CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Notitie Omgevingshuis.pdf

Raadscommissie 31 augustus 2021, gemeente TubbergenBij agendapunt: 12: Het Omgevingshuis: uitgangspunten voor de transitie van het huidige omgevingsrecht naar het omgevingshuis18.019 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hierin schuilt echter ook een gevaar, wanneer een initiatiefnemer bij het raadplegen of bij het doorlopen van de vergunningscheck verkeerde aannames doet. Gelet op onze samenlevingsgerichte werkwijze, lijkt meer begeleiding vanuit de ambtelijke organisatie een meer voor de hand liggende keuze. Nader onderzoek moet dan ook gaan uitwijzen in welke mate we de elementen gaan toepassen.

4.3 UITGANGSPUNTEN 

Uitgangspunten transitie bruidsschat in Omgevingsplan: samenwerken met de ODT voor de transitie van de regels uit de bruidsschat die betrekking hebben op milieubelastende activiteiten, en niet zijn geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, in het Omgevingsplan; aan de hand van de drie actiepunten van de VNG (schrap, stem af, specificeer) zelf bepalen welke regels uit de bruidsschat die betrekking hebben op het ruimtelijk aspect van bouwen worden opgenomen in het Omgevingsplan; o schrap - waar er geen lokaal probleem is; o stem af - op de specifieke situatie in het gebied;

23

-

o specificeer - als er specifieke wensen voor een gebied zijn. in 2021 onderzoeken op welke milieubelastende activiteiten de bruidsschat voorrang krijgt boven het gemeentelijk beleid ten aanzien van dezelfde milieubelastende activiteiten, wat de gevolgen hiervan zijn en of het noodzakelijk is om hiervoor een regeling te treffen in de vorm van het opnemen van de beleidsvoorwaarden in een verordening.

Uitgangspunten transitie bestemmingsplannen: objectgerichte ordening door te werken met functies of functie-aanduidingen met daaraan gekoppeld activiteiten; komende jaren keuzes maken in welke activiteiten vergunnings vrij uitgevoerd kunnen worden, voor welke activiteiten een meldings- of informatieplicht geldt en voor welke activiteiten een vergunning is vereist.

Uitganspunten integratie verordeningen Uitgangspunten voor wat in een omgevingsplan moet worden vastgelegd en wat daar niet mag worden vastgelegd wordt bepaald aan de hand van de volgende twee vragen: 1. Bevat de regeling onderwerpen die zijn uitgesloten van integratie in het omgevingsplan (artikel 2.7, tweede lid, van de Ow jo. artikel 2.1, tweede lid, van het Ob)? 2. Bevat de regeling regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen of gaat het om regels die het gebruik van de fysieke leefomgeving betreffen of regels over het veroorzaken van emissies, hinder of risico’s (artikel 2.7, eerste lid, van de Ow jo. artikel 2.1, eerste lid, van het Ob)? Voor regels waar keuzevrijheid bestaat moeten keuzes worden gemaakt. Dat kan o.a. aan de hand van de volgende vragen: 3. Welke regelingen bevatten onderwerpen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en zijn daarvoor ook voldoende relevant? 4. Wat is het rechtskarakter van deze regelingen? 5. Wat is het motief van de regelingen? 6. Gaat het om een autonome regeling of een regeling in medebewind? 7. Wie is het bevoegd gezag van de regelingen?

Uitgangspunt vernieuwende technieken Nader onderzoek moet uitwijzen in welke mate en op welke wijze invulling wordt gegeven aan de elementen ‘objectgerichte regels’, ‘annotatie’ en ‘toepasbare regels’. Gelet op onze samenlevingsgerichte werkwijze, lijkt meer begeleiding vanuit de ambtelijke organisatie een meer voor de hand liggende keuze.

Fasering tot 2029 het tijdelijke omgevingsplan wordt in fasen omgezet naar een omgevingsplan nieuwe stijl. de te maken keuzes hierin worden mede bepaald door de bruidsschat en de wens om daarin lokale keuzes te maken. Momenteel is het ODT bezig met het in kaart brengen van de gevolgen en de te maken keuzes. In samenwerking met het ODT verwerken we dit in een lokale aanpak; bij het opstellen van het omgevingsplan nieuwe stijl wordt rekening gehouden met de participatievereisten van de Omgevingswet; voor het opstellen van een omgevingsplan nieuwe stijl zijn adviespartners nodig, zoals het ODT, stedenbouwkundige planbureaus, etc.; er moet rekening worden gehouden met extra kosten en inzet van ambtelijke capaciteit. Hiervoor is in de begroting van 2022 ook al een reservering gemaakt.

24

5. OM GEVINGSVERGUNNING De omgevingsvergunning bouwt voort op en is een verdere uitbouw van de omgevingsvergunning uit de huidige Wabo. De omgevings vergunning integreert en harmoniseert de vergunningverlening o.a. voor de vergunningplichtige activiteiten uit de domeinen bouw, milieu, cultureel erfgoed en ruimtelijke ordening, de vergunningen voor archeologische rijksmonumenten uit de Monumentenwet 1988, etc.. Ook wordt een deel van de vergunningplichtige activiteiten over beschermde gebieden en soorten uit de Wet natuurbescherming geïntegreerd. Ten opzichte van het huidige Wabo-stelsel worden geen andere of nieuwe vergunningplichtige activiteiten in het leven geroepen. Het vergunningenstelsel uit lokale verordeningen gaat op in het omgevingsplan waarbij een omgevingsvergunning verplicht kan worden gesteld. Dit betreft dan een omgevingsvergunning voor de ‘omgevingsplanactiviteit’. Met de omgevingsvergunning worden activiteiten vergund. Dit heeft mede tot gevolg dat in het ‘milieuspoor’ niet langer sprake is van vergunningplichtige inrichtingen maar zijn de ‘milieu belastende activiteiten’ omgevingsvergunningplichtig gesteld. Dit heeft tot gevolg dat de vergunningplicht zich niet alleen meer richt tot inrichtingen maar tot een ieder die een ‘milieubelastende activiteit’ uitvoert. Voorts verandert de bouwaanvraag onder de Omgevingswet.

In de volgende paragraaf is eerst een korte schets opgenomen voor hoe het nu is geregeld en vervolgens wat er wijzigt. Een aanvrager is zelf verantwoordelijk om voor alle vergunningplichtige activiteiten een vergunning te verkrijgen. De gemeente heeft een inspanningsverplichting om de aanvrager in kennis te stellen van eventuele andere op aanvraag te nemen en vereiste besluiten. Maar de aanvrager bepaalt zelf welke activiteit hij op welk moment aanvraagt. Het uitvoeren van de activiteit is verboden zolang niet voor alle vergunningplichtige activiteiten een vergunning is verleend. Belangrijk verschil met de omgevingsvergunning onder de Wabo is dat onder de Omgevingswet geen vergunning van rechtswege meer kan ontstaan.

5.1 HOE HET IS NU GER EGELD? Bouwen is nu geregeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), Besluit omgevingsrecht (Bor), Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor), Wet ruimtelijke ordening, Bouwbesluit, Bouwverordening en het gemeentelijke Wels tandsbeleid (Welstandsnota: de nota Omgevingkwaliteit). De omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen onder de Wabo kent vier weigeringsgronden: 1. 2. 3. 4.

strijd met het Bouwbesluit; strijd met de Bouwverordening; strijd met de redelijke eisen van welstand; strijd met het bestemmingsplan.

Het in strijd zijn van de aanvraag met één van deze onderdelen betekent in beginsel dat de omgevingsvergunning geweigerd zal worden. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen betekent dus dat voldaan wordt aan het Bouwbesluit en de Bouwverordening, er geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan (dan wel dat een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan is verleend) en wordt voldaan aan redelijke eisen van welstand.

