CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Kerkstraat 8-10 Reutum.pdf

Commissie Omgeving en Economie 5 maart 2024, gemeente TubbergenBij agendapunt: 9: Bestemmingsplan Kerkstraat 8 en 10 Reutum25.532 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijzing en de nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, 30

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).

Door Munsterhuis Geluidsadvies is een akoestisch onderzoek uitgevoerd betreffende het bepalen van de geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de geplande woning aan de Kerkstraat 10 te Reutum, gemeente Tubbergen. Het onderzoek is noodzakelijk inzake de bestemmingsplanwijziging. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich de volgende wegen: Ootmarsumseweg, (N349), Kerkstraat en de F.J. Groothuisweg. De Ootmarsumseweg, (N349), Kerkstraat en de F.J. Groothuisweg betreffen wegen waarbij er sprake is van minder dan 3 rijstroken. De wettelijke geluidzone langs deze wegen is daarom 200 meter. Gelet op dat het plangebied binnen de geluidszone van de deze wegen ligt en er een nieuwe woning wordt gerealiseerd, is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het onderzoek richt zich op het bepalen van de geluidbelastingen ten gevolge van wegverkeerslawaai op de Ootmarsumseweg (N349), de Kerkstraat en de F.J. Groothuisweg. De geluidbelastingen zijn vastgesteld door middel van Standaard Rekenmethode II, zoals beschreven in het 'Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012. Het akoestisch onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 2. Uit het onderhavig onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken.

Het blijkt dat de geluidbelasting, inclusief de wettelijke dB aftrek, ten gevolge van de Kerkstraat wordt overschreden op de noordoostgevel; De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de F.J. Groothuisweg en de Ootmarsumseweg (N349) wordt niet overschreden; De geluidbelasting voldoet niet aan de ambitiewaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid, maar wel aan de gestelde bovengrens van 53 dB; Om voor de Kerkstraat aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB te kunnen voldoen, zal de woning circa negen meter verder uit de wegas van de Kerkstraat moeten komen te liggen; Indien er niet voor wordt gekozen om de sitering van het bouwblok te verschuiven, kan er een hogere waarde aangevraagd worden voor de in het plan opgenomen woning van 51 dB voor de Kerkstraat; Het blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting, exclusief de wettelijke dB aftrek, wordt overschreden op de noordwest- en noordoostgevel. Daarmee wordt voor deze gevels niet voldaan aan het maximaal toelaatbare binnenniveau uit het Bouwbesluit. Voor deze gevels zijn geluidwerende voorzieningen noodzakelijk. Dit zal in een gevelweringsonderzoek moeten worden aangetoond. Railverkeerslawaai Het plangebied is niet gelegen aan of in de nabijheid van een op grond van de Wet geluidhinder gezoneerde spoorlijn. Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een op grond van de Wet geluidhindergezoneerd industrieterrein.

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

31

Conclusie Voor wat betreft wegverkeerslawaai dient er een hogere geluidsgrenswaarde te worden aangevraagd. Daarvoor dient een separate procedure doorlopen te worden. Daarnaast moet de gevel voldoende geluidwerend worden uitgevoerd om aan de verplichte binnenwaarde te voldoen. Door middel van een voorwaardelijke verplicht wordt geborgd dat bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt aangetoond dat de gevel voldoende geluidwerend is. Er is geen sprake van belemmering voor bedrijven in de omgeving door de bouw van de nieuwe vrijstaande woning, nadat een deel van een twee-onder-een-kapwoning wordt gesloopt en het woonrecht naar de nieuwe vrijstaande woning wordt verplaatst. Er is voor wat betreft geluid sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets In voorliggend bestemmingsplan wordt er ter vervanging van een gedeelte van een twee-onder-een-kapwoning een vrijstaande woning gerealiseerd. Hiervoor dient een extra bouwvlak te worden aangebracht. In de toekomstige situatie zal er daardoor sprake zijn van twee vrijstaande woningen.

