Bijlage TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek Ruimtelijke motivering
Tekst van het document
Een belangrijk aandachtspunt daarbij is het vergroten van het aanbod aan goedkope koopwoningen voor starters met beperkte financiële mogelijkheden (waaronder alleenstaande starters). Om die woningen betaalbaar te kunnen houden, zal de kwaliteit (qua m², aantal kamers, uitrusting) daarop aangepast moeten worden. Maar dan wel op zo'n manier dat deze woningen aantrekkelijk blijven voor starters. Een tweede belangrijke doelgroep zijn de senioren op de woningmarkt. Het aantal huishoudens van 65 jaar enouder neemt de komende jaren verder toe. Op dit moment vormt de groep 1+2 persoonshuishoudens van 65 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp
5 Harbrinkhoek
27
jaar en ouder 31% van het totaal aantal huishoudens in Tubbergen, in 2030 is dat gestegen naar 38%. Hierna zijn de van belang zijnde ambities voor starters en senioren opgesomd: De gemeente zet sterk in op de realisatie van koopwoningen voor starters. Dat kunnen woningen in meerdere prijsklassen zijn, maar de ontwikkeling van goedkope koop vraagt extra aandacht. De gemeente zet sterk in op de realisatie van levensloopgeschikte woningen (of woningen die hier makkelijk toe aan te passen zijn).
4.1.4.3 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke woonvisie De voorgenomen ontwikkeling sluit perfect aan bij de behoefte aan onder meer betaalbare starterswoningen en de behoefte aan kleinere, levensloopbestendige woningen voor ouderen. Voorliggend initiatief sluit aan bij de behoefte en voorziet deels in de urgente vraag. De ontwikkeling binnen de gemeentelijke beleidsdoelen. Binnen Harbrinkhoek is er geen geschikte locatie om te herontwikkelen naar woningbouw. Daarom wordt deze locatie direct aansluitend aan Harbrinkhoek en nagenoeg aansluitend aan Mariaparochie ontwikkeld met woningbouw. Daarnaast wordt eveneens bijgedragen aan een vitale en betaalbare kern, aangezien de ontwikkeling onder meer inspeelt op een urgente concrete vraag naar betaalbare starterswoningen en seniorenwoningen in de kern Harbrinkhoek. In de kern Harbrinkhoek is (samen met de kern Mariaparochie) op basis van de woonvisie behoefte aan circa 50 woningen. De gewenste woningen passen dan ook binnen deze beschikbare plancapaciteit. Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijk woonbeleid. 4.1.5
Nota Omgevingskwaliteit
4.1.5.1 Algemeen Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit. Voor onderhavig project bevat het omgevingsplan regels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit heet welstandstoezicht. De Nota Omgevingskwaliteit (welstandsnota) bevat onvoldoende welstandscriteria voor het project. In het besluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn daarom op grond van artikel 4.19 Omgevingswet regels opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en voor de uitleg daarvan stelt de gemeenteraad beleidsregels vast, zodat kan worden beoordeeld of bouwwerk aan die regels voldoet. Dit heet welstandscriteria. Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).
Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht). De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand. 4.1.5.2 Toetsing Er is een beeldkwaliteitsplan opgesteld ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling (Bijlage 2). In het beeldkwaliteitsplan is onder andere het stedenbouwkundige plan en de gewenste sfeer beschreven, evenals criteria met betrekking tot het uiterlijk (massa, vorm, gevels) van de woningen. Het beeldkwaliteitsplan zal gelijktijdig met onderliggend TAM-omgevingsplan in procedure worden gebracht en worden vastgesteld.
