Bijlage TAM-omgevingsplan buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13.pdf
Tekst van het document
Conclusie Geluidhinder vormt in voorliggend geval geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan vanuit zowel de initiatiefnemer zelf als van andere bedrijven op de initiatiefnemer.
5.7 Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen.
Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
Beoordeling van de plannen: Voor de bouw van de duivenhok vind er geen verandering plaats in geur. De nieuwe ontwikkeling vormt dan ook geen hinder voor de omliggende erven en bedrijven. Andersom geldt dat er ook geen sprake is van hinder van omliggende bedrijven. Zoals in paragraaf 5.6 eveneens is omschreven. Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat voorliggend plan niet voorziet in een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Andersom vormen de omliggende bedrijven geen hinder voor de betreffende locatie. Er zijn geen belemmeringen voor het plan als het gaat om het aspect geur.
5.8 Omgevingsveiligheid Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastendeactiviteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
53
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).
Beoordeling van de plannen:
Uelserweg 110 Onderstaand volgt de uitsnede uit de risicokaart waarop de locatie Uelserweg 110 is te zien ten opzichte van de meest nabijgelegen risicobron.
54
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
Afbeelding 5.3: uitsnede risicokaart ter plaatse van Uelserweg 110 (bron: Atlas Leefomgeving) Het betreft een gebied met mestvergisting op 110 meter afstand. In onderhavig plan is er sprake van het toevoegen van extra oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken. De afstand tot het plangebied is ruim voldoende en levert geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Voshaarsweg 13
Afbeelding 5.4: uitsnede risicokaart ter plaatse van Voshaarsweg 13 (bron: Atlas Leefomgeving) Het betreft een terrein met een windturbine op 753 meter afstand. Aan deze locatie is er sprake van sloop van de mestsilo. De afstand van het terrein van de windturbine tot het plangebied is ruim voldoende en levert geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Een en ander brengt met zich mee dat de planvorming in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot omgevingsveiligheid.
5.9 Trillingen In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
55
De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Beoordeling van de plannen: Als gevolg van de plannen is het aspect trillingshinder niet van belang. Er wordt geen gevoelig object opgericht en andersom zorgen omliggende functies/activiteiten niet voor trillingen. Het aspect vormt geen belemmering voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.10
Archeologie en cultuurhistorie
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. 5.10.1 Archeologie situatie plangebied Voor de locatie aan de Voshaarsweg 13 geldt dat alleen een bestaande mestsilo gesaneerd zal worden.
Grond ter plaatse van deze schuur is al geroerd en kent daarom geen archeologische verwachting meer. Van verdere bodemingrepen die relevant kunnen zijn voor het aspect archeologie is geen sprake. De planlocatie aan de Uelserweg 110 is zichtbaar op de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Tubbergen, zie onderstaande afbeelding. De locatie ligt in het kenmerk 'beekdalen en overige laagten' en 'dekzandhoogten en – ruggen'. Tevens is de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4' van toepassing op de planlocatie.
56
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
Afbeelding 5.4: uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart, locatie met zwart omcirkeld (gem. Tubbergen) Archeologisch onderzoek is binnen deze gebieden noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. De betreffende ontwikkeling ten behoeve van de schuur blijft ruim beneden de 5000 m2 aan bodemingrepen, waardoor archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
5.10.2 Cultuurhistorie Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van beide planlocaties geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft (zie afbeelding 5.5 en 5.6). Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
Afbeelding 5.5: uitsnede van cultuurhistorische waardenkaart, locatie Uelserweg 110 met rood omcirkeld (bron: Provincie Overijssel) bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
57
Afbeelding 5.6: uitsnede van cultuurhistorische waardenkaart, slooplocatie Voshaarsweg 13 met rood omcirkeld (bron: Provincie Overijssel)
5.11
Bodem
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Beoordeling van de plannen Door Dumea is voor beide locaties een bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportages zijn bijgevoegd als Bijlage 1 en Bijlage 2. Hieronder wordt per adres de samenvatting en conclusie uit de bodemonderzoeken weergegeven.
Uelserweg 110 Op een locatie gelegen aan de Uelserweg 110 te Mander, kadastraal bekend gemeente: Tubbergen, Sectie: C, nummer(s): 3150 is op 30 april 2025 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd. Naar aanleiding van de bevindingen van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht beschouwd en wordt als best passende strategie VED-HE gehanteerd.
58
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740. Gehele locatie In de bovengrondmengmonsters en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde. In het grondwatermonster zijn lichte verhogingen ethylbenzeen, tolueen, xylenen en dichloormethaan aangetroffen. Algemeen Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De waarde voor nader bodemonderzoek (index >0,5) wordt niet overschreden. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. De boven- en ondergrond valt in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Aangezien geen partijkeuring conform de Regeling Bodemkwaliteit is uitgevoerd, dienen de resultaten in het kader van de Rbk als indicatief beschouwd te worden. Er heeft geen onderzoek naar de parameters PFAS plaats gevonden. Bij afvoer van grond zal dit wellicht alsnog in een later stadium moeten worden uitgevoerd. Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het ‘Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)’.
Voshaarweg 13 Op een locatie gelegen aan de Voshaarsweg 13 te Harbrinkhoek, kadastraal bekend gemeente: Tubbergen, Sectie: I, nummer(s): 5820 is op 30 april 2025 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd. Naar aanleiding van de bevindingen van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht beschouwd en wordt als best passende strategie VED-HE gehanteerd. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740. Gehele locatie In het bovengrondmengmonster en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster zijn lichte verhogingen tolueen, xylenen, dichloormethaan, zink en barium aangetroffen. Algemeen Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De waarde voor nader bodemonderzoek (index >0,5) wordt niet overschreden. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. De boven- en ondergrond valt in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Aangezien geen partijkeuring conform de Regeling Bodemkwaliteit is uitgevoerd, dienen de resultaten in het kader van de Rbk als indicatief beschouwd te worden. Er heeft geen onderzoek naar de parameters PFAS plaats gevonden.