Daarnaast worden er twee bijgebouwen gerealiseerd op het achtererf. Hiervoor dient het bestemmingsvlak te worden vergroot. Voor een twee-onder-een-kap koopwoning geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 en voor een vrijstaande koopwoning geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2. Dit komt neer op 16,4 verkeersbewegingen per etmaal voor twee vrijstaande woningen. Voor twee twee-onder-een-kapwoningen komt dit neer op 15,6 verkeersbewegingen per etmaal. Er is dus sprake van een toename van afgerond één verkeersbeweging. Indien worst-case wordt uitgegaan dat het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het voorliggend plan zal verdubbelen komt dit neer op afgerond 17 extra verkeersbewegingen per dag. Er zal bij het woonerf geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op nul gezet kan worden. In figuur 4.3 is de worst-case berekening weergegeven met 17 extra voertuigbewegingen. Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Derhalve draagt de 32

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

ontwikkeling niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl)

Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid: Activiteitenbesluit milieubeheer.

In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

33

Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.

Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl) Toets Op 200 m van de planlocatie is sprake van opslag van gevaarlijke stoffen (autobedrijf Zuithof B.V.). Het plangebied ligt buiten de terreingrens van het object. Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 200 m van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

34

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

4.8 Water Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het plan. Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.

Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500m2.

Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld. Via een gemengd stelsel wordt hemelwater geinfiltreerd. Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

35

wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Watertoetsproces Op 27 septemenber 2023 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 3. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. Op het achtererf wordt zo min mogelijk bestraating aangelegd, waardoor het hemelwater op het achtererf zoveel mogelijk in de bodem wordt geinfiltreed. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.

4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Quickscan natuurwaarden Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden opgesteld door Natuurbank Overijssel op 24-9-23 (projectnummer 5510), zie ook Bijlage 4 . De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) Het plangebied ligt ten oosten van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland dat zich op 550 meter afstand bevindt. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.

Figuur 4.3: Afstand plangebied met dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas Leefomgeving) Natura 2000-gebied 36

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

Het plangebied ligt niet in of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, Springendal & Dal van de Mosbeek', ligt 1.8 km van het plangebied. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. Dat wil zeggen dat er geen negatief effect op natuurgebied buiten het onderzoeksgebied op treedt. Gelet op de invloedsfeer en de ligging op enige afstand van Natura 2000-gebied, wordt gesteld dat de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied niet negatief beïnvloed wordt. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

Figuur 4.4: Afstand plangebied met dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (bron: AERIUS Calculator) Stikstof Voorliggend plan heeft betrekking op de realisatie van 1 vrijstaande woning, ter vervanging van een twee-onder-een-kapwoning. De nieuwe woning zal gasloos zijn. In de huidige situatie is er sprake van verkeersbewegingen door aanwezigheid van de bestaande woning en functies. Daarbij is er per saldo geen sprake van een toename van het aantal woonrechten. Uit vergelijkbare projecten die in de periode 2019 tot en met 2021 zijn uitgevoerd, en beoordeeld door de ODT, is gebleken dat bij veel bouwprojecten of bestemmingsplannen de aanleg- en gebruiksfase geen stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Gezien de kleinschaligheid van het project en de afstand van circa 1,8 kilometer tot het dichtbijgelegen Natura 2000-gebieden is het aannemelijk dat voorliggend project geen significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie zal veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Een gedetailleerd onderzoek naar stikstofdepositie wordt dan ook niet noodzakelijk geacht Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.

Het plangebied wordt door verschillende beschermde diersoorten benut als foerageergebied, nestelen er mogelijk ieder voorjaar vogels in het plangebied, bezetten grondgebonden zoogdieren en vleermuizen er mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet de oude nesten of nestplaats. Voor het verstoren, beschadigen of vernielen van een bezet vogelnest kan geen ontheffing verleend worden. De beplanting dient daarom buiten de voortplantingsperiode verwijderd te worden. Vleermuizen en hun verblijfplaatsen zijn strikt beschermd. Omdat niet uitgesloten kan worden dat vleermuizen een verblijfplaats in de te slopen woning bezetten, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Op basis bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

37

van de uitkomsten van aanvullend onderzoek kan bepaald worden of sprake is van wettelijke consequenties. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze verjaagd of weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist. Resumerend Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen plannen. Wel dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen te worden verricht zodat kan worden bepaald of er sprake is van wettelijke concequenties. Het uitvoeren van het aanvullend onderzoek naar vleermuizen zal als vergunningplicht worden opgenomen in de planregels.

