzakelijk is. Het plangebied kan volledig worden vrijgegeven. De momenteel geldende archeologische dubbelbestemming is daarom niet overgenomen in de bijbehorende regels en verbeelding. Daarnaast wordt geconcludeerd dat geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.11
Bodem
5.11.1 Algemeen Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). 5.11.2 Situatie plangebied In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Geofoxx een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest uitgevoerd ter plaatse van het plangebied van fase 1. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 14 bij deze toelichting. Met het uitgevoerde onderzoek is aangetoond dat er hoogstens lichte verontreinigingen met metalen en PFAS aanwezig zijn in de grond/het grondwater. Op basis hiervan bestaat geen reden om nader onderzoek uit te voeren. Er is geen asbest in de bodem aangetoond. De bodem kan daardoor als zijnde onverdacht ten aanzien van asbest worden beschouwd. De aangetroffen concentraties leveren geen milieuhygiënische risico's op voor de gebruikers of voor het milieu.
Het terrein is daarmee vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt voor het voorgenomen gebruik. 5.11.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.12
Waterbelang
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen.
46
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek
5.12.1 Algemeen Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool.
Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn. 5.12.2 Situatie plangebied 5.12.2.1 Watertoets Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'normale procedure' van de watertoets van toepassing is. De watertoets maakt onderdeel uit van het waterhuishoudkundige plan. Zie paragraaf 5.12.2.2. 5.12.2.2 Waterhuishoudkundig plan In dit geval is door Geofoxx een waterhuishoudkundig plan (inclusief geohydrologusch onderzoek) opgesteld. Het waterhuishoudkundige plan is voor de gehele woningbouwontwikkeling Dannenkamp 5 opgesteld. Het complete plan is als Bijlage 15 opgenomen. Hierna wordt samengevat op het plan ingegaan. Onderzoeksresultaten Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater (droogweerafvoer) gescheiden worden afgevoerd. Hierbij is gekozen om het hemelwater over het maaiveld en via natuurlijk afschot te laten afstromen naar een wadi's aan de oost- en zuidzijde van het plangebied.
Door de ontwikkeling is binnen het plangebied in het openbaar gebied straks circa 11.030 m2 verharding aanwezig. In lijn met de beringseis van de gemeente (37 mm) is binnen het plangebied 408 m3 bergingscapaciteit benodigd. Totaal bieden wadi's tot een waterhoogte van 0,3 m een capaciteit van 750 m3. Daarmee is ruimte overcapaciteit aanwezig in het plangebied op basis van een bergingseis van 40 mm. Op basis van de regels van Waterschap Vechtstromen mag bij extreme neerslag tot 91 mm geen extreme overlast optreden. Bij waterpeilen tot 0,5 m in de wadi's is 1.380 m3 waterberging aanwezig, waarmee ook ruim aan deze eis wordt voldaan. Indien het watersysteem overbelast raakt, zal overstort plaatsvinden op het omliggend watersysteem aan de zuidoost (richting de Almeloseweg) en noordwest (waterspeeltuin Klaver) van plangebied. Aan de zuidzijde van het plangebied wordt eveneens een sloot aangebracht om in geval van calamiteiten water richting de sloot langs plan Dannenkamp 4 (waterspeeltuin) te kunnen leiden. Aanbevolen wordt om hiervoor enkele aanpassingen te doen in de bestaande sloot parallel aan de Klaver (zie HO 5.5.4). In een tabel uit het waterhuishoudkundige plan zijn de vloerpeilen opgenomen.
