Bijlage Ruimtelijke Onderbouwing Het Kleine Krikhaar 1.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke Onderbouwing | zonnepanelen Het Kleine Krikhaar 1 te Geesteren
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
Ruimtelijke Onderbouwing | Zonnepanelen locatie
Het Kleine Krikhaar 1 Geesteren
Plan ID nummer
NL.IMRO.0183.BUIPBKLEINEKRIK1-OW01
opsteller
reitsema & partners architectuur stedenbouw landschap interieur
datum
maart 2023
versie
V3
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
Inhoudsopgave 1. INLEIDING 1.1. 1.2. 1.3. 1.4.
Aanleiding en doelstelling Projectgebied Vigerend bestemmingsplan ‘’ Buitengebied 2016’’ Leeswijzer
2. PROJECTOMSCHRIJVING 2.1.
Planuitleg
3. BELEID 3.1. Inleiding 3.2. Rijksbeleid 3.2.1. Nationale omgevingsvisie 3.2.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.3. Provinciaal beleid 3.3.1.Omgevingsvisie Overijssel 3.3.2.Omgevingsverordening Overijssel 3.3.3.Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 3.4. Gemeentelijk beleid 3.4.1.Omgevingsvisie Gemeente Tubbergen 3.4.2.Zonnevelden beleid 3.4.3.Nota ‘’de casco-benadering in Noord Oost Twente’’
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1. Vormvrije MER beoordeling 4.2. Bedrijven en milieuzonering 4.3. Geluid 4.4. Bodem 4.5. Externe veiligheid 4.6. Luchtkwaliteit 4.7. Natuurwaarden 4.8. Archeologie en cultuurhistorie 4.9. Water 4.10. Verkeer en parkeren
5. UITVOERBAARHEID 5.1.
Economische uitvoerbaarheid
6. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 6.1. 6.2.
Vooroverleg Zienswijzen
7. BIJLAGE
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Dit document betreft de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de ontwikkeling aan Het Kleine Krikhaar te Geesteren. De ontwikkeling heeft concreet betrekking op de aanleg van een grondopstelling voor zonnepanelen voor particulier gebruik, dit nabij de schuurwoning van de initiatiefnemers. De ontwikkeling is momenteel in strijd met het geldende bestemmingsplan.
1.2 Projectgebied Het projectgebied ligt in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. Ten noord oosten van het dorp Geesteren. Het perceel waarop de ontwikkeling gerealiseerd wordt, staat kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie K en perceelnummer 9955. In figuur 1.1 is de ligging van de planlocatie weergegeven.
PLANLOCATIE
GEESTEREN
Figuur 1.1 | ligging planlocatie Het perceel heeft een oppervlakte van ca. 22.250 m2. De grondopstelling voor zonnepanelen heeft een omvang van ca. 115 m2, en wordt omgeven door gronden die gebruikt worden ten behoeve van de landbouw. In figuur 1.2 wordt het betreffende perceel weergegeven, waarbij het plangebied is omkaderd.
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
Figuur 1.2 | ligging planlocatie
1.3 Vigerend bestemmingsplan ‘’Tubbergen buitengebied 2016’’ Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan ‘’Tubbergen buitengebied 2016’’. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van de gemeente Tubbergen vastgesteld op 23 mei 2016. In figuur 1.3 wordt een fragment weergegeven van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan, waarbij het plangebied is aangegeven. Daarnaast is het Veegbestemmingsplan Tubbergen Buitengebied 2016 (vastgesteld 15-12-2020) van toepassing. Dit veegbestemmingsplan herziet op enkele onderdelen het bestemmingsplan Tubbergen Buitenengebied 2016.
Figuur 1.3 | bestemmingsplan Het geldende bestemmingplan kent aan het plangebied de enkelbestemming ‘’Agrarisch-1’’ toe. De voor ‘Agrarisch – 1’ aangewezen gronden zijn in eerste instantie bestemd voor het agrarisch gebruik. Er mogen op de agrarische gronden – indien een bouwvlak aanwezig is - enkel bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van agrarische bedrijven worden gebouwd. Dit bouwvlak ontbreekt in voorliggend geval. Kleinschalige duurzame energiewinning is toegestaan, mits dit ten dienste van de agrarische bestemming is. Voorliggende ontwikkeling betreft echter het realiseren van zonnepanelen ten dienste van de woonbestemming en is daarmee strijdig met het (Veeg)bestemmingsplan.
