Bijlage Motivering.pdf
Tekst van het document
5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt.
Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). Conclusie In de voorgenomen ontwikkeling wordt één fysieke woning nieuwgebouwd de twee bestaande woningen binnen het plangebied worden reeds bewoond en ondergaan enkel een functiewijziging van een agrarische bedrijfswoning. Planologisch gezien is bij voorliggende ontwikkeling sprake van het toevoegen van twee woningen met een reguliere woonbestemming en het toevoegen van één agrarische bedrijfswoning. Gezien de kleine aantallen betreft het voornemen geen stedelijke ontwikkeling, aangezien daar pas vanaf 12 woningen sprake van is (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Daarnaast wordt met het voornemen een vermindering van de toegestane verharding in het buitengebied mogelijk gemaakt. Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het voornemen voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.
5.2 m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen. In kolom 1 staan de projecten opgesomd. In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is. In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-merbeoordelingsplicht geldt. Kolom 4 bevat tot slot de besluiten die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-mer-(beoordelings)plicht geldt. Bij de project-mer-beoordeling (dus niet bij de mer-plicht) is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het verwijderen van de bouwregels en van de bestaande intensieve veehouderij. Deze veehouderij had planologische bouwrechten voor een oppervlakte van 15.000 m2. Hiervoor in de plaats wordt een akkerbouwbedrijf van veel kleinere schaal gerealiseerd van de overzijde van de Schouwdijk met de bouw van een nieuwe woning.
Gelet op de kenmerken van dit project en het feit dat met name de gebruiksmogelijkheid van het akkerbouwbedrijf in de nieuwe situatie minder belastend is voor de omgeving dan een intensieve veehouderij zal dit geen gevolgen voor het milieu met zich meebrengen. Uit hoofdstuk 5 van deze motivering is dit ook gebleken. Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow). 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ opgesteld.
Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. De gemeente Tubbergen heeft voor parkeren een beleidsnotitie opgesteld: “Bouwen & parkeren 2018”. Hierin zijn parkeernormen opgenomen voor diverse functies, gebaseerd op publicatie 317 van het CROW. Voor de parkeerbehoefte van functies in het buitengebied verwijst de gemeente Tubbergen naar de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • • •
Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk / gemeente Tubbergen (Bron: CBS Statline) Stedelijke zone: buitengebied Functie: voor het agrarisch bedrijf zijn geen cijfers beschikbaar uit de CROW publicatie. Daarom is aangesloten bij de functie ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’. Het bedrijf krijgt een maximaal oppervlakte van 1.500 m2.
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval is van het gemiddelde uitgegaan. Op basis van de vorenstaande uitgangspunten ontstaat qua verkeersgeneratie als gevolg van het project het volgende beeld:
Functie/activiteit Koop, huis, vrijstaand Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief Totaal
Parkeernorm 2,4 -
Verkeersgeneratie 8,2 4,8 per 100 m2
7,2
(24,6 + 72 =) 96,6
Parkeerbehoefte De drie woningen hebben een gezamenlijke parkeerbehoefte van afgerond 8 auto’s. Alle woningen hebben een eigen erf met een inrit. Het uitgangspunt is dat deze parkeerbehoefte op eigen terrein wordt opgevangen en opgelost. In de huidige situatie is hier bij de bestaande woningen reeds sprake van, de nieuw te bouwen woning heeft eveneens voldoende parkeerruimte op het eigen terrein. De eigenaar van het akkerbouwbedrijf zal komen te wonen in de te bouwen agrarische bedrijfswoning. De parkeerbehoefte van het agrarisch bedrijf zal daarom niet meer bedragen dan die van de agrarische bedrijfswoning (afgerond 3 parkeerplekken). Tijdens de seizoenen waarin geoogst wordt is het mogelijk dat incidenteel een loonwerker aanwezig zal zijn. Voor deze extra persoon is eveneens voldoende plaats over op het eigen terrein. Landbouwwerktuigen zullen gestald worden in de daarvoor bedoelde agrarische bedrijfsbebouwing. Verkeersgeneratie en ontsluiting Het aantal woningen binnen het plangebied zal toenemen met 1 woning. De bijdrage aan de verkeersgeneratie van deze woning bedraagt op basis van de bovengenoemde kencijfers 8,2 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De verkeersgeneratie van een akkerbouwbedrijf ligt hoger dan dat van een intensieve veehouderij. Echter, voorliggend initiatief voorziet in de plaatsing van een kleinschalig akkerbouwbedrijf van 1.500 m 2.