5.2 W AT VERANDERT ER MET DE KOMST VAN OMGEVINGSW ET? Het toetsingskader verandert en de vergunningplicht wordt opgesplitst in twee delen: -

-

vergunningplicht technische bouwactiviteit (technische vergunning) op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl, voorheen Bouwbesluit). Onder de Omgevingswet wordt dit de ‘bouwactiviteit’ genoemd; vergunningplicht omgevingsplanactiviteit (ruimtelijke vergunning) op grond van het omgevings plan (hierin gaan de regels uit het bestemmingsplan, de bouwverordening en het welstandsbeleid op). Onder de Omgevingswet behoort deze categorie tot de ‘omgevingsplanactiviteit’.

25

Dit betekent dat voor het bouwen van een bouwwerk twee aparte vergunning en nodig kunnen zijn: een bouwtechnische vergunning en een ruimtelijke vergunning – de omgevingsplanvergunning. Maar ook dat voor het bouwen van een bouwwerk bijvoorbeeld geen bouwtechnische vergunning meer vereist is maar alleen een ruimtelijke vergunning. Het opsplitsen of opknippen heet ‘de knip’. Een voorbeeld: Nu wordt een dakkapel aan de voorzijde van een gebouw ook bouwtechnisch getoetst maar aan de achterzijde van een pand niet. Dit komt omdat vanwege ruimtelijke redenen een dakkapel aan de voorzijde vergunningplichtig is gesteld. Onder de Omgevingswet vervalt dan de bouwtechnisc he vergunning en blijft alleen de ruimtelijke vergunning (omgevingsplanactiviteit) over.

5.2.1 BOUW TECHNISCHE TOETS Artikel 5.1 van de Omgevingswet geeft de grondslag voor de vergunningplicht voor de technische bouwactiviteit. Deze vergunningplicht is verder uitgewerkt in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het Bbl bepaalt of er een bouwtechnische vergunning (of melding) nodig is. Het Bbl ziet met name op de bouwtechnische eisen waaraan een bouwwerk moet voldoen. De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) De Wkb treedt naar verwachting tegelijk met de Omgevingswet in werking. De Wkb regelt dat de gemeente een bouwplan bij vergunningverlening niet meer hoeft te toetsen aan bouwtechnisc he voorschriften. De Wkb introduceert hierbij een private kwaliteitsborger als toezichthouder. In drie gevolgklassen wordt de Wkb stapsgewijs ingevoerd onder Omgevingswet. Vooralsnog zal de Wkb alleen gaan gelden voor bouwwerken die onder de zogenoemde gevolgklasse 1 vallen (vb grondgebonden eengezinswoning). Als de Wkb van toepassing is op een bouwwerk (en dus valt onder gevolgklasse 1) dan hoeft geen bouwtechnische omgevingsvergunning te worden verkregen, maar kan worden volstaan met een (bouw)melding. In dat geval moet een kwaliteitsborger beoordelen of een bouwwerk aan bepaalde bouwtechnische eisen voldoet.

De gemeente toetst een bouwplan dan niet meer preventief (dus in het kader van de vergunningverlening) aan de bouwtechnische voorschriften (zoals nu neergelegd in het Bouwbesluit). Als een melding voor de activiteit bouwen wordt ingediend, zal de gemeente (1) de gevolgklasse moeten vaststellen, (2) moeten toetsen of het gekozen instrument voor het bouwwerk is toegelaten, (3) of de kwaliteitsborger toestemming heeft om te werken met dat instrument, (4) of een borgingsplan en (5) ook de overige benodigde stukken zijn ingediend. De wetgever heeft daarbij niet gewild dat het bevoegd gezag de bouwmelding inhoudelijk moet beoordelen. Bij de gereedmelding van het bouwwerk ontvangt de gemeente de verklaring van de kwaliteitsborger die onderdeel uitmaakt van het ‘dossier bevoegd gezag’ en moet de gemeente toetsen of aan de formaliteiten is voldaan. Als dit niet (geheel) het geval is, kan zij besluiten dat het bouwwerk niet in gebruik mag worden genomen en gebruik maken van haar handhavingsbevoegdheden.

5.2.2.RUIMTELIJKE TO ETS Het omgevingsplan (inclusief de bruidsschat) bepaalt of er een ruimtelijke vergunning (of melding) nodig is. Het omgevingsplan is enigszins vergelijkbaar met het huidige bestemmingsplan. Een verschil met het bestemmingsplan is dat er behalve ruimtelijke en stedenbouwkundige aspecten ook andere aspecten in geregeld worden, zoals bijvoorbeeld milieuaspecten, duurzaamheid en ook welstand. Het welstandsbeleid is een onderdeel van het omgevingsplan, zodat met de ruimtel ijke toets aan het omgevingsplan ook aan de redelijke eisen van welstand wordt getoetst. De bruidsschat geeft regels voor de ruimtelijke kant van bouwen. De regels in de bruidsschat zijn afkomstig uit onder andere het Besluit omgevingsrecht en de Bouwverordening.

5.2.3 W ELSTANDSTOETS Op grond van art. 4.19 Omgevingswet heeft een gemeente onder de Omgevingswet een Welstandsnota, die onderdeel is van het omgevingsplan. De Welstandsnota blijft dus van toepassing. Het uiterlijk van een bestaand bouwwerk mag in beginsel niet in ernstige mate in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand (bruidsschat art. 22.7 Repressief welstand).

26

In het huidige recht is de gemeente verplicht bij de welstandstoets advies te vragen aan de Welstandscommissie danwel de Stadsbouwmeester. Onder de Omgevingswet heeft de gemeente meer ruimte om een eigen afweging van belangen te maken. De Omgevingswet vergroot de keuzes van gemeenten voor de inrichting van het adviesstelsel. Alle gemeenten met rijksmonumenten zijn verplic ht om een adviescommissie in te stellen die minimaal over de rijksmonumenten adviseert, met uitzondering van archeologische monumenten. De wet voorziet niet in overgangsrecht, dus gemeenteraden wordt geadviseerd in elk geval voor het inwerkingtreden van de Omgevingswet zo’n commissie in te stellen. Om huidige werkwijze beleidsneutraal voort te zetten onder de Omgevingswet wordt de gemeenteraad geadviseerd de advisering inzake redelijke eisen van welstand op dezelfde wijze vorm te geven. De rol van stadsbouwmeester en het kwaliteitsteam kunnen dan ook naast de verplichte adviescommissie over rijksmonumenten opnieuw worden ingesteld. Ook de Regioarcheoloog kan opnieuw als adviseur worden aangewezen. Daarnaast kan de verplicht in te stellen adviescommissie over ri jksmonumenten ook ingesteld worden als adviescommissie bij gemeentelijke monumenten. Op deze wijze geldt dat voor alle monumenten binnen de gemeente dezelfde werkwijze gehanteerd wordt en dezelfde adviescommissie adviseert.

Dit bevordert de eenheid in advisering. Hiervoor zal in 2021 een apart raadsbesluit worden aangeleverd.

5.2.4 VERGUNNINGVR IJ BOUW EN Vergunningvrij bouwen onder de Omgevingswet is ook opgeknipt in de bouwtechnische activiteit en de ruimtelijke omgevingsplanactiviteit. Een bepaalde activiteit moet dus zowel op grond van het Bbl, als op grond van het omgevingsplan (de bruidsschat) vergunningvrij zijn, wil je kunnen spreken van vergunningvrij bouwen.

5.2.4.1 BOUW TECHNISCH VERGUNNINGVRIJ BOUW EN Bouwactiviteiten worden voor het technische deel niet getoetst als de bouwactiviteit genoemd is in art. 2.15d van het Bbl of als de bouwactiviteit als omgevingsplanactiviteit is opgenomen in art. 2.15f van het Bbl. De meeste van de huidige vergunningvrije bouwactiviteiten, opgenomen in art. 2 bijlage II Bor, blijven vergunningvrij voor wat betreft de bouwtechnische toets. Of deze bouwactiviteiten op de gewenste plek ook ruimtelijk en esthetisch vergunningvrij zijn, is geregeld in de bruidsschat. Dat deze bouwwerken bouwtechnisch vergunningvrij zijn, betekent dat er geen (voorafgaande) toets door het bevoegd gezag plaatsvindt. Uiteraard moet wel aan de bouwtechnische eisen uit het Bbl worden voldaan.

