Bijlage Langeveen, Hardenbergerweg 201.pdf
Tekst van het document
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2). Het plangebied ligt aan de Hardenbergerweg. Deze weg heeft een maximumsnelheid van 30 km/uur. Hiermee heeft de Hardenbergerweg geen wettelijke geluidszone. Daarnaast ligt in de nabijheid van het plangebied de N343 (Langehaarseweg). Deze weg ligt buiten de bebouwde kom en heeft een maximumsnelheid van 80 km/h. De geluidbelasting door wegverkeer op deze weg moet dan ook getoetst worden aan de grenswaarden uit de Wgh. De te realiseren tweekapper wordt gebouwd binnen het bouwvlak zoals neergelegd op de plankaart. In afbeelding 5.1 is dit aangegeven met een blauw kader. De woning is hiermee gelegen in de geluidscategorie ‘om en nabij de 48 dB’, wat ook in eerste instantie de voorkeurswaarde voor woningen is. Bijbehorende bouwwerken bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
29
bij een woning, waarin landurig menselijk verblijf is toegestaan, mogen echter ook buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits aangrenzend aan de woning. Gelet op de bouwregels uit het vigerend bestemmingsplan wordt gesteld dat het niet mogelijk is om bijbehorende bouwwerken vergunningsvrij zo te bouwen dat deze tot aan de achterste perceelsgrens reiken. Daarnaaast wordt opgemerkt dat het in vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet is toegestaan om te wonen. Gesteld wordt dat er op basis van de geluidskaart in het redelijkerwijs voor wonen gebruikte deel van het plangebied geen hogere geluidsbelasting is dan 50 dB (zie ook afbeelding 5.1). Een binnenwaarde van 33 dB wordt gezien als aanvaardbaar, waardoor op basis van het Bouwbesluit een gevelwering van 20 dB verplicht is. Hiermee is de geluidswaarde binnen beperkt tot 30 dB en wordt ruim voldaan aan de toelaatbare waarden. Verwacht wordt dat daarmee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woning wat betreft het aspect wegverkeerslawaai.
Afbeelding 5.1: Uitsnede Geluidskaart (Bron: Atlas van de Leefomgeving)
5.1.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidshinder geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.2 Bodem 5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Ter plaatse van het plangebied is door Sigma een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de onderzoekresultaten. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 1 van de toelichting. 5.2.2
Situatie plangebied
Uit vooronderzoek zijn geen aanwijzingen aangetroffen dat de bodem op de locatie verdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging (hypothese: 'onverdacht'). Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: Tijdens de veldwerkzaamheden zijn geen zintuiglijke afwijkingen in de bodem waargenomen; Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat zowel in de onderzochte grondmonsters als in het grondwatermonster zijn geen verhoogde gehalten zijn gemeten t.o.v. de achtergrondwaarde resp. streefwaarde; Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. Op basis van het uitgevoerde onderzoek concludeert Sigma dat de onderzoekslocatie vanuit milieuhygiënisch 30
bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
oogpunt geschikt geacht wordt voor het beoogde gebruik. 5.2.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan.
5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
In paragraaf 5.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorgenomen ontwikkeling (realiseren 2 woningen) in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, wordt geconcludeerd dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de woningen niet worden aangemerkt als gevoelige bestemmingen in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
31
5.4 Externe veiligheid 5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen en moet worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen pet buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. De locatie van het plangebied is aangegeven met blauwe ster.
Afbeelding 5.2: Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas van de Leefomgeving) Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; 32
bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.
5.5 Bedrijven en milieuzonering 5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een 'gemengd gebied'. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het projectgebied kan worden aangemerkt als een 'rustige woonwijk', want in de omgeving is vrijwel alleen sprake van woonfuncties.