28
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek
4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders 4.2.1
Vooroverleg provincie
De voorgenomen ontwikkeling kan niet worden gezien als uitzondering waarop vooroverleg noodzakelijk is. Hiervoor wordt verwezen naar de uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023. Het gaat hier om woningbouw in het buitengebied. Op 7 juli 2025 is het TAM-omgevingsplan in het kader van een voorkantsamenwerking voorgelegd aan de provincie. Op 17 juli 2025 heeft de provincie een positief advies afgegeven. 4.2.2
Vooroverleg Waterschap Vechtstromen
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'normale procedure' van de watertoets van toepassing is. Voor het geheel is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. In paragraaf 5.12 wordt hier uitgebreid op ingegaan. 4.2.3
Participatie omgeving
De gemeenteraad heeft het beleid 'Inwonersparticipatie' vastgesteld en daarin is een 'Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie' opgenomen. Ten behoeve van een bestemmingsplan onder de Wro heeft onder andere op dinsdag 25 april 2023 een inloopbijeenkomst plaatsgevonden waar men kon reageren op het concept plan voor de Dannenkamp 5. Vanaf 16 augustus 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan voor de Dannenkamp 5 zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is er een zienswijze ingediend. Op basis van de ingediende zienswijze zijn er op meerdere punten gesprekken geweest met de reclamant. Deze punten hebben geleid tot aanpassingen in het plan. Voorliggend TAM-omgevingsplan bevat deze aanpassingen. Er is een participatieverslag opgenomen als Bijlage 3 bij deze ruimtelijke motivering. Hierin zijn onder andere de reacties van de bewoners uitvoerig uiteengezet.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp
5 Harbrinkhoek
29
30
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek
Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.1.1
Algemeen
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven. Inhoud en strekking van de instructieregel komen overeen met de laddertoets die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op basis van artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Met artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen wijziging beoogd ten opzicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro.
Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). Uit artikel 3.129g, eerste lid, Bkl volgt dat de laddertoets in ieder geval van toepassing is op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt.
Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp
5 Harbrinkhoek
31
5.1.2
Situatie plangebied
Het plan voorziet in de realisatie van 19 woningen. Wanneer een plan voorziet in meer dan 11 woningen dan wordt dit gezien als een stedelijke ontwikkeling. Een uitgangspunt hiervoor is de rechtuitspraak 'ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921'. Een verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is hiervoor noodzakelijk. In dit kader is een ladderonderbouwing opgesteld die is opgenomen als Bijlage 4 bij dit TAM-omgevingsplan. Na het doorlopen van de laddertoets wordt geconcludeerd dat de ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering vormt voor uitvoering van het voornemen. Voor onderbouwing van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte in relatie tot het voornemen wordt verwezen naar Bijlage 4. 5.1.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering vormt voor uitvoering van het TAM-omgevingsplan.
5.2 m.e.r.-beoordeling 5.2.1
Algemeen
Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten. de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's. De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34 lid 1 Ow). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen.
De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Ow) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-merplichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a.
het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.
32
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek
5.2.2
Situatie plangebied
Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een toets van de effecten van het plan op het milieu noodzakelijk. In dit kader is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld, zie Bijlage 5. De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt. 5.2.3
Conclusie
Gelet op de beoordeling van de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten (zie Bijlage 5), zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.3 Verkeersgeneratie,- afwikkeling en parkeren 5.3.1
Algemeen
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Parkeerkencijfers 2024' (uitgave 744). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. 5.3.2
Verkeerskundigeeffecten ontwikkeling(verkeersgeneratie en -afwikkeling)
5.3.2.1 Verkeersgeneratie In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Roelofs een verkeersonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage van dit verkeersonderzoek is opgenomen als Bijlage 6 in deze motivering. Onderstaande tabel toont de resultaten van de berekening voor de te verwachten verkeersbewegingen.