Op basis van de toekomstige inrichting van het plangebied is er voldoende ruimte aanwezig om deze te sluiten op de bestaande peilen op aangrenzende percelen, echter wordt aanbevolen om bij de verdere (civiele) uitwerking van het plan aandacht te hebben voor mogelijkheden voor afstromend hemelwater, buiten het plangebied.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp
5 Harbrinkhoek
47
5.12.2.3 Second opinion De eigenaar van een perceel dat aan de zuidkant van het plangebied grenst, heeft zorgen over de effecten van de voorgestelde waterhuishoudkundige maatregelen in het plangebied op zijn perceel. De perceeleigenaar wil nagaan of het waterhuishoudkundig plan goed onderbouwd is en of (grond)water-overlast op zijn perceel door toedoen van de maatregelen uitgesloten kan worden. Hij heeft zijn zorgen aangekaart bij gemeente Tubbergen. Samen hebben zij besloten om het waterhuishoudkundig plan te laten beoordelen door een onafhankelijk adviesbureau. Gemeente Tubbergen heeft hiertoe Sweco gevraagd om een second opinion op het waterhuishoudkundig plan op te stellen. Het rapport is als Bijlage 16 opgenomen. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste conclusie(s) en aanbevelingen uit het rapport. Betrouwbaarheid Onderstaande zaken worden geconcludeerd over de betrouwbaarheid van de gegevens, gebruikt in het waterhuishoudkundig plan voor Dannenkamp 5: De maaiveldhoogtegegevens (AHN3 en gps metingen) zijn voldoende representatief ter beeldvorming van de huidige situatie en komen overeen met onze bevindingen op basis van het AHN4. De lokale bodemgesteldheid onder de wadi's is grotendeels voldoende inzichtelijk gemaakt.
Echter is het ontwerp van de meest zuidelijk gelegen wadi naar verloop van tijd aangepast, de boorprofielen liggen daardoor niet in deze wadi, maar aan de noordelijke rand van de wadi. Er is dus onvoldoende inzicht in de bodemsamenstelling op de locatie waar deze wadi wordt gerealiseerd. De gebruikte grondwaterstandsgegevens zijn voldoende betrouwbaar en representatief voor de huidige situatie. Recentelijk zijn van een bestaand meetpunt de nieuwe grondwaterstandsgegevens verstrekt. Op basis van de inzichten, verkregen uit dit meetpunt (H02), lijkt de lokale GHG in het waterhuishoudkundig plan voldoende nauwkeurig te zijn ingeschat. Maatregelen waterhuishoudkundig plan Onderstaande zaken worden geconstateerd over de maatregelen in het waterhuishoudkundig plan: De wadi's zijn voldoende ruim gedimensioneerd (T100+10%) en zullen daardoor vrijwel nooit volledig worden gevuld. De gekozen bodemhoogte van de wadi's is goed onderbouwd op basis van de grondwaterstands-gegevens en uitgangspunten. Door de aanleg van drainage onder de wadi's, de gelijke bodemhoogten en onderlinge verbindingen worden de accumulatie van hemelwater en stagnatie van de infiltratie voldoende voorkomen in de meest zuidelijk gelegen wadi.
De greppel aan de zuidelijke grens van het plangebied draagt bij aan een verbeterde afvoer bij normale en extreme weersomstandigheden en vermindert daardoor lokale wateroverlast. De bodemhoogte wordt aangelegd op de huidige GHG en is dus goed onderbouwd. Gezien de goede doorlatendheid van het plangebied, de stromingsrichting van het grondwater (richting het westen) en de ligging van de greppel, zal het hemelwater dat in de wadi's infiltreert met name in westelijke richting stromen en een verwaarloosbare invloed hebben op de grondwaterstand ter plaatse van de Almeloseweg 180. Daarnaast topt de greppel tussen het plangebied en de Almeloseweg 180 hoge grondwaterstanden lokaal af, de bodem van de greppel wordt namelijk op de GHG aangelegd. De grondwaterstand op het perceel Almeloseweg 180 zal na daardoor niet hoger worden dan de grondwaterstand die in de huidige situatie zonder greppel op treedt. Op basis van alle bevindingen wordt geconcludeerd dat het toekomstige systeem drainerend zal werken ter plaatse van de Almeloseweg 180 ten opzichte van de huidige situatie, daarnaast zal de afvoer van hemelwater verbeteren door de uit te voeren ingrepen.