Bij afvoer van grond zal dit wellicht alsnog in een later stadium moeten worden uitgevoerd. Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het ‘Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)’.
Conclusie Uit het bodemonderzoek op beide locaties is gebleken dat het aspect geen belemmering vormt voor de bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
59
evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.12
Waterbelang
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool.
Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.
Beoordeling van de plannen: Als gevolg van de plannen wordt er een oppervlakte van circa 120 m2 aan extra verharding aangelegd aan de Uelserweg 110. In de huidige situatie wordt hemelwater op het erf geleidelijk geïnfiltreerd of loopt vertraagd weg naar de in de omgeving aanwezige sloten. Dit blijft ook in de toekomstige situatie het geval. Omliggend aan het erf zijn voldoende eigen gronden aanwezig die agrarisch in gebruik (en daarmee onbebouwd) zijn. Hemelwater heeft voldoende ruimte om te infiltreren of af te voeren. Het plan heeft geen onevenredige gevolgen voor de waterhuishouding in dit gebied. Tevens is er een watertoets uitgevoerd, de korte procedure is in dit geval van toepassing. Hieruit blijkt dat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering en/of tijdelijk van aard zijn. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan. Voor de Voshaarsweg 13 geldt dat er geen relevante aanpassingen zijn waarbij het watersysteem kan worden aangetast. Er wordt geen extra verharding aangelegd, enkel gesloopt. Derhalve wordt dit niet verder toegelicht.
60
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
Hoofdstuk 6 Financiële uitvoerbaarheid De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over: nadeelcompensatie. Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan.
Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
61
62
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
Hoofdstuk 7
Juridische toelichting
7.1 Wijziging omgevingsplan 7.1.1
Omgevingsplan van rechtswege
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. 7.1.2
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na deze datum worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD). De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant.
Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan. 7.1.3
Werkingsgebied
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locaties Uelserweg 110 in Mander en Voshaarsweg 13 in Harbrinkhoek waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMBUIUEL110VOSH13-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. de planlocatie opgenomen.
7.2 Artikelsgewijze toelichting Preambule De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begripsbepalingen In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de geldende begrippen voor het TAM-IMRO omgevingsplan. Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan. Artikel 3 Toepassingsbereik bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
63
In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld. In het tweede lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan. In het derde lid worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.
HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN De functies: - Artikel 5 Wonen - Wonen in het buitengebied - Artikel 4 Agrarisch - 1 - Artikel 6 Waarde - Archeologie 3 - Artikel 7 Waarde - Archeologie 4 - Artikel 8 Leiding - Hoogspanningsverbinding - Artikel 9 Overige zone - geen boom- en sierteelt toegestaan - Artikel 10 Reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied zijn overgenomen uit het omgevingsplan van rechtswege. De betreffende functies vallen binnen het plangebied vanwege een voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke investeringen of omdat deze liggen op het (een deel van) het bouw- of functievlak. Inhoudelijk worden bebouwingsmogelijkheden van gebouwen uitgesloten of toegekend voor zover nodig. HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS Artikel 11 Anti-dubbeltelregel In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren. Artikel 12 Algemene ruimtelijke bouwregels In dit artikel zijn regels voor bouwactiviteiten opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied. Artikel 13 Planologische gebruiksactiviteiten In dit artikel zijn regels voor functies opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.
In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-IMRO omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod. Aanvullend gelden enkele specifieke gebruiksverboden. Artikel 14 Regels parkeren In artikel 11 zijn regels voor parkeren opgenomen, waarbij als uitgangspunt geldt dat op eigen erf in voldoende mate is voorzien in de benodigde parkeerruimte. Artikel 15 Overige regels Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.5.2 al aanvraagvereisten. Deze zijn van overeenkomstige toepassing verklaart op een omgevingsvergunning die voortkomen uit dit TAM-IMRO omgevingsplan.
HOOFDSTUK 4 OVERGANGSREGELS Artikel 16 Overgangsrecht In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, functioneel gebruik en overige activiteiten.
64
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
65
Bodemonderzoek Bijlage 1 Uelserweg 110
66
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
Verkennend Bodemonderzoek Project:
2025-147
Locatie:
Uelserweg 110 te Mander
Verkennend bodemonderzoek Uelserweg 110 te Mander
Verkennend Bodemonderzoek
Uelserweg 110 te Mander
Opdrachtgever:
Adviesbureau:
Dumea Bornsestraat 24 7597 NE Saasveld
Status:
Definitief
Versie:
1
Datum versie:
14 mei 2025
Projectnummer:
2025-147
Auteur:
Paraaf:
Kwaliteitscontrole:
Paraaf:
Veldwerkers:
*De vermelde personen zijn akkoord met de openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVGprivacy wetgeving.