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Op het plangebied ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van en onderzoek naar aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Op de tot 'Waarde - Archeologie' bestemde gronden mogen, in afwijking van hetgeen in de andere bestemmingen is bepaald, geen bouwwerken worden gebouwd. Dit is niet van toepassing op bouwwerken en -projecten ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachtingswaarde' met een oppervlakte van niet meer dan 2.500 m2, waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,4 m zal kunnen worden verstoord. Toets Voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het realiseren van twee bijgebouwen en een nieuwe vrijstaande woning. De voorgenomen ontwikkeling en de daarbij behorende werkzaamheden beslaan een oppervlak kleiner dan 2.500 m2. Gelet op de omvang van de voorgenomen ontwikkeling kan worden gesteld dat deze ruim binnen de toegestane grenzen valt. Archeologisch onderzoek is hierom niet noodzakelijk.

Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets

38

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

Figuur 4.5: Doorsnede Cultuurhistorische waardenkaart (bron: Provincie Overijssel) Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er zich binnen het plangebied of direct naast het plangebied geen gemeentelijke of rijksmonumenten bevinden. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.11

Verkeer / parkeren

verkeer Het plangebied wordt via de bestaande inrit ontsloten op de Kerkstraat. De Kerkstraat wordt op basis van het 'Strategisch Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan Tubbergen 2019' (hierna: GGVP) aangemerkt als een “Gebiedsontsluitingsweg” waarvoor een wegintensiteit geldt van 3.000 - 15.000 motorvoertuigbewegingen per dag met een rijbaanbreedte van 6 tot 7 meter. De maximumsnelheid bedraagt 50 km per uur binnen de bebouwde kom. De huidige inrichting van de Kerkstraat bestaat uit asfaltverharding met een breedte van circa 6 meter. Aan beide zijden van de weg is een fietsstrook aangelegd met een breedte van 1 meter. Aan een kant van de weg bevindt zich een trottoir en aan de andere zijde een berm en een sloot. De huidige maximumsnelheid bedraagt zoals aangegeven 50 km/h. Het profiel van de Kerkstraat past binnen de richtlijnen van Duurzaam Veilig. Op de Kerkstraat zijn enkele snelheidsremmende maatregelen getroffen: Doordat de rontonde voorzien is van een kruispuntplateau (verhoging) wordt de snelheid van het (doorgaande) verkeer beperkt. Om de verkeersgeneratie als gevolg van het plan te bepalen kan worden aangesloten bij de kengetallen van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren'. Voor het plan kan worden uitgegaan van de categorie 'koop, huis, vrijstaand', 'niet stedelijk' en 'rest bebouwde kom'.

De gemiddelde verkeersgeneratie bedraagt voor dit plan 8,2 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Dit komt neer op 16,4 verkeersbewegingen per etmaal voor twee vrijstaande woningen. In de huidige situatie is sprake van twee twee-onder-een-kapwoningen, hiervoor geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 verkeersbewegingen per etmaal. Voor twee twee-onder-een-kapwoningen komt dit neer op 15,6 verkeersbewegingen per etmaal. Er is dus sprake van een toename van afgerond één verkeersbeweging. Gezien er een zeer geringe toename in verkeersgeneratie wordt verwacht kan geconcludeerd worden dat het aantal verkeersbewegingen via de huidige infrastructuur kan worden afgewikkeld. parkeren Bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen geldt de regel dat de inrichting van gronden zodanig moet plaatsvinden dat er voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd. Voldoende betekent dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

