CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Kerkstraat 8-10 Reutum.pdf

Commissie Omgeving en Economie 5 maart 2024, gemeente TubbergenBij agendapunt: 9: Bestemmingsplan Kerkstraat 8 en 10 Reutum25.532 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

Kerkstraat 8-10 Reutum

Status: vastgesteld

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

vastgesteld NL.IMRO.0183.BPREUKERKSTR810-VG01

Kerkstraat 8-10 Reutum

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer

7 7 7 8 9 9

Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Ontstaansgeschiedenis en landschapstypologie 2.2 Huidige situatie 2.3 Toekomstige situatie

11 11 11 13

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid

15 15 16 23

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Geur

27 27 28 29

4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

30 30 32 33 35 36 38 39

Bodem Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer / parkeren

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels

41 41 41

Hoofdstuk 6

45

Economische uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen

47 47 47

Bijlagen toelichting

49

Bijlage 1

Bodemonderzoek

50

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek

95

Bijlage 3

Watertoets

133

Bijlage 4

Natuurwaardenonderzoek

139

2

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

Regels

173

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

175 175 178

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4

Bestemmingsregels Wonen Waarde - Archeologie

179 179 184

Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

187 187 188 189 190 191

Hoofdstuk 4 Artikel 10 Artikel 11

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

193 193 194

Bijlagen bij regels Bijlage 1 Natuurwaardenonderzoek

195 196

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

3

4

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

Toelichting

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

5

6

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Voor de locatie Kerkstraat 8-10 in Reutum is een plan ontwikkeld. De initiatiefnemers willen een vrijstaande woning realiseren ter vervanging van de helft van een twee-onder-één-kap woning. De vrijstaande woning komt vervolgens naast de al bestaande woning te staan. In de toekomst zal er daardoor sprake zijn van twee vrijstaande woningen. Bij beide woningen wordt een bijgebouw op het achterf gerealiseerd. Om de realisatie van bijgebouwen op het achtererf mogelijk te maken dient de groenbestemming achter de woning te worden omgezet naar een woonbestemming. Daarnaast bevindt zich op de beoogde locatie van de nieuwe vrijstaande woning geen bouwvlak. Het bouwen van een vrijstaande woning op het perceel is daarom in strijd met het geldende bestemmingsplan 'Kleine kernen'. Deze ontwikkeling past daarom niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Ligging Het plangebied bestaat uit het erf aan de Kerkstraat 8-10 in Reutum. Het plangebied ligt op ca. 400 meter ten noorden van het centrum van Reutum. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie Q, perceelsnummers 347 en 1387. De gezamenlijke oppervlakte van beide percelen bedraagt 1.880m2. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: PDOK; bewerking Ad Fontem) Begrenzing De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto weergegeven waarop het plangebied aan de Kerkstraat te zien is. De locatie van de nieuwe woning wordt gerealiseerd binnen de woonbestemming, maar is niet voorzien van een bouwvlak. De beoogde bijgebouwen worden gerealiseerd op het gedeelte dat nu voorzien is van een groenbestemming. Om deze reden dient deze bestemming naar een bestemming wonen te worden omgezet. Zie de verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied. bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

7

Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: Kadasterdata, bewerking Ad Fontem)

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor de Kerkstraat 8-10 in Reutum gelden de bestemmingsplannen 'Kleine Kernen' en het veegbestemmingsplan 'kernen gemeente Tubbergen'. Laatsgenoemd plan heeft betrekkingen op het bestemmingsplan 'Kleine Kernen' en voert enkele wijzigingen door met betrekking tot de bouw- en gebruiksregels. Het bestemmingplan 'Kleine Kernen' is door de gemeenteraad van Tubbergen op 14-03-2016 onheroepelijk vastgesteld. In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Kleine Kernen' (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking Ad Fontem) Aan het plangebied is de bestemming 'wonen' toegekend met een bouwvlak ter plaatse van de dubbelwoning en een maatvoering voor maximale bouwhoogte: 8m en maximale goothoogte: 4m. De gronden zijn daarmee in 8