2025-147
14-05-2025
Pagina 2 van 20
Verkennend bodemonderzoek Uelserweg 110 te Mander
Inhoudsopgave
Pagina
1
Inleiding
4
2
Vooronderzoek
5
3
4
5
2.1 Locatie gegevens
5
2.2 Algemene informatie locatie
5
2.3 Eerder uitgevoerd (bodem)onderzoek
6
2.4 Directe omgeving locatie
6
2.5 Regionale bodemopbouw en geohydrologie
7
2.6 Vooronderzoek PFAS
7
2.7 Vooronderzoek 5707 Asbest
8
Onderzoeksprogramma
9
3.1 Hypothesestelling
9
3.2 Onderzoeksopzet
9
3.3 Analysestrategie
10
Onderzoeksresultaten
11
4.1 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen
11
4.2 Analyseresultaten
11
4.3 Toetsing van de hypothese
13
4.4 Toetsing aan de noodzaak tot vervolgonderzoek
13
Samenvatting en conclusie
14
BIJLAGE I:
Situering van de locatie
BIJLAGE II:
Situering van de locatie
BIJLAGE III:
Overzichtstekening boorpunten
BIJLAGE IV:
Boorstaten
BIJLAGE V:
Analysecertificaten en Overschrijdingstabellen
BIJLAGE VI:
Foto's
2025-147
14-05-2025
Pagina 3 van 20
Verkennend bodemonderzoek Uelserweg 110 te Mander
1
Inleiding
In opdracht
heeft Dumea een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de
locatie gelegen aan de Uelserweg 110 te Mander. De regionale ligging van de locatie is weergegeven in bijlage I. Aanleiding van het onderzoek is in het kader van de voorgenomen nieuwbouwactiviteiten. Doel van het onderzoek is het door middel van een steekproef conform het soort bodemonderzoek, nagaan van de huidige kwaliteit van de grond op de locatie. Het onderzoek is niet bedoeld om de exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven. Het verkennend onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen: •
NEN 5725 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek (NEN5725:2023);
•
NEN 5740 Bodem - Landbodem - strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond (NEN5740:2023);
•
NEN 5707 Bodem – Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem. (NEN 5707+C2:2017)
•
BRL SIKB Protocol 2001 “Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van
•
boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen” BRL SIKB Protocol 2002 “Het nemen van grondwatermonsters”
•
BRL SIKB Protocol 2018 “Locatie inspectie en monsterneming van asbest in bodem"
Dumea is een handelsnaam van Terra Agribusiness. Het procescertificaat van Terra Agribusiness en het hierbij behorende keurmerk (BRL SIKB 2000) zijn van toepassing op de activiteiten inzake het milieukundig veldwerk, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, en de overdracht van de monsters aan een erkend laboratorium. Om de onafhankelijkheid van het onderzoek te waarborgen, verklaart Terra Agribusiness op geen enkele wijze gelieerd te zijn aan de te onderzoeken projectlocatie, zowel in juridische, financiële of personele sfeer. De opbouw van dit rapport wordt als volgt weergegeven: •
vooronderzoek naar historie en bodemgesteldheid;
•
opstellen van een hypothese;
• •
opstellen van een onderzoeksstrategie; resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek;
•
conclusies, aanbevelingen en samenvatting.
In geval van klachten kan de opdrachtgever zich wenden tot Dumea en zo nodig tot de certificerende-instelling (Normec).
2025-147
14-05-2025
Pagina 4 van 20
Verkennend bodemonderzoek Uelserweg 110 te Mander
2
Vooronderzoek
Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de onderzoeksstrategie op de locatie een vooronderzoek uitgevoerd. De onderstaande informatie is afkomstig uit: Tabel 1 Bronnen vooronderzoek Bron
Omschrijving
www.ahn.nl
AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland)
www.bodemloket.nl
Bodemloket van Nederland
www.topotijdreis.nl
Historische kaarten
www.dinoloket.nl
Ondergrond gegevens van Nederland
BAG viewer
Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG)
Gemeente Tubbergen
Historische informatie van de gemeente
Omgevingsdienst Twente
Historische informatie van de omgevingsdienst
Bodematlas Provincie Overijssel
Bodem gerelateerde informatie van de Provincie Overijssel
Informatie Opdrachtgever
Walter Kemna
Inspectie onderzoekslocatie
Visueel inspectie van de locatie
2.1
Locatie gegevens
Gegevens over de locatie zijn weergegeven in onderstaande tabel Tabel 2 Locatiegegevens Adres onderzoekslocatie
Uelserweg 110 te Mander
Kadastrale gemeente
Tubbergen
Sectie
C
Percelen
3150
Oppervlakte van de onderzoekslocatie
<1000 m2
Eigenaar/ gebruiker
-
Korte beschrijving van de onderzoekslocatie
De onderzoekslocatie is onderdeel van een landelijk erf
Bebouwing
Op de onderzoekslocatie staat een schuur ten behoeve van duiven
Verharding
De onderzoekslocatie is onverhard
2.2
Algemene informatie locatie
De locatie betreft een landelijk erf in het buitengebied van Mander. Initiatiefnemer is voornemens een schuur voor het houden van duiven te realiseren. De onderzoekslocatie is aangegeven door de opdrachtgever en betreft enkel de nieuw te bouwen schuur en een deel tuin. Op historische kaarten is vanaf 1955 bebouwing te zien op de locatie. Volgens het BAG-register zijn de woning en de schuren gebouwd tussen 2015 en 2018. Op basis van luchtfoto’s kan gesteld worden dat de huidige woning gebouwd is in 2016. Deze woning is in plaats gekomen van de voormalige woning die meer richting de Uelserweg heeft gestaan. Onderhavige onderzoekslocatie is, voor zover bekend, nooit bebouwd geweest en heeft altijd uit tuin en/of landbouwgrond bestaan. Sinds circa 2015/2016 is er wel een kippenhok gesitueerd binnen de onderzoekslocatie. Het kippenhok is in zijn geheel in 2023 verplaatst en valt nu buiten onderhavige onderzoekslocatie. 2025-147
14-05-2025
Pagina 5 van 20
Verkennend bodemonderzoek Uelserweg 110 te Mander
Op de onderzoekslocatie hebben zich in het verleden, voor zover bekend, geen calamiteiten en/of bedrijfsactiviteiten voorgedaan die van invloed zijn geweest op de bodemkwaliteit van onderhavige onderzoekslocatie. Tevens is er voor zover bekend, nooit opslag aanwezig geweest van chemicaliën of brandstoffen zoals huisbrandolie of diesel.