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
Het college van burgemeester en wethouders heeft echter de bevoegdheid om op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo van het geldende bestemmingsplan af te wijken. Hiervoor dient er een omgevingsvergunning te worden aangevraagd en dient de aanvraag een goede ruimtelijke onderbouwing te bevatten. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in de volgende hoofdstukken het project nader toegelicht. Er zal in hoofdstuk 2 worden ingegaan op het project zelf. In hoofdstuk 3 wordt stilgestaan bij het overheidsbeleid; rijk, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 zal aandacht worden besteed aan diverse omgevingsaspecten zoals: geluid, archeologie, externe veiligheid, natuurwaarden, wegen, ed. In hoofdstuk 5 wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het project besproken.
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
2. Projectomschrijving 2.1 Planuitleg De initiatiefnemer heeft eerder een schuurwoning ontwikkeld door middel van een rood-voor-rood regeling, met bijpassende investering in het landschap. Dit heeft geresulteerd in een bijzonder ontwerp met de daarbij behorende landschapsversterking. De opdrachtgever wil de woning passend maken in de energietransitie en gaat dit bewerkstelligen door een warmtepomp i.c.m. zonnepanelen. De minimalistische schuurwoning is onder architectuur ontworpen en gebouwd, zie onderstaande foto’s.
2.1. foto’s huidige situatie De initiatiefnemer is voornemen om nabij zijn woning een verdiepte veldopstelling voor 40 pv-panelen aan te leggen t.b.v. particulier gebruik. De opstelling zal volledig verdiept en uit het zicht worden geplaatst. Zoals ook het onderzoek pv-panelen laat zien zijn er diverse plekken onderzocht met mogelijk opstelplekken. Omdat het dak afviel als opstelplek is er gekeken in de nabijheid van de woning. Gezien de zichtlijnen op de woning en de fijne korrel van het landschap aan de voorzijde, vielen deze opties af. In 2022 is er een locatie bezoek geweest om alle mogelijke locaties in beeld te brengen, en ook te kijken naar locaties die verder van de woning af liggen. Na dit overleg is het advies van de gemeente geweest om een studie op te stellen naar de mogelijke locaties voor de pv panelen. In de studie zijn een zevental plekken onderzocht. Hieruit blijkt dat veel plekken ongeschikt zijn, dit vanwege zichtlijnen, schaduwvorming en grondposities. Tevens is er nog onderzoek gedaan om het grondgebied op te splitsen in een kleinere korrel/verkaveling, om hier struwelen aan te planten, maar dit is niet passend in het gebruik van het weiland. Ook past het niet binnen de huidige landschapsstructuren.
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
2.2 Situatie ontwerptekening van de beoogde ontwikkeling Tevens is er overleg geweest met het waterschap Vechtstromen vanwege de waterschap sloot. Hierin is aangegeven dat de panelen minimaal 3m vanuit de boveninsteek aan de linker oever van de waterloop te worden aangebracht. Hieruit zijn een aantal uitgangspunten bepaald, waaraan ruim voldaan wordt. Om de panelen aan de rand van het zoekgebied te plaatsen is hier een landschappelijke inpassing vereist. Door het coulisselandschap te versterken is gekozen om de bestaande structuur te versterken, door middel van streekeigen soorten. Er wordt een verbinding gemaakt tussen het erfbos aan de Krikhaarsweg (westzijde) en de bestaande coulisse aan de oostzijde. Op deze manier ontstaat een ecologische verbinding t.b.v. het foerageergebied voor vleermuizen. Zie afbeelding 2.2 De aanplant van struwelen zal bestaan uit de volgende beplanting, plantmaat 80-100, 1 stuk per meter: • • • • • •
krentenboompkje (Amelanchier Lamerckii) Hazelaar (Corylus Avellana) Sleedoorn (Prunus Spinosa) Gelderseroos (Viburnum Opulus) Zomereik (Quercus Robur) Zwarte Els (Alnus Glutinosa.
150st. 125st. 150st. 150st. 125st. 150st.
Solitaire bomen (14-16): • •
Zomereik (Quercus Robur) Zwarte Els (Alnus Glutinosa.
3st. 3st.
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
2.3 Situatie ontwerptekening van de beoogde ontwikkeling Door de onder beplanting van de struwelen ontstaan hier ook schuilplekken voor de in het gebied voorkomende dieren, te denken valt aan: hazen, fazanten, herten, vogels, ed. Door de aanplant van deze versterkende landschappelijke inpassing is het mogelijk om een rug te creëren voor de opstelplek van de pv-panelen. Door deze ook nog eens verdiept uit te voeren is er geen zicht op de opstelling vanuit de verschillende routes rondom het gebied. Door het versterken van de bestaande groenstructuur zal het landschap versterkt worden en kan er tegelijkertijd ruimte worden gecreëerd voor pv-panelen om op deze manier bij te dragen aan de energietransitie. In figuur 2.3 en 2.4 wordt een fragment weergegeven van het inrichtingsplan. Het plan is tevens als bijlage opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing.