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

eerste instantie bestemd voor wonen. Ook beschikt de locatie over een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van en onderzoek naar aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Voor de planlocatie geldt tevens de functieaanduiding 'speciefieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting'. Het plangebied achter de woning waarop de bijgebouwen gerealiseerd dienen te worden beschikt over de bestemming 'Groen' en is daarmee in eerste instantie geschikt voor groenvoorzieningen. Initiatiefnemers wensen een gedeelte van de twee-onder-één-kap woning te slopen en hiervoor in de plaats een vrijstaande woning terug te bouwen. De overgebleven twee-onder-één-kap woning blijft behouden en wordt verbouwd tot vrijstaande woning. Hiernaast komt de nieuwe vrijstaande woning te staan. De locatie waarop de nieuwe vrijstaande woning is beoogd beschikt niet over een bouwvlak. Het gedeelte waarop de bijgebouwen voor de woningen moeten komen heeft de bestemming 'groen'. Op deze bestemming mogen geen bijgebouwen worden gebouwd. Het geldende bestemmingsplan biedt daarmee geen mogelijkheden om de vrijstaande woning en de realisatie van de bijgebouwen mogelijk te maken. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk.

1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan 'Kerkstraat 8-10 Reutum' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.0183.BPREUKERKSTR810-VG01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

9

10

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

Hoofdstuk 2

Het plan

2.1 Ontstaansgeschiedenis en landschapstypologie Het plangebied ligt in het essenlandschap. Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting - met heideplaggen en stalmest - heeft geleidt tot een karakteristiek reliëf met soms hoge stijlranden. Op figuur 2.1 zijn topografische kaarten weergeven die de verandering van het gebied door de jaren heen laten zien.

Figuur 2.1 Historische topografische kaarten omgeving (Bron: Topotijdreis.nl)

2.2 Huidige situatie In de huidige situatie is er aan de Kerkstraat 8-10 in Reutum sprake van een woonerf, met daarachter gelegen een groenbestemming. Op het woonerf is een twee-onder-één-kap woning gevestigd met daarnaast een schuur behorende bij de woning. Het gedeelte achter de woning wordt gebruikt als tuin, dit geldt ook voor de groenbestemming. Parkeergelegenheid wordt geboden op eigen terrein. De twee-onder-één-kap woning wordt onsloten door de Kerkstraat. bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

11

De omgeving bestaat overwegend uit woonerven. Tegenover de locatie bevindt zich een akkerbouw- en lanschapsonderhoudsbedrijf. In de omgeving liggen daarnaast enkele detailhandelfuncties waaronder een ledshop/lampenwinkel.

Figuur 2.2: huidige situatie Kerkstraat 8-10 Reutum (bron: PDOK viewer)

12

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

Figuur 2.3: huidige situatie Kerkstraat 8-10 Reutum (bron: Google Maps)

Figuur 2.4: huidige situatie Kerkstraat 8-10 Reutum (bron: bewoners)

2.3 Toekomstige situatie Initatiefnemers hebben het plan opgevat om een gedeelte van de huidige verouderde twee-onder-één-kap woning te slopen en direct naast het gedeelte dat behouden blijft een nieuwe vrijstaande woning terug te bouwen. In de nieuwe situatie wordt de nieuwe vrijstaande woning gesitueerd ter hoogte van het naastgelegen bijbehorend bouwwerk (overkapping) van het woonhuis op nummer 12. Op deze manier past de nieuwe woning in de stedenbouwkundige structuur en straatbeeld van de Kerkstraat. In de toekomst zal er daardoor sprake zijn van twee vrijstaande woningen. Dit is passend binnen het straatbeeld waar overwegend vrijstaande woningen zijn gebouwd. Beide vrijstaande woningen worden voorzien van een bijgebouw achter de woning. De beoogde locatie van de nieuwe vrijstaande woning dient te worden voorzien van een bouwvlak. De groenbestemming achter de dubbele woning dient te worden omgezet naar woonbestemming om de realisatie van de bijgebouwen op het achtererf mogelijk te maken.

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

13

Figuur 2.5: Toekomstige situatie (bron: Brunninkhuis Reutum)

14

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1 Rijksbeleid 3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. De Nationale Omgevingsvisie geeft aan dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio's) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot.