2.3
Eerder uitgevoerd (bodem)onderzoek
Op de locatie Uelserweg 110 is in 2015 een bodemonderzoek uitgevoerd (Aveco de Bondt, 150215, d.d. 6 maart 2015). In dit onderzoek zijn geen verhogingen aangetroffen in de bovenen ondergrond. In het grondwater is een lichte verhoging barium aangetroffen. De exacte onderzoekslocatie van dit onderzoek is niet bekend. Het onderzoek is niet in bezit bij Dumea.
2.4
Directe omgeving locatie
De onderzoekslocatie bevindt zich in het buitengebied van Mander. In de directe omgeving bevinden zich enkele woonhuizen en agrarische bedrijven en percelen. De directe omgeving wordt op historische kaarten aangeduid als “De Maten”. Er is geen bodemrelevante informatie van de directe omgeving van de onderzoekslocatie bekend welke mogelijk invloed heeft gehad op de bodemkwaliteit ter plaatse van onderzoekslocatie.
2025-147
14-05-2025
Pagina 6 van 20
Verkennend bodemonderzoek Uelserweg 110 te Mander
2.5
Regionale bodemopbouw en geohydrologie
De regionale geohydrologische bodemopbouw is weergegeven in onderstaande figuur. Figuur 1 Geologische opbouw landelijk model DGM v2.2
De boorlocatie bevindt zich circa 28 meter boven NAP. De regionale grondwaterstroming is noordwestelijk.
2.6
Vooronderzoek PFAS
PFAS komt op verschillende manieren in het grond- en grondwatersysteem in Nederland terecht. Bij lokaal gebruik en calamiteiten leidt dit tot het 'klassieke' bron-grondwaterpluim beeld. Het meest verdacht voor PFAS in het milieu zijn die locaties waar PFAS worden geproduceerd. Ook brandweer-oefen-plaatsen waar met grote regelmaat brandblusschuim is toegepast, zijn verdacht. Er zijn echter ook vele andere toepassingen van PFAS die kunnen leiden tot een grond- of grondwaterverontreiniging. In het handelingskader van het Expertisecentrum PFAS zijn alle bedrijfsactiviteiten en toepassingen beschreven waar PFAS wordt gebruikt en de kans dat daarbij PFAS in het milieu vrijkomt. Uit historisch onderzoek van onderhavig onderzoekslocatie blijkt dat geen van de beschreven toepassingen uit het handelingskader plaats heeft gevonden op of nabij de onderzoekslocatie. Op basis van de verkregen informatie kan gesteld worden dat de onderzoekslocatie als onverdacht gedefinieerd kan worden met betrekking tot PFAS in de bodem. 2025-147
14-05-2025
Pagina 7 van 20
Verkennend bodemonderzoek Uelserweg 110 te Mander
2.7
Vooronderzoek 5707 Asbest
Uit de verkregen historische informatie blijkt dat vanaf circa 1955 bebouwing op de locatie aanwezig is. Onderhavige onderzoekslocatie is echter nooit bebouwd geweest en altijd in gebruik geweest als tuin en/of landbouwgrond. Het is niet aannemelijk dat er asbest in de bodem van onderhavige onderzoekslocatie terecht is gekomen. Op basis van de verkregen informatie kan gesteld worden dat de onderzoekslocatie als onverdacht gedefinieerd kan worden met betrekking tot asbest in de bodem.
2025-147
14-05-2025
Pagina 8 van 20
Verkennend bodemonderzoek Uelserweg 110 te Mander
3
Onderzoeksprogramma
3.1
Hypothesestelling
Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn voor de locatie één of meer hypotheses geformuleerd ten aanzien van grond en grondwaterverontreiniging. Op basis van het historisch vooronderzoek blijkt dat de locatie een landelijk erf betreft. Naar aanleiding van de bevindingen van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht beschouwd en wordt als best passende strategie VED-HE gehanteerd. De bovengrond van de onderzoekslocatie kan als verdacht worden beschouwd met betrekking tot de chemische parameters. In het kader van de NEN5740 dient de bovengrond onderzocht te worden conform onderzoeksstrategie VED-HE. De ondergrond kan als onverdacht beschouwd worden. De schuur is al reeds in aanbouw. Hierdoor zullen de boringen rondom de nieuwe schuur geplaatst worden. Tijdens het veldwerk wordt de locatie geïnspecteerd en zullen de boringen zintuiglijk worden beoordeeld. Bij zintuiglijk bijzondere waarnemingen kan de strategie nog worden aangepast. De volgende deellocaties en hypotheses worden aangehouden: Tabel 3 Deellocaties en hypothese NEN5740 Locatie
Hypothese
Verdachte stoffen
Opmerking
Gehele locatie
Verdacht (VED-HE)
Zware metalen, PAK
-
3.2
Onderzoeksopzet
De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 30 april 2025 (plaatsing peilbuis en monstername grond), 8 mei 2025 (monstername grondwater). De positie van de boorlocaties zijn weergegeven in bijlage III. Tabel 4 Onderzoeksopzet NEN 5740 (VED-HE) Locatie
Ondiepe boringen1
Diepe boringen2
Peilbuizen
Analyses grond
Analyses water
Gehele locatie
5
1
1
3x STAP*
1x STAP*
*
STAP: Standaard stoffenpakket grond en grondwater
1
Ondiepe boringen standaard tot 0,5 m-mv.