2.4 Plattegrond opstelling zonnepanelen Ten behoeve van de inpassing er een landschappelijke inrichtingsplan gemaakt waarbij de aanleg van de pv-panelen landschappelijk is ingepast. De panelen zullen verdiept worden geplaatst, zie 2.5.
2.5 Verdiepte opstelling zonnepanelen
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
3 Beleidskaders 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid dat betrekking heeft op het projectgebied en de voorgenomen ontwikkeling beschreven. Het wordt benaderd vanuit het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Het voorgenomen plan wordt getoetst aan dit beschreven beleid.
3.2 Rijksbeleid 3.2.1. Nationale omgevingsvisie Vooropgesteld wordt dat het Rijksbeleid geen concrete relevantie heeft voor voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Wel kan in het algemeen gesteld worden, dat het voornemen in overeenstemming is met de door het Rijk vastgestelde Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Aangezien de Ladder van duurzame verstedelijking hierin een bijzondere positie inneemt, wordt hieraan concreet aandacht besteed.
3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die met een omgevingsvergunning ex art. 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo (buitenplanse afwijking) wordt mogelijk gemaakt, moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. Deze ruimtelijke onderbouwing bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dan dient tevens gemotiveerd te worden motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De ladder van duurzame verstedelijking is alleen van toepassing bij een stedelijke ontwikkeling (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder andere stedelijke voorzieningen is er sprake van een stedelijke ontwikkeling, indien het gaat om: • • • • •
accommodaties voor maatschappelijke functies zoals een sportfaciliteiten of een crematorium; accommodaties voor religie zoals een kerk of moskee; accommodaties voor cultuur zoals bijvoorbeeld een museum; accommodaties voor Leisure zoals een hotel of bioscoop; accommodaties voor recreatie.
school,
zorgcomplex,
Uit vaste jurisprudentie blijkt dat functies zoals een zonnepark (zonnepanelenveld) onder de (oude) ladder, niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt beschouwd. Gelet op het feit dat het in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing gaat om een opstelling van 40 panelen, is dit geen veld te noemen. Daarom is de onderhavige ontwikkeling niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking kan achterwege blijven. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met zowel het Rijksbeleid als de ladder van duurzame verstedelijking.
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
3.3 Provinciaal beleid 3.3.1.Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur. Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is daarbij van belang, waarbij een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuuren waterkwaliteit wordt ontwikkeld.
Ook de ontwikkeling van een continu en beleefbaar watersysteem, het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen en het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken, zijn ambities op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan. Een zichtbaar en beleefbaar landschap en het behouden en waar mogelijk verbreden van het bestaande aanbod aan woon-, werk- en mixmilieu's betreffen ruimtelijke kwaliteitsambities.
Afbeelding 3.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten. De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit. Ten aanzien van sociale kwaliteit is het koesteren en het gebruik maken van 'noaberschap' de ambitie, evenals het stimuleren van culturele identiteit van de provincie Overijssel, zowel lokaal als regionaal. Duurzame ontwikkeling van cultureel erfgoed (bijv. herbestemmen/ hergebruik monumenten en karakteristieke bebouwing) hoort hierbij. Het realiseren van sociale kwaliteit wordt gedaan door het actief betrekken van bewoners bij projecten en het bieden van ruimte aan initiatieven van onderop.
3.3.2. Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Op 21 april 2020 is de ‘handreiking zonnevelden’ vastgesteld door de Gedeputeerde Staten van Overijssel. De provinciale verordening (artikel 2.1.8) is het vertrekpunt voor deze handleiding. De handreiking is een hulpmiddel voor initiatiefnemers, omwonenden van een zonneveld en voor gemeenten om hen te ondersteunen bij de ruimtelijke afweging voor zonnevelden, bij het ontwerp van een kwalitatief goed zonneveld en bij het gesprek over het realiseren van voldoende en passende kwaliteit. In de handreiking staan drie vragen centraal: • • •
OF: Zijn zonnevelden nodig? Waar: Waar moeten zonnevelden worden gerealiseerd? Hoe: Hoe moeten zonnevelden in de groene omgeving worden gerealiseerd?