5.2.4.2 RUIMTELIJK EN ESTHETISCH VERGUNNINGVR IJ BOUW EN In art. 22.27 van de bruidsschat staan de bouwactiviteiten waarvoor geen vergunningsplicht geldt, mits de activiteit voldoet aan de regels van het omgevingsplan. In dit artikel staan de huidige vergunningvrije bouwactiviteiten van art. 3 lid 1 bijlage II Bor. Art. 22.36 van de bruidsschat met de titel ‘Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan’ geeft aan welke regels van rechtswege onderdeel zijn van het omgevingsplan. Dit artikel komt overeen met het huidige art. 2, lid 3 van bijlage II Bor (bijbehorend bouwwerk). Dus om een bouwwerk onder de Omgevingswet geheel vergunningvrij te kunnen realiseren, moet het bouwwerk voldoen aan de bouwtechnische criteria voor vergunningvrij bouwen van het Bbl én aan de ruimtelijke criteria voor vergunningvrij bouwen van de bruidsschat. Als het bouwwerk slechts voldoet aan één van beide moet voor de ander een vergunning worden aangevraagd. Hierna volgt in paragraaf 5.2.6 een vereenvoudigde weergave van de systematiek van vergunning vrij bouwen onder het Bbl en de bruidsschat. In het kader van deze notitie voert het te ver om hier in meer detail op in te gaan.

27

5.2.5 PROCEDURE De hoofdregel is dat de reguliere procedure van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht wordt gevolgd (Omgevingswet, artikel 16.62) en dat deze maximaal 8 weken duurt en eventueel met 6 weken kan worden verlengd. Daarna is bezwaar en beroep mogelijk. De initiatiefnemer moet bij de vergunningaanvraag aangeven of en hoe omwonenden bij de aanvraag zijn betrokken (participatie). Hoofdstuk 7 gaat verder in op het onderdeel ‘participatie’. In bijzondere gevallen geldt de uitgebreide procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit is met name het geval wanneer activiteiten belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu of wanneer dit volgt uit Europeesrechtelijke inspraakverplichtingen. Het bevoegd gezag neemt dan uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit en legt binnen die termijn een ontwerp ter inzage waartegen zienswijzen kunnen worden ingediend. Daarnaast kan de uitgebreide procedure worden toegepast op verzoek van de aanvrager of indien deze door het college van toepassing is verklaard.

Dit kan alleen bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (zie hierna in hoofdstuk 6) waarbij het gaat om aanzienlijk e gevolgen voor fysieke leefomgeving en waartegen naar verwachting verschillende belanghebbende bedenkingen zullen hebben Onder de huidige wetgeving wordt de vergunning automatisch verleend als de beslistermijn voorbij is. Dit heet lex silencio positivo. Dit uitgangspunt staat in de Wet algemene bepalingen omgevingsrec ht (Wabo). In de Omgevingswet komt dit niet terug. Vooroverleg Zoals hiervoor aangegeven is de reguliere procedure de hoofdregel. Dit heeft tot gevolg dat een omgevingsvergunning waarbij voorheen de uitgebreide procedure werd gevolgd nu binnen de reguliere procedure beoordeeld en afgehandeld moeten worden. Dit geldt ook voor de meer complexere vergunningen zoals bijvoorbeeld de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Belangrijk is daarom dat het ‘verkennen van een initiatief’ dan ook zoveel mogelijk aan de voorkant plaatsvindt, in het zogenoemde vooroverleg. Voor de initiatiefnemer geeft dit kansen omdat vooraf meer helderheid wordt verkregen over de haalbaarheid van het plan. In het vooroverleg kunnen de verschillende adviespartijen (zowel intern als extern) alvast de haalbaarheid van het initiatief beoordelen. Ook kan hier met de initiatiefnemer besproken worden welke mate van participatie van belang is voor het initiatief.

In 2021 moet in het communicatieplan de stimulering van het vooroverleg prominent naar voren komen. Daarbij moet in 2021 onderzocht worden in hoeverre een financiële prikkel het werken met het vooroverleg gestimuleerd kan worden. Advies en instemming De Omgevingswet schrijft soms voor dat het bevoegd gezag een adviesorgaan om advies moet vragen voor het een besluit neemt. Soms moet het bevoegd gezag het adviesorgaan niet alleen om advies vragen, maar is er ook instemming van dat adviesorgaan nodig voor het nemen van een besluit. In afdeling 4.2 van het Omgevingsbesluit staat in welke gevallen advies en instemming verplicht zijn (vb. het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ingeval van sloop of ingrijpend wijzigen van een rijksmonument) Ook kan in een omgevingsplan of omgevingsverordening een adviesverplichting staan. In het volgende hoofdstuk wordt nader ingegaan op het adviesrecht van de raad. Het vragen om advies of instemming schort de beslistermijnen niet op. Maar als voor een besluit instemming verplicht is én de reguliere procedure geldt, wordt de beslistermijn langer. In plaats van de normale termijn van 8 weken, geldt een termijn van 12 weken (artikel 16.64 Omgevingswet). Als de uitgebreide procedure geldt, is er geen langere beslistermijn.

5.2.6 SCHEMA Het vorengaande is schematisch als volgt weer te geven.

28

5.3 UITGANGSPUNTEN De omgevingsvergunning betreft een instrument dat in leven wordt geroepen in het tijdelijke omgevingsplan of in het omgevingsplan van rechtswege. In het omgevingsplan is bepaald voor welke activiteiten het verboden is om deze zonder vergunning uit te voeren. De gemeente bepaalt grotendeels zelf voor welke activiteiten een vergunning benodigd is, of kan worden volstaan met een melding, of dat deze vergunningvrij mogen worden verricht. De keuze wordt vastgelegd in het omgevingsplan. In het vorige hoofdstuk zijn hieromtrent al een aantal uitgangspunten geformuleerd. Uitgangspunten:  Het huidige vergunningvrije stelsel wordt voortgezet onder de Omgevingswet .  Ten opzichte van de Wabo worden geen andere of nieuwe vergunningplichten in het leven geroepen.  Beleidsneutraal instellen van een gemeentelijk adviescommissie, waarbij ten aanzien van monumenten één commissie wordt benoemd voor de advisering over rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten.  Stimuleren van vooroverleg en daarbij in 2021 onderzoeken in hoeverre een financiële prikkel het werken met het vooroverleg kan stimuleren.  Vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet een nieuwe legesverordening voor de producten op grond van de Omgevingswet worden vastgesteld. .

29

6. HOE OM T E GAAN PLANNEN EN PROJECT EN NA IN WERKINGT REDING VAN DE OM GEVINGSWET ? Tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet kan gebruik worden gemaakt van het huidige instrumentarium dat o.a. is opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingswet (Wabo). De huidige instrumenten zijn: het bestemmingsplan met de binnenplanse flexibiliteitsmogelijkheden als het wijzigingsplan en de binnenplanse afwijking en de omgevingsvergunning voor de activiteiten die in de Wabo zijn genoemd. Er moet inzicht komen of deze instrumenten nog kunnen worden ingezet en of er aanvullende zaken moeten worden geregeld. Vervolgens is ook de vraag van belang wat het betekent als het tijdelijke omgevingsplan wordt gewijzigd voor een bepaald perceel vóór dat de gemeente beschikt over een omgevingsplan nieuwe stijl. Ook moet een antwoord komen op de vraag of en zo ja, welke bevoegdheden worden gedelegeerd aan het college. Momenteel zijn er ook zaken gedelegeerd en zijn in er het bestemmingsplan bevoegdhed en voor het college opgenomen om het bestemmingsplan te wijzigen en is het van belang om te bepalen of deze lijn kan worden voortgezet of wijzigingen behoeft. Tenslotte wordt er inzicht gegeven hoe om te gaan met plannen en projecten die vóór de inwerkingtreding worden ingediend dan wel in procedure zijn of waarvan de besluiten nog niet onherroepelijk zijn.