Ook ligt het projectgebied niet aan een drukke weg.
bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
33
5.5.3
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe woningen binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. Onderstaande tabel geeft de nabijgelegen milieubelastende functies weer met de grootste minimale afstand en de werkelijke afstand tussen de milieubelastende functie en het plangebied. Adres
Functie
Hardenbergerweg 208
Grootste minimale afstand 30 meter (geluid)
Werkelijke afstand
Handel in auto's en 34 meter motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven Hardenbergerweg 192 Fokken en houden van 100 meter (geur) 81 meter rundvee Balkenbeltsweg 7A Fokken en houden van 200 meter (geur) 380 meter varkens Ossendijk 55 Fokken en houden van 100 meter (geur) 460 meter rundvee Uit bovenstaande tabel blijkt dat in het geval van de Hardenbergerweg 192 niet wordt voldaan aan de minimale richtafstanden. Aan de Hardenbergerweg 192 is een zorgboerderij gevestigd met een stal voor melkvee. Voor veehouderijen geldt voor het aspect 'geur' echter niet de richtafstanden van de VNG, maar de vaste afstanden en geurcontouren zoals opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Verwezen wordt naar paragraaf 5.6 voor nadere toetsing op het aspect 'geur'. Overigens wordt opgemerkt dat er op kortere afstand van de Hardenbergerweg 192 woningen gelegen zijn die belemmerend werken ten aanzien van de bedrijfsvoering. Het voornemen vormt dan ook geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de veehouderij aan de Hardenbergerweg 192. Wanneer het aspect 'geur' buiten beschouwing wordt gelaten geldt een minimale richtafstand van 30 meter voor stof en geluid. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Samenvattend wordt gesteld dat er ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is te verwachten en dat omliggende functies niet in hun bedrijfsvoering beperkt worden. 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
34
bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
5.6 Geur 5.6.1
Algemeen
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten.
Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Dit wordt 'de omgekeerde werking' genoemd. 5.6.2
Situatie plangebied
De te realiseren woningen gelden als geurgevoelige objecten en zijn binnen de bebouwde kom van Langeveen gelegen. Gemeten vanaf de uiterste bestemmingsgrens tot de gevel van de woning ligt aan de Hardenbergerweg 192 op circa 81 meter een zorgboerderij met een stal voor melkvee (grondgebonden veehouderij). Gelet op de Wgv dient ten minste een afstand van 100 meter te worden gehouden. De afstand tussen de stal voor melkvee en de woning is circa 140 meter. Het is niet mogelijk om stallen op kortere afstand dan de bestaande afstand te realiseren, aangezien de woningen tussen het plangebied en de Hardenbergerweg 192 hier belemmerend voor werken. Er wordt dan ook verwacht dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van geur. Daarnaast wordt het agrarische bedrijf niet verder in de bedrijfsvoering belemmerd. De veehouderijen aan de Balkenbeltsweg 7A en de Ossendijk 55 liggen op ruime afstand van het plangebied, waardoor het woon- en leefklimaat in het projectgebied en de bedrijfsvoering van deze bedrijven niet negatief wordt beïnvloed. 5.6.3
Conclusie
Op basis van de Wgv en een goede ruimtelijke ordening zijn geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
5.7 Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.1
Gebiedsbescherming
5.7.1.1 Natura 2000 In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde (stikstofgevoelige) Natura 2000-gebied 'Engbertsdijkvenen' ligt op een afstand van circa 2,3 kilometer. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Gezien de grote afstand tot en de bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
35
beperkte omvang van de ontwikkeling wordt het ook niet nodig geacht een stikstofonderzoek uit te voeren. 5.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland(NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. Het plangebied ligt op circa 1,2 kilometer van het NNN. Gezien de ruime afstand tot het NNN en de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.7.2
Soortenbescherming
5.7.2.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In het voorliggend geval wordt de bestaande bebouwing gesloopt en is zodoende een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting. 5.7.2.2 Quickscan Flora en Fauna De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. Beschermde amfibie- en grondgebonden zoogdiersoorten bezetten geen vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied, maar benutten het wel als foerageergebied. Vogels Vermoedelijk nestelen er vogels in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, maar er nestelen ook vogels (huismussen en gierzwaluwen) waarvan de nestplaats (jaarrond) beschermd is.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, dient gewerkt te worden buiten de voortplantingsperiode of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden zodat de aanwezigheid van een bezet vogelnesten uitgesloten kan worden. Omdat nesten van huismussen en gierzwaluwen het gehele jaar beschermd zijn dient een ontheffing aangevraagd te worden om de nestplaats van huismussen en gierzwaluwen te mogen beschadigen en te vernielen. Om vast te stellen of huismussen en gierzwaluwen daadwerkelijk onder de dakpannen, gevelpannen en de nok van de twee-onder-een-kapwoning nestelen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Vleermuizen Vleermuizen en hun vaste verblijfplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Als gevolg van het slopen van de twee-onder-een-kapwoning wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats verstoord, beschadigd en vernield. Er dient een aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden om de functie van de twee-onder-een-kapwoning vast te kunnen stellen. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half mei-half september (half oktober).