De totale verkeersgeneratie van Dannenkamp 5 (fase 1 + 2) ligt tussen de 277,3 (minimaal) en 311,9 (maximaal) mvt/werkdag. In de huidige situatie heeft het plangebied een agrarische bestemming. De verkeersgeneratie van het gebied is (nagenoeg) 0 voertuigbewegingen per etmaal. Het planeffect is -op basis van de maximale CROW kencijfers- daarmee afgerond maximaal 320 extra verkeersbewegingen per werkdagetmaal. 5.3.2.2 Verkeersafwikkeling De Dannenkamp 5 krijgt een nieuwe rechtstreekse ontsluiting op de Almeloseweg. Tevens is er aan de noordzijde van het plangebied een ontsluiting op de Klaproos voorzien. Met deze ontsluitingsstructuur kent het plangebied tweeontsluitingen, waarmee wordt voorzien in een acceptabele ontsluiting. Concreet leidt de planontwikkeling tot circa 270 extra verkeersbewegingen van/naar de richting Mariaparochie en circa 50 extra voertuigbewegingen van/naar het noordoosten. Door de ontsluitingsmogelijkheden is de prognose dat het westelijk deel van de bestaande woonwijk in de plansituatie ook rechtstreeks ontsluit op de Almeloseweg. Dit verkeer (circa 400 mvt/etmaal) rijdt in de huidige situatie via de Hazelaar, Lijsterbes en de Iep van/naar de Almeloseweg. Wanneer de extra en gewijzigde verkeerstromen worden toegedeeld, volgt voor de Almeloseweg ten zuidwesten van de voorgenomen ontsluiting een worst-case intensiteit van circa 3.200 mvt/werkdag.
Op het wegvak ten noordoosten van de voorgenomen ontsluiting ligt de worst-case intensiteit op circa 2.650 mvt/werkdag. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp
5 Harbrinkhoek
33
De worst-case intensiteiten in de plansituatie liggen (ruim) onder de wenselijke capaciteit voor een dergelijke 30 km/uur weg, met tevens een ontsluitende functie voor Harbrinkhoek. Vanuit functie, vormgeving en leefbaarheid ligt de wenselijke capaciteit voor de gereconstrueerde Almeloseweg op het wegvak ter plaatse van de ontsluiting op basis van expert-judgement op 4.000 tot 5.000 mvt/etmaal. Ter indicatie; het CROW schrijft voor erftoegangswegen een capaciteit van 4.000 tot 6.000 mvt/etmaal voor. Op basis van de geprognotiseerde intensiteiten zijn ook op kruispuntniveau geen knelpunten vanuit de verkeersafwikkeling te veronderstellen. 5.3.3
Parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. Roelofs heeft in het verkeersonderzoek de benodigde parkeerbehoefte berekend. De resultaten zijn in onderstaande tabel weergegeven.
De totale parkeerbehoefte bedraagt afgerond 35 parkeerplaatsen. Er worden 29 parkeerplaatsen in de openbare ruimte gerealiseerd. Daarnaast is er voor de vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen mogelijkheid om minimaal één auto op eigen terrein (garage met oprit) te parkeren. Hier worden dus ook minimaal 7 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er wordt dan ook voorzien in minimaal 36 parkeerplaatsen. Er wordt daarmee in de parkeerbehoefte voorzien. Het aspect 'parkeren' levert geen belemmering op. 5.3.4
Conclusie
Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 5.4.1
Natura 2000-gebieden
5.4.1.1 Algemeen Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten. De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op.
In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die
34
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek
gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. 5.4.1.2 Situatie plangebied Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Engbertsdijksvenen' ligt op circa 7,0 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden.
In het kader hiervan is een AERIUS-berekening uitgevoerd door BJZ.nu BV. De rapportage is opgenomen als Bijlage 7 van deze ruimtelijke motivering. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningsplichtig. 5.4.1.3 Conclusie Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. 5.4.2
NatuurnetwerkNederland(NNN)
5.4.2.1 Algemeen In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. 5.4.2.2 Situatie plangebied Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe.
In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. Het plangebied ligt op circa 2,6 kilometer van het dichtstbijzijnde NNN. Gezien de ruime afstand tot het NNN en de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd datgeen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.4.2.3 Conclusie Het plangebied ligt op 2,6 kilometer afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp
5 Harbrinkhoek
35
5.4.3
Soortenbescherming
5.4.3.1 Algemeen In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
5.4.3.2 Situatie plangebied In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 8 opgenomen in deze ruimtelijke motivering. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk bezetten veldmuizen er een vaste (rust) en voortplantingsplaats. Beschermde vogels benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied en benutten het ook niet als foerageergebied. Voor amfibieën vormt het plangebied geen functioneel leefgebied. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen of vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen'. Voor het 'doden' van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling.
Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Deze afname leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. 5.4.3.3 Conclusie Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.
5.5 Luchtkwaliteit 5.5.1
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of 36
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek
waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk).
Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool. 5.5.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van het project, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl) kan gesteld worden dat het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Vorenstaande wordt bevestigd door onderstaande berekening die is gemaakt met de NIBM-tool. Hierbij is de verkeersgeneratie ingevoerd (zie paragraaf 5.3) en is worstcase uitgegaan van 5% vrachtverkeer.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp
5 Harbrinkhoek
37
Afbeelding 5.1: Berekening gevolgen luchtkwaliteit (Bron: NIBMtool) 5.5.3
Conclusie
Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
5.6 Geluid 5.6.1
Algemeen
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen.
De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen; Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl.
Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
38
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek
Afbeelding 5.2: Standaardwaarden (Bron: Bkl, artikel 5.78t)
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Woongebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB). 5.6.2
Situatie plangebied,wegverkeerlawaai
In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De volledige rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 9 meegenomen in deze motivering. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit het onderzoek. Uit het onderzoek is gebleken dat de het geluid op de gevels na realisatie van het woningbouwplan stijgt. Op de meeste toetspunten is geen sprake van een toename van meer dan 1,5 dB. Op de toetspunten waarbij sprake is van een toename van meer dan 1,5 dB is geen sprake van overschrijding van de standaardwaarde van 53 dB (zowel in de huidige als de nieuwe situatie). Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek voor het woningbouwplan Dannenkamp, blijkt dat: er geen sprake is van indirecte akoestische effecten in de zin van de Omgevingswet; het optredende geluid door wegen vanwege het wegverkeer aanvaardbaar is; er geen wettelijke verplichting bestaat om maatregelen te treffen om het geluid op de gevels te beperken. Ten behoeve van de te realiseren woningen is een berekening uitgevoerd voor het geluid door wegen op de gevels. De resultaten zijn als volgt: Het geluid door de gemeentewegen bedraagt hoogstens 50 dB Lden. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB Lden uit het Bkl. Met het inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. 5.6.3
Situatie plangebied,spoorweglawaai
Het plangebied ligt op circa 4,7 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorweg. Er is hier redelijkerwijs geen sprake van geluidshinder door spoorwegen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp
5 Harbrinkhoek
39
5.6.4
Situatie plangebied,industrielawaai
In de directe omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein aanwezig. Het aspect industrielawaai is dan ook niet van toepassing. Wat betreft de invloed van eventuele individuele bedrijven op de woningen wordt verwezen naar onderstaande paragraaf. 5.6.5
Situatie plangebied,geluid door belastende activiteiten
De functie 'wonen' betreft geen geluidbelastende functie voor de omgeving. Er is wel sprake van het realiseren van warmtepompen, maar deze moeten voldoen aan de eisen die hiervoor gelden op grond van het Bbl, waarmee er geen belemmering wordt gevormd. Andersom bevindt zich in de directe omgeving van het plangebied één individueel bedrijf dat akoestisch relevant is voor het woningbouwproject. Het gaat hierbij om Autogaragebedrijf Autogroep Twente Almelo aan de Almeloseweg 175. Dit is een tankbenzineservicestation en autogaragebedrijf. Bij het benzineservicestation is het planologisch (nog) mogelijk om LPG te verkopen. Het benzineservicestation heeft een maximale LPG doorzet van 500 m3 per jaar. Voor een benzineservicestation met een maximum doorzet geldt milieucategorie 3.1 met een grootste richtafstand voor geluid van 50 meter. De meest nabijgelegen woningen worden op circa 60 meter van deze functie gerealiseerd. Er wordt daarmee ruim aan de richtafstanden voldaan. Daarbij wordt tevens opgemerkt dat in de praktijk de verkoop van LPG niet meer aanwezig is. Er wordt geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom worden als gevolg van voorgenomen ontwikkeling geluidbelastende activiteiten niet verder belemmerd in de ontwikkelmogelijkheden. 5.6.6
Conclusie
Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woonen leefklimaat.