De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het verplaatsen van een reeds vergunde woonruimte, waardoor na sloop van een gedeelte van de bestaande twee-onder-één-kap woning, realisatie van een vrijstaande woning mogelijk wordt gemaakt. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een prettige woonomgeving. Zoals is beschreven ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving en de woningvoorraad bij de gemeenten en provincies. Het plan past binnen de prioriteiten van de NOVI en is daarmee niet in strijd met het rijksbeleid.

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

15

3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Onderhavig plan Met voorliggend plan wordt de bestaande woonbestemming uitgebreid. Tevens wordt een extra bouwvlak opgenomen om d.m.v.

het splitsen van een twee-onder-één kapwoning, twee vrijstaande woningen met bijgebouwen mogelijk te kunnen maken. Per saldo worden er dus geen woningen toegevoegd. Op grond van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921) wordt de realisatie van 11 woningen niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Besluit ruimtelijke ordening. Vastgesteld kan worden dat er sprake is van een kleinschalige ontwikkeling, die niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. Derhalve is artikel 3.1.6, tweede lid, Bro ook niet van toepassing en een nadere toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is niet vereist. Wel geldt op grond van deze uitspraak dat ook wanneer de Ladder niet van toepassing is gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en dat de ontwikkeling uitvoerbaar is. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. 3.2.2

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

16

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.

De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

17

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. In Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt.

artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. lid 2 Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Doorwerking voor voorliggend plan: Volgens de Omgevingsverordening Overijssel wordt de Groene omgeving aangemerkt als: "de gronden die niet 18

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

vallen onder bestaand bebouwd gebied". Hierbij wordt onder bestaand bebouwd gebied verstaan: "de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro". Een stedelijke functie wordt in de Omgevingsverordening aangemerkt als "functies van steden en dorpen zoals wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen met de bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen". In voorliggend plan is sprake van een stedelijke ontwikkeling binnen bestaand bebouwd gebied op gronden die in de huidige situatie al benut kunnen worden voor stedelijke functies. Van (extra) ruimtebeslag op de Groene Omgeving is daarom geen sprake. Daarmee voldoet de ontwikkeling aan dit beleidsprincipe.

artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Doorwerking voor voorliggend plan: Voorliggend plan heeft betrekking op het vergroten van het bestemmingsvlak 'Wonen'. Zodat na de gedeeltelijke sloop van een oude dubbele woning, een nieuwe vrijstaande woning kan worden teruggebouwd. In de nieuwe situatie wordt de vrijstaande woning gesitueerd ter hoogte van het naastgelegen bijbehorend bouwwerk (overkapping) van het woonhuis op nummer 12. Op deze manier past de nieuwe woning in de stedenbouwkundige structuur en straatbeeld van de Kerkstraat. Een straatbeeld dat zich voornamelijk kenmerkt door vrijstaande woningen. Het splitsen van de dubbele woning in twee vrijstaande woningen sluit hier dan ook goed op aan. Geconcludeerd kan worden dat het plan een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

Artikel 2.2.2 realisatie nieuwe woningen Lid 1: Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw. Lid 4: De behoefte aan nieuwe woningen zoals bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. Doorwerking voor voorliggend plan: Voorliggend plan voorziet in het splitsen van een bestaande twee-onder-één-kapwoning, zodat na sloop van een gedeelte van het gebouw, twee vrijstaande woningen kunnen worden gerealiseerd. Het aantal woningen neemt per saldo niet toe. Onderhavig plan is derhalve in overeenstemming met de principes van het realiseren van nieuwe woningen.

Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

19

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel)

Het plangebied is gelegen in het ontwikkelingsperspectief 'Woon en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten) toets Het plangebied behoort op grond van de ontwikkelingsperspectievenkaart tot het ontwikkelingsperspectief 'woonen werklocaties buiten de stedelijke netwerken'.

De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Middels de voorgenomen ontwikkeling wordt het splitsen van een bestaande twee-onder-één-kapwoning mogelijk gemaakt, zodat na sloop van een gedeelte van het gebouw, twee vrijstaande woningen kunnen worden gerealiseerd. Per saldo wordt er geen nieuwe woning toegevoegd. Gezien het straatbeeld overwegend bestaat uit vrijstaande woningen is de ontwikkeling passend binnen het straatbeeld.

Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Het plangebied is gelegen binnen stedelijk gebied. In het gebied zijn de kenmerken van de 'Natuurlijke laag' en de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' niet meer aanwezig. Daarom kan toetsing van het plan aan deze gebiedskenmerken achterwege blijven. 20

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

Stedelijke laag De stedelijke laag kent het kenmerk 'Woonwijken 1955 - n' aan het gebied toe. In figuur 3.3 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

Figuur 3.3: Stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes. Herstructurering naoorlogse wijken is een belangrijke opgave voor vitale steden. De wijken van na de oorlog behouden hierbij hun eigen karakter. Ook al neemt bij herstructurering het bebouwd oppervlak in de wijken door meer grondgebonden woningen toe, er blijft collectieve ruimte tussen de bouwblokken. Als ontwikkelingen plaats vinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp. Markante gebouwen zoals leegkomende kerken en winkelstrips worden waar mogelijkbehouden door ze een nieuwe functie te geven.

Toets Als ontwikkelingen plaats vinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. Voorliggend plan voorziet in het verplaatsen van het bestaand woonrecht van een gedeelte van een twee-onder-een-kapwoning, naar de vrijstaande woning die hiervoor in de plaats wordt gebouwd en naast het overgebleven gedeelte van de twee-onder-een-kapwoning komt te staan. In de nieuwe situatie wordt de vrijstaande woning gesitueerd ter hoogte van het naastgelegen bijbehorend bouwwerk (overkapping) van het woonhuis op nummer 12. Op deze manier past de nieuwe woning in de stedenbouwkundige structuur en straatbeeld van de Kerkstraat en wordt aangesloten bij de volumematen die gebruikelijk zijn in het straatbeeld van de Kerkstraat. De bebouwing in de nabije omgeving van de planlocatie bestaat voornamelijk uit vrijstaande woningen. De voorgenomen ontwikkeling sluit zich in aard, maat en karakter dus naadloos aan bij het straatbeeld en de rest

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

21

van het landschap. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling past binnen de kenmerken van de Stedelijke laag.

Laag van de beleving Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de ‘buitengebieden’ van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief ‘luwe’ dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten.

Figuur 3.4: Laag van de beleving, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Toets De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de sloop van een gedeelte van een twee-onder-een-kapwoning waarna een vrijstaande woning op ongeveer dezelfde plek wordt teruggebouwd. In het kader van lichtvervuiling kan worden gesteld dat de schadelijke effecten daarom minimaal zijn er wordt per saldo geen extra woning toegevoegd. Daarnaast kan worden gesteld datvan daadwerkelijke 'donkerte' geen sprake is vanwege de bestaande woonfuncties in de omgeving van het plangebied. De ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met de ambities uit de Laag van de beleving.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

22

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1

Omgevingsvisie Tubbergen

De gemeenteraad van de gemeente Tubbergen heeft op 16 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Tubbergen, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Tubbergen en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. We doen het samen; 2. We geven het goed voorbeeld; 3. We wentelen niet af op volgende generaties; 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. De gemeente wil kernen waar het lekker wonen is. Waar bedrijvigheid is en waar mensen werk kunnen vinden. Maar vooral ook kernen waar ruimte is om elkaar te ontmoeten en om samen te komen. De speerpunten voor de kernen zijn: voldoende voorzieningen; aantrekkelijk wonen; ruimte voor ondernemen; leefbare openbare ruimte. Voor dit plan is met name het speerpunt 'aantrekkelijk wonen' van belang. Het aantal en de soort woningen in een kern passen bij de vraag. Inwoners moeten voor hun woning zoveel mogelijk in hun eigen gemeente terecht kunnen.

