Bijlage Perspectiefnota Tubbergen 2026.pdf
Tekst van het document
Dit heeft geleid tot een aantal aanpassingen van inspanningen en werkbudgetten waardoor een bedrag van € 465.000 kan worden vrijgespeeld en toegevoegd aan de Reserve Incidenteel Beschikbare Algemene Middelen. Meest in het oog springende is het laten vrijvallen van de middelen voor de stimuleringsregeling binnen de ambitie Leefbare kernen om de simpele 23
reden dat er geen beroep wordt gedaan op deze regeling. Hierdoor valt een bedrag van € 600.000 vrij. Daarnaast hebben we een deel van de uitvoeringskosten voor duurzaamheid (jaarschijf 2023 die geparkeerd was binnen Noaberkracht) niet meer nodig. Hierdoor valt een bedrag van € 60.000 vrij. Daarnaast blijkt echter ook dat we een aantal inspanningen waaronder de centrummanager en de bestuursondersteuner die gekoppeld zijn aan de huidige coalitieperiode ook daadwerkelijk willen doorzetten tot aan het eind van deze coalitieperiode. Hier is een bedrag van ongeveer € 150.000 mee gemoeid. Tot slot moeten we ook een aantal inspanningen die worden betaald vanuit deze reserve indexeren. Voorgesteld wordt in te stemmen met de uitwerking van de zoekrichting “reserve coalitieakkoord” en een bedrag van € 465.000 te onttrekken aan deze reserve en te storten in de Reserve Incidenteel Beschikbare Algemene middelen. De reserve coalitieakkoord 2022-2026 heeft feitelijk een looptijd tot aan het einde van de huidige coalitieperiode. Middelen uit deze reserve die dan niet zijn besteed of van een bestemming zijn voorzien vallen dan in principe terug naar de algemene middelen. Deze middelen zijn dan beschikbaar voor de nieuwe bestuursperiode en kunnen dan betrokken worden bij de integrale afweging van ambities, nieuw beleid en intensiveringen van beleid.
Bij het opstellen van de komende begroting 2026 zullen we wederom zeer kritisch inzoomen op de niet bestede en niet bestemde middelen binnen deze reserve. Eventuele middelen die niet besteed maar al wel bestemd zijn tijdens deze coalitieperiode betrekken we bij het overdrachtsdocument waar we eind van dit jaar mee aan de slag gaan. Reserve Incidenteel Beschikbare Algemene Middelen (RIBAM) In de begroting 2025 is weergegeven dat de vrije ruimte in deze reserve € 1.563.500 bedraagt. Inmiddels zijn een aantal besluiten genomen wat maakt dat de reserve incidenteel beschikbare algemene middelen op dit moment het volgende beeld laat zien: RIBAM Stand volgens begroting 2025 Bij: surplus algemene reserve Bij: vrijval reserve coalitieakkoord Af: versnelling organisatieontwikkeling Noaberkracht Af: incidenteel transformatiebudget dorpsondersteuners Af: incidentele dekking Twente Board 2027 Af: incidentele bijdrage SSRT Herziene stand RIBAM
€ 1.563.500 1.007.000 465.000 -435.000 -260.000 -225.000 -675.000 1.440.500
Het surplus op de algemene reserve en de vrijval vanuit de reserve coalitieakkoord zijn hiervoor benoemd en beschreven. De vier onttrekkingen hebben allen betrekking op voorstellen die eerder in deze perspectiefnota zijn benoemd en beschreven.
24
Voorgesteld wordt in te stemmen met de aangegeven mutaties op de Reserve Incidenteel Beschikbare Algemene Middelen Herziene stand algemene incidentele middelen Rekening houdend met de aangegeven en toegelichte mutaties op de genoemde reserves ontstaat het volgende beeld van de algemeen incidentele middelen: Beschikbare algemene incidentele middelen - P nota 2026 - Weerstandcapaciteit ratio 1,5 (algemene reserve) - Reserve coalitieakkoord 2022-2026 - Reserve incidenteel beschikbare algemene middelen Totaal Beschikbare algemene incidentele middelen
25
€ 5.100.000 2.793.000 1.440.500 9.333.500
Perspectief Lokale Lasten In deze paragraaf geven we een overzicht van de te verwachten ontwikkeling van de lokale lasten (druk) voor het jaar 2026. Dit doen we door een aantal relevante ontwikkelingen in beeld te brengen die mogelijk gevolgen hebben voor de verschillende tarieven maar vooral door de gevolgen van eerdere besluiten door te vertalen naar de tarieven voor het jaar 2026. Achtereenvolgens komen de volgende onderdelen van de lokale lasten aan bod: • Onroerende Zaak Belasting (OZB) • Rioolrecht • Afvaltarieven Onroerende Zaak belasting (OZB) Voor het indexeren van de ozb tarieven gaan we uit van het consumentenprijsindexcijfer over de periode juni tot en met juni voorafgaand aan het betreffende begrotingsjaar. Voor het jaar 2026 gaat het dus om het prijsindexcijfer juni 2024 – juni 2025. In afwachting van bekendwording gaan we in meerjarig perspectief uit van een stijging van een aanpassing van 2%. Daarnaast is als onderdeel van de besluitvorming uit de perspectiefnota 2024 besloten om qua lokale lasten toe te groeien naar het gemiddelde in Overijssel. Dat betekent de komende jaren een gefaseerde groei van 10%. Dat doen we in drie stappen van 3% (2% uit de perspectiefnota en 1% uit eerder besluitvorming vanaf 2021).