5.7 Geur 5.7.1
Algemeen
In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen.
Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
5.7.2
Situatie plangebied
Binnen een straal van 500 meter van het plangebied bevinden zich drie veehouderijen. Het gaat om de veehouderijen aan de Slagenweg 14 (500m), Almeloseweg 181 (300m) en Dannenkampseweg 34 (400m). In alle drie de gevallen gaat het om een melkveehouderij. Hier wordt melkrundvee gehouden en hierbij geldt een vaste afstand van 50 meter buiten de bebwoude kom. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. In dit geval bevinden de dichtstbijzijnde veehouderijen zich op 300 meter afstand van het plangebied. Het gaat hierbij om veehouderijen zonder vastgestelde geuremissiefactor. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. In voorliggend geval wordt hier ruim aan voldaan. Wat betreft individuele bedrijvigheid bevindt zich ten zuidoosten van het plangebied een 40
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek
tankbenzineservicestation en autogaragebedrijf. Bij het benzineservicestation wordt ook LPG verkocht. Het benzineservicestation heeft een maximale LPG doorzet van 500 m3 per jaar. Voor een benzineservicestation met een maximum doorzet geldt milieucategorie 3.1 met een grootste richtafstand van 30 meter voor geur. De meest nabijgelegen woningen worden op circa 60 meter van de bedrijfsbestemming behorende bij het autogaragebedrijf gerealiseerd. Er wordt daarmee aan de richtafstanden voldaan. Voor het overige bevinden er zich geen geurbelastende functies nabij het plangebied. Gelet op het vorenstaande is er ter plaatse van de te realiseren woningen sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 5.7.3
Conclusie
Ten aanzien van het aspect 'geur' is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.8 Omgevingsveiligheid 5.8.1
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastendeactiviteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp
5 Harbrinkhoek
41
omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). 5.8.2
Situatie plangebied
Aan de hand van de Risicokaart op Atlast Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grotebranden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.3 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Het plangebied betreft de locatie die is aangegeven met de rode omlijning.
Afbeelding 5.1 Uitsnede Signaleringskaart EV (Bron: Atlas Leefomgeving
Er zijn op bovenstaande kaart twee benzineservicestations aanwezig. De verkoop van LPG is desondanks niet meer aan de orde. Door het woningbouwplan Hondebrink in Mariaparochie is het voormalige benzineservicestation planologisch wegbestemd. Ter plaatse wordt daarom geen LPG meer verkocht, laat staan dat er een benzineservicestation aanwezig is. Het benzineservicestation aan de Almeloseweg 175 verkoopt in de praktijk geen LPG meer. Ook is het station onbemand geworden en afgesplitst van het autobedrijf. Het opnieuw verkopen van LPG is daarom niet zomaar mogelijk. Uit de inventarisatie blijkt daarnaast dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; 42
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek
niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Wel bevindt het plangebied zich binnen de brand- en explosieaandachtsgebied van het benzineservicecentrum. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is dan ook benodigd. Bij het verantwoorden van het groepsrisico zijn er zowel locatiespecifieke als ontwikkelingsspecifieke aspecten die moeten worden onderbouwd. De volgende locatiespecifieke aspecten zijn van belang: opkomsttijd, dekking waarschuwingsinstallatie en nabijheid bluswatervoorzieningen. Deze worden hierna onderbouwd. Opkomsttijd: In voorliggend geval kan de brandweer in theorie binnen 8 minuut ter plaatse zijn. De dichtstbijzijnde brandweerpost bevindt zich namelijk aan de Reutummerweg 6 te Tubbergen; Dekking waarschuwingsinstallatie: In geval van calamiteiten worden de aanwezige personen in bedreigd gebied gewaarschuwd middels een NL-alert. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. In het bericht wordt tevens het handelingsperspectief vermeld, zodat de personen die in het bedreigde gebied bevinden weten hoe te handelen; Nabijheid bluswatervoorziening: Er zijn in en rondom het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig. Eveneens dient in voorliggend geval aan de ontwikkelingsspecifieke aspecten te worden getoetst.