Verwacht wordt dat de verkeersbewegingen die voor een grote intensieve veehouderij zouden plaatsvinden vergelijkbaar zijn met de verkeersbewegingen die ontstaan als gevolg van het akkerbouwbedrijf. Opgemerkt wordt dat de verkeersgeneratie als gevolg van het akkerbouwbedrijf met name plaatsvindt in het zaai- en oogstseizoen. De Schouwdijk heeft om deze reden voldoende capaciteit om deze verkeersbewegingen op een veilige manier te verwerken Conclusie Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.4
Soortenbescherming en gebiedsbescherming
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • •
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
•
De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
Toetsing van het voornemen Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’ ligt op circa 2,1 kilometer afstand van het plangebied. Voor voorliggende ontwikkeling is een Aerius-berekening uitgevoerd door BJZ.nu. De berekening is bijgevoegd in Bijlage 2 van de motivering. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten Toetsing van het voornemen Het plangebied ligt niet binnen het concreet begrensde NNN. Het plangebied ligt op circa 500 meter van het NNN.
Gezien de ruime afstand tot het NNN en de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Toetsing van het voornemen Omdat het voornemen voorziet in zowel sloop als nieuwbouw is door Ecofect B.V. een Natuurwaarden onderzoek uitgevoerd (Quickscan ecologie). Het volledige onderzoek is bij deze onderbouwing gevoegd in Bijlage 3. Natuurwaardenonderzoek Het onderzoek concludeert dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de kerkuil en de steenuil. Een nader onderzoek naar deze soorten wordt dan ook noodzakelijk geacht. Het nader onderzoek is in gang gezet. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar de kerkuil en steenuil is in de regels van dit TAM-omgevingsplan opgenomen als voorwaardelijke verplichting. Conclusie Vanuit het aspect soortenbescherming en gebiedsbescherming is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.5 Luchtkwaliteit Voor de bescherming van de luchtkwaliteit zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Locaties met hoge concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof zijn aangemerkt als aandachtsgebied. Vooral in en vlakbij een aandachtsgebied moeten overheden toetsen aan de omgevingswaarden. Dit is niet nodig indien een activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Volgens het Bkl dragen de volgende projecten niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Er zijn een paar situaties die de overheid nog wel in het hele land moet beoordelen. Dit zijn: • • • •
een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter. Of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; de aanleg van een auto(snel)weg.
Toetsing van het voornemen In voorliggend geval is sprake van de sloop en nieuwbouw van een agrarisch bedrijf met bijbehorende bedrijfswoning. De twee bestaande woningen binnen het plangebied ondergaan enkel een planologische functiewijziging naar regulier wonen. Vergeleken met bovenstaande projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging kan gesteld worden dat voorliggend project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan luchtverontreiniging. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling 5.6 Geluid Voor het beschermen van de gezondheid en het milieu staan in het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en andere activiteiten. Ook zijn er regels opgenomen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen. Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl).
Toetsing van het voornemen In voorliggend geval is reeds sprake van twee geluidsgevoelige gebouwen: de twee bestaande agrarische bedrijfswoningen. De nieuw te bouwen agrarische bedrijfswoning is een nieuw geluidsgevoelig gebouw. De bedrijfswoning wordt enkel op het onderdeel wegverkeerslawaai beoordeeld, de bedrijfswoning wordt namelijk beschermt tegen geluid door eigen bedrijfsactiviteiten. De twee bestaande woningen zullen worden beoordeeld op geluid afkomstig van functies/activiteiten in de directe omgeving. In de wijde omgeving zijn geen spoorwegen of geluidsgezoneerde industrieterreinen aanwezig, hier wordt daarom geen nadere aandacht aan besteed. Er is reeds sprake van een agrarisch bedrijf, waar akkerbouw planologisch is toegelaten. Het omgevingsplan wordt in die zin gewijzigd dat het houden van dieren wordt verboden. Daarnaast wijzigt de situering van het bouwvlak. Deze wijziging is beoordeeld. Wat betreft de externe werking van het akkerbouwbedrijf op omwonenden wordt in voorliggend geval uitgegaan van de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009. In de huidige situatie is reeds sprake van een agrarisch bedrijf waar akkerbouw planologisch is toegelaten. Het omgevingsplan wordt in die zin gewijzigd dat het houden van dieren wordt verboden. Daarnaast wijzigt de situering van het bouwvlak. Deze wijziging is beoordeeld.