De gemeente vindt het belangrijk dat woningen voor elke doelgroep bereikbaar en toegankelijk zijn. De gemeente wil graag binnen de grenzen van een kern bouwen. In de meeste gevallen gaat het om plekken die verbeterd moeten worden of plekken waarvan de bestaande functie vervalt. Hierbij kan worden gedacht aan het verdwijnen van een bedrijf, het sluiten van een kerk of het slopen van oude woningen. Als er binnen de kern geen plekken zijn om te bouwen, wordt er gekeken naar bouwmogelijkheden aan de rand van een kern. Kernen zijnverschillend in de behoefte aan woningen. Er is verschil in hoeveel en welk soort woningen nu nodig en gewenst zijn en wat de vraag over 15 jaar is. Huidige knelpunten zijn bijvoorbeeld betaalbare woningen voor starters en woningen voor ouderen. De gemeente probeert er voor te zorgen dat het aanbod van woningen daarop aansluit. Hierbij houdt het de behoeften op de lange termijn en de bestaande voorraad in het oog. Toets Om te zien wat belangrijk is in de omgeving heeft de gemeente Tubbergen een waardenkaart ontwikkeld. Het plangebied wordt aangemerkt als 'Landelijke Kernen'.

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

23

Figuur 3.5: Waardenkaart (bron: gemeente Tubbergen) Voor deze gebieden gelden de volgende waarden: kernen met kleinschalige bebouwing verbonden met het buitengebied; rafelige en afwisselende dorpsranden; een groene omgeving; aanwezigheid van ontmoetingsplekken; in veel kernen met een kerk als belangrijkste gebouw in het dorpssilhouet; tevens is er op enkele plekken karakteristieke bebouwing aanwezig. Bij nieuwe ontwikkelingen dient te worden ingespeeld op: het kleinschalige bebouwingsbeeld; aanwezigheid van en zicht op groen en bomen in de kern; behoud van (het zicht op) de kerk en de beleefbaarheid van karakteristieke bebouwing; mogelijkheden om te ontmoeten; de verbondenheid met het buitengebied; de afwisselende dorpsrand; de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het omringende landschap met waardevolle cultuurhistorische elementen. Toets De gemeente wil graag binnen de grenzen van de kernen bouwen. Daarbij kan gedacht worden aan plekken die verbeterd moeten worden of plekken waarvan de bestaande functie vervalt. Binnen het plangebied wordt een gedeelte van een twee-onder-een-kapwoning gesloopt en vervangen door een vrijstaande woning. Hierdoor onstaan er twee vrijstaande woningen. Gezien het straatbeeld overwegend bestaat uit vrijstaande woningen is de ontwikkeling passend binnen het kleinschalige bebouwingsbeeld. 3.3.2

Woonvisie 2021+

Op 21-7-21 is door de gemeenteraad van Tubbergen de Woonvisie 2021+ vastgesteld. De woonvisie beschrijft de koers die de gemeente Tubbergen de komende jaren wil varen. Hierbij houdt het voldoende flexibiliteit om tussentijds bij te sturen, mochten de ontwikkelingen op de woningmarkt daarom vragen. Hiervoor zetten het een monitoringssysteem op. Indien nodig zullen ingezette maatregelen tussentijds geëvalueerd en aangepast worden door de Woonvisie te wijzigen of aan te vullen, zodat het aansluit bij de actuele woningbehoefte en vraagstukken op de woningmarkt. De komende jaren wil de gemeente Tubbergen voldoende woningen bouwen om te voorzien in de verwachte vraag. Om dat te bewerkstelligen is het ten eerste zaak om goed inzicht te hebben in die verwachte woningvraag. De afgelopen vijf jaar is het aantal huishoudens in Tubbergen gegroeid met ongeveer +300. Deze 24

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

groei is mede tot stand gekomen door een positief binnenlands migratiesaldo. Er vestigden zich meer mensen in Tubbergen vanuit andere gemeenten, dan er vertrokken. De gemeente gaat uit van een woningbehoefte van 640 woningen voor de periode 2020-2030. Gezien de huidige druk op de markt willen het deze woningbouwopgave zoveel mogelijk de komende vijf jaar realiseren. Inbreiding krijgt prioriteit boven uitbreiding. In overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking gaan we de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom op inbreidingslocaties realiseren. Op die manier blijft het buitengebied zo groen mogelijk. In Provinciaal verband (Regionale Woonagenda) is al aangegeven dat voor inbreidingsplannen de komende jaren geen kwantitatieve limiet wordt gesteld. Wel moeten deze plannen kwalitatief getoetst worden. In een aantal kernen zijn de mogelijkheden voor inbreiding beperkt. Bijvoorbeeld omdat inbreiding te zeer ten koste gaat van het dorpse- en landelijke karakter, of omdat er niet of nauwelijks inbreidingslocaties voorhanden zijn. Daarom zet de gemeente zich in om er voor te zorgen dat het ook in de toekomst mogelijk blijft om -uiteraard zo zorgvuldig mogelijk- potentiële locaties aan de randen van de bebouwde kom te benutten. Het geactualiseerde Kwaliteitskader zal richtinggevend zijn voor nieuwe woningbouwontwikkelingen, maar is niet in beton gegoten.