Deze vragen worden beantwoord door het overgangsrecht dat de wetgever hiervoor heeft opgesteld. In dit hoofdstuk wordt een antwoord op de voorliggende vragen geformuleerd en wordt inzicht gegeven in de keuzemogelijkheden en wordt advies gegeven over de werkwijze voor plannen en projecten na inwerkingtreding van de Omgevingswet.

6.1 HET OMGEVINGSPLAN VAN RECHTSW EGE Het omgevingsplan van rechtswege is het tijdelijke omgevingsplan totdat de gemeenteraad een omgevingsplan nieuwe stijl heeft vastgesteld. Zoals in paragraaf 4.1 is aangegeven bestaat het tijdelijke omgevingsplan o.a. uit alle bestemmingsplannen die van toepassing zijn op het moment dat de Omgevingswet inwerking treedt. De vraag is wat er gebeurt met de huidige flexibiliteitsinstrumenten als de binnenplanse afwijking en de wijzigingsbevoegdheid.

6.1.1 DE BINNENPLANSE AFW IJKING: W AT GEBEURT HIERMEE? Onder de Omgevingswet kan een aanvraag om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit vergu nni ng worden ingediend. De binnenplanse omgevingsplanactiviteit verschilt met de binnenplanse afwijking die wij onder de Wabo kennen. De Wabo bepaalt in artikel 2.12, eerste lid, dat ook een binnenplans e afwijkactiviteit moet voldoen aan een goede ruimtelijke ordening. Dit verandert in de Omgevingswet. De opzet van een binnenplanse beoordelingsregel onder de Omgevingswet verschilt met de binnenplan s e afwijking onder de Wabo. Een omgevingsplanactiviteit vergunning moet namelijk worden verleend als de activiteit voldoet aan de binnenplanse beoordelingsregels (limitatief-imperatief stelsel). Voor een aanvraag die voldoet aan de binnenplanse beoordelingsregels geldt dat de omgevingsvergunning niet kan worden geweigerd vanwege strijd met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De wetgever veronderstelt dat die afweging al bij het vaststellen van het omgevingsplan is gemaakt en kan daardoor niet meer op het moment van besluitvorming worden gemaakt. Dit vergroot de rechtszekerheid voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit vergunning ten opzichte van de omgevingsvergunning voor een binnenplanse afwijking.

30

6.1.2 DE W IJZIGINGSBEVOEGDHE ID: W AT GEBEURT HIERMEE? In de huidige bestemmingsplannen zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Deze figuur bestaat niet onder de Omgevingswet. Wat betekent dat voor de wijzigingsbevoegdheden die stonden in de oude bestemmingsplannen die bij inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege onderdeel zijn van het tijdelijke omgevingsplan? Na inwerkingtreding van de Omgevingswet kan geen gebruik meer worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheden, omdat deze onder de Omgevingswet niet bestaan. Er zijn drie mogelijkheden om alsnog toepassing te blijven geven aan de bestaande wijzigingsregels: 1. 2. 3.

toepassing wijzigingsregels alleen bij bouwplannen; delegatie van raad naar college; bestaande wijzigingsregels omvormen tot binnenplanse beoordelingsregels .

Ad 1. Toepassing wijzigingsregels alleen bij bouwplannen De eerste mogelijkheid wordt gegeven door artikel 22.31 van de bruidsschat, waarin de wijzigingsbevoegdheid wordt omgevormd tot een beoordelingskader voor binnenplans e omgevingsvergunningen. Deze regel bepaalt dat de omgevings vergunning verleend kan worden als de activiteit in overeenstemming is met regels voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid. Dat betekent dat na inwerkingtreding van de Omgevingswet de wijzigingsbevoegdheden die onderdeel zijn van het tijdelijk omgevingsplan alleen nog kunnen worden gebruikt als toetsingskader voor vergunningverlening bij bouwactiviteiten. De bruidsschat voorziet niet in de mogelijkheid om de wijzigingsbevoegdheid ook te gebruiken voor andere activiteiten dan bouwactiviteiten. Naast dat het bouwplan moet voldoen aan de wijzigingsregels, moet het ook aanvaardbaar zijn op grond van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het limitatief-imperatieve stelsel, zoals dat geldt bij de binnenplanse omgevingsplanactivit eit vergunning, geldt hier niet. Ad 2. delegatie van raad naar college De raad is bevoegd om het omgevingsplan vast te stellen. De wetgever heeft in artikel 2.8 van de Omgevingswet de mogelijkheid opgenomen om delen van het omgevingsplan door het college te laten vaststellen.

Dit wordt geregeld met een delegatiebesluit waarin wordt vastgelegd binnen welke grenzen en onder welke voorwaarden het college deze bevoegdheid kan uitoefenen. Dit kan middels een algemeen delegatiebesluit of met een delegatiebesluit voor concrete gevallen waarbij het college de bevoegdheid wordt toegekend om het omgevingsplan te wijzigen conform de bestaande wijzigingsregels. Van belang is dat een wijziging van het omgevingsplan moet voldoen aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan nieuwe plannen. Tenslotte wordt opgemerkt dat een wijziging van het omgevingsplan zich leent tot herhaalde toepassing in tegenstelling tot een omgevingsplanactiviteit vergunning. Ad 3. bestaande wijzigingsregels omvormen tot binnenplanse beoordelingsregels De bestaande wijzigingsregels kunnen worden omgevormd tot binnenplanse beoordelingsregels. Dit vereist, net als de tweede mogelijkheid, een wijziging van het omgevingsplan. Op dit moment mag een binnenplanse afwijkregel geen wezenlijke afwijking van de bestemming mogelijk maken. Dat wordt anders onder de Omgevingswet. Daardoor is er (veel) meer ruimte dan nu om te werken met binnenplanse omgevingsplanactiviteit en.

Bij de vaststelling van binnenplanse beoordelingsregels moet duidelijk zijn dat de activiteit voldoet aan de eisen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en of er objectieve belemmeringen zijn, waarvan op voorhand aannemelijk is dat die niet binnen een redelijke termijn zullen worden weggenomen. Als evident is dat een functie onuitvoerbaar is, moet het toedelen daarvan achterwege blijven. De onderzoeksplicht kan worden doorgeschoven naar het moment dat een aanvraag omgevings vergunning wordt beoordeeld.

31

6.2 HET W IJZIGEN VAN HET OMGEVINGSPLAN: W AT HOUDT DAT IN? Aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan kunnen geen ruimtelijke regels meer worden toegevoegd of aangepast, tenzij het overgangsrecht anders bepaalt. Het is niet mogelijk om per locatie een deel van de daar geldende ruimtelijke regels van het tijdelijke omgevingsplan te laten vervallen. In feite wordt bij het wijzigen van het omgevingsplan een stuk uit de oude plankaart geknipt. Niet alleen de bestemmingen en de daarbij behorende regels voor de betreffende locatie worden geschrapt, maar ook in het bestemmingsplan opgenomen algemene regels (bijv. begripsbepalingen, wijze van meten, overgangsrecht) vervallen voor die locatie. Ook de regels uit het tijdelijke deel van de bruidsschat komen voor deze locatie bij het wijzigen van het omgevingsplan te vervallen. Het nieuwe deel van het omgevingsplan dient voor de betreffende locatie te voldoen aan de eis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het geheel aan regels (dus ook begripsomschrijvingen, meetvoorwaarden en andere algemene regels) dienen volgens de nieuwe systematiek te worden vormgegeven. Dit betekent overigens niet dat de wijziging direct betrekking moet hebben op het hele grondgebied van een gemeente.