Dit betreffen de aspecten bereikbaarheid van hulpdiensten ter plaatse, vluchtmogelijkheden en (zelf)redzaamheid van de aanwezige personen. Hierna worden de voorgenoemde aspecten onderbouwd. Bereikbaarheid: Hulpdiensten dienen bij een calamiteit een gebied of een object goed te kunnen bereiken. Het plangebied is via de Almeloseweg en de Klaprood goed te bereiken. Daarnaast is er aan alle kanten van de woningen voldoende ruimte voor de hulpdiensten om de benodigde werkzaamheden uit te kunnen voeren en de voertuigen te parkeren; Vluchtmogelijkheden: Het plangebied is via de Almeloseweg en Klaproos goed te ontvluchten in alle richtingen, van de risicobron af; (Zelf)redzaamheid: Dit houdt in dat personen zichzelf en eventueel anderen binnen een bepaald tijdsbestek kunnen veiligstellen bij dreigend gevaar. Hierbij wordt van de personen zelf uitgegaan zonder de hulp van hulpverlenersdiensten. Voorliggend plan betreft het realiseren van 20 extra woningen. Het betreffen reguliere woningen bedoeld voor een brede, zelfredzame doelgroep. Daarnaast worden er acht woningen geschikt voor de doelgroep ouderen gerealiseerd. Echter gaat het om 'mobiele' ouderen die nog op zichzelf wonen. Verwacht wordt dat ook deze toekomstige bewoners zelfredzaam zijn. In het geval van een calamiteit zijn er daarmee zelfredzame personen aanwezig in het plangebied.
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet resulteert in onevenredige toename van het groepsrisico ter plaatse. 5.8.3
Conclusie
De omgevingsveiligheid wordt in voldoende mate gewaarborgd.
5.9 Trilling 5.9.1
Algemeen
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp
5 Harbrinkhoek
43
gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 5.9.2
Situatie plangebied
De dichtstbijzijnde spoorlijn ligt op circa 4,7 kilometer van het plangebied. Het plangebied bevindt zich hiermee ruim buiten de richtafstand van 250 meter. Ook bevinden er zich geen andere functies in de omgeving die dusdanige trilling kunnen veroorzaken. Trillingshinder bij het plan kan dus worden uitgesloten. 5.9.3
Conclusie
Trilling vormt geen belemmering voor het voornemen.
5.10
Archeologie en cultuurhistorie
5.10.1 Algemeen De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst. 5.10.2 Situatie plangebied,archeologie Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn een viertal archeologische onderzoeken uitgevoerd.
Dit zijn: Bijlage 10 Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bijlage 11 Archeologisch Inventariserend veldonderzoek - katerende fase Bijlage 12 Archeologisch Inventariserend veldonderzoek - proefsleuven Bijlage 13 Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase (fase 2) Hierna wordt op de onderzoeksresultaten ingegaan. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase
Op basis van de onderzoeksresultaten worden archeologische resten verwacht. Op dit moment zijn de bouwplannen nog niet concreet, maar het is goed mogelijk dat de nieuwe woningen op opgehoogde grond zullen worden gebouwd. Dit is ook het geval bij het blok met nieuwbouwwoningen direct ten noorden van het plangebied, waar op basis van het AHN sprake is van een ophoging van ruim 80 cm. Ervan uitgaande dat de ontgravingen ten behoeve van de bouwputten na ophoging beperkt blijven tot maximaal 90 cm, lopen eventuele archeologische resten geen gevaar en is geen nader archeologisch onderzoek benodigd. Indien de woningen daarbij op heipalen (bij voorkeur schroefpalen) gefundeerd worden, blijft de verstoring in het archeologisch niveau beperkt tot de doorsnede van de heipalen en een smalle zone daaromheen. Zeker indien het gebruik van heipalen tot het minimum benodigde aantal wordt teruggebracht en de palen zoveel mogelijk in evenwijdige raaien en tegenover elkaar worden geplaatst, is de aantasting van de vindplaats minimaal en wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. 44