Plannen die hier enigszins van afwijken maar toch een goede onderbouwing kunnen geven van de wijze waarop zij voorzien in de lokale behoefte kunnen eveneens in aanmerking komen voor realisatie. Naast de nieuwbouwopgave is het ook van belang dat de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad op peil wordt gehouden. Daarbij gaat het onder andere om het verduurzamen van woningen en het aanpassen van woningen zodat mensen met een zorgvraag langer zelfstandig kunnen blijven wonen. Toets Voorliggend plan maakt de transformatie mogelijk van een bestaande dubbele woning naar twee vrijstaande woningen. Er is dan ook geen sprake van het toevoegen van woningen aan het woningcontingent. Er wordt op nagenoeg dezelfde locatie teruggebouwd, waardoor geen beroep hoeft te worden gedaan op bouwen in het buitengebied. De bestaande woningvoorraad wordt op peil gehouden en omdat de nieuwe vrijstaande woning gasloos wordt teruggebouwd is er sprake van verduurzaming.

3.3.3

Nota inbreidingslocaties gemeente Tubbergen

Op 25 januari 2016 heeft de gemeenteraad van de gemeente Tubbergen de 'beleidsnota inbreidingslocaties gemeente Tubbergen 2016, transformatie en herstructurering in de nieuwe werkelijkheid' vastgesteld. Aanleiding van vaststelling van de nota en herziening van het beleid is wijziging van de ruimtelijke regelgeving, een toenemende leegstand en demografische ontwikkelingen. De nota is van toepassing op aanvragen voor kleinschalige woningbouw in bestaand stedelijk gebied (inbreidingslocaties). Beleid op inbreidingslocaties geeft kansen voor verbetering en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Prioriteit wordt toegekend aan aanvragen die betrekking hebben op de benutting van locaties voor herstructurering of transformatie. De nota biedt onder meer een handreiking voor de toetsing van dergelijke aanvragen en er worden enkele prioriteiten aangereikt voor de te maken keuze. In uitzonderingssituaties kan ook medewerking worden verleend aan het bouwen op een lege plek. Voor uitleg van het begrip “kleinschalig” wordt aangesloten bij de actuele stand van de jurisprudentie met betrekking tot de toepassing van de zogeheten Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening).

De ontwikkeling wordt getoetst aan bestaande beleid zoals de Structuurvisie Dinkelland, de Woonvisie 2016+ en artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking). Bebouwing op inbreidingslocaties is alleen acceptabel als de bebouwing vanuit stedenbouwkundige overwegingen als logisch beschouwd kan worden, als het iets toevoegt aan de ruimtelijke situatie of als er aantoonbaar sprake is van een verbetering van de bestaande situatie. Plannen die betrekking hebben op een van de volgende situaties komen in aanmerking: 1. de sanering van een (milieuhinderlijk) bedrijf uit de woonomgeving; 2. het vervangen van een reeds langer leegstaande gebouw zoals een horecapand, winkelpand of schoolgebouw; 3. Het oplossen van een stedenbouwkundig ongewenste situatie; 4. Het bijdragen aan het realiseren van gemeentelijk beleid, zoals opgenomen in een Structuurvisie, Woonvisie of bestemmingsplan. Toets Zoals in de Ladder vastgesteld is hier sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Met de voorgenomen

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

25

ontwikkeling wordt een gedeelte van de bestaande twee-onder-een-kapwoning gesloopt en vervangen door een vrijstaande woning. Het overgebleven gedeelte van de twee-onder-een-kapwoning wordt verbouwd tot vrijstaande woning. Er wordt per saldo geen extra woning toegevoegd. De Nota Inbreidingslocaties is dus niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 3.3.4

Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen

De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen die is vastgesteld op 18-2-2021 bevat het welstandsbeleid voor de beide gemeenten. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveaus van omgevingskwaliteit: 1. Basis omgeving 2. Midden omgeving 3. Bijzondere omgeving Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart genoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor: ‘Ambtelijk’: alleen kleine bouwwerken van- en voor de voorgevel worden getoetst.