Artikel 2.1.8 van de provinciale Omgevingsverordening verplicht de toepassing van de Kwaliteitsimpuls zonnevelden, waaronder de zonneladder. De zonneladder geeft de voorkeursvolgorde aan bij de verdeling van de opwekopgave voor zonne-energie. Naar aanleiding van ervaringen in de afgelopen jaren en het coalitieakkoord is de zonneladder scherper en specifieker gemaakt, wat een striktere toepassing mogelijk maakt. De Overijsselse zonneladder en aanpak kent drie treden: • • •
1. Stimuleren 2. Combineren 3. Limiteren
Een multifunctionele invulling van een zonneveld in de groene ruimte is uitgangspunt (trede 1 ‘’stimuleren’’ en 2 ‘’combineren’’). De derde trede is pas aan de orde wanneer trede 1 en 2 niet mogelijk zijn. wat uit een deugdelijke motivering naar voren moet komen. Onderhavige ontwikkeling kan worden aangemerkt als een kleine, goed ingepaste zonneveld met een omvang van circa 115 m² en de plek waar het gerealiseerd wordt is in het buitengebied van Geesteren, op agrarische grond. Het veld beslaat 115m2 van de in totaal 22.250m2 = 0,5%. Het is zeer beperkt in de ruimte die het nodig heeft. Tevens zal er ca. 800m2 streekeigen beplanting worden aangeplant. Op de locatie is door middel van een uitbreid onderzoek naar mogelijke opstelplekken adequaat gekeken naar de beste opstelplek. Zie ook het rapport : ‘’ Het kleine Krikhaar | onderzoek pv-panelen’’.
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
Verder is in de omgevingsverordening, voor de groene omgeving, de Kwaliteitsimpuls Zonnevelden opgenomen. Dit beleid geeft ruimte om zonnevelden te ontwikkelen op daarvoor geschikte locaties. Onder de voorwaarde dat daarmee tevens kwaliteit wordt gerealiseerd. Toepassing is aan de orde als projecten in het landelijk gebied worden gerealiseerd. De Kwaliteitsimpuls Zonnevelden is gebaseerd op vier principes uit het provinciaal ruimtelijk beleid: • • • •
Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (Zonneladder) Passendheid in of bijdragend aan het landschap Beperken en compenseren van de effecten op landschap en ecologie Evenwichtige verdeling van lusten en lasten door realisatie van maatschappelijke meerwaarde
Artikel 2.1.8, lid 1 bepaalt dat de zelfstandige opstelling van zonnepanelen alleen is toegestaan als tijdelijk (mede)gebruik van de gronden. Deze voorwaarde kan worden vervuld doordat het plan een zonnepaneelopstelling omvat voor een maximale periode van 25 jaar, op een omkeerbare wijze, waarbij de oorspronkelijke bestemming van de grond behouden blijft. Artikel 2.1.8, lid 2 geeft aan dat bestemmingsplannen uitsluitend voorzien in de opstelling van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen in de Groene Omgeving als de maatschappelijke meerwaarde is aangetoond én is aangetoond dat verlies van ecologische en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Aan deze voorwaarde wordt voldaan door een investering in ruimtelijke kwaliteit door het aanplanten van streekeigen struweelbeplanting waardoor de bestaande groenstructuur van het landschap versterkt zal worden. Meerwaarde kan worden aangetoond vanuit de volgende criteria cf. artikel 2.1.8.2, lid 3: •
•
•
•
De mate waarin sprake is van meervoudig ruimtegebruik (combinaties met andere functies) De mate waarin het project in combinatie met andere functies kan worden gebruikt, wordt aangetoond door het behouden van het grasland en het handhaven van zijn oorspronkelijke functie. Maatregelen die getroffen worden om de impact te beperken en/of te compenseren Er worden maatregelen getroffen om de impact te beperken en/of te compenseren, zoals het aanplanten van groen, in de vorm van struwelen, om de huidige structuur van het landschap te versterken. De mate waarin wordt aangesloten op de karakteristieken van het gebied (gebiedseigen/gebiedsvreemd) Het project sluit aan bij de kenmerken van het gebied door het gebruik van streekeigen beplanting. Bovendien wordt het zonneveld verdiept uitgevoerd, waardoor het landschap zijn natuurlijke uitstraling behoudt. Bijdrage aan maatschappelijke doelen (in ieder geval aan de provinciale doelen ten aanzien van duurzaamheid, maar ook aan draagvlak in de omgeving, bijdrage aan maatschappelijke cohesie, (financiële) bijdragen aan maatschappelijke opgaven, enz.). De plannen zijn besproken met de eigenaren van de aangrenzende percelen. Hierin vind men allen dit een fraaie oplossing voor de panelen. Voor alle buurtbewoners e.d. is de verdiepte opstelling niet zichtbaar.
Het project draagt bij aan de provinciale doelstelling om het opwerken van duurzame energie te stimuleren en te reguleren.