De verplichting om te voldoen aan de nieuwe eisen van de Omgevingswet geldt enkel voor de locatie waar de wijziging van het omgevingsplan betrekking op heeft. Wat bij het vaststellen van een nieuw deel van het omgevingsplan nog niet nodig is, is direct ook de regels over de fysieke leefomgeving uit de verordeningen te integreren. Deze regels moeten evenwel worden betrokken in de afweging of functies aan locaties evenwichtig zijn toegedeeld. Bij het vaststellen van regels over bijvoorbeeld geluid houdt de gemeente rekening met regels die nog in een verordening zijn gesteld. Dit kunnen bijvoorbeeld regels zijn over terrassen, evenementen of ligplaatsen. Een wijziging van het omgevingsplan brengt dus nieuwe eisen mee, doordat op dat moment aan de nieuwe systematiek van de Omgevingswet voldaan moet worden. Dit is belangrijk voor de te maken keuze over lopende plannen en projecten.

6.3 ALTERNATIEVEN VOOR HE T W IJZIGEN VAN HET O MGEVINGSPLAN: DE OMGEVINGSVERGUNNING Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wijzigen van het omgevingsplan niet de enige mogelijkheid om een project doorgang te laten vinden. Zoals in de vorige paragraaf aan de orde is gekomen, is het wijzigen van een omgevingsplan – zeker in de beginfase na de inwerkingtreding van de Omgevingswet – complex. Het verlenen van een omgevings vergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit kan een goede oplossing zijn om projecten doorgang te laten vinden. In deze paragraaf zetten wij uiteen welke mogelijkheden de omgevingsplanactivit eit vergunning biedt om af te wijken van het omgevingsplan. Het maken van een goede afweging over de keuze voor toepassing van oud recht, het wijzigen van het omgevingsplan of het verlenen van een (buitenplanse) omgevingsvergunning vergt kennis van de omgevingsplanactiviteit. Een omgevingsplanactiviteit is gedefinieerd als: “activiteit, inhoudende: a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan, b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of c.

een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;”. Hieruit volgt dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de binnenplanse en de buitenplans e omgevingsactiviteit. Hierna worden de verschillen toegelicht.

32

6.3.1 BINNENPLANSE OMGEVINGSPLANACTIVITE IT Uit de definitie van omgevingsplanactiviteit omgevingsplanactiviteiten te onderscheiden zijn: 1. 2.

volgt

dat

er

twee

activiteit in overeenstemming met het omgevingsplan; activiteit niet in overeenstemming met het omgevingsplan, afwijk mogelijk heid.

soorten

maar

wel

binnenplans e

binnenplans e

Ad 1. Activiteit in overeenstemming met het omgevingsplan De eerste is de vergunningplicht voor een activiteit die in overeenstemming is met het omgevingsplan. Hierbij kan gedacht worden aan de planologische bouwactiviteit, het uitvoeren van werkzaamheden en het kappen van bomen en dergelijke. Het gaat om activiteiten waarvoor het omgevingsplan zelf een vergunningplicht bevat. De activiteiten die op dit moment op grond van de Wabo in samenhang met een bestemmingsplan vergunningplichtig zijn (bijvoorbeeld de aanlegvergunning), blijven vergunningplic ht ig in het omgevingsplan van rechtswege. Activiteiten die onder het huidige recht in artikel 2.2 van de Wabo zijn aangewezen, waarvoor op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist, worden tot aan het moment dat het tijdelijke deel van het omgevingsplan komt t e vervallen aangemerkt als vergunningplichtige omgevingsplanactivit eit. Dat betekent dat voor deze activiteiten een verbod blijft gelden om deze activiteiten zonder vergunning uit te voeren. Deze vergunningplicht heet in het vervolg een omgevingsplanactiviteit vergunning. Voor deze omgevingsplanactiviteit en geldt een limitatief-imperatief beoordelingskader. Dat houdt in dat als de vergunning op grond van die regels niet kan worden geweigerd, moet (imperatief) de vergunning worden verleend.

De bruidsschat bevat beoordelingsregels voor een aanvraag voor een binnenplans e omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken. De beoordelingsregels omvatten een toets aan het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan en de toepasselijke welstandregels. Ad 2. Activiteit niet in overeenstemming met het omgevingsplan, maar wel binnenplans e afwijk mogelijk heid De tweede soort van activiteiten die als binnenplanse omgevingsplanactiviteit gelden, is een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan. Anders dan de eerstgenoemde activiteit wordt deze activiteit niet verricht in overeenstemming, maar in afwijking van het omgevingsplan. Het omgevingsplan bevat, net zoals de eerste activiteit, ook beoordelingsregels aan de hand waarvan wordt bepaald of de omgevingsvergunning moet worden verleend. De binnenplanse afwijkregels in bestaande bestemmingsplannen die na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel zijn van het omgevingsplan behoren van rechtswege tot deze categorie. Voor deze omgevingsplanactiviteiten geldt hetzelfde limitatief-imperatieve beoordelingskader dat hiervoor is toegelicht. Binnen de beoordelingsregels is ruimte voor een afweging per afzonderlijk e omgevingsplanactiviteit.

6.3.2 BUITENPLANSE OMGEVINGSPLANACT IVITEIT Van een ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ is sprake indien het gaat om: a) een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of b) een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergunning die wordt aangevraagd na de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet voldoen aan alle eisen van het nieuwe stelsel. Omdat dit instrument als alternatief voor het wijzigen van een omgevingsplan kan worden ingezet, is het voor het maken van de keuze van belang om te weten wat die nieuwe eisen zijn.

33

De buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergunning kan alleen worden verleend als de activiteit voldoet aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies van locaties en niet in strijd is met instructie(regel)s van het Rijk en de provincie. In het besluit om een omgevingsvergunning te verlenen voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan, moet deugdelijk worden gemotiveerd waarom de aangevraagde activiteit die in strijd is met het omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties toc h aanvaardbaar wordt geacht. Net als onder de huidige wetgeving heeft het bevoegd gezag veel beleidsvrijheid bij het maken van een afweging of een activiteit in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij het maken van deze afweging moeten vanwege de bredere reikwijdte dan een goede ruimtelijke ordening meer belangen worden betrokken dan voorheen. Aan de motivering van een besluit op een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit te vergunnen zullen zwaardere eisen worden gesteld naarmate de inbreuk van de activiteit op een omgevingsplan groter is. Een omgevingsvisie en programma’s zullen een belangrijk kader vormen waaraan een motivering kan worden ontleend voor het toelaten van nieuwe ontwikkelingen die in s trijd zijn met een omgevingsplan.

Verder moet het bevoegd gezag, zoals bepaald in artikel 2.2 van de Omgevingswet, rekening houden met de taken en bevoegdheden van andere overheden. Ook het beleid van andere overheden over die taken en bevoegdheden zullen in de overwegingen moeten worden betrokken.

6.3.3 ADVIESRECHT De gemeenteraad is aangewezen als verplicht adviseur bij de door hemzelf aangewezen gevallen bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De gemeenteraad bepaalt dus zelf of en voor welke geval len hij het adviesrecht uitoefent door aanwijzing van gevallen. Deze aanwijzing vindt plaats bij afzonderlijk besluit van de gemeenteraad. Het advies over de buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet door burgemeester en wethouders in acht genomen worden. Het aanwijzen van gevallen waarvoor een verzwaard adviesrecht geldt, wijzigt de voorbereidingsprocedure niet. In beginsel geldt de reguliere voorbereidingsprocedure. Bij het aanwijzen van de categorieën van gevallen dient de gemeenteraad zich hiervan bewust te zijn.