De maximale richtafstand die in deze uitgave wordt genoemd bij een akkerbouwbedrijf is 30 m. De dichtstbijzijnde woning aan de Binnenveldsweg 76 bij het nieuw te bouwen akkerbouwbedrijf ligt op ca. 35 m afstand van het bouwvlak van het akkerbouwbedrijf. Hiermee wordt voldoende afstand gehouden om te voldoen aan de richtafstand op het onderdeel ‘geluid’.
Wegverkeerslawaai Voor de nieuw te bouwen bedrijfswoning is door BJZ.nu een onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai. Het volledige onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4. In het akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de geluidsbelasting hoogstens 49 dB bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect geluid er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.7 Geur De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Geurnormen voor het houden van dieren bestaan voor sommige diersoorten uit afstanden en voor sommige diersoorten uit geurwaarden. Deze normen staan in het Omgevingsplan (paragraaf 22.3.6). De geurnormen beogen mede een omgekeerde werking te hebben. De normen dienen niet alleen als toetsingskader voor milieuvergunningen, maar geven ook aan welke geurbelasting de gemeente aanvaardbaar vindt op het platteland. Toetsing van het voornemen De huidige twee agrarische bedrijfswoningen krijgen een reguliere woonbestemming. De woningen worden hierdoor geurgevoelig voor het nieuwe akkerbouwbedrijf. De woningen vormen zelf geen geurbron.
Het nieuwe akkerbouwbedrijf vormt daarentegen wel een nieuwe geurbron voor de omgeving van het bedrijf. Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ kan een akkerbouwbedrijf worden aangemerkt als ‘Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)’. De bijbehorende richtafstand op het onderdeel ‘geur’ bedraagt 10 meter. De dichtstbijzijnde woonbestemming betreft de woning ten noorden van het plangebied. De werkelijke afstand tussen het bouwvlak van het bedrijf en de bestaande woning bedraagt ca. 35 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Alle andere woningen en gevoelige functies liggen op een grotere afstand. Met de aangehouden afstanden vormt het aspect geur geen belemmering voor de ontwikkeling en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.8 Omgevingsveiligheid Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden.
Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) Toetsing van het voornemen Aan hand van de EV-Signaleringskaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Signaleringskaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Signaleringskaart opgenomen.
Het plangebied is hierin weergegeven met de rode ster.
Afbeelding 5.1: Uitsnede risicokaart (Bron: ev-signaleringskaart.nl)
Uit de kaart blijkt dat het plangebied zich niet bevindt binnen aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s. Het plangebied ligt niet binnen aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s.
Ten noordoosten van het plangebied wordt een buisleiding aangegeven van de NAM. In de buisleiding wordt stikstof vervoerd, waardoor geen risicocontouren van toepassing zijn. Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd. Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.9 Trillingen Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van het omgevingsplan. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van het omgevingsplan en 5.87a van het Bkl. Toetsing van het voornemen Op basis van de Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen is het onderzoeksgebied in beginsel 100 meter. Binnen 100 m van het plangebied is geen spoorlijn aanwezig. Hiermee is aannemelijk dat het trillingsniveau niet boven de streefwaarde uitkomt. Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.10 Archeologie Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Toetsing van het voornemen De voorgenomen ontwikkeling voorziet enkel in bouwwerkzaamheden ter plaatse van het nieuw te bouwen akkerbouwbedrijf. Een deel van de bebouwing van het akkerbouwbedrijf ligt binnen de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 3’. Onderstaande afbeelding toont deze situatie.
