Bijlage TAM-omgevingsplan buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13.pdf
Tekst van het document
De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579. De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt.
Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Stedelijke ontwikkeling Voorgenomen ontwikkeling betreft een vergroting van de woonfunctie ten behoeve van de bouw van een duivenhok in het buitengebied. De toename van de functie wonen bedraagt ongeveer 1250 m2 en de toename in bebouwing op de bouwlocatie bedraagt 90 m2. Gelet op de omvang van deze ontwikkeling is er geen sprake bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
33
van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toepassing van de ladder is niet vereist.
5.2 Besluit milieueffectrapportage Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten. de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's. De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34 lid 1 Ow). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen.
De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Ow) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn:
1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-merplichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.
Beoordeling van de plannen: De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen 34
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De voorgenomen activiteit voor het uitbreiden van de woonfunctie, daarbinnen het bouwen van een duivenhok en de sloop van landschapsontsierende bebouwing staat niet benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling. Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid moet vervolgens worden beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden aangetoond dat de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren moet worden getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018, waarbij het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen erf plaatsvindt. . Indien nodig worden de aanleg en instandhouding van de parkeerplaatsen opgenomen als voorwaarde aan deze vergunning. Beoordeling van de plannen: Locatie Voshaarsweg 13 Voor de locatie aan de Voshaarsweg geldt dat enkel sloop van een landschapsontsierende mestsilo gaat plaatsvinden. Deze ontwikkeling zorgt niet voor wijzigingen als het gaat om structurele verkeersgeneratie en/of parkeren. Nadere toetsing is dan ook niet zinvol.
Locatie Uelserweg 110 Qua verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, hoofdgroep en type worden in dit plan de volgende uitgangspunten gehanteerd: Verstedelijkingsgraad: niet-stedelijk - gemeente Tubbergen (Bron: CBS Statline); Stedelijke zone: buitengebied; Functie: Koop, huis, vrijstaand. Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) Het plangebied is in de bestaande situatie ontsloten op de Uelserweg. Het perceel heeft op deze weg één ontsluiting. De verkeersontsluiting blijft in de toekomstige situatie hetzelfde en het nieuw bouwen van een bijbehorend bouwwerk geeft geen structurele extra verkeersbewegingen op de Uelserweg. Het plan leidt niet tot een verhoging van de verkeersintensiteit op de Uelserweg aangezien geen sprake is van verdere wijzigingen van het gebruik van het woonerf. Parkeren Het voornemen ziet toe op het bouwen van een duivenhok als bijbehorend bouwwerk van een woning. Er vindt een functiewijziging van agrarisch naar wonen plaats, ten behoeve van de bouw van een duivenhok. Deze ontwikkeling brengt geen verandering van de parkeerbehoefte met zich mee. Het plangebied (c.q. het erf Uelserweg 110) is van voldoende omvang om in de overige eigen parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Conclusie Het voornemen zorgt niet voor onaanvaardbare gevolgen voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
35
5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming 5.4.1
Natura 2000-gebieden
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten. De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op.
In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Situatie plangebieden Deelgebied Voshaarsweg Het deelgebied Voshaarsweg ligt op minimaal 5,87 kilometer afstand van Nederlands Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000-gebied is de Engbertsdijkvenen. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het deelgebied weergegeven.
36
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het deelgebied Voshaarsweg. De ligging van het deelgebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot Nederlands Natura 2000 behoren worden met de mintgroene en gele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl). Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het deelgebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van sloopmaterialen en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de afstand tussen het deelgebied en het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en de duur van de ontwikkelfase kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Een stikstofberekening voor de ontwikkelfase wordt niet noodzakelijk geacht.
Beoordeling stikstof (gebruiksfase) In de nieuwe situatie zal het aantal verkeersbewegingen gelijk blijven. Er wordt geen nieuwbouw gerealiseerd. Daarom kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening voor de gebruiksfase is niet noodzakelijk.
Deelgebied Uelserweg Het deelgebied Uelserweg ligt op minimaal 1,04 kilometer afstand van Nederlands Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000-gebied is Springendal & Dal van de Mosbeek. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het deelgebied weergegeven.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
37
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het deelgebied Uelserweg. De ligging van het deelgebied wordt met de rode omlijning aangeduid. Gronden die tot Nederlands Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl). Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het deelgebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van (bouw)materialen en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de afstand tussen het deelgebied en het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en de duur van de ontwikkelfase kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden niet uitgesloten worden. In dit geval kan op basis van de advieslijn van het ODT een stikstofonderzoek voor de ontwikkelfase worden uitgesloten, zie onderstaande tabel.