6.3.4 ACTUALISERINGSPLICHT Na het verlenen (en onherroepelijk worden) van een omgevingsvergunning voor een buitenplans e omgevingsplanactiviteit geldt een actualiseringsverplichting van het omgevingsplan. Deze actualiseringsverplichting geldt alleen voor omgevingsplanactiviteit en waarmee een blijvende inbreuk op het omgevingsplan wordt gemaakt en waarvoor geldt dat met die activiteiten een zodanige inbreuk op het omgevingsplan wordt gemaakt dat het noodzakelijk is dat regels met het oog op een aan een locatie toegedeelde functie worden gewijzigd of een in het omgevingsplan aan een locatie toegedeelde functie wordt gewijzigd. Voor activiteiten die tijdelijk van aard zijn, geldt deze verplichting niet. Van geval tot geval zal bekeken moeten worden of sprake is van een zodanige inbreuk dat het omgevings plan daarop aangepast moet worden. De Omgevingswet bevat geen sanctie ingeval de actualiseringsverplichting niet wordt nageleefd. De actualiseringsplicht geldt niet direct vanaf het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. Pas op een bij Koninklijk Besluit – naar verwachting 1 januari 2029 - te bepalen tijdstip gaat deze verplichting gelden.

Dat betekent dat de termijnstelling van vijf jaar wel betekenis heeft voor omgevingsvergunni ng en voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten die na 1 januari 2024 worden verleend: vanaf dat moment zal dus rekening moeten worden gehouden met de vijfjaarstermijn.

34

6.4 HOE OM TE GAAN PLANNEN EN PROJECTEN VOORAFGAAND AAN DE INW ERKINGTREDING VAN DE OMGEVINGSW ET? In de Invoeringswet is geregeld in welke gevallen het oude recht van toepassing blijft en tot wanneer. Met het ‘oude’ recht wordt bedoeld het recht dat geldt tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet . Voor bestemmingsplannen is dat de Wro en voor omgevingsvergunningen is dat de Wabo.

6.4.1 W IJZIGINGSPLANNE N EN BESTEMMINGSPLANNEN Voor wijzigingsplannen en bestemmingsplannen geldt dat als het ontwerpplan vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, deze wordt afgehandeld conform het oude recht. Het oude recht blijft hierop van toepassing totdat het betreffende plan inwerking treedt. Op het moment dat het betreffende plan inwerking treedt, gaat het van rechtswege onderdeel uitmaken van het tijdelijke omgevingsplan. Voor het overgangsrecht bij beroep geldt het volgende. Op beroep dat is ingesteld tegen een plan dat vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet als ontwerp ter inzage heeft gelegen, blijft het oude recht gelden totdat het wijzigingsplan/bestemmingsplan onherroepelijk en daarmee ook inwerking treedt. Op dat moment maakt dat plan onderdeel uit van het tijdelijke omgevingsplan. Ook bij een reparatie van dat plan via een bestuurlijke lus geldt het oude recht. Het gerepareerde plan geldt na de einduitspraak als onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan. Idem als de Afdeling zelf in de zaak voorziet. Ingeval van een vernietiging van het plan/plandeel dient de gemeenteraad het plan/plandeel opnieuw vast te stellen als een wijziging van het omgevingsplan volgens het nieuwe recht. Voor het overgangsrecht bij situaties dat er ook een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan het volgende.

Een schorsingsverzoek vertraagt de inwerkingtreding van het plan. Het gevolg is dat het wijzigingsplan/bestemmingsplan dan nog geen onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan. Na afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening treedt het wijzigingsplan/bestemmingsplan alsnog in werking en wordt het onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan. Bij toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening is het plan dat voorheen gold van rechtswege onderdeel geworden van het tijdelijke omgevingsplan.

6.4.2 OMGEVINGSVERGUNNINGEN Op grond van art. 4.3 Invoeringswet geldt dat als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. Ook voor een omgevingsvergunning voor de buitenplanse afwijkactiviteit (op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de Wabo) die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangevraagd, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. Uit de memorie van toelichting volgt dat daarbij de ontvangsttheorie wordt gehanteerd. Dat betekent dat een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ontvangen door het bevoegd gezag nog volgens oud recht wordt behandeld. Nadat een omgevingsvergunning onder oud recht onherroepelijk is geworden, geldt deze als omgevingsvergunning volgens nieuw recht.

6.5 KEUZEMOGELIJKHEDEN EN ADVIES Voordat wordt ingegaan op de keuzemogelijkheden en het advies over de nieuwe werkwijze met het tijdelijk omgevingsplan wordt eerst kort een samenvatting gegeven van de mogelijkheden om mee te werken en aan plannen en projecten op grond van het tijdelijk omgevingsplan: 1. 2.

De activiteit is zonder vergunning toegelaten op grond van het tijdelijke omgevingsplan. Voor de activiteit is een vergunning nodig op basis van het omgevingsplan.

35

a.

Deze wordt verleend op grond van binnenplanse beoordelingsregels (binnenplans e omgevingsplanactiviteit). Wanneer de vergunning op grond van deze regels niet kan worden geweigerd, moet deze worden verleend (limitatief imperatieve kant). b. Wanneer de activiteit in strijd is met de binnenplanse beoordelingsregels, is er een reden om te weigeren. Het college moet nagaan of buitenplans kan worden vergund (buitenplans e omgevingsplanactiviteit). Deze kan worden verleend als voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies en aan de instructieregels van het Rijk en provincie. Bij een buitenplanse omgevingsplanactivit eit kan een adviesplicht van de gemeenteraad gelden, mits deze vooraf als adviesplichtige categorie is aangewezen. Het advies over de buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet door het college in acht worden genomen. In beginsel geldt de reguliere procedure met een beslistermijn van 8 weken. Het aanwijzen van gevallen waarvoor een adviesrecht geldt, wijzigt de reguliere procedure niet. Bij het aanwijzen van gevallen dient de gemeenteraad zich hiervan bewust te zijn. Verplichting om de wijziging na 5 jaar in het omgevingsplan te verwerken. 3. Voor de activiteit wordt het omgevingsplan voor het betreffende perceel herzien als wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies en aan de instructieregels van het Rijk en provincie. a.

Bevoegdheid tot wijziging van het omgevingsplan ligt bij de gemeenteraad, tenzij b. voor bepaalde wijzigingen de raad de bevoegdheid aan het college delegeert. De keuzemogelijkheden van de raad bestaan uit: het wel of niet aanwijzen van gevallen waarvoor een adviesrecht geldt bij een buitenplans e omgevingsplanactiviteit vergunning; en uit de delegatie van bevoegdheden tot wijziging van het omgevingsplan.

6.5.1 AANW IJZEN VAN GEVALLEN W AARVOOR EEN ADVIESRECHT GELDT In het huidige delegatiebesluit is bepaald dat er advies in de vorm van een verklaring van geen bedenkingen aan de raad wordt gevraagd voor de volgende situaties: 1. er is sprake van toevoeging van een woning in het buitengebied; 2. er is sprake van een verplaatsing van bebouwing op meer dan 30 meter buiten het bouwvlak; 3. er is sprake van (het uitbreiden van) niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied; 4. er is sprake van de vestiging van een intensief veehouderijbedrijf, zoals gedefinieerd in artikel 1 van het bestemmingsplan Buitengebied. In 2021 moet nader onderzocht worden of deze gevallen ook onder de Omgevingswet als adviesplicht ig worden aangewezen of dat hieraan een nadere invulling wordt gegeven waarbij recht gedaan wordt aan vastgestelde beleidskaders en de kaderstellende rol van de raad. Daarbij moet de gemeenteraad bij het bepalen van de lijst, waarin het adviesrecht wordt vastgelegd, meewegen dat de Omgevingswet als doel heeft om besluitvorming over initiatieven sneller en overzichtelijker te laten verlopen. Ook is daarbij van belang dat, indien het plan/project middels een omgevingsvergunning wordt gerealiseerd, binnen de termijn van 8 weken (plus zes weken verlenging) het advies van de raad moet zijn gegeven en de vergunning moet zijn verleend.