Dit heeft onder andere te maken met de nadelige gevolgen van de herijking van het gemeentefonds (Tubbergen nadeelgemeente voor € 25 per inwoner) die wel deels hebben opgevangen door de OZB tarieven te verhogen. Daarnaast doen we in deze perspectiefnota 2026 in het kader van de uitwerking van de zoekrichtingen het voorstel om de OZB tarieven met 4% extra verhogen. Zoals aangegeven komen we met deze aanpassing naar verwachting op het landelijk gemiddelde. Samenvattend komen we voor het jaar 2026 op een te verwachten stijging van de OZB tarieven met 9%. Daadwerkelijke besluitvorming hierover betrekken we bij het opstellen van de begroting 2026. Rioolheffing Voor de rioolheffing hanteren we op basis van bestaand beleid 100% kostendekkendheid. Dat wil zeggen dat we de kosten die we maken voor onderhoud en vervanging van het rioolstelsel doorberekenen in de tarieven. De hoogte van de rioolheffing is gebaseerd op het Water en Rioleringsplan (WRP) 2025-2030. Belangrijke input voor dit nieuwe GRP zijn de gevolgen van klimaatadaptie en grondwaterproblematiek. De gestegen prijzen (de inflatie) en de hogere rente werken ook door binnen in de ramingen voor onderhoud en vervanging Riool. Gezien de ontwikkeling van de prijzen (de inflatie) maar ook de ontwikkeling van de lonen verwachten we voor het jaar 2026 een stijging van de rioolheffing.
Daadwerkelijke besluitvorming hierover betrekken we bij het opstellen van de begroting 2026. Afvaltarieven Voor de afvaltarieven hanteren we op basis van bestaand beleid 100% kostendekkendheid. Dat wil zeggen dat we de kosten die we maken voor de afvalinzameling en afvalverwerking doorberekenen in de tarieven. Gezien de ontwikkeling van de prijzen (de inflatie) maar ook de ontwikkeling van de lonen verwachten we voor het jaar 2026 een stijging van de afvaltarieven. Naast deze mogelijke reguliere aanpassing van de afvaltarieven spelen ook nog een aantal andere zaken die mogelijkerwijs effect hebben op de hoogte van de afvaltarieven. Als eerste noemen we de CO2 heffing op verbranden afval. 26
Afval Energie Centrales, AEC's, betalen voor het verbranden van afval een CO2 heffing. Het doel is om het verbranden van afval te reduceren. Op deze manier wordt het verder scheiden van afval aangemoedigd. Voor de inwoners wordt deze heffing in 2026 bij de gemeenten in rekening gebracht. Eerste geluiden wijzen op een heffing die oploopt van € 3,-- per ton uitgestoten CO2 in 2026 tot € 26,-- in 2030. Dit heeft gevolgen voor de Afvalstoffenheffing. Daarnaast krijgen gemeenten te maken met een zogenaamde SUP-vergoeding en prullenbakvergoeding. Vanaf 1 januari 2023 geldt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) voor de opruimkosten voor zwerfafval. Dit was in eerste instantie een incidentele vergoeding, maar in de regelgeving is dit gewijzigd naar een structurele vergoeding. De gemeenten ontvangen dus jaarlijks een vergoeding van producenten (via het Afvalfonds en Rijkswaterstaat) in het kader van de Richtlijn Single Use Plastics (SUP) én voor de verwerking van verpakkingsafval uit openbare prullenbakken (prullenbakvergoeding). Deze vergoedingen zijn bedoeld als compensatie voor de kosten die gemeenten maken voor het opruimen en verwerken van zwerfafval en verpakkingen in de openbare ruimte. De kostenvergoeding vanuit de UPV is niet ‘gelabeld’, en de hoogte wordt bepaald aan de hand van het aantal inwoners.
Voor Tubbergen gaat het om een structurele vergoeding van ongeveer € 73.000. Afval uit de openbare ruimte en in openbare prullenbakken wordt niet gekwalificeerd als huishoudelijk afval. Gemeenten zijn daarom vrij hoe deze vergoeding te bestemmen. Toevoegen aan de algemene middelen als algemeen dekkingsmiddel of via bijvoorbeeld het product straatreiniging (deels) toerekenen aan de afvalbegroting waardoor de tarieven voor de burgers lager worden. In de jaarverantwoording 2024 is de vergoeding voor 1 jaar verwerkt en betrokken bij het product afval wat heeft geleid tot een (hogere) storting in de voorziening afval. Besluitvorming over de vergoeding voor 2025 en 2026 moet nog plaatsvinden. De financiële consequenties van beide ontwikkelingen zullen betrokken worden bij het opstellen van de begroting 2026 en het programmajournaal 2025.
27