De advieslijn geeft aan dat vanaf een afstand groter dan 700 meter er geen stikstofonderzoek benodigd is in het geval er 1 vrijstaande woning, schuur en verharding wordt gerealiseerd. In dit geval gaat het om een ontwikkeling dat veel kleiner is dan een vrijstaande woning, namelijk de bouw van een duivenhok. De afstand tot een Natura 2000 gebied is meer dan 1 kilometer, dit is ruim boven de 700 meter. Het uitvoeren van een stikstofberekening voor de ontwikkelfase is daarom niet noodzakelijk.
Beoordeling stikstof (gebruiksfase) In de nieuwe situatie zal het aantal verkeersbewegingen gelijk blijven. Er wordt immers alleen een duivenhok herbouwd. Daarom kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening voor de gebruiksfase is niet noodzakelijk. 38
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
Conclusie Deelgebied Voshaarsweg Het deelgebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden op voorhand uitgesloten worden. Een stikstofberekening voor de ontwikkel- en gebruiksfase wordt niet noodzakelijk geacht. Overige negatieve effecten kunnen ook worden uitgesloten. Deelgebied Uelserweg Het deelgebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied in de ontwikkelfase, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden.
Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkelfase. Zoals onder effectbeoordeling reeds is toegelicht voor de locatie Uelserweg 110, kan een stikstofonderzoek tijdens de ontwikkelfase wel uitgesloten worden op basis van de advieslijn van het ODT. Tijdens de gebruiksfase kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden wel uitgesloten worden en is er geen stikstofberekening nodig. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook worden uitgesloten.
5.4.2
Natuurnetwerk Nederland
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Situatie planlocaties Deelgebied Voshaarsweg Het plangebied ligt op minimaal 2,2 kilometer van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren.
Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
39
Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het deelgebied. De ligging van het deelgebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de mintgroene kleur aangeduid (bron: atlasleefomgeving.nl). Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het deelgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. 23
Deelgebied Uelserweg Het deelgebied Uelserweg grenst aan gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het deelgebied weergegeven.
40
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het deelgebied. De ligging van het deelgebied wordt met de rode omlijning aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de groene kleur aangeduid (bron: atlasleefomgeving.nl). Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het deelgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. Conclusie De beide deelgebieden behoren niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Voor deelgebied Voshaarsweg kan een negatief effect op Natura 2000-gebied in de ontwikkelfase, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Er hoeft geen stikstofberekening uitgevoerd te worden. Voor deelgebied Uelserweg kan een negatief effect op Natura 2000-gebied in de ontwikkelfase, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden.
Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkelfase. Tijdens de gebruiksfase kan bij beide deelgebieden een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden uitgesloten worden en is er geen stikstofberekening nodig. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook worden uitgesloten. 5.4.3
Soortenbescherming
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Situatie planlocaties Vogels Deelgebied Voshaarsweg Het deelgebied Voshaarsweg behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen nestelen in de beplanting bij de mestsilo. Vogelsoorten die mogelijk in de beplanting kunnen nestelen zijn houtduif, merel, zanglijster, ekster, gaai, roodborst en zwarte kraai. Tijdens het veldbezoek zijn er in het plangebied geen nesten waargenomen en ontbreken sporen zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal in en om het plangebied. Als gevolg van het slopen van de mestsilo en het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels neemt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
41
- Slopen mestsilo tijdens de voortplantingsperiode van vogels; - Rooien beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels;
Deelgebied Uelserweg Het deelgebied Uelserweg behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen nestelen in beplanting in en rondom het deelgebied of onder dakpannen binnen het deelgebied. Vogelsoorten die mogelijk nestelen in het deelgebied zijn onder andere houtduif, merel, koolmees, pimpelmees, roodborst, zanglijster, ekster, gaai, zwarte kraai en roek. Tijdens het veldbezoek zijn er in het deelgebied geen nesten waargenomen en ontbreken sporen zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal in en om het deelgebied. In de NDFF zijn echter waarnemingen bekend van de bonte vliegenvanger, bosuil en huismus die mogelijk verbinding hebben met het deelgebied. Op basis van verdere gegevens binnen de NDFF is er een vastgesteld territorium uit 2022-2023 van de bosuil bekend. Zoals te zien op onderstaande afbeelding ligt deze geruime afstand (± 2,5 kilometer) van het deelgebied waardoor de voorgenomen werkzaamheden geen invloed hebben op dit territorium.