De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ staat toe dat bouwwerken en grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte niet groter dan 2.500 m 2 en met een maximale diepte van 40 cm uitgevoerd worden. De gehele ontwikkeling van het akkerbouwbedrijf is hiermee mogelijk. Gesteld wordt dat in voorliggend geval daarom een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
Afbeelding 5.2: Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Raap)
Binnen het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorische waarden. De bestaande bebouwing binnen het plangebied is niet aangemerkt als karakteristieke bebouwing en er zijn geen gemeentelijke monumenten aanwezig. De voorziene ontwikkeling doet dan ook geen afbreuk aan omliggende culturele waarden. Het landschappelijk inpassingsplan voorziet in het herstellen van de kamp welke lange tijd is aangegeven op kaartmateriaal. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden. 5.11 Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:
• • • •
Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Situatie plangebied In voorliggende situatie veranderen twee woningen van functie en wordt na de sloop van een veehouderij een akkerbouwbedrijf met bedrijfswoning gebouwd. Ter plaatse van de voormalige bedrijfswoningen is het gebruik niet anders geweest dan bewoning ten behoeve van het agrarische bedrijf. Verwacht kan worden dat ter plaatse van deze woningen de gronden van voldoende kwaliteit zijn om de reguliere woonfunctie te ondersteunen. Ter plaatse van de voormalige bedrijfsbebouwing is een bodemonderzoek uitgevoerd. Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform NEN 5740, 5707 en 5897 en betreft een verkennend bodemonderzoek en een onderzoek naar asbest in de grond en in puin. Het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hierna wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Het verkennend bodemonderzoek concludeert dat in de bovengrond en ondergrond enkele stoffen verhoogd zijn gemeten. Deze stoffen voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie. In het grondwater zijn eveneens enkele verhoogde waarden gemeten. De verhoogd gemeten gehalten geven uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek.
De huidige bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied is van voldoende kwaliteit om de nieuwe functies (wonen en een akkerbouwbedrijf) te ondersteunen. Ten aanzien van het onderzoek naar asbest zijn eveneens geen waarden gemeten die aanleiding geven tot nader onderzoek. Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties 5.12 Waterbelang Algemeen Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn groot en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De provincie houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor de plannen voor waterbeheer in de regio. Ook is de provincie verantwoordelijk voor vergunningverlening voor drinkwaterwinning. De ambities zijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving. De waterschappen beheren water en waterkeringen (dijken) en zuiveren afvalwater.
Ook zorgen zij voor de kleine waardevolle wateren, zoals vennen en bronnetjes. Voor grotere rivieren, meren en kanalen en grondwaters bestaat de Europese Kaderrichtlijn. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen het waterschap wil nemen. Bij nieuwe plannen dient rekening te worden gehouden met de waterhuishoudkundige situatie. Dit houdt in dat de gevolgen van het plan op de waterbelangen beschreven moeten worden. Een belangrijk instrument hierbij is de watertoets. De waterbelangen en waterhuishoudkundige doelstellingen worden hierbij afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen gaan over zowel
de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Wateradvies en waterhuishouding plangebied Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het project door gebruik te maken van het digitale wateradvies. Het resultaat is opgenomen in bijlage 6 bij deze motivering. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de ‘normale procedure’ van toepassing is. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe “eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren” een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen.
Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Wateraspecten plangebied - Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1.500 m2. Met de realisatie van het voornemen wordt een vermindering van het oppervlakte aan verharding verwacht. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande rioolaansluiting. Hemelwater wordt geïnfiltreerd. De nieuw te bouwen woning krijgt een nieuwe rioolaansluiting, hemelwater wordt hier niet op afgevoerd. Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG).
Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Wateradviesproces De initiatiefnemer heeft het waterschap Vechtstromen geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van het digitale wateradvies. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. Het project heeft een geringe invloed op de waterhuishouding. Ten behoeve van waterinfiltratie heeft het waterschap het advies gegeven om in de noordelijke helft van het plangebied 55mm aan water te kunnen bergen en infiltreren. Aan dit advies is gehoor gegeven door de bergingseis op te nemen als voorwaardelijke verplichting. De procedure in het kader van het wateradvies is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.
5.13 Gezondheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • •
het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt.