Deze toets vindt ambtelijk plaats. Bouwplannen achter de voorgevel zijn toetsvrij. 'Stadsbouwmeester’: de stadsbouwmeester toetst. ‘Q-team’: het Q-team beoordeelt en kan daarbij in overleg treden met de initiatiefnemer en/of ontwerper. Toets Het plangebied ligt in een gebied dat het niveau 'Midden omgeving' heeft (zie figuur 3.6). Hier geldt onder ander dat de onsluitingswegen van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van Reutum. Hier staan overwegend vrijstaande woningen. Langs deze wegen is en wordt gestuurd op een representatieve architectuur. Met de realisatie van de vrijstaande woning wordt aangesloten op het straatbeeld dat overwegend bestaat uit vrijstaande woningen en de aanwezige stedenbouwkundige structuur. Er zijn geen belemmeringen vanuit de Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016.

Figuur 3.6: Fragment Nota Omgevingskwaliteit Tubbergen 2021 26

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit m.e.r. zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt.

In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Een project ten behoeve van de bouw van 11 woningen wordt bijvoorbeeld niet aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals ook in de overzichtsuitspraak voor de ladder van duurzame verstedelijking van 28 juni 2017 is aangegeven (ECLI:NL:RVS:2017:1724). In voorliggend plan wordt er per saldo geen extra woning toegevoegd. Het project wordt daarom niet aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als gevolg van onderstaand plan worden een deel van een dubbele woning gesloopt. Hiervoor wordt een, te verplaatsen bestaand woonrecht, als nieuwe woning met bijgebouw teruggebouwd. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een ontwikkeling die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en andere milieugevoelige functies.

Er was immers ook al sprake van een woonfunctie in de huidige situatie. De bebouwde oppervlakte neemt daarnaast als gevolg van het plan nauwelijks toe. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is derhalve niet van toepassing. Al met al kan geconcludeerd worden dat het plan geen negatieve effecten heeft op het milieu en dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

27

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied ligt aan de Kerkstraat 8-10, een locatie aan de rand van de kern Reutum in de gemeente Tubbergen. In het voorliggend geval is er sprake van een het omgevingstype gemengd gebied. In de directe omgeving bevinden zich zowel woningen, detailhandel en een landschapsonderhoudsbedrijf. De Raad van State heeft in haar uitspraak (ECLI:NL:RVS:2021:1607) overwogen dat het bestaande karakter van de omgeving bepalend is voor de typering van het gebied. Daarbij kijkt de Afdeling naar de planologische situatie. In die uitspraak zijn nabij woningen ook andere bedrijven aanwezig, waardoor de Afdeling tot de conclusie kwam dat er sprake was van een gemengd gebied, waardoor de richtafstanden met één afstandsstap verlaagd mochten worden. Gelet op de ruimtelijke en functionele situatie kan het gebied aan de Kerkstraat aangemerkt worden als ''gemengd gebied''. Bij het realiseren van een nieuwe bestemming dient gekeken te worden of de nieuwe functie past in de omgeving (externe werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking).

Externe werking: past de nieuwe functie in de omgeving? In het plangebied wordt het bestemmingsvlak 'Wonen' vergroot, hierdoor kunnen na de gedeeltelijke sloop van de twee-onder-een-kapwoning, twee vrijstaande woningen worden gerealiseerd. (Het gedeelte dat blijft staan 28

bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

wordt ook getransformeerd tot vrijstaande woning). Wonen is geen milieubelastende functie, dus er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Interne werking: laat de omgeving de nieuwe functie toe? Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Het voornemen voorziet niet in het toevoegen van nieuwe gevoelige functies, maar in het vervangen van een bestaande gevoelige functie. Daarbij wordt de huidige verouderde dubbele woning gedeeltelijk gesloopt. Hiervoor in de plaats wordt een vrijstaande woning met een eigen bijgebouw teruggebouwd. Het gedeelte van de twee-onder-een-kapwoning dat blijft staan wordt tevens omgevormd tot vrijstaande woning en voorzien van een bijgebouw. Door de wijziging van de woonbestemming wordt de afstand tot bestaande functies in de omgeving kleiner voor de detailhandel op locatie Kerkstraat 22, gemeten vanaf de gevel van de beoogde woning, maar wordt nog steeds ruimschoots aan de richtafstand van 10 meter voor het aspect gevaar voldaan. Bovendien liggen er op kortere afstand van de detailhandel ook andere woningen waar het rekening mee dient te houden.

Dit geldt ook voor de bedrijfslocatie aan de Ootmarsumseweg 332 dat ten oosten van de planlocatie ligt. De afstand vanaf de gevel van de nieuwe woning tot de bedrijfsbestemming bedraag 110 m. Het gaat hier om een opslaggebouw. Voor opslaggebouwen geldt een richtafstand van 30 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Aan de overkant van de Kerkstraat op nummer 19-21 is een landschapsonderhoudsbedrijf gevestigd. Gezien de activiteiten kan hier worden aangesloten bij de categorie Bosbouwbedrijf. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter in gemend gebied voor het aspect geluid. De afstand van de voorgevel van de woning tot aan de bestemmingsgrens bedraagt circa 25 meter. De activiteiten ten behoeve van het bedrijf worden op het achtererf verricht en vinden plaats op meer dan 30 meter van de planlocatie. Daarnaast is hier in het verleden een akoestisch onderzoek uitgevoerd (2015) naar de geluidsemissie van het landschapsonderhoudsbedrijf. Na aanleiding hiervan heeft het bedrijf maatregelen getroffen om geluidsoverlast voor omwonenden tegen te gaan. Bovendien liggen er op kortere afstand van het bedrijf ook andere woningen waar het rekening mee dient te houden. De omliggende milieubelastende functies moeten in de huidige situatie ook al rekening houden met de woningen aan de Kerkstraat 8-10.

Geconcludeerd kan worden dat omliggende bedrijven als gevolg van het voorliggend bestemmingsplan niet in hun functioneren worden beperkt. Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets De ontwikkeling moet worden beoordeeld als uitbreiding van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij moet de afstand van een dierenverblijf tot aan een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom minimaal 100 meter zijn. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie bevinden zich geen agrarische bedrijven. De afstand van 100 meter wordt ruimschoots gehaald. Met de voorgenomen ontwikkeling vindt geen aantasting van het woon- en leefklimaat plaats. Er is in de huidige bestemmingsplan Kerkstraat 8-10 Reutum

29

situatie sprake van een goed woon- en leefklimaat en dit zal in de toekomst ook zo blijven.

4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Op de locatie gelegen aan de Kerkstraat 8-10 in Reutum is een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd door Kruse milieu op 13 september 2023, (projectnummer 23051610) om ter plaatse van het plangebied de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. Het bodemonderzoek is als Bijlage 1 Bodemonderzoek toegevoegd.

Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd. In totaal zijn er 8 boringen verricht, waarvan er 2 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt tot peilbuis. De bodem bestaat tot 0.5 m-mv uit uiterst tot matig fijn, matig siltig, zwak humeus zand met plaatselijk sporen grind en sporen wortels. Ter plekke van boring 1 (circa 1.15 - 4.00 m-mv, einde boordiepte) en boring 2 (circa 0.90 - 1.60 m-mv, einde boordiepte) zijn sterk zandige leemlagen aangetroffen. Er zijn roesthoudende lagen in de ondergrond aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater is aangetroffen op 1.37 m-mv. Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: - de bovengrond (BG) is niet verontreinigd; - de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; - het grondwater (PB 1) is (zeer) licht verontreinigd met barium, kobalt, nikkel en zink. Conclusie In het grondwater (PB 1) zijn enkele (zeer) licht verhoogde gehalten aangetoond. In de boven- en ondergrond (BG en OG) zijn geen verontreinigingen gemeten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1101/documents/23493