Waarnemingen van de bosuil in een ruim gebied rondom het deelgebied. Vastgesteld territorium van de bosuil aangegeven met de gele cirkel (bron: NDFF, 2025). Het deelgebied is aangegeven met de rode cirkel. Huismussen broeden doorgaans onder dakpannen met een beschoten kap. De te slopen schuur beschikt niet over een geschikt dak voor de huismus doordat het dakbeschot hier ontbreekt zoals te zien op onderstaande foto.
42
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
Dakbeschot ontbreekt in de te slopen schuur. Als gevolg van het slopen van de schuur tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. De betekenis van het plangebied als essentieel foerageergebied voor vogels neemt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Slopen schuur tijdens de voortplantingsperiode van vogels;
Grondgebonden zoogdieren Deelgebied Voshaarsweg Er zijn in het deelgebied Voshaarsweg geen grondgebonden zoogdieren waargenomen maar het plangebied behoort vermoedelijk tot leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als: veldmuis, bosmuis, huisspitsmuis, steenmarter, egel en haas. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied (steenmarter, egel en haas) en functioneel leefgebied (veldmuis, bosmuis en huisspitsmuis) waarbij deze soorten voortplantings- en rustplaatsen kunnen bezetten in holen en gaten in de grond, onder de strooisellaag en onder opgeslagen materialen. Het plangebied biedt geen geschikt habitat voor grote bosmuis, deze soort prefereert open (oude) eiken- of beukenbos met een uitgebreide struiklaag maar weinig ondergroei. Geschikte bebouwing voor de steenmarter om een voortplantings- en rustplaats te bezetten in het plangebied ontbreekt. Er zijn daarnaast geen latrines gevonden die wijzen op een voortplantings- en rustplaats van deze soort. Daarnaast is de bebouwing (mestsilo) niet geïsoleerd waardoor holle ruimtes ontbreken en is de mestsilo verder niet toegankelijk. Ook is het plangebied niet geschikt voor andere kleine marterachtigen zoals de wezel doordat het terrein te open is.
Als gevolg van het rooien van beplanting en het verwijderen van de strooisellaag wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood. Ook wordt mogelijk een voortplantings- en rustplaats beschadigd of vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren neemt door de voorgenomen activiteiten niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Rooien beplanting; - Verwijderen strooisellaag;
Deelgebied Uelserweg Er zijn in het deelgebied Uelserweg geen grondgebonden zoogdieren waargenomen maar het plangebied behoort vermoedelijk tot leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als: veldmuis, bosmuis, huisspitsmuis, steenmarter, egel en haas. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied (steenmarter, egel en haas) en functioneel leefgebied (veldmuis, bosmuis en huisspitsmuis) waarbij deze soorten voortplantings- en rustplaatsen kunnen bezetten in holen en gaten in de grond, onder de strooisellaag en onder opgeslagen materialen. Geschikte bebouwing voor de steenmarter om een voortplantings- en rustplaats te bezetten in het plangebied ontbreekt. Er zijn daarnaast geen latrines gevonden die wijzen op een voortplantings- en rustplaats van deze soort. Daarnaast zijn de te slopen/verplaatsen bebouwing niet geschikt voor de steenmarter door het ontbreken van isolatie en is de bebouwing ook niet toegankelijk voor grondgebonden zoogdieren. Verder is het plangebied niet geschikt voor andere kleine marterachtigen zoals de wezel doordat het terrein te open is. Het plangebied behoort echter tot het verspreidingsgebied van de grote bosmuis en bezit functioneel leefgebied van de soort. Binnen de NDFF zijn in een ruim zoekgebied vijf waarnemingen gedaan in de periode 2020-2025.