Op basis van nader onderzoek kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. 5.7.2.3 Onderzoek gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van het onderzoek naar gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen. Hiermee is het verplicht het nader onderzoek naar bovengenoemde diersoorten uit te voeren alvorens met de bouw- en sloopwerkzaamheden te kunnen beginnen. Op deze wijze wordt geborgd dat de bouw- en sloopwerkzaamheden geen nadelige effecten hebben op eventueel aanwezige beschermde diersoorten. 5.7.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 36
bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
5.8 Archeologie en cultuurhistorie 5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2023 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Tubbergen beschikt over een archeologische verwachtings- en advieskaart. Hiervan is in afbeelding 5.3 een uitsnede ter hoogte van het plangebied (rode ster) opgenomen. Het plangebied ligt in het gebiedstype 'stuwwalhellingen met vochtige zandige of kleiige bodems'.
Afbeelding 5.3: Uitsnede van archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Gemeente Tubbergen) Voor het geldende gebiedstype geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen over een oppervlakte van meer dan respectievelijk 5.000 m2 en dieper dan 40 cm. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 542 m2. De bodemingrepen beslaan niet het gehele plangebied, daarnaast is de grond reeds grotendeels verstoord door de bestaande bebouwing. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' biedt eveneens bescherming naar de aanwezige of naar verwachting aanwezige waarden, gelet op de regels die een archeologisch rapport verlangen bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 waarbij de bodem op een diepte van meer dan 0,40 m wordt geroerd. Gelet op bovenstaande wordt het uitvoeren archeologisch onderzoek dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
37
grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.
5.9 Water 5.9.1
Vigerend beleid
5.9.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.9.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
5.9.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.9.1.4 Beleid waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vier stroomgebieden: Maas, Rijn, Schelde en Eems. Binnen het stroomgebied Rijn zijn er drie deelstroomgebieden: Rijn-Noord, Rijn-Oost en Rijn-West. Het stroomgebied Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen en Drents Overijsselse Delta. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022 – 2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. In het Waterbeheerprogramma en de Watervisie is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren wil uitvoeren.
De drie belangrijkste opgaven voor waterschap Vechtstromen zijn: de toenemende droogte en overlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat en de transitie naar een duurzame ontwikkeling.
38
bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
5.9.2
Waterparagraaf
5.9.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.9.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'korte procedure' van de watertoets van toepassing is. De standaard waterparagraaf van het waterschap is bijgevoegd in Bijlage 3 van deze toelichting. In navolgende subparagraaf wordt ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten.
5.9.2.3 Waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermings- of intrekgebied. Verder is er geen sprake van het dempen van bestaande watergangen en/of oppervlakte water. Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater gescheiden worden afgevoerd. Binnen het plangebied wordt hemelwater via het maaiveld geïnfiltreerd en afgevloeid. Het afvalwater wordt afgevoerde via het gemeentelijke rioleringsstelsel. Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.10
Besluit Milieueffectrapportage
5.10.1 Algemeen In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. In het Besluit m.e.r.
neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.
bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
39
Het komt er op neer dat voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. 5.10.2 Situatie plangebied 5.10.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 2,3 kilometer van het plangebied. Gelet op de omvang van en afstand tot de ontwikkeling is aannemelijk dat er geen stikstofdepositie plaatsvindt op Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.10.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r.
en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.' Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, is of met de ontwikkeling van één woning in Langeveen sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (o.a. ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.
Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het realiseren van een twee-onder-één-kapwoning in Langeveen. Gelet op de aard en omvang van het plan is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Er is planologisch gezien immers geen sprake van een toename van bebouwingsmogelijkheden. Evenmin is er sprake van een toename van milieubelasting of een onevenredige toename in verkeersgeneratie. Gelet op het vorenstaande, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Er hoeft geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd (ABRvS 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:729).