Aanbevelingen Op basis van deze notitie volgen de onderstaande aanbevelingen: Aanbevolen wordt om aan de zuidzijde van de zuidelijk gelegen wadi één doorlatendheidsmeting uit te voeren om de aangehouden bodemopbouw en doorlatendheid te verifiëren. Aanbevolen wordt om grondverbetering toe te passen bij de meest zuidelijk gelegen wadi en nevengelegen greppel als blijkt dat er een slecht doorlatende laag aanwezig is. Voor meer inzichten in de lokale grondwaterstandsdynamiek is het een optie om de grondwaterstand te monitoren bij de grens van het perceel aan Almeloseweg 180.
In januari 2026 zijn er extra doorlatenheidsmetingen uitgevoerd ter plaatse van de zuidelijke wadi. Bij het uitvoeren van de nieuwe testen is de doorlatendheid van de onderliggende zandlaag (de zandlaag welke aanwezig blijft na realisatie van de wadi) > 5,0 m/dag. Deze voldoet daarmee ruim aan de norm van minimaal 0,4 m/dag, welke noodzakelijk is voor aanleg van de wadi. Eventuele grondverbetering is daarom niet van 48
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek
toepassing. Ook is ter plaatse een extra peilbuis geplaatst om de grondwaterstanden te monitoren. Hieruit volgende grondwaterstandsmetingen in de winterperiode bevestigen de situatie welke in het waterhuishoudkundig plan en de second opinion zijn vastgesteld. Aangezien geen structureel langdurig meetbare verhoging van de grondwaterstand plaatsvindt, zijn in de basis tegenmaatregelen ter voorkoming van vocht of andere waterschade aan bouwwerken niet aan de orde. Op basis van de aanbevelingen uit de second opinion zijn er geen nadere acties noodzakelijk. 5.12.3 Conclusie Er wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels betreffende de aanleg en instandhouding van de waterbergingsvoorzieningen. Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de in dit omgevingsplan besloten ontwikkeling.
5.13
Spuitzones gewasbescherming
5.13.1 Algemeen Op agrarische grond waarop gewassen mogen worden geteeld, kunnen gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Deze zorgen ervoor dat planten, groente of fruit beschermd worden tegen schimmels, insecten en andere plagen. Door de wind kunnen deze middelen in de omgeving worden verspreid. Dit heet drift. Drift van gewasbeschermingsmiddelen kan tot gezondheidsproblemen leiden. Er zijn geen regels in de wet die bepalen dat een bepaalde afstand tot agrarische grond moet worden aangehouden. In de rechtspraak wordt als vuistregel een afstand van 50 meter tussen de agrarische grond en gevoelige functies, zoals woningen, aangehouden. Dit wordt een spuitzone genoemd. Als je verblijfsruimten zoals tuinen bij woningen, speelplaatsen of andere terreinen waar langdurig menselijk verblijf mogelijk is wil realiseren binnen die spuitzone, kan dit tot problemen leiden. Dit vanwege de mogelijke effecten van de gewas- en bestrijdingsmiddelen op de gezondheid en dus het woon- en leefklimaat. 5.13.2 Situatie plangebied De agrarische gronden binnen het plangebied liggen binnen 50 meter van de toe te delen woonfuncties binnen het plangebied. In dit TAM-omgevingsplan wordt ter bescherming van het woon- en leefklimaat van de te realiseren woningen daarom opgenomen dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als verboden gebruik wordt aangemerkt.
5.13.3 Conclusie Voorliggend TAM-omgevingsplan houdt in voldoende mate rekening met de spuitzones behorende bij gewasbescherming.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp
5 Harbrinkhoek
49
50
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek
Hoofdstuk 6
Financiële haalbaarheid
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland/Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. In het voorliggende geval is de gemeente Tubbergen zelf initiatiefnemer. In de gemeentelijke begroting zijn gelden gereserveerd voor de te maken kosten voor deze ontwikkeling.