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
De extra investering in ruimtelijke kwaliteit is geformuleerd als een bijzondere vorm van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving zoals die is opgenomen in artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is er een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de aanleg van de pv-panelen landschappelijk goed en zorgvuldig wordt ingepast. In het inrichtingsplan is te zien dat naast de pv-panelen geïnvesteerd wordt in de omgeving om de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse te versterken. Dit wordt gedaan door middel van het toevoegen van gebiedseigen landschapsmaatregelen. Hierdoor wordt geacht dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de eisen van de Kwaliteitsimpuls Zonnevelden. De Provincie Overijssel streeft naar verduurzaming en de hiervoor benodigde (grootschalige) productie van duurzame energie om aan de nationale energie-transitie te kunnen bijdragen. Om deze doelstelling te behalen heeft de provincie Overijssel, een Programma Nieuwe Energie Overijssel, evenals een kwaliteitsimpuls zonne-energie opgesteld, waarin zowel gehoor aan de noodzaak tot het opwekken van zonne-energie, alsmede structurerende richtlijnen voor het opwekken van deze energievorm in veldopstelling gegeven worden. Deze worden in het onderstaande nader toegelicht.
In 2016 is de provincie Overijssel samen met kernpartners van start gegaan met de ontwikkeling van het Programma Nieuwe Energie Overijssel. Dit programma heeft als doel om in 2023 20% hernieuwbare energie te realiseren en besparings- en efficiencymaatregelen in verschillende sectoren te stimuleren. Het tussenresultaat bestaat uit vijf thematische contouren (hernieuwbare energie, gebouwde omgeving, industrie en bedrijven, duurzame mobiliteit, lokale initiatieven) met daarin een eerste inventarisatie van ideeën en projecten. Deze vijf contouren vormen nog geen gezamenlijk programma maar geven inzicht in de eerste ideeën en beoogde projecten per thema. De opstelling pv-panelen aan Het Kleine Krikhaar levert via de opwekking van duurzame energie een bijdrage aan duurzaamheidsdoelstelling die de Provincie Overijssel voor 2023 heeft gesteld.
3.3.3. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Op grond van het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel kan worden bepaald of een initiatief mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. Dit is ook van toepassing op initiatieven voor zonnevelden. De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: • generieke beleidskeuzes • ontwikkelingsperspectieven • gebiedskenmerken Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
(aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent door vertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken De gebiedskenmerken zijn onderverdeeld in een viertal lagen (natuurlijke laag, agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en Leisure laag). Elk van deze lagen stelt specifieke kwaliteitsvoorwaarden en uitdagingen voor de ontwikkelingen. Het cruciale aspect is de invulling van de vraag "hoe" een ontwikkeling tot stand komt.
Door de drie genoemde niveaus te onderzoeken, kan worden bepaald of een ruimtelijke ontwikkeling haalbaar en noodzakelijk is, of het past binnen de ontwikkelingsvisie en op welke manier het uitgevoerd kan worden. Verderop in dit hoofdstuk zullen de kenmerken verder uitgewerkt worden. Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief aan het Kleine Krikhaar, wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling nodig of mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hierbij is onder andere het uitgangspunt van zorgvuldig en zuinig gebruiken van ruimte van belang die ervoor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en bebouwde percelen wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Geesteren. Er wordt een opstelling pv panelen gerealiseerd op een onbebouwd perceel (weiland) gesitueerd nabij de woning aan Het Kleine Krikhaar 1 te Geesteren. De locatie heeft een primaire agrarische functie. Een deel ca. 800m2 zal plaatsmaken voor de aanplant van streekeigen beplanting. De opstelling pv-panelen beslaat ca. 115m2. Met de realisering van de opstelling pv-panelen geeft het invulling aan de verduurzaming van de woning.
Gelet op de zonneladder gaat zon op dak voor ten opzichte van de inzet van agrarische gronden. De minimalistische schuurwoning is onder architectuur ontworpen en gebouwd. De woning heeft veel positieve reacties gehad in de landelijke en regionale media. PV-panelen op het dak zouden afbreuk doen aan de woning en aan de tijdloosheid hiervan. Hierdoor wordt er gebruikgemaakt van de naastgelegen agrarische gronden. Hier is een speciale studie verricht waarbij zeven plekken op de locatie zijn onderzocht. De beoogde ontwikkeling voldoet daarmee aan het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik uit de provinciale omgevingsvisie. Tot slot maakt het plangebied deel uit van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn de grote mate van kleinschaligheid, het groene karakter en het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen. Voorliggende ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente, omdat de zonnepanelen nog altijd eenvoudig te verwijderen zijn. Het landschap wordt niet aangetast. Bovendien wordt er naast de aanleg van de zonnepanelen geïnvesteerd in het landschap ter plaatse door gebiedseigen
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
landschapselementen toe te voegen en worden de panelen verdiept geplaatst waardoor deze niet te zien zijn. Verder zijn er in het kader van de "generieke beleidskeuzes" geen aspecten die nadere onderbouwing behoeven. Het plan voldoet aan de gestelde generieke beleidskeuzes. Ontwikkelingsperspectieven Het plangebied behoort tot de ontwikkelingsperspectieven 'Het Nationaal Landschap Noordoost Twente'. Het plangebied bevindt zich volgens de omgevingsvisie Overijssel in de Groene Omgeving en valt binnen het Ontwikkelingsperspectief Wonen en Werken in het kleinschalige mixlandschap. De voornaamste ambitie hierbij is het behoud en voortzetten van de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen. Bovendien zijn er drie belangrijke ruimtelijke kwaliteitsambities van toepassing: het realiseren van een zichtbaar en beleefbaar mooi landschap, het versterken van de ruimtelijke identiteit als merken voor Overijssel, en het handhaven van een duurzaam en beleefbaar watersysteem. Schaalvergroting in de landbouw en opwekking van hernieuwbare energie krijgen ruimte in het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap, onder de voorwaarde van een zorgvuldige inpassing het kleinschalige landschap. Energie uit zon is een vorm van hernieuwbare energie.