39

neergelegd in de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' en dat indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijzigingen. Uitgangspunt is dat het parkeren op het eigen erf plaatsvindt. Als een aanvrager alle parkeergelegenheid voor het bouwplan op eigen erf realiseert, wordt er een positief parkeeradvies gegeven. Met voorliggend plan wordt een gedeelte van een dubbele woning gesloopt zodat er twee vrijstaande woningen kunnen worden gerealiseerd. Het aantal woningen neemt niet toe. Voor een vrijstaande woning in 'rest bebouwde kom' geldt een parkeernorm van gemiddeld 2,3 parkeerplaatsen per woning (bron: CROW editie 381, 2018). Voor twee vrijstaande woningen komt dit neer op 4,6 parkeerplaatsen. In de huidige situatie is er sprake van twee twee-onder-een-kapwoningen. Hiervoor geldt een parkeernorm van gemiddeld 2,2 parkeerplaatsen voor één woning. Voor twee woningen bedraagt het aantal parkeerplaatsen 4.4. Er is een verwaarloosbare toename in parkeerbehoefte van 0,2 parkeerplaatsen. Voor parkeren blijft op eigen terrein nagenoeg evenveel ruimte beschikbaar om te parkeren als nu het geval is. Hierdoor kan worden gesteld dat er voldoende ruimte is om in de verkeersbehoefte te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor het voorliggend plan.

40

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels 5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

41

om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.

De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing te stellen. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht isopgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Wonen: Deze aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroep. De woning heeft een maximum bouwhoogte van 8 m en een goothoogte van 4 m. De gezamelijk oppervlakte aan bijgebouwen per woning bedraagt maximaal 100m2. Waarde – Archeologie: De bestemming 'Waarde - Archeologie' wordt conform het vigerende bestemmingsplan in dit wijzigingsplan overgenomen.

Functieaanduiding Specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting:

42

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

De aanduiding 'Specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting ' wordt conform het vigerende bestemmingsplan in dit wijzigingsplan overgenomen.

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

43

44

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

45

46

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Optie 1: vooroverleg niet noodzakelijk De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie ... onder ..., waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 27-9-23 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft.

Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 7 november 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

47

48

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

Bijlagen toelichting

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

49

Bijlage 1

50

Bodemonderzoek

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

RAPPORT VERKENNEND BODEMONDERZOEK conform NEN5740 Kerkstraat 10 - Reutum

Opdrachtgever: Ad Fontem Locatie: Kerkstraat 10 7667 PX Reutum September 2023

Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren

Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl

Tel: 0546 - 63 96 63 KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01

Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739

Rapport Verkennend Bodemonderzoek conform NEN5740 Kerkstraat 10 - Reutum

Opdrachtgever: Ad Fontem Stationsstraat 37 7622 LW Borne Locatie: Kerkstraat 10 7667 PX Reutum Projectcode: 23051610 Rapportagedatum: 13 september 2023 Projectleider: Dhr. ing. J. Lammers Auteur: Mevr. E. Koppelman Kruse Milieu BV

INHOUD Pagina 1

Inleiding

1

2

Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie

2 2 2 4

3

Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses

5 5 6 6 7 8

4

Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses

9 9 9 10 11

5

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

12

6

Literatuur en bronvermelding

14

Bijlagen I

Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, oktober 2002 Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, maart 2010 Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, september 2023 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Informatie gemeente Tubbergen V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen

Kruse Milieu BV

Project: 23051610

1

Inleiding

Dit rapport beschrijft het verkennend bodemonderzoek, dat in opdracht van Ad Fontem op een terreindeel aan de Kerkstraat 10 in Reutum door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de bestemmingsplanwijziging en de bouw van een nieuwe woning met bijgebouw, ter vervanging van de de slopen helft van de dubbele woning met bijgebouw. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de bouwplannen. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, Bodem.

Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. Het veldwerk is uitgevoerd in augustus en september 2023 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van hun persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn.

De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden eventuele resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.