2
Diepe boringen tot de grondwaterstand met een minimum van1,0 m-mv en een maximum van 2,0 m-mv.
2025-147
14-05-2025
Pagina 9 van 20
Verkennend bodemonderzoek Uelserweg 110 te Mander
3.3
Analysestrategie
Ten behoeve van het analytisch onderzoek zijn op het laboratorium mengmonsters samengesteld. In de onderstaande tabel is de samenstelling van de monsters verwerkt. De aangetroffen situatie ten tijde van de uitvoering van de veldwerkzaamheden gaf geen aanleiding tot het aanpassen van de onderzoeksstrategie. Tabel 5 Analyse onderzochte monsters NEN 5740 Analyse monster
Traject (m-mv)
Deelmonsters
Analyse
BM1
0,00 - 0,50
1 (0,00 - 0,50) 4 (0,00 - 0,50) 5 (0,00 - 0,50) 6 (0,00 - 0,50)
AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb
BM2
0,00 - 0,50
2 (0,00 - 0,50) 3 (0,00 - 0,50) 7 (0,00 - 0,50)
AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb
OM1
0,50 - 1,50
1 (0,50 - 1,00) 1 (1,00 - 1,50) 2 (0,50 - 1,00) 2 (1,00 - 1,50)
AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb
Analyse monster
Traject (m-mv)
Analyse
Pb1wm1
1,80 - 2,80
NEN 5740gw standaardpakket (AS3000)
Alle monsters ten behoeve van de NEN 5740 zijn geanalyseerd door AL-West Agrolab BV. Alle analyses zijn AS3000 erkende verrichtingen.
Motivatie analysestrategie Conform de NEN5740 strategie VED-HE-NL, dienen er 3 grondmonsters in de verdachte laag geanalyseerd te worden. Op basis van het historische gebruik van de locatie is de bovengrond de meest verdachte laag. Op basis van zintuiglijke waarnemingen en het beoogde gebruik van de onderzoekslocatie is besloten om 2 mengmonsters van de bovengrond (BM1 en BM2) en 1 mengmonster van de ondergrond (OM1) te analyseren. De mengmonsters ten behoeve van de NEN5740 zijn samengevoegd door AL-West Agrolab.
2025-147
14-05-2025
Pagina 10 van 20
Verkennend bodemonderzoek Uelserweg 110 te Mander
4
Onderzoeksresultaten
4.1
Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen
In bijlage V zijn de visuele waarnemingen in de vorm van boorprofielen weergegeven. Veldwaarnemingen De bovengrond bestaat uit matig fijn zand, licht siltig en zwak tot matig humeus. De ondergrond bestaat uit licht tot matig siltig, matig fijn zand. De diepere ondergrond bestaat uit licht siltig, matig fijn zand met veenlaagjes. In de onderstaande tabel zijn de zintuiglijk waargenomen bijzonderheden weergegeven: Tabel 6 Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Boring/Gat
Diepte boring (m -mv)
Traject (m -mv)
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
1
2,80
2,00 - 2,80
Zand
laagjes veen
Er is geen puin en/of asbestverdacht materiaal aan het oppervlak en in de boringen aangetroffen. Grondwater De filterbuis wordt minimaal een halve meter beneden de grondwaterspiegel geplaatst, waarna de dichte buis tot iets boven maaiveld wordt gemonteerd en afgedicht met bentoniet om instroom van oppervlaktewater te voorkomen. In onderstaande tabel zijn de gegevens betreffende de grondwaterbemonstering opgenomen: Tabel 7 Metingen grondwater Peilbuis
Filterdiepte (m -mv)
Grondwaterstand (m -mv)
pH (-)
EC (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
Pb1wm1
1,80 - 2,80
1,28
6,0
366
73,3
Geen van de gemeten waarden wijkt duidelijk af van de waarde, welke gezien de natuurlijke omstandigheden verwacht kan worden.