Werkzaamheden die mogelijk de grote bosmuis zouden beïnvloeden zijn echter al uitgevoerd.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
43
Waarnemingen van de grote bosmuis in een ruim gebied rondom het deelgebied (bron: NDFF, 2025). Het deelgebied is aangegeven met de rode cirkel. Als gevolg van het uitvoeren van grondverzet en het verwijderen van opgeslagen materialen wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood. Er wordt mogelijk een voortplantings- en rustplaats beschadigd of vernield. Door het bebouwen en verharden neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende grondgebonden zoogdieren niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Uitvoeren grondverzet; - Verwijderen opgeslagen materialen;
Vleermuizen Deelgebied Voshaarsweg • Verblijfplaatsen Tijdens het veldbezoek zijn geen vleermuizen waargenomen. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn doorgaans eenvoudig te herkennen aan uitwerpselen en prooiresten onder de hangplek. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op het gebruik van het plangebied als voortplantings- of rustplaats door vleermuizen. De mestsilo beschikt niet over een spouw of andere openingen die een geschikte verblijfplaats voor een vleermuis zouden bieden. Ook beschikt de beplanting in het plangebied niet over holenbomen of loszittende schors die een verblijfplaats voor vleermuizen zouden kunnen bieden. Door het slopen van de mestsilo en het rooien van beplanting wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen voortplantings- en rustplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen;
• Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond bebouwing en beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet:
44
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
- Geen;
• Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Het slopen van de mestsilo en het rooien van beplanting heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen;
Plangebied Uelserweg • Verblijfplaatsen Tijdens het veldbezoek zijn geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een voortplantings- of rustplaats in het deelgebied bezetten. Er zijn geen sporen zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen die wijzen op een vleermuisverblijfplaats. In het deelgebied zijn geen potentiële verblijfplaatsen waargenomen doordat de bebouwing niet toegankelijk is. De bomen in het deelgebied zijn gecontroleerd op verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zijn geen holtes en loshangend schors aangetroffen waar een vleermuis een verblijfplaats achter kan bezetten. De vleermuizen die mogelijk een verblijfplaats kunnen bezetten in de naastgelegen woning zullen door de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden niet verstoord worden. Tevens blijft de woning ongemoeid. Door het slopen van de schuur en verplaatsen van het kippenhok wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen voortplantings- of rustplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen;
• Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond bebouwing en beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het slopen van de schuur, verplaatsen van het kippenhok en realiseren van nieuwe bebouwing neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen;
• Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Slopen van de schuur, verplaatsen van het kippenhok en realiseren van nieuwe bebouwing heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
45
- Geen;
Amfibieën Deelgebied Voshaarsweg Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor amfibieënsoorten beschouwd. Er ontbreekt een voortplantingsbiotoop. Algemene amfibieënsoorten als bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad benutten het erf als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Deze soorten kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond of onder opgeslagen materialen, strooisel en bladeren. De mestsilo is niet toegankelijk voor amfibieën. Uit brononderzoek in de NDFF (2025) blijkt dat het plangebied niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als heikikker, kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker wordt beschouwd. Geschikt voortplantingsbiotoop voor deze soorten ontbreekt in het plangebied. Door het verwijderen van de strooisellaag en rooien van beplanting wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De betekenis van het deelgebied als foerageergebied neemt voor amfibieën niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Verwijderen strooisellaag; - Rooien beplanting;
Deelgebied Uelserweg Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor amfibieënsoorten beschouwd. Er ontbreekt een voortplantingsbiotoop. Algemene amfibieënsoorten als bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad benutten het erf als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Deze soorten kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond of onder opgeslagen materialen, strooisel en bladeren. De bebouwing in het plangebied is niet toegankelijk voor amfibieën. Uit brononderzoek in de NDFF (2025) blijkt dat het plangebied niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als heikikker, kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker wordt beschouwd. Geschikt voortplantingsbiotoop voor deze soorten ontbreekt in het plangebied. Door het uitvoeren van grondverzet en het verwijderen van opgeslagen materialen wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De betekenis van het deelgebied als foerageergebied neemt voor amfibieën niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Uitvoeren grondverzet; - Verwijderen opgeslagen materialen;
Rode-lijstsoorten Deelgebied Voshaarsweg Het deelgebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van Rode-lijstsoorten. In de NDFF zijn waarnemingen van de Rode-lijstsoorten torenvalk, graspieper, haas en kneu opgenomen. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden Rode-lijstsoorten echter niet nadelig beïnvloed in het voorkomen op populatieniveau. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen;
Deelgebied Uelserweg Het deelgebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van Rode-lijstsoorten. In de NDFF zijn waarnemingen van de Rode-lijstsoorten patrijs, boerenzwaluw, gele kwikstaart en huismus opgenomen. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden Rode-lijstsoorten echter niet nadelig beïnvloed in het voorkomen op populatieniveau.