Kruse Milieu BV

Project: 23051610

Pagina 1 van 14

2

Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie

Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Kerkstraat 10, binnen de bebouwde kom van Reutum. Het centrale punt van het te onderzoeken terreindeel heeft de RD-coördinaten x = 253.994 en y = 490.659 en is kadastraal bekend als: gemeente Tubbergen, sectie Q, nummers 347 en 1387 (beide gedeeltelijk). De Kerkstraat bevindt zich ten oosten van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is momenteel deels bebouwd met de te slopen helft van een dubbele woning (huisnummer 10). De andere helft van deze woning blijft behouden en krijgt huisnummer 8. Verder is de onderzoekslocatie deels bebouwd met een te slopen bijgebouw (met overkapping) en een te behouden bijgebouw. Het onbebouwde deel van de onderzoekslocatie is deels verhard met tegels, klinkers, kasseien en grind. Het overige deel is onverhard en begroeid met gras, platen en struiken (tuin). De nieuwe woning wordt ter plekke van het te slopen bijgebouw gerealiseerd en krijgt huisnummer 10.Het nieuwe bijgebouw wordt aan de westzijde van de onderzoekslocatie gerealiseerd (zie boorplan). Onderzoekslocatie In het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de nieuwbouwplannen, is een bodemonderzoek noodzakelijk. De onderzoekslocatie omvat circa 1160 m².

In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de volgende boorplannen opgenomen. - boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, oktober 2002; - boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, maart 2010; - boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, september 2023. Vooronderzoek In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. De geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in tabel 1. De volgende informatie is verzameld: - de onderzoekslocatie heeft deels een woonbestemming en deels een groenbestemming. De deels te slopen woning en het te slopen bijgebouw datereren oorspronkelijk van circa 1948.

Het te behouden bijgebouw dateert van circa 1950 (bron: BAG-viewer); - voor zover bekend is er op de onderzoekslocatie nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel; - de onderzoekslocatie is voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn; - voor zover bekend is het te onderzoeken terrein in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden; - voor zover bekend bevindt zich geen asbest op of in de bodem op de onderzoekslocatie. Er bevinden zich geen asbesthoudende dakplaten, beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie. Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg; - volgens de Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente (Witteveen+Bos, maart 2018) vallen de boven- en ondergrond in functieklasse “AW2000”. Kruse Milieu BV

Project: 23051610

Pagina 2 van 14

Volgens de Nota bodembeheer Regio Twente (Twents beleid veur oale groond) wordt geen correctie toegepast voor minerale olie tot maximaal 100 mg/kg d.s; - er hebben niet eerder bodemonderzoeken op de huidige onderzoekslocatie plaatsgevonden. In de nabije omgeving zijn wel eerder bodemonderzoeken uitgevoerd. De meest relevante onderzoeken worden hieronder nader toegelicht. Kruse Milieu verkennend bodemonderzoek Kerkstraat 16 Reutum met projectcode 980901, d.d. september 1998 Aanleiding voor dit onderzoek op circa 20 meter ten zuiden van de huidige onderzoekslocatie, is de geplande sanering van een ondergrondse dieseltank (5000 liter). Uit de analyseresultaten blijkt: - de bodem is licht verontreinigd met minerale olie; - het grondwater is licht verontreinigd met xylenen, naftaleen en minerale olie. Kruse Milieu verkennend bodemonderzoek Kerkstraat 12 Reutum met projectcode 02028610, d.d. oktober 2002 Aanleiding voor dit onderzoek direct ten zuiden van de onderzoekslocatie is de nieuwbouw van een woning met kantoor. Zintuiglijk zijn er bodemvreemde materialen in de vorm van puin aangetroffen. Uit de analyseresultaten bleek: - de bovengrond is licht verontreinigd met lood - de ondergrond is niet verontreinigd; - het grondwater is licht verontreinigd met nikkel en zink. Kruse Milieu BV verkennend bodemonderzoek Kerkstraat 14 Reutum met projectcode 10010610, d.d.

31 maart 2010 Aanleiding voor dit onderzoek op circa 20 meter ten zuiden van de huidige onderzoekslocatie, is de bouw van een nieuwe woning. Zintuiglijk zijn er bodemvreemde materialen in de vorm van puin en kolengruis aangetroffen. Uit de analyseresultaten bleek: - de bovengrond is zeer licht verontreinigd met cadmium; - de ondergrond is niet verontreinigd; - het grondwater is (zeer) licht verontreinigd met barium en zink.