4.2
Analyseresultaten
De resultaten van de chemische analyses zijn weergegeven in bijlage V. Alle monsters ten behoeve van de NEN 5740 zijn geanalyseerd door AL-West Agrolab. Deze analyses zijn allen AS3000 erkende verrichtingen. Tabel 8 Kwaliteitsklassen grond (T101 Omgevingswet) Kwaliteitseis
Ondergrens van kwaliteitsklasse
Bovengrens van kwaliteitsklasse
Voormalige benaming (voor inwerkingtreding Omgevingswet
Landbouw/natuur
-
Landbouw/natuur
Achtergrondwaarde
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
Klasse Wonen
Industrie
Wonen
Industrie
Klasse Industrie
Matig verontreinigd
Industrie
Interventiewaarde bodemkwaliteit
Niet toepasbaar en niet sterk verontreinigd (beneden interventiewaarde)
Sterk verontreinigd
Interventiewaarde bodemkwaliteit
-
Niet toepasbaar en sterk verontreinigd (boven interventiewaarde)
2025-147
14-05-2025
Pagina 11 van 20
Verkennend bodemonderzoek Uelserweg 110 te Mander
Tabel 9 Beoordeling aan de interventiewaarde bodemkwaliteit landbodem (T130 Omgevingswet) Omvang bodemvolume grondverzet <25 m3
Kwaliteitseis Kleiner of gelijk aan de Interventiewaarde
Omvang bodemvolume grondverzet >25 m3
Geen regels
Algemene regels uit Bal
Groter dan Interventiewaarde Geen regels of bruidsschat
Algemene regels uit Bal (zwaardere variant)
In de Omgevingswet is de toetsing voor grondwater komen te vervallen. Derhalve zal het grondwater getoetst worden aan het toetsingskader van de Wet bodembescherming. Tabel 10 Toetsingskader Wbb (grondwater) Concentratie
Betekenis
Opmerking
Code
≤ streefwaarde
Niet verontreinigd
Geen aanvullend onderzoek nodig
-
> streefwaarde ≤ T-waarde
Licht verontreinigd
Geen aanvullend onderzoek nodig
*
> T-waarde ≤ I-waarde
Matig verontreinigd
Mogelijk nader bodemonderzoek noodzakelijk
**
> I-waarde
Sterk verontreinigd
Nader bodemonderzoek noodzakelijk; ***
mogelijk sprake van ernstige bodemverontreiniging
Toelichting: De halve som van de AW- en I-waarden ((AW+I)/2 = T-waarde) is een toetsingswaarde waarboven er een vermoeden is van grondwaterverontreiniging. Door middel van aanvullend onderzoek moet dit vermoeden worden getoetst. De I-waarden zijn de ‘interventiewaarden’. Als de I-waarde voor een stof wordt overschreden in meer dan meer dan 100 m3 grondwater (bodemvolume), dan wordt gesproken van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Tabel 11 Analyseresultaten NEN 5740 Monster
Traject (m-mv)
Samenstelling
Verhogingen
Indicatieve Kwaliteitsklasse
Beoordeling interventiewaarde
BM1
0,00 - 0,50
1 (0,00 - 0,50) 4 (0,00 - 0,50) 5 (0,00 - 0,50) 6 (0,00 - 0,50)
-
Landbouw/natuur
Voldoet aan interventiewaarde
BM2
0,00 - 0,50
2 (0,00 - 0,50) 3 (0,00 - 0,50) 7 (0,00 - 0,50)
-
Landbouw/natuur
Voldoet aan interventiewaarde
OM1
0,50 - 1,50
1 (0,50 - 1,00) 1 (1,00 - 1,50) 2 (0,50 - 1,00) 2 (1,00 - 1,50)
Zn+
Landbouw/natuur
Voldoet aan interventiewaarde
Pb1
Ethylbenzeen*, Tolueen*, Xylenen (som)*, Dichloormethaan*
Pb1wm1 + groter dan landbouw/natuur
* groter dan streefwaarde
++ groter dan wonen
** groter dan tussenwaarde
+++ groter dan industrie
*** groter dan interventiewaarde
++++ groter dan matig verontreinigd
De lichte verhogingen in het grondwater zijn niet te relateren aan het voorkomen van bodemvreemde stoffen. Tevens zijn er op de locatie geen bronnen die aan kunnen worden gewezen als oorzaak van de lichte verhogingen.
2025-147
14-05-2025
Pagina 12 van 20
Verkennend bodemonderzoek Uelserweg 110 te Mander
4.3
Toetsing van de hypothese
Onderdeel
Deellocatie
Gestelde hypothese
Hypothese verworpen of aangenomen
NEN 5740
Gehele locatie
Verdacht
Grotendeels verworpen
4.4
Toetsing aan de noodzaak tot vervolgonderzoek
Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Gehele locatie Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er geen aanleiding voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek.
2025-147
14-05-2025
Pagina 13 van 20
Verkennend bodemonderzoek Uelserweg 110 te Mander
5
Samenvatting en conclusie
Op een locatie gelegen aan de Uelserweg 110 te Mander, kadastraal bekend gemeente: Tubbergen, Sectie: C, nummer(s): 3150 is op 30 april 2025 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd. De locatie betreft een landelijk erf in het buitengebied van Mander. Initiatiefnemer is voornemens een schuur voor het houden van duiven te realiseren. De onderzoekslocatie betreft enkel de nieuw te bouwen schuur en een deel tuin. Naar aanleiding van de bevindingen van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht beschouwd en wordt als best passende strategie VED-HE gehanteerd. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740. Gehele locatie In de bovengrondmengmonsters en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde. In het grondwatermonster zijn lichte verhogingen ethylbenzeen, tolueen, xylenen en dichloormethaan aangetroffen.
Algemeen Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De waarde voor nader bodemonderzoek (index >0,5) wordt niet overschreden. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. De boven- en ondergrond valt in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Aangezien geen partijkeuring conform de Regeling Bodemkwaliteit is uitgevoerd, dienen de resultaten in het kader van de Rbk als indicatief beschouwd te worden. Er heeft geen onderzoek naar de parameters PFAS plaats gevonden. Bij afvoer van grond zal dit wellicht alsnog in een later stadium moeten worden uitgevoerd. Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het ‘Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)’.
Hoewel het verrichte veld- en laboratoriumonderzoek volgens de geldende normen zijn uitgevoerd, dienen de onderzoeksresultaten met enige voorzichtigheid te worden gehanteerd. Door de bodem steekproefsgewijs te onderzoeken is ernaar gestreefd om een representatief beeld te krijgen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater. Het is echter nooit uit te sluiten dat er lokaal afwijkingen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in het grondwater voorkomen. Het uitgevoerde onderzoek is verkennend en betreft een momentopname.