40
bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording 6.1 Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
6.2 Opbouw van de regels 6.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
6.2.2
Inleidende regels
6.2.2.1 Begrippen In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 6.2.2.2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse meetvoorschriften wordt verstaan. 6.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. In paragraaf 6.3 wordt per bestemming een korte uitleg gegeven. 6.2.4 Algemene regels Anti-dubbeltelregel (artikel 5): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
41
een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels (artikel 6): in deze regel is een bepaling opgenomen omtrent maatvoering van bouwwerken. Algemene gebruiksregels (artikel 7): in deze regel is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Algemene afwijkingsregels (artikel 8): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Overige regels (artikel 9); in dit artikel zijn regels in verband met parkeren opgenomen. 6.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
6.3 Bestemmingen Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Wonen (Artikel 3) De beoogde woningen en de bijhorende gronden zijn bestemd tot 'Wonen'. De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen met de daarbij behorende voorzieningen. De bouwregels behorende bij deze bestemming zijn uit de vigerende bestemmingsplannen "Kleine Kernen" en "(veeg)bestemmingsplan kernen gemeente Tubbergen" overgenomen. Hiermee sluiten de bestemmingsplannen qua plansystematiek op elkaar aan. Hoofdgebouwen: mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.
Door middel van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' zijn de maximum gooten bouwhoogte vastgelegd. Ook is het aantal toegestane woningen per bouwvlak vastgelegd. De dakhelling bedraagt ten minste 18 graden en ten hoogste 70 graden. Bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd. Ook is een bepaling opgenomen voor het maximaal toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken. Verder is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van het uitvoeren van onderzoek naar gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen (zoals beschreven in paragraaf 5.7.2). Hierbij is het verboden om zonder omgevingsvergunning bouwwerken te slopen, tenzij nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar genoemde diersoorten zoals geadviseerd in de uitgevoerde Quickscan Flora en Fauna. Waarde - Archeologie (Artikel 4) Overeenkomstig het bestemmingsplan "Kleine Kernen" is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van en onderzoek naar aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. De regels behorend bij deze bestemming zijn overgenomen van het bestemmingsplan "Kleine Kernen".
42
bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Voor het project is een grondcomplex ingesteld met bijbehorende grondexploitatie. Hierin is de verantwoording van de kosten en opbrengsten opgenomen. De exploitatie is sluitend. Het plan is dan ook economisch uitvoerbaar.
bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
43
44
bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
Hoofdstuk 8
Vooroverleg en inspraak
8.1 Vooroverleg 8.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen, zoals onder meer beschreven in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2
Provincie Overijssel
Voorliggend bestemmingsplan is in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de provincie Overijssel. De provincie heeft geen bezwaren kenbaar gemaakt. 8.1.3
Waterschap Vechtstromen
In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben ertoe geleid dat de 'korte procedure' van toepassing is. Hierdoor hoeft het plan niet te worden voorgelegd aan het waterschap in het kader van vooroverleg.
8.2 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval is geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Initiatiefnemer heeft het voornemen besproken met de omwonenden. Er zijn geen bezwaren kenbaar gemaakt. Naar aanleiding van de wensen van een omwonende is het ontwerp licht gewijzigd.
8.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft zes weken ter inzage gelegen van 22 maart tot en met 3 mei. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
45
46
bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
47
Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek
48
bestemmingsplan Langeveen, Hardenbergerweg 201
Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 www.sigma-bm.nl email info@sigma-bm.nl
december ’22
Onderwerp:
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Harderbergerweg 210 te Langeveen
Projectnummer:
22-M10550
Opdrachtgever:
BJZ.nu
Datum:
02 december 2022
0
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Harderbergerweg 210 te Langeveen
onderwerp
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Harderbergerweg 210 te Langeveen
datum
02 december 2022
projectnummer
22-M10550
in opdracht van
BJZ.nu Twentepoort Oost 16 7609 RG Almelo
uitgevoerd door
Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen tel: (0591) 659128
Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015, het uitvoeren van milieukundige bodemonderzoeken en geotechnische onderzoeken Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Monsterneming Bouwstoffenbesluit SIKB 1000 protocol 1001: Monsterneming grond voor partijkeuringen”
Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018”
(het onderhavige onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000, protocol 2001 en 2002)
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middels van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever of Sigma Bouw & Milieu.