Gelet op de huidige aanlevertijden en de vergadercyclus van de raad is dat een punt van aandacht in afspraken omtrent de aanleverdata en de planning van de raadvergaderingen. Als uitgangspunt wordt geformuleerd dat, voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, door de raad een lijst wordt vastgesteld met projecten/plannen waarbij de raad een adviesrecht instelt.

6.5.2 DELEGATIE AAN HET COLLEGE In de huidige bestemmingsplannen zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen die onder de Omgevingswet vervallen. Zoals aangegeven in paragraaf 6.1.2 is het mogelijk om deze afwijkingen van het omgevingsplan te delegeren aan het college. Gelet op feit dat met het tijdeli jke omgevingsplan het toetsingskader niet wordt gewijzigd en het college momenteel van deze wijzigingsbevoegd gebruikt maakt, is er geen aanleiding om de huidige werkwijze te wijzigen. Er wordt daarom voorgesteld om de huidige wijzigingsbevoegdheden te delegeren aan het college, zodat de huidige praktijk voor projecten/plannen kan worden voorgezet. Hiervoor zal een apart raadsdelegatiebesluit voor worden opgesteld, waarin wordt opgenomen welke bevoegdheden, onder welke voorwaarden, voor welke

36

locatie worden gedelegeerd. Dit zal een besluit zijn waarin de huidige wijzigingsbevoegdheden uit de bestemmingsplan worden opgenomen.

6.6 UITGANGSPUNTEN 

De huidige bevoegdheden van het college om het bestemmingsplan te wijzigen worden voortgezet. Dat betekent dat de raad deze oude wijzigingsbevoegdheden delegeert aan het college. Daarvoor wordt nog een apart delegatiebesluit ter besluitvorming voorgelegd.  Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de raad worden voorgesteld een lijst met projecten/plannen vast te stellen waarvoor het adviesrecht van de raad zal gelden.  De raad dient zich er daarbij van bewust te zijn dat het aanwijzen van dergelijke gevallen geen gevolgen heeft voor de beslistermijn van 8 weken (plus 6 weken verlengen).

37

7. PART ICIPAT IE Na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het verplicht om in het kader van een omgevingsvis ie, programma of omgevingsplan participatie toe te passen en daarvoor gemeentelijk beleid op te stellen. In de Omgevingswet is participatie als volgt gedefinieerd: “het in een vroegtijdig stadium betrek k en van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijk e organisaties en andere overheden) bij het proces van besluitvorming over een project of activiteit.”. De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie om tijdig belangen, meningen en creativiteit op tafel te krijgen. Daarom zijn in de Omgevingswet én in het omgevingsbesluit regels over participatie opgenomen bij toepassing van de gemeentelijke kerninstrumenten. Bij het instrument omgevingsvergunning is participatie niet verplicht, tenzij het gaat om een buitenplans e omgevingsvergunning én de raad deze heeft aangewezen als 'participatieplichtig'. De wijze waarop participatie wordt toegepast is wettelijk gezien in alle gevallen vormvrij. Het gemeentelijk e participatiebeleid is echter wél bindend voor het vaststellend bestuursorgaan. Hoe vormvrij de participatie daadwerkelijk is, is dus afhankelijk van de ruimte die een gemeente voor zichzelf creëert in haar participatiebeleid.

Om rechtsonzekerheid te voorkomen wordt aanbevolen participatiebeleid helder te formuleren en goed af te wegen of, en zo ja in welke gevallen en in welke vorm, participatie bij ruimtelijke besluiten vereis t is. Daarbij is het van belang rekenschap te geven van de mate van beleidsruimte voor elk instrument.

7.1 PARTICIPATIE IN KERNINSTRUMENTEN Binnen deze wetsartikelen kan participatie vanuit juridisch oogpunt in drie verschillende vormen worden onderscheiden, namelijk: participatie als motiveringsplicht, kennisgevingsparticipatie en participatie als aanvraagvereiste. Deze vormen zullen hieronder achtereenvolgens worden besproken.

7.1.2 PARTICIPATIE ALS MOTIVERINGSPLICHT Deze vorm van participatie geldt voor de omgevingsvisie, het programma en het omgevingsplan. Dit houdt in dat het bevoegd gezag bij het besluit aangeeft: 1. hoe de gemeente de omgeving bij de voorbereiding heeft betrokken, en wat met de resultaten is gedaan; 2. in hoeverre aan haar beleidsregels over participatie is voldaan. Met de motiveringsplicht wordt een gemeente verplicht om achteraf verantwoording af te leggen over het al dan niet doorlopen participatietraject. Doordat de wet verder geen voorwaarden stelt aan de vorm waarin deze participatie dient te geschieden, wordt hier ook wel van ‘vormvrije participatie’ gesproken. De gemeente mag dus zelf bepalen hoe de participatie eruit komt te zien, zolang naderhand maar verantwoording hierover wordt afgelegd aan de burgers.

7.1.3 KENNISGEVINGSPARTIC IP AT IE Deze tweede variant op participatie geldt uitsluitend voor het omgevingsplan en is terug te vinden in artikel 10.2 lid 1 van het Omgevingsbesluit. Kennisgevingsparticipatie houdt in dat de gemeente niet alleen achteraf moet motiveren hoe is geparticipeerd, maar ook vooraf haar burgers moet informeren over de participatiemogelijkheden binnen het besluitvormingsproc es. De achterliggende gedachte is dat wanneer burgers in een vroegtijdig stadium weten hoe het participatietraject eruit komt te zien, zij zich hierop kunnen voorbereiden en tijdig kunnen melden bij de gemeente.

7.1.4 PARTICIPATIE ALS AANVRAAGVEREISTE Voor de omgevingsvergunning is bepaald dat bij een aanvraag dient te worden aangegeven of belanghebbenden bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken en zo ja, hoe en wat de resultaten hiervan zijn. Kortom, participatie bij een omgevings vergunningtraject is niet verplicht . Bovendien mogen gemeenten, in tegenstelling tot bij andere kerninstrumenten, geen aanvullende eisen

38

stellen aan participatie bij omgevingsvergunningtrajecten. Hiermee wordt de vormvrijheid van het participatieproces bij omgevingsvergunningen verzekerd. De gemeenteraad kan in een algemeen besluit gevallen aanwijzen waarbij participatie wél verplicht is, voordat een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactivit eit kan word en ingediend. Voor die gevallen moet initiatiefnemer aantonen dat participatie heeft plaatsgevonden. De gemeenteraad kan een dergelijke aanvraag buiten behandeling laten indien niet aan participatie is gedaan. Ook in dit geval mogen geen aanvullende aanvraagvereisten worden gesteld; de wijze waarop de participatie wordt uitgevoerd is vormvrij. Wanneer de gemeenteraad geen buitenplanse omgevingsactiviteit heeft aangewezen waarbij participatie verplicht is, behoudt de aanvrager de vrijheid om geen toepassing te geven aan participatie. De aanvrager is wel verplicht om aan te geven of hij aan participatie heeft gedaan. Geeft de aanvrager niet aan of derden bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken, dan wordt niet aan het aanvraagvereiste voldaan en kan de behandeling (na geen gehoor aan aanvullend verzoek tot informatie) eventueel buiten behandeling worden gelaten. Participatie heeft tot doel vroegtijdig informatie te verzamelen over welke belangen een rol spelen om tot een goede afweging te komen.

Participatie vervangt nadrukkelijk niet de wettelijke inspraakmogelijkheden van zienswijze, bezwaar en beroep.