De zonnepanelen passen daarmee binnen voorliggend ontwikkelingsperspectief en zoals in paragraaf 2.1 beschreven worden de zonnepanelen landschappelijk verdiept en zorgvuldig ingepast in de omgeving door het toevoegen van gebiedseigen landschapselementen.
Figuur 3.2 Ontwikkelingsperspectief voor de Groene Omgeving: Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap Geconcludeerd kan worden dat voorliggende ontwikkeling in overeenstemming is met de opgaven van het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap’.
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
Gebiedskenmerken Voor het plangebied gelden de volgende gebiedskenmerken: • natuurlijke laag: Beekdal en natte leegtes • laag van het agrarisch cultuurlandschap: Oude hoevenlandschap
Figuur 3.3 Natuurlijke laag: Beekdal en natte leegtes Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Geesteren. De natuurlijke laag en de laag van het agrarische cultuurlandschap zijn zichtbaar in het plangebied. De stedelijke laag is niet zichtbaar, omdat het plangebied in het buitengebied is gelegen en in of op de gronden er geen bebouwing aanwezig is. Met voorliggende ontwikkeling is een inrichtingsplan opgesteld, waarmee de aanleg van de pv-panelen landschappelijk wordt ingepast. Er wordt rekening gehouden met de natuurlijke laag en met de laag van het agrarisch cultuurlandschap. Daarnaast wordt door de toevoeging van landschapselementen de laag van het agrarisch cultuurlandschap versterkt, wat in overeenstemming is met de ambities van deze laag. In de figuren 3.3 en 3.4 wordt een fragment gegeven van de gebiedskenmerkenkaart met de betreffende lagen. Het plangebied wordt met een rode markering aangegeven.
Figuur 3.4 laag van het agrarisch cultuurlandschap: Oude hoevenlandschap Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
Geconcludeerd kan worden dat de voorliggende ontwikkeling volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 MijnOmgevingsvisie Tubbergen De gemeenteraad van de gemeente Tubbergen heeft op 16 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Tubbergen, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Tubbergen en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen ' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. We doen het samen; 2. We geven het goed voorbeeld; 3. We wentelen niet af op volgende generaties; 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. De gemeente Tubbergen wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Tubbergen is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn.
Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Tubbergen komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Tubbergen streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners, partners en de gebruikers. Naast de speerpunten wordt er in de omgevingsvisie gesproken over de waardenkaart die het buitengebied van de gemeente Tubbergen verdeeld in verschillende types landschappen. Onderscheid wordt gemaakt tussen: • donkergroen gekleurd landschap • middelgroen landschap • lichtgroen gekleurd landschap • groen gearceerde gebieden
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
Figuur 3.5 Mijn omgevingsvisie Tubbergen, middelgroen landschap Het plangebied is gelegen in het middelgroen gekleurd landschap. In deze gebieden met de tussen kleur groen zijn waarden aanwezig voor modern, agrarisch gebruik als mede landschapswaarden die van belang zijn voor natuur, beleving en recreatie. Het is vooral gericht op beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek. Er moet worden ingespeeld op de schaal van het landschap en het afwisselden karakter. Behoud van natuurwaarden en cultuurhistorie, verstreken van de biodiversiteit, vasthouden van water, bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is, belevingswaarde gericht op recreatie. Conclusie - Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld om de aanleg van een opstelling pvpanelen op agrarische gronden mogelijk te maken. Zoals reeds beschreven is het dak van de woning niet geschikt en zijn er diverse locatie onderzocht in het plangebied voor de opstelling. Hierdoor wordt gebruik gemaakt van de agrarische gronden. Deze gronden bevinden zich in een middelgroen gekleurd landschap waar ruimte is voor ontwikkelingen. Door de aanleg van de pv-panelen kan er duurzame energie worden opgewekt. De zonnepanelen worden landschappelijk adequaat en zorgvuldig ingepast. Tevens worden ze verdiept geplaatst.