december ’22
1
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Harderbergerweg 210 te Langeveen
Inhoudsopgave 1
2
INLEIDING ....................................................................................................................................... 3 1.1
Algemeen................................................................................................................................. 3
1.2
Aanleiding van het bodemonderzoek ...................................................................................... 3
1.3
Doel van het onderzoek ........................................................................................................... 3
1.4
Referentiekader van het onderzoek ........................................................................................ 4
1.5
Opbouw van het rapport .......................................................................................................... 4
VOORONDERZOEK ........................................................................................................................ 5 2.1
3
4
Hypothese en onderzoeksstrategie ....................................................................................... 11
VELDONDERZOEK ....................................................................................................................... 13 3.1
Uitvoering van het veldonderzoek ......................................................................................... 13
3.2
Resultaten van het veldonderzoek ........................................................................................ 14
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK .................................................................................... 16 4.1
Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek ..................................................... 16
4.2
Toetsingscriteria .................................................................................................................... 17
4.3
Analyseresultaten en interpretatie ......................................................................................... 18
4.3.1
Milieuhygiënische kwaliteit grond ...................................................................................... 18
4.3.2
Milieuhygiënische kwaliteit grondwater ............................................................................. 20
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .......................................................................................... 22
6
LITERTUURLIJST .......................................................................................................................... 26
7
COLOFON ...................................................................................................................................... 27
Bijlagen 1. Topografisch overzicht 1A.Historisch topografisch overzicht 2. Onderzoekslocatie met boorplan (1:500) 3. Beschrijvingen inspectiegaten/boringen/foto’s 4. Analysecertificaten 5. Onafhankelijkheidsverklaring
december ’22
2
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Harderbergerweg 210 te Langeveen
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
In opdracht van BJZ.nu is in november 2022 door Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. een verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 uitgevoerd op het onbebouwde deel van de locatie gelegen aan de Hardenbergerweg 201 te Langeveen (gemeente Tubbergen). De plaats en situering van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1 en 2. In dit onderzoek worden allereerst de locatiegegevens, de historische gegevens ofwel het bodemgebruik in het verleden evenals de resultaten van eventuele voorgaande bodemonderzoeken besproken. Vervolgens wordt de bodemopbouw, geologie en geohydrologie besproken. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is een onderzoekshypothese opgesteld. Het verdere onderzoek is op basis van deze hypothese uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden geïnterpreteerd. Aan de hand van de interpretatie van de onderzoeksresultaten wordt een eindconclusie geformuleerd. kwaliteitsborging: Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015. Het verkennend milieukundig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen uit het besluit uitvoeringskwaliteit Bodembeheer (KWALIBO). Zo is de gehanteerde onderzoeksstrategie opgesteld volgens de normen NEN-5725 en NEN-5740 en zijn de veld- en laboratoriumwerkzaamheden uitgevoerd volgens geldende beoordelingsrichtlijnen en accreditatieschema’s.
De veldwerkzaamheden van Sigma Bouw & Milieu zijn verricht onder het procescertificaat BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek) waarvoor Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd en erkend door het ministerie van I&W. In het kader van het onderhavige onderzoek zijn de protocollen 2001 (plaatsen van handboringen en peilbuizen t.b.v. het nemen van grond- en grondwatermonsters) en 2002 (het nemen van grondwatermonsters) van toepassing. Sigma Bouw & Milieu verklaart bij deze volledig onafhankelijk te zijn in de uitvoering van het onderzoek en op geen enkele wijze gerelateerd te zijn aan de eigenaar van het te onderzoeken terrein.
1.2
Aanleiding van het bodemonderzoek
Aanleiding tot de uitvoering van dit verkennend milieukundig bodemonderzoek vormt de geplande nieuwbouw van een dubbele woning op de onderzoekslocatie.