2025-147
14-05-2025
Pagina 14 van 20
Bijlage I Situering van de locatie
Bijlage II Situering van de locatie
Bijlage III Overzichtstekening boorpunten
Bijlage IV Boorstaten
Pagina
X: Y: Datum: GWS:
251627,65 494708,51 30-4-2025 125
Boring:
1
X: Y:
251639,86 494728,16
Datum:
30-4-2025
Boring: 0
0
gras Zand matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donker beigebruin, Edelmanboor
1-1 50
50
Zand matig fijn, matig siltig, zwak humeus, donker beigebruin, Edelmanboor
1-2 100
100
Zand matig fijn, zwak siltig, geelbeige, Edelmanboor
1-3 150
150
Zand matig fijn, zwak siltig, grijsbeige, Edelmanboor
2 0
0
bosgrond Zand matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker beigebruin, Edelmanboor
2-1 50
50
Zand matig fijn, zwak siltig, donker grijsbeige, Edelmanboor
2-2 100
100
Zand matig fijn, zwak siltig, grijsbeige, Edelmanboor
2-3 150
150
200
200
Zand matig fijn, zwak siltig, laagjes veen, donker grijsbruin, Edelmanboor
250 280
X: Y: Datum:
251623,35 494719,16 30-4-2025
Boring:
X: Y: Datum:
3
Boring: 0
0
50
50
2025-147
bosgrond Zand matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker beigebruin, Edelmanboor
3-1
Projectcode:
251621,04 494699,90 30-4-2025
4 0
0
Zand matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, neutraal beigebruin, Edelmanboor
4-1 50
gras
50
1-2
Pagina
X: Y: Datum:
251634,83 494702,62 30-4-2025
Boring:
X: Y: Datum:
5
Boring: 0
0
50
50
7 0
0
Zand matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, neutraal beigebruin, Edelmanboor
7-1 50
50
2025-147
gras
6 0
0
gras Zand matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, neutraal beigebruin, Edelmanboor
6-1 50
251642,62 494719,34 30-4-2025
Boring:
Projectcode:
gras Zand matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, neutraal beigebruin, Edelmanboor
5-1
X: Y: Datum:
251647,08 494710,51 30-4-2025
50
2-2
Legenda (conform NEN 5104)
grind
klei Grind, siltig
geur Klei, zwak siltig
geen geur zwakke geur
Grind, zwak zandig
matige geur
Klei, matig siltig
sterke geur Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
matige olie-water reactie sterke olie-water reactie
Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10
Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000 Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
Zand, uiterst siltig
>10000
monsters
geroerd monster
overige toevoegingen
ongeroerd monster
zwak humeus volumering
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
Bijlage V Analysecertificaten en overschrijdingstabellen
AL-West B.V. Dortmundstraat 16B, 7418 BH Deventer, the Netherlands Tel. +31(0)570 788110 e-Mail: info@al-west.nl, www.al-west.nl
Dumea AM Bornsestraat 24 7597 NE SAASVELD
Klantnr:
35008640
Analyserapport 1552274 2025-147 NL Uelserweg 110 Mander Datum: 08.05.2025
Opdracht Opdrachtgever Opdrachtacceptatie Project
1552274 Bodem / Eluaat 35008640 Dumea AM 30.04.2025 143599 NL Uelserweg 110 Mander
Geachte heer, mevrouw, Hierbij zenden wij u de resultaten van het door u aangevraagde laboratoriumonderzoek. De analyses zijn, tenzij anders vermeld, uitgevoerd overeenkomstig onze erkenning voor de werkzaamheid "Analyse voor milieuhygiënisch bodemonderzoek" van het Besluit Bodemkwaliteit. Dit rapport mag alleen in zijn geheel worden gereproduceerd. Eventuele bijlagen zijn onderdeel van het rapport. Let op: alleen de algemene voorwaarden van AL-West gedeponeerd bij de KvK te Deventer, zijn van toepassing. Indien u nog vragen heeft of aanvullende informatie wenst, verzoeken wij u om contact op te nemen met Klantenservice. Wij vertrouwen erop u met de toegezonden informatie van dienst te zijn.
Dit analyserapport met opdrachtnummer 1552274 en analyserapportversie 1 bevat de analyse(s) van monsternummer(s) 845650-845652. Met vriendelijke groet,
DOC-13-25732419-NL-P1
AL-West B.V. (AGROLAB GROUP), Amedeo Manca, Tel. 31570788122
Parameters uitgevoerd door AL-West BV zijn geaccrediteerd volgens EN ISO/IEC 17025:2017. Alleen niet-geaccrediteerde en/of uitbestede parameters zijn gemarkeerd met het symbool *).