Er wordt geïnvesteerd in het landschap waardoor de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving wordt versterkt. Natuurwaarden worden behouden, de ontwikkeling versterkt de ruimtelijke kwaliteit en draagt bij aan het gebouwd van het coulisselandschap. Het landschap wordt hierdoor versterkt en er wordt bijgedragen aan het meer duurzaam maken van het buitengebied van de gemeente Tubbergen. Geconcludeerd kan worden dat de voorliggende ontwikkeling in overeenstemming is met de omgevingsvisie van de gemeente Tubbergen.
3.4.2 Zonneveldenbeleid In april 2019 heeft de gemeente Tubbergen het zonneveldenbeleid vastgesteld. De vier Noordoost Twentse gemeenten (Dinkelland, Losser, Oldenzaal en Tubbergen) hebben hiervoor een gezamenlijk zonneveldenbeleid ontwikkeld. Kleinschalige initiatieven voor een veldopstelling, die alleen voorzien in de eigen energiebehoefte van de initiatiefnemer, kan worden besloten om medewerking te verlenen, wanneer er geen mogelijkheden zijn om de aanwezige daken te beleggen met zonnevelden. Daarvoor zijn de richtlijnen die in deze notitie staan beschreven niet direct van toepassing. In dat geval is het reguliere gemeentelijke ruimtelijke toetsingskader van toepassing. Het initiatief (40 panelen voor eigen energiebehoefte) valt onder de omschrijving van een kleinschalig initiatief waarop het gemeentelijke zonnevelden beleid niet van toepassing is. De genoemde uitgangspunten in het gemeentelijke beleid over participatie van de omgeving en kwaliteitsinvestering
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
investering gelden derhalve niet voor het kleinschalige initiatief. Uiteraard zal er wel sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke/landschappelijke inpassing. Daarnaast wordt het uitgangspunt gehanteerd dat zonnevelden tijdelijk bestaan. Dit uitgangspunt wordt gehanteerd, omdat men op langere termijn verwacht geen veldopstelling meer nodig te hebben vanwege innovatie en prijsdaling, waardoor andere voordelige vormen van energieopwekking gaan ontstaan. In navolging van het provinciale beleid geldt er derhalve een maximale tijdsduur van 25 jaar. Conclusie - Voorliggende ontwikkeling heeft betrekking op de aanleg van zonnepanelen op een perceel aan Het Kleine Krikhaar in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. Het plangebied kent een oppervlakte van circa 22.250 m². Het zonnepanelenveld zal een omvang hebben van circa 115 m², waardoor dit te omschrijven is als een kleinschalig initiatief waarop het gemeentelijke zonnevelden beleid niet van toepassing is. De zonnepanelen worden zo aangelegd dat deze na 25 jaar – indien nodig – eenvoudig te verwijderen zijn. Daarnaast wordt de aanleg van het zonnepanelenveld landschappelijk verdiept, goed en zorgvuldig ingepast en wordt het landschap ter plaatse versterkt door het toevoegen van gebiedseigen landschapselementen.
Geconcludeerd kan worden dat de aanleg van zonnepanelen op een perceel aan Het Kleine Krikhaar voldoet aan het gestelde beleid voor zonnepanelen vanuit de gemeente Tubbergen.
3.4.3 Nota ‘De casco-benadering in Noordoost-Twente’ De gemeente Tubbergen heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Tubbergen heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Dinkelland, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.5) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco. Het plangebied is aangegeven.
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
Figuur 3.5 casco-kaart Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie).
Conclusie - Volgens de casco-kaart in figuur 3.5 behoort de opstelplek van de zonnepanelen niet bij het casco. Bij delen van het plangebied die zich niet tot de Casco toebehoren mogen de elementen wel verplaatst worden. Middels voorliggende ontwikkeling worden er echter geen elementen verplaatst of verwijderd, sterker nog: er worden elementen toegevoegd in de vorm van struwelen . Geconcludeerd kan worden dat voorliggende ontwikkeling volledig in overeenstemming is met het bepaalde in de Nota ‘De casco benadering in Noordoost-Twente’.
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
4. Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije MER beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Conclusie - Er wordt middels deze ruimtelijke onderbouwing de aanleg van zonnepanelen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied is agrarisch. Het aanleggen van zonnepanelen wordt niet expliciet benoemd in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage.