Hiermee is het kostenverhaal verzekerd en is het plan financieel uitvoerbaar.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp
5 Harbrinkhoek
51
52
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek
Hoofdstuk 7 Juridische verantwoording 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2 Opzet van de regels 7.2.1
Algemeen
Zoals in de inleiding is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels aan activiteiten; Overgangsregels. 7.2.2
Preambulevoor hoofdstuk en artikelnummering
De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven. Preambule Dit plan beoogt een wijziging van het omgevingsplan ten behoeve de woningbouwontwikkeling aan de Dannenkamp in Harbrinkhoek. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp
5 Harbrinkhoek
53
digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22n van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22n' gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofdstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22n bij het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen.
Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels. 7.2.3
Juridischponsen
Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-IMRO omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Met andere woorden: het is niet mogelijk om in een TAM-IMRO omgevingsplan te 'ponsen'. Om te voorkomen dat op een bepaalde locatie zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereikbepaling opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels: Artikel 3 (Toepassingsbereik) 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie [naam van de locatie van het TAM-IMRO omgevingsplan], waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (artikel 9): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene ruimtelijke bouwregels (artikel 10): In deze regels zijn bouwregels opgenomen ten behoeve van ondergeschikte bouwdelen. Planologische gebruiksactiviteiten (artikel 11): In deze regels is aangegeven wat onder strijdig en verboden gebruik wordt verstaan. Algemene afwijkingsregels (artikel 12): In deze regels zijn algemene afwijkingsregels opgenomen, ten aanzien van ondergeschikte zaken; Parkeeractiviteiten (artikel 13): in deze regels is zijn de regels omtrent parkeereisen opgenomen. Overige regels (artikel 14): In dit artikel zijn de aanvraagvereisten opgenomen. 7.2.5
Overgangsregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan. NB: Het omgevingsplan bevat in hoofdstuk 23 de slotbepalingen, dus die worden niet in het TAM-omgevingsplan opgenomen.
54
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek
7.3 Verantwoording van de regels Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Agrarisch – 1 (Artikel 4) Aan de westkant van de woningbouwontwikkeling blijft de agrarische functie vooralsnog behouden. Er wordt hier een functieaanduiding opgenomen waar gewasbeschermingsmiddelen zijn uitgesloten (spuitzone). Deze bevindt zich om een straal van 50 meter vanaf de woonfuncties. Groen (Artikel 5) Langs de randen van het plangebied is een groenfunctie opgenomen. De groenfunctie is opgenomen voor de aan te leggen groenelementen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Verkeer (Artikel 6) Ter plaatse van de ontsluitingen en parkeerplaatsen in openbaar gebied zijn de gronden bestemd als 'Verkeer'. Deze gronden zijn onder meer bestemd voor wegen, paden en straten, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Wonen - Wonen in de bebouwde kom (Artikel 7) Ter plaatse van de woonkavels is het plangebied bestemd met de functie 'Wonen'. Gronden met deze functie zijn bestemd voor met name wonen, met ondergeschikte voorzieningen. Deze bestemming is grotendeels ontleend aan het bestemmingsplan "Kleine kernen".
Voor de woningen zijn bouwvlakken opgenomen, waarin de bouw- en goothoogte en het maximum aantal woningen middels aanduidingen op de plankaart zijn opgenomen. Ook de regel voor bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde is grotendeels overgenomen uit het bestemmingsplan "Kleine kernen". Er zijn specifieke functieregels en een omgevingsplanactiviteit opgenomen. Ook is een voorwaardelijke verplichting en een aanlegstelsel opgenomen. Regels over uiterlijk Voor elke functie zijn regels over het uiterlijk van bouwwerken opgenomen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp
5 Harbrinkhoek
55