1.3
Doel van het onderzoek
Het verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 heeft tot doel inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en vast te stellen of er sprake is van bodemverontreiniging. Aan de hand van dit onderzoek wordt inzicht verkregen in hoeverre het bodemgebruik van de locatie heeft geleid tot verontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan een milieuhygiënische beoordeling worden gegeven ten aanzien van de beoogde c.q. de toekomstige gebruiksmogelijkheden van de locatie. Indien uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er sprake is van bodemverontreiniging zal worden beoordeeld of vervolgonderzoek noodzakelijk geacht wordt.
december ’22
3
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Harderbergerweg 210 te Langeveen
1.4
Referentiekader van het onderzoek
Teneinde de kwaliteit van de grond op de onderhavige locatie juist in te schatten is de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek, onderzoeksnorm NEN 5740+A1 (literatuur 1). 1.5
Opbouw van het rapport
In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: vooronderzoek, (hoofdstuk 2) veldonderzoek, (hoofdstuk 3) chemisch-analytisch onderzoek, (hoofdstuk 4) conclusies en aanbevelingen, (hoofdstuk 5).
december ’22
4
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Harderbergerweg 210 te Langeveen
2
VOORONDERZOEK
Het vooronderzoek wordt voorafgaand aan het feitelijke onderzoek (veld- en chemisch-analytisch onderzoek) uitgevoerd. Het vooronderzoek omvat het verzamelen van informatie over het vroegere en huidige gebruik van de onderzoekslocatie en de omgeving, onder meer gericht op het vinden van mogelijke bronnen van bodembelasting. De uitwerking van het vooronderzoek is gebaseerd op de onderzoeksnorm NEN 5725, strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek (literatuur 9). In de NEN-5725 (2017) zijn zeven aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in tabel 1. tabel 1: onderzoeksaspecten milieuhygiënisch vooronderzoek Onderzoeksaspecten 1. Locatiegegevens
Aanleiding tot vooronderzoek
Eigendomssituatie
B 0
C
D
✓
✓
✓
✓
Bodemopbouw Antropogene lagen in de bodem Geohydrologie
3. Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit
Geval van ernstige bodemverontreiniging? Kwaliteit o.b.v. BKK O.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken
4. Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval
F
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓ ✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
Hoogteligging 2. Bodemopbouw en geohydrologie
E
G
A 0
✓ ✓
0
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
0
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
0 ✓
✓
Voormalig Huidig Toekomstig Asbestverdacht?
✓
✓
✓
✓
✓
5. Terreinverkenning ✓ Verplicht onderzoeksaspect. Indien dit onderzoeksaspect niet van toepassing is, behoort dit in het rapport te worden vermeld en gemotiveerd 0 Optioneel
december ’22
5
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Harderbergerweg 210 te Langeveen
aanleiding vooronderzoek Het onderhavige bodemonderzoek betreft een verkennend bodemonderzoek in het kader van de geplande nieuwbouw van een dubbele woning op de onderzoekslocatie. Het vooronderzoek is uitgevoerd op basis van aanleiding A, conform paragraaf 6.2.1 “opstellen hypothese bodemkwaliteit ten behoeve van een bodemonderzoek” uit de NEN-5725 (2017). geraadpleegde bronnen in het kader van het vooronderzoek Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • informatie verstrekt door de opdrachtgever/eigenaar; • informatie van de gemeente Tubbergen (email d.d. 13-10-2022); • Bodemloket.nl; • bodeminformatiekaart van de Provincie Overijsel; • Topotijdreis.nl; • Kadaster/BAG Viewer; • grondwaterkaart van Nederland; • AHN.nl; • Dinoloket.nl; • handelsbestand van de Kamer van Koophandel; • terreininspectie voorafgaand aan de veldwerkzaamheden . Het uitgevoerde vooronderzoek heeft betrekking tot de onderhavige onderzoekslocatie alsmede de aangrenzende percelen binnen een straal van 25 meter. De onderzoeksvragen voor het opstellen van de onderzoekshypothese en de gekozen onderzoeksstrategie zijn, voor zover relevant, in de onderstaande paragrafen nader uitgewerkt. locatiegegevens In tabel 2 is een overzicht van de basisinformatie/locatiegegevens weergegeven.
tabel 2: overzicht basisinformatie Adres Plaats Gemeente Topografisch overzicht Coördinaten Kadastrale aanduiding Eigendomssituatie Oppervlakte onderzoekslocatie (onbebouwde deel van het plangebied) Algemene omschrijving