Het was lang onduidelijk of een zonnepark (zonnepanelenveld) valt onder het Besluit milieueffectrapportage. Uit de uitspraak van de Raad van State (ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770) blijkt dat dit niet het geval is. Deze uitspraak gaat over een zonnepark waarvoor via de kruimelgevallenregeling een omgevingsvergunning is verleend. Het park bevat ongeveer 22.500 zonnepanelen en enkele trafostations. De Raad van State geeft aan dat een zonnepark niet onder de reikwijdte van het Besluit milieueffectrapportage valt. Een zonnepark is volgens de Raad geen: • landinrichtingsproject, • geen stedelijk ontwikkelingsproject en ook • geen industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r. Het Besluit milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor voorliggende ruimtelijke onderbouwing.
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
4.2 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk of rustig buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'.
In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven. Conclussie - Voorliggende ontwikkeling heeft betrekking op de aanleg van zonnepanelen. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. Hierdoor wordt uitgegaan van het omgevingstype ‘rustig buitengebied’.
Figuur 4.1 Richtafstanden VNG-uitgave
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
Interne werking - Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Een opstelling van zonnepanelen is geen milieugevoelig object. Geacht wordt dat het zonnepanelenveld geen hinder ondervindt van de bestaande functies in de omgeving. Externe werking - Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De opstelling van zonnepanelen is geen milieubelastend object. De omvormer wordt niet in de buitenlucht geplaatst maar in de woning. Volgens het zonneveldenbeleid dient er voor grootschalige zonnepanelenvelden een afstand van 100 meter tussen een zonneveld en een gevoelige functie te bestaan om een goed woon- en leefklimaat te garanderen voor de gevoelige functie. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft niet betrekking op een grootschalig zonneveld waarop het zonneveldenbeleid van toepassing is, maar op een zeer kleinschalig zonneveld ten behoeve van eigen voorziening, dit op ca. 140m geplaatst wordt van de eigen woning.
Ook woningen van derden liggen op minimaal 140 meter afstand tot de zonnepanelen. Hiermee wordt ruim voldaan aan de gestelde afstand van minimaal 100 meter tot een gevoelige functie.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor voorliggende ruimtelijke onderbouwing.
4.3 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: • • •
Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.
Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets en conclusie Een zonnepanelenveld is geen geluidsgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Geluid’ geen belemmering vormt voor voorliggende ruimtelijke onderbouwing.
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
4.4 Bodem Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet worden bepaald of de bodemkwaliteit van het betreffende gebied geschikt is voor het beoogde gebruik. Hiervoor is er sprake van een wettelijke verplichting om informatie over de bodemkwaliteit te inzichtelijk te maken. Hierbij is het van belang te weten of er mogelijk sprake is van een bodemverontreiniging, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: • • •
•
als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van ten hoogste 50 m²; als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd; als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd).
Toets en conclusie Het plangebied bestaat uit een weiland waarbij geen indicaties zijn dat er sprake is van bodem en/of grondwatervervuiling. Het gebruik van het plangebied als opstelplek voor zonnepanelen heeft geen milieu hygiënische invloed op de bodemkwaliteit van de betreffende gronden. Een bodemonderzoek kan derhalve achterwege blijven.
4.5 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Toets en conclusie Een zonnepanelenveld is niet een gevoelige bestemming. Een toetsing naar externe veiligheid kan in principe achterwege blijven. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Externe veiligheid’ geen belemmering vormt voor voorliggende ruimtelijke onderbouwing.
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen - Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen - Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets en conclusie In voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt de aanleg van een zonnepanelenveld mogelijk gemaakt. De aanleg van een zonnepanelenveld wordt niet benoemd in de regeling NIBM. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Luchtkwaliteit’ geen belemmering vormt voor voorliggende ruimtelijke onderbouwing.
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
4.7 Natuurwaarden Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening. Natuur Netwerk Nederland - Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN, voormalig EHS) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De EHS is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Gelet op de afstand tussen het onderzoeksgebied en de NNN en feit dat de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit als lokaal wordt beschouwd, heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. Natura 2000 - De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan.
Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming). Nederland heeft een vergunningenstelsel toegepast. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door de Minister van EZ. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Het plangebied ligt op ruim 4,1 kilometer meter afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek, zie ook figuur 4.2. Op ca. 4.9 km is het Natura-2000 gebied Engbertsdijkvenen gelegen.
Figuur 4.2 Ligging t.o.v. natura 2000
Het Kleine Krikhaar | R.O. zonnepanelen
Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten - De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is een negatief effect uitgesloten. Beoordeling stikstof - Het plangebied ligt op ruim 5 kilometer afstand van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000- gebied. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een uitstoot van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied.
Deze conclusie wordt getrokken op basis van ervaring met het opstellen van stikstofberekeningen voor vergelijkbare projecten, zoals qua omvang als afstand tot Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming - Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling het opzettelijk ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden diein het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd2. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode.
In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.