Blad 1 van 4 Kamer van Koophandel Nr. 08110898 VAT/BTW-ID-Nr.: NL 811132559 B01
Directeur ppa. Marc van Gelder Dr. Paul Wimmer
AL-West B.V. Dortmundstraat 16B, 7418 BH Deventer, the Netherlands Tel. +31(0)570 788110 e-Mail: info@al-west.nl, www.al-west.nl
Analyserapport 1552274 2025-147 NL Uelserweg 110 Mander Datum: 08.05.2025 Monster informatie Monsternummer Datum monstername
Monster beschrijving
845650 845651 845652
BM1 BM2 OM1
30.04.2025 00:00 30.04.2025 00:00 30.04.2025 00:00
Algemene monstervoorbehandeling Parameter S S
Eenheid
Voorbehandeling conform AS3000 Droge stof
%
845650
845651
845652
BM1
BM2
OM1
++1),2)
++1),2)
++1),2)
80,61)
69,51)
80,21)
845650
845651
845652
BM1
BM2
OM1
5,7
5,6
1,1
845650
845651
845652
BM1
BM2
OM1
5,6
17,6
2,9
845650
845651
845652
BM1
BM2
OM1
Fracties (sedigraaf)
S
Parameter
Eenheid
Fractie < 2 µm
% Ds
Klassiek Chemische Analyses Parameter S
Eenheid 5)
Organische stof
% Ds
Voorbehandeling metalen analyse Parameter S
Eenheid
1),2)
Koningswater ontsluiting
++
++
1),2)
++1),2)
845650
845651
845652
BM1
BM2
OM1
36 <0,204) <3,04) 7,1 0,07 17 <1,54) <4,04) 28
51 0,23 <3,04) <5,04) <0,054) 17 <1,54) <4,04) <204)
<204) <0,204) <3,04) <5,04) <0,054) <104) <1,54) <4,04) 73
845650
845651
845652
BM1
BM2
OM1
<0,0504) <0,0504) <0,0504) <0,0504) <0,0504) <0,0504) <0,0504)
<0,0504) <0,0504) <0,0504) <0,0504) <0,0504) <0,0504) <0,0504)
<0,0504) <0,0504) <0,0504) <0,0504) <0,0504) <0,0504) <0,0504)
Metalen (AS3000)
S S S S S S S S S
Parameter
Eenheid
Barium (Ba) Cadmium (Cd) Kobalt (Co) Koper (Cu) Kwik (Hg) Lood (Pb) Molybdeen (Mo) Nikkel (Ni) Zink (Zn)
mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
PAK (AS3000)
DOC-13-25732419-NL-P2
S S S S S S S
Parameter
Eenheid
Anthraceen Benzo(a)anthraceen Benzo(ghi)peryleen Benzo(k)fluorantheen Benzo-(a)-Pyreen Chryseen Fenanthreen
mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
Parameters uitgevoerd door AL-West BV zijn geaccrediteerd volgens EN ISO/IEC 17025:2017. Alleen niet-geaccrediteerde en/of uitbestede parameters zijn gemarkeerd met het symbool *).
Blad 2 van 4 Kamer van Koophandel Nr. 08110898 VAT/BTW-ID-Nr.: NL 811132559 B01
Directeur ppa. Marc van Gelder Dr. Paul Wimmer
AL-West B.V. Dortmundstraat 16B, 7418 BH Deventer, the Netherlands Tel. +31(0)570 788110 e-Mail: info@al-west.nl, www.al-west.nl
Analyserapport 1552274 2025-147 NL Uelserweg 110 Mander Datum: 08.05.2025 Monster informatie Monsternummer Datum monstername
Monster beschrijving
845650 845651 845652
BM1 BM2 OM1
30.04.2025 00:00 30.04.2025 00:00 30.04.2025 00:00
Parameter
Eenheid
S S S
Fluorantheen Indeno-(1,2,3-c,d)pyreen Naftaleen
mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
S
Som PAK (VROM) (Factor mg/kg Ds 0,7)
845650
845651
845652
BM1
BM2
OM1
4)
4)
<0,050 <0,0504) <0,0504)
<0,050 <0,0504) <0,0504)
<0,0504) <0,0504) <0,0504)
0,353)
0,353)
0,353)
845650
845651
845652
BM1
BM2
OM1
Minerale olie (AS3000/AS3200)
S
Parameter
Eenheid
Koolwaterstoffractie C10C40 Koolwaterstoffractie C10C12*) Koolwaterstoffractie C12C16*) Koolwaterstoffractie C16C20*) Koolwaterstoffractie C20C24*) Koolwaterstoffractie C24C28*) Koolwaterstoffractie C28C32*) Koolwaterstoffractie C32C36*) Koolwaterstoffractie C36C40*)
mg/kg Ds
<354)
<354)
<354)
mg/kg Ds
<34)
<34)
<34)
mg/kg Ds
<34)
<34)
<34)
mg/kg Ds
<44)
<44)
<44)
mg/kg Ds
<54)
<54)
<54)
mg/kg Ds
<54)
<54)
<54)
mg/kg Ds
<54)
12
<54)
mg/kg Ds
<54)
<54)
<54)
mg/kg Ds
<54)
<54)
<54)
845650
845651
845652
BM1
BM2
Polychloorbifenylen (AS3000) Parameter
Eenheid
4)
OM1 4)
S S S S S S S
PCB 28 PCB 52 PCB 101 PCB 118 PCB 1386) PCB 153 PCB 180
mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
<0,0010 <0,00104) <0,00104) <0,00104) <0,00104) <0,00104) <0,00104)
<0,0010 <0,00104) <0,00104) <0,00104) <0,00104) <0,00104) <0,00104)
<0,00104) <0,00104) <0,00104) <0,00104) <0,00104) <0,00104) <0,00104)
S
Som PCB (7 Ballschmiter) mg/kg Ds (Factor 0,7)
0,00493)
0,00493)
0,00493)
Alle resultaten van de vaste parameters zijn gebaseerd op de droge stof (DS), behalve de analyten die zijn gemarkeerd met het teken 1) die zijn gebaseerd op de oorspronkelijke stof (OS). 2) "++" Geeft aan dat de noodzakelijke behandeling in het laboratorium is uitgevoerd. 3) Bij deze som zijn resultaten "<rapportagegrens" vermenigvuldigd met 0,7. 4) Verklaring:"<" of n.a. betekent dat het gehalte van de component lager is dan de rapportagegrens.