7.2 PARTICIPATIE VORMGEVEN Ten tijde van het schrijven van dit document wordt er nog onderzoek gedaan door studenten van Saxion hoe participatie kan worden vormgegeven. In de voorgaande paragraaf is aangegeven wat de Omgevingswet per instrument aan participatie regels kent. Bij het vormgeven van participatie als motiveringsplicht wordt alvast opgemerkt dat daarmee wellicht ook de gemeentelijke inspraakverordening moet worden gewijzigd. Momenteel is er ook een wetsvoorstel aanhangig dat ziet op ‘Versterking op participatie op decentraal niveau’ waarmee de inspraakverordening wordt verbeeld tot een participatieverordening. Vooruitlopend op het onderzoek van Saxion wordt aangegeven dat middels kennisparticipatie en participatie als aanvraagvereiste niet iedereen tevreden kan en hoeft te worden gesteld. Zie daarover ook de inmiddels verschenen jurisprudentie over dit onderwerp, bijvoorbeeld ABRS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:958: “De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college terecht heeft gesteld dat de omstandigheid dat niet iedere omwonende van het zonnepark tevreden wordt gesteld, niet betek ent dat er onvoldoende draagvlak in de omgeving is. Bij projecten zoals dit zonnepark moet het bestuursorgaan een afweging mak en tussen het belang van een duurzame energievoorziening in het k ader van de energietransitie en de belangen van omwonenden.

Het ontbrek en van draagvlak bij direct omwonenden is i n die belangenafweging niet zonder meer het meest zwaarwegend. Gelet op de door het college genoemde inspanningen van de initiatiefnemer om draagvlak te verwerven en gegeven het beperk te aantal zienswijzen tegen dit project, ziet de Afdeling met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat vanwege het ontbrek en van voldoende draagvlak voor het project voor het project geen verk laring van geen bedenk ingen mocht worden afgegeven. Het betoog faalt.”.

7.3 UITGANGSPUNTEN  

Bij het vormgeven van participatie als motiveringsplicht wordt ook gekeken naar de inspraakverordening en wellicht leidt dat tot een nieuwe participatieverordening, die gemeente breed geldt. Bij het vormgeven van kennisparticipatie en participatie als aanvraagvereiste geldt dat dit niet hoeft te gaan om draagvlak in de omgeving waarbij iedereen tevreden is. Het gaat om de inspanningen die worden geleverd om draagvlak te verwerven.

39

8. AFSLUIT ING EN SAM ENVAT T ING UIT GANGSPUNT EN De Omgevingswet leidt tot veranderingen, er komen nieuwe instrumenten die een bijdrage moeten leveren aan het bereiken van een goede fysieke leefomgeving. Daarnaast vraagt de wet om een verandering van cultuur, houding en gedrag van iedereen die betrokken is bij de fysieke leefomgeving. Hoewel de wet op 1 juli 2022 in werking treedt, geeft de wetgever gemeenten tot 1 januari 2029 de tijd voor dit transitieproces. Voor dit jaar is het in elk geval noodzakelijk om de organisatie op een dusdanige wijze voor te bereiden, dat op 1 juli 2022 gewerkt kan worden met de nieuwe wet waarbij de huidige dienstverlening in elk geval in stand wordt gehouden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het op 1 j uli 2022 in behandeling kunnen nemen van een aanvraag omgevingsvergunning. Voor het transitieproces tot 1 januari 2029 formuleert het voorliggende document uitgangspunten en geeft zo richting aan het inkleuren van ‘het omgevingshuis’. Het transitieproces tot 1 januari 2029 zal zich echter kenmerken als een dynamisch proces. Een proces waarbij door het werken met de wet nieuwe inzichten kunnen ontstaan die beter aansluiten bij de dienstverlening, de werkwijze en de visie van de gemeente. Deze nieuwe inzichten kunnen leiden tot gewijzigde uitgangspunten voor het inkleuren van ‘het omgevingshuis’.

Het verdient aanbeveling om aan de hand van dit document de fasering voor de invulling van ‘het omgevingshuis’ tot 1 januari 2029 nader uit te werken in een vervolgproject of -projecten. Hierna volgt een overzicht van alle in het document geformuleerde uitgangspunten.

PROGRAM M A’S    

Er worden alleen programma’s en beleidsregels opgesteld die een bijdrage leveren aan MijnOmgevings visie. De huidige beleidsnota’s die hieraan een bijdrage leveren blijven bestaan en worden waar nodig geactualiseerd (bijlage). Het huidige beleid is ook van toepassing onder de Omgevingswet en dat zal worden bekrachtigd middels een raadsbesluit. Nieuwe onverplichte programma’s worden zoveel mogelijk gestandaardiseerd, zodat in ieder programma in elk geval de volgende vragen terugkomen: Welk doel wordt ermee nagestreefd? Is het programma bedoeld voor beleidsontwikkeling, beleidsdoorwerking of beleidsuitvoering? Voor welk geografisch gebied wordt het programma opgesteld? Voor welke periode geldt het programma? Wat is de bestaande toestand van de fysieke leefomgeving voor het gebied? Welke ontwikkelingen hebben komende periode impact op het gebied? Welke maatregelen worden getroffen en wat zijn de verwachte effecten hiervan? Wanneer worden maatregelen naar verwachting uitgevoerd? Voor de drie bijzondere programma’s wordt als uitgangspunt opgenomen dat hier terughoudend mee wordt omgegaan als er geen directe aanleiding is om dergelijke programma’s op te stellen. Dergelijke programma’s brengen namelijk ook verplichtingen met zich mee.

OM GEVINGSPLAN 

Uitgangspunten transitie bruidsschat in Omgevingsplan: samenwerken met de ODT voor de transitie van de regels uit de bruidsschat die betrekking hebben op milieubelastende activiteiten, en niet zijn geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, in het Omgevingsplan; aan de hand van de drie actiepunten van de VNG (schrap, stem af, specificeer) zelf bepalen welke regels uit de bruidsschat die betrekking hebben op het ruimtelijk aspect van bouwen worden opgenomen in het Omgevingsplan; o schrap - waar er geen lokaal probleem is; o stem af - op de specifieke situatie in het gebied; o specificeer - als er specifieke wensen voor een gebied zijn. in 2021 onderzoeken op welke milieubelastende activiteiten de bruidsschat voorrang krijgt boven het gemeentelijk beleid ten aanzien van dezelfde milieubelastende activiteiten, wat

40

de gevolgen hiervan zijn en of het noodzakelijk is om hiervoor een regeling te treffen in de vorm van het opnemen van de beleidsvoorwaarden in een verordening. 

Uitgangspunten transitie bestemmingsplannen: objectgerichte ordening door te werken met functies of functie-aanduidingen met daaraan gekoppeld activiteiten; komende jaren keuzes maken in welke activiteiten vergunnings vrij uitgevoerd kunnen worden, voor welke activiteiten een meldings- of informatieplicht geldt en voor welke activiteiten een vergunning is vereist.

Uitganspunten integratie verordeningen Uitgangspunten voor wat in een omgevingsplan moet worden vastgelegd en wat daar niet mag worden vastgelegd wordt bepaald aan de hand van de volgende twee vragen: 8. Bevat de regeling onderwerpen die zijn uitgesloten van integratie in het omgevingsplan (artikel 2.7, tweede lid, van de Ow jo. artikel 2.1, tweede lid, van het Ob)? 9. Bevat de regeling regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen of gaat het om regels die het gebruik van de fysieke leefomgeving betreffen of regels over het veroorzaken van emissies, hinder of risico’s (artikel 2.7, eerste lid, van de Ow jo. artikel 2.1, eerste lid, van het Ob)? Voor regels waar keuzevrijheid bestaat moeten keuzes worden gemaakt. Dat kan o.a. aan de hand van de volgende vragen: 10. Welke regelingen bevatten onderwerpen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en zijn daarvoor ook voldoende relevant? 11. Wat is het rechtskarakter van deze regelingen? 12. Wat is het motief van de regelingen? 13. Gaat het om een autonome regeling of een regeling in medebewind? 14. Wie is het bevoegd gezag van de regelingen?

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/646/documents/14084