46
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen;
Overige soorten Deelgebieden Voshaarsweg en Uelserweg Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken de deelgebieden tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. Conclusie In onderstaande tabellen worden de wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet weergegeven:
Per soort komt dat samengevat op het volgende neer:
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
47
5.4.4
Conclusies
Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn natuurwaardenonderzoeken uitgevoerd door de Natuurbank voor zowel de bouw- als slooplocatie. De resultaten van het onderzoek zijn in dit hoofdstuk opgenomen, en het volledige rapport is bijgevoegd in Bijlage 3. De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling 'het opzettelijk beschadigen en vernielen van voortplantings- en rustplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de voortplantings- en rustplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode.
In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De beide deelgebieden behoren niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Voor deelgebied Voshaarsweg kan een negatief effect op Natura 2000-gebied in de ontwikkelfase, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Er hoeft geen stikstofberekening uitgevoerd te worden. Voor deelgebied Uelserweg kan een negatief effect op Natura 2000-gebied in de ontwikkelfase, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkelfase.
Tijdens de gebruiksfase kan bij beide deelgebieden een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden uitgesloten worden en is er geen stikstofberekening nodig. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook worden uitgesloten. Deelgebied Voshaarsweg De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren, amfibieën en nachtvlinders er een voortplantingsplaats en/of rustplaats. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. Het plangebied betreft wel foerageergebied voor vleermuizen. Door het uitvoeren van het slopen van de mestsilo en het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.
Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Door het onvoorbereid uitvoeren van rooien van beplanting en het verwijderen van de strooisellaag kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen voortplantingsplaats- en/of rustplaatsen'.
Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. 48
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
Indien het verwijderen van de strooisellaag en rooien van beplanting uitgevoerd wordt zonder voorbereiding kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen'. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning floraen fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Slopen van de mestsilo en het rooien van beplanting hebben geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen. Deelgebied Uelserweg De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.
Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren, amfibieën en nachtvlinders er een voortplantingsplaats en/of rustplaats. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. Het plangebied betreft wel foerageergebied voor vleermuizen. Door het slopen van de schuur tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden.
Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Door het onvoorbereid uitvoeren van grondverzet en het verwijderen van opgeslagen materialen kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen voortplantingsplaats- en/of rustplaatsen'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties.
Indien het uitvoeren van grondverzet en het verwijderen van opgeslagen materialen uitgevoerd wordt zonder voorbereiding kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen'. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning floraen fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Slopen van de schuur, verplaatsen van het kippenhok en realiseren van nieuwe bebouwing hebben geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
49
5.5 Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool.
Beoordeling van de plannen: Het voornemen ziet op het bouwen van een duivenhok aan de Uelserweg 110 in Mander. Om deze bouw mogelijk te maken qua bebouwingsoppervlakte wordt op basis van schuur voor schuur een mestsilo gesaneerd aan de Voshaarsweg 13 in Harbrinkhoek. Gezien de minimale omvang van de ontwikkeling en het feit dat als gevolg van de ontwikkeling geen toename is in verkeersgeneratie, zijn er geen veranderingen vanuit het aspect luchtkwaliteit.
50
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
5.6 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen; Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13
51
Afbeelding 5.1:Standaardwaarden geluidgevoelige gebouwen (Bron: Art. 5.78T van het Bkl)
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB).
Beoordeling van de plannen: In voorliggend geval zijn de aspecten railverkeers,- wegverkeers-, en industrielawaai niet van belang, want er wordt geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt dat bescherming geniet voor weg of railverkeer. Voor wat betreft het aspect industrielawaai wordt opgemerkt dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van een industrieterrein met geluidproductieplafond (gpp) en hier ook niet nabij is gelegen. Geluid afkomstig van project op omgeving De beoogde ontwikkeling van de sloop van landschapsontsierende bebouwing en bouw van een duivenhok levert uiteindelijk niet meer geluid op, gezien er geen sprake is van een nieuwe activiteit. Er was reeds een duivenhok aanwezig, deze wordt nu enkel op een andere locatie gebouwd. De omgeving zal dus geen geluidshinder ervaren. Geluid van nabijgelegen bedrijven Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft Kaas- en Zuivelboerderij het Hoepel aan de Uelserweg 113 te Mander. Het bouwvlak van het bedrijf bevindt zich op een afstand van ca. 12 meter van het woonperceel aan de Uelserweg 110. De uitbreiding van het woonperceel aan de Uelserweg 110 zal plaatsvinden aan de achterzijde van het erf en wordt niet dichter op de Uelserweg 113 gesitueerd. Derhalve zal Kaas- en Zuivelboerderij het Hoepel niet in haar bedrijfsvoering worden belemmerd.
52
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13