Gewasbeschermingsmiddelen Op agrarische grond waarop gewassen mogen worden geteeld, kunnen gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Deze zorgen ervoor dat planten, groente of fruit beschermd worden tegen schimmels, insecten en andere plagen. Verspreiding van deze gewasbeschermingsmiddelen (door de wind) kan tot gezondheidsproblemen leiden. Er zijn geen regels in de wet die bepalen dat een bepaalde afstand tot agrarische grond moet worden aangehouden. In de rechtspraak wordt als vuistregel een afstand van 50 meter tussen de agrarische grond en gevoelige functies, zoals woningen, aangehouden. Dit wordt een spuitzone genoemd. De 50 meter vuistregel uit jurisprudentie is een indicatieve afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Bij het bepalen of een spuitzone van toepassing is, geldt de maximale planologische invulling. Bij de beoordeling van de vraag of (al dan niet) een spuitzone moet worden aangehouden, moet niet worden gekeken naar het feitelijke gebruik maar naar hetgeen planologisch maximaal is toegestaan. Bij de ontwikkeling van een nieuwe gevoelige functie nabij agrarische percelen, is het dus allereerst van belang om te weten wat de maximale gebruiksmogelijkheden van dat agrarische perceel op basis van het omgevingsplan zijn.
Laat dat omgevingsplan de teelt van gewassen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (onbeperkt) toe? In de meeste gevallen is dit zo tenzij het telen van gewassen via bijvoorbeeld een aanduiding expliciet is uitgesloten.
Toetsing van het voornemen De voorgenomen functiewijziging gaat uit van het stoppen van een intensieve veehouderij, de functiewijziging van twee bestaande bedrijfswoningen naar reguliere woningen en het slopen van de voormalig agrarische bebouwing. Daarnaast zal ter compensatie een kleiner akkerbouwbedrijf met bedrijfswoning gebouwd worden op kleine afstand van de slooplocatie van de huidige intensieve veehouderij. Als gevolg van het verwijderen van de intensieve veehouderijfunctie vermindert de geurbelasting op de woningen in de omgeving. De geuremissie van een akkerbouwbedrijf is verwaarloosbaar. Een
bodemonderzoek is uitgevoerd om aan te tonen dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de nieuwe woonfunctie en het nieuw te vormen agrarisch erf geschikt is voor de functie wonen. Tevens wordt ter bescherming van de gezondheid een functieaanduiding om de omliggende woonbestemmingen gelegd om de bewoners te beschermen tegen de effecten van gewasbeschermingsmiddelen. Daarnaast liggen de voormalige agrarische bedrijfswoningen op een korte afstand van agrarische gronden. Ten behoeve van het beschermen van de bewoners van deze woningen tegen de effecten van gewasbeschermingsmiddelen die op de agrarische gronden gebruikt mogen worden is een functieaanduiding opgenomen die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voorkomt. De functieaanduiding is in een zone van 50 m breed om de bestaande woningen en de woningen buiten het plangebied gelegd. Op basis van de huidige jurisprudentie wordt hiermee voldoende afstand gehouden om de bewoners van de woningen tegen de effecten van gewasbeschermingsmiddelen te beschermen. Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect gezondheid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.14 Duurzaamheid Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip 'duurzame ontwikkeling' als een overkoepelend doel.
Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Toetsing van het voornemen De ontwikkeling gaat uit van een functiewijziging van twee woningen, het slopen van voormalig agrarische bebouwing en de nieuwbouw van aan nieuw akkerbouwbedrijf. De nieuw te bouwen bedrijfswoning en de bedrijfsbebouwing van het akkerbouwbedrijf zullen volgens de laatste duurzaamheidsnormen en -eisen worden gebouwd. Nieuwbouw dient sinds 1 juli 2018 aardgasloos te zijn en bijna energieneutraal (BENG). Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6. Financiële haalbaarheid 6.1 Algemeen In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden. 6.2 Kostenverhaal De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld.
Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. In dit geval is de gemeente zelf de initiatiefnemer voor voorliggend voornemen. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de gemeente komt. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
7. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Participatie Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Initiatiefnemer heeft met de bewoners van Schouwdijk 1 en Binnenveldsweg 76 gesproken. Initiatiefnemer en de bewoners staan in goed contact en de bewoners hebben aangegeven positief tegenover de planontwikkeling te staan. Het participatieverslag van de initiatiefnemer is opgenomen als Bijlage 7 bij deze motivering.