Kruse Milieu BV

Project: 23051610

Pagina 3 van 14

Tabel 1: Geraadpleegde bronnen vooronderzoek. Relevante informatie

Bron

Specificatie

Opdrachtgever

Huidig en historisch gebruik van de locatie

Ja

Gemeente Tubbergen

Bodeminformatie

Ja

Archief Kruse Milieu BV

Eerdere bodemonderzoeken

Ja

Omgevingsrapportage

https://overijssel.omgevingsrapportage.nl/

Ja

Google Maps

https://www.google.nl/maps

Ja

Topotijdreis

https://www.topotijdreis.nl/

Ja

BAG-viewer

https://bagviewer.kadaster.nl/

Ja

Perceelloep

https://perceelloep.nl/

Ja

Ruimtelijke plannen

https://www.ruimtelijkeplannen.nl/viewer/

Ja

Grondwatertools

https://www.grondwatertools.nl/gwsinbeeld/

Ja

DINOloket

https://www.dinoloket.nl/

Ja

AHN-viewer

https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/

Ja

Bodemkwaliteitskaart

Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente, Witteveen+Bos, d.d. 23 maart 2018 Twente Bodemkwaliteitskaart PFAS, Tauw bv, d.d. 28 mei 2020

Ja

Bodemsamenstelling en geohydrologie Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - het maaiveld bevindt zich ongeveer 20 meter boven NAP; - de deklaag met een dikte van circa 2.7 meter bestaat uit een zandige eenheid van de Formatie van Boxtel. De doorlatendheid bedraagt circa 1 tot 5 m2/dag. Daaronder bevindt zich tot circa 15.3 meter minus maaiveld (m-mv) een kleiige eenheid van de Formatie van Drente. Onder het klei bevinden zich tot circa 44 m-mv zandige eenheden van de Formaties van Drente, Appelscha, Peize, Waalre en Oosterhout. Het doorlatend vermogen bedraagt maximaal 500 m2/dag; - de grondwaterspiegel bevindt zich circa 1.5 meter onder het maaiveld. Het grondwater stroomt vermoedelijk in zuidwestelijke richting; - de onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied en er is geen waterwingebied op korte afstand gelegen; - op circa 2.0 kilometer ten zuiden van de onderzoekslocatie stroomt het Kanaal AlmeloNordhorn. De invloed hiervan op de freatische grondwaterstromingsrichting en grondwaterstand is bij ons bureau onbekend.

Kruse Milieu BV

Project: 23051610

Pagina 4 van 14

3

Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie

De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. In norm NEN5740 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch en huidig gebruik van de locatie, kan de onderzoekslocatie als niet verdacht worden beschouwd. De hypothese "onverdachte locatie" uit NEN5740 wordt voor de locatie gebruikt. Deze hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten. Op basis van het oppervlakte van circa 1160 m² kan conform norm NEN5740, strategie onverdachte, niet lijnvormige locatie (ONV-NL), worden afgeleid dat er 8 boringen dienen te worden verricht, waarvan 6 tot 0.5 meter en 2 tot 2.0 meter diepte of tot de grondwaterspiegel.

Er wordt 1 diepe boring overeenkomstig NEN5766 afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het meten van de grondwatergegevens en het nemen van een grondwatermonster. Uit het vooronderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie niet verdacht is met betrekking tot asbest. Derhalve is geen asbestonderzoek op de locatie noodzakelijk. Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. Als tijdens het veldwerk blijkt dat de bodem puinhoudend is, worden puinhoudende boringen tot 0.5 m-mv conform NEN5707 vervangen door inspectiegaten. Omdat puinhoudende grond per definitie asbestverdacht is dient in voorkomende gevallen asbestonderzoek plaats te vinden. Er dient te worden vermeld dat is besloten geen inpandige boringen te verrichten, aangezien de bijgebouwen (nog) in gebruik zijn. Inpandig zijn geen potentieel bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten uitgevoerd en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de inpandige bodemkwaliteit afwijkt van de uitpandige bodemkwaliteit. Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen.

In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem; - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Kruse Milieu BV

Project: 23051610

Pagina 5 van 14

Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden; - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. Veldwerkzaamheden Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Van elk monsterpunt wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. Analyses De chemische analyses worden uitgevoerd door AL-West BV te Deventer, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1101/documents/23493