7.2 Afstemming overlegpartners Het plan is voorgelegd aan de relevante overlegpartners. In dit geval betreffen dit de provincie, de veiligheidsregio en de brandweer. Wanneer een reactie wordt ontvangen op het voornemen zal deze paragraaf verder worden aangevuld. 7.3 Zienswijzen Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het TAM-omgevingsplan voor een periode van zes weken ter inzage heeft gelegen.
8.
Juridische verantwoording
8.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 8.2 8.2.1
Opzet van de regels Algemeen
TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • • •
Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels aan activiteiten; Overgangsrechtbepalingen.
8.2.2 Preambule De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven. Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22g Buitengebied Schouwdijk 4 Tubbergen en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22g) van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.
Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22g van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22g.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22g.’ gelezen worden. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels. 8.2.3 Toepassingsbereik van het wijzigingsbesluit Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de ‘oude’ standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, is in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt: Artikel 3 (Toepassingsbereik) 1.
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op het plangebied, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMBUISCHOUWDK4VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
8.2.4 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: • Anti-dubbeltelregel (Artikel 10): Deze regel is opgenomen om ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen; • Algemene ruimtelijke bouwregels (Artikel 11): deze regel is opgenomen ten behoeve van het in acht nemen van de standaardwaarde in een straal van 250 meter rondom de functie ‘Verkeer’ bij het realiseren van een geluidsgevoelige functie; • Planologische gebruiksactiviteiten (Artikel 12): Uitgangspunt is de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit deze gedachte is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten. In dit artikel zijn tevens enkele voorwaardelijke verplichtingen opgenomen ten behoeve van het uitvoeren van het landschappelijk inpassingsplan en voldoende waterberging; • Regels parkeren (Artikel 13): In dit artikel zijn parkeernormen opgenomen; • Overige regels (Artikel 14): In de overige regels wordt verklaard dat de aanvraagvereisten uit paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen van toepassing zijn 8.2.5 Overgangsregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels.
In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan. 8.3 Verantwoording van de regels Het vertrekpunt voor voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de relevante bestemmingen uit het bestemmingsplan “Tubbergen Buitengebied 2016” en “Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan”. In sommige gevallen is gekozen om van deze regels af te wijken. Deze paragraaf licht deze keuzes toe.
Agrarisch - 1 (Artikel 4) Bovenstaande functie is overgenomen uit het plaatselijk planologisch regime en blijft geldig ter plaatse van het nieuwe akkerbouwbedrijf. Voor het akkerbouwbedrijf is in de verbeelding een nieuw bouwvlak ingetekend om de positionering van de nieuwe bebouwing te omvatten. Het agrarisch bedrijf ter plaatse van het nieuwe bouwvlak heeft een omvang van maximaal 1.500 m 2. Ter bescherming van de gezondheid van de woonfuncties in en om het plangebied is een zone opgenomen die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voorkomt. Wonen – Wonen in het buitengebied (Artikel 5) De regels uit Artikel 5 sluiten aan op de regels uit het handboek dat de gemeente hanteert voor woonfuncties in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. De nieuwe woonfunctie ter plaatse van de twee voormalige agrarische bedrijfswoningen heeft als doel het vastleggen van de huidige situatie. Ten aanzien van de gronden in de noordelijke helft van het plangebied is een waterbergingseis van 55 mm opgenomen als voorwaardelijke verplichting. Water - 2 (Artikel 6) Ter plaatse van de functie ‘Water’ wordt uitgegaan van het in stand houden van het aanwezige water. Deze functie wordt ongewijzigd overgenomen uit het onderliggend planologisch regime.
Waarde – Archeologie 3 (Artikel 7), Waarde - Archeologie 4 (Artikel 8) en Overige zone – Geen boomen sierteelt toegestaan (Artikel 9) zijn gebiedsaanwijzingen die zijn overgenomen uit huidig planologisch regime ter plaatse van het plangebied.
Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing Bijlage 1
Landschappelijke inpassingstekening
Bijlage 2
AERIUS-berekening
Bijlage 3
Quickscan Natuurwaardenonderzoek
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 5
Bodemonderzoek
Bijlage 6
Wateradvies
Bijlage 7
Participatieverslag