Bijlage Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool.pdf
Tekst van het document
Op basis van de AERIUS-berekening blijkt dat er geen sprake is van een stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. In het kader van de beïnvloeding van stikstof voor Natura 2000-gebieden, hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. 5.6.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland(NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. Het plangebied ligt op circa 1,9 kilometer van het NNN. Gezien de ruime afstand tot het NNN en de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.6.2
Soortenbescherming
5.6.2.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In het voorliggend geval is een Quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 6 van deze toelichting. 5.6.2.2 Situatie plangebied De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, die mogelijk negatief beïnvloed worden, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd en de bebouwing gesloopt wordt en de bouwwerkzaamheden plaatsvinden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen het 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen'. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af. bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool 49
5.6.3
Conclusie
Er worden geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.
5.7 Archeologie en cultuurhistorie 5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied De gemeente Tubbergen beschikt over een archeologische verwachtings- en advieskaart. Hiervan is in afbeelding 5.2 een uitsnede ter hoogte van het plangebied (blauwe cirkel) opgenomen. Het plangebied ligt in het gebiedstype 'beekdalen en overige laagtes'.
Afbeelding 5.2: Uitsnede van archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Gemeente Tubbergen)
Voor de geldende gebiedstype geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 en dieper dan 40 cm. Het plangebied heeft een oppervlakte van ruim 9.000 m2. Daarom is in voorliggend geval een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 7. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat, 50
bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool
afgezien van diepe grondsporen. het archeologisch belang hiervan is laag. Gelet op het vorenstaande is er geen reden tot het uitvoeren van nader archeologisch onderzoek. Daarnaast worden de gronden ten aanzien van archeologie 'vrijgegeven'. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen nader archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.
5.8 Water 5.8.1
Vigerend beleid
5.8.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.8.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Met de vaststelling van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is het NWP 2016-2021 op enkele onderdelen gewijzigd. Tezamen geven beide documenten op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.
De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de NOVI wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. 5.8.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.8.1.4 Beleid waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool 51
Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. 5.8.2
Waterparagraaf
5.8.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.8.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'korte procedure' van de watertoets van toepassing is. Hierna wordt ingegaan op de relevante wateraspecten. Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermings- of intrekgebied.
Verder is er geen sprake van het dempen van bestaande watergangen en/of oppervlakte water. Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater gescheiden worden afgevoerd. Binnen het plangebied wordt hemelwater via bergingsvoorzieningen geïnfiltreerd en geborgen. Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijke rioleringsstelsel. Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.8.2.3 Waterhuishoudkundig plan In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Het volledige waterhuidhoudkundig plan is opgenomen in Bijlage 10. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conlusies. Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater (droogweerafvoer) gescheiden worden afgevoerd. Hemelwater dat afstroomt op openbaar terrein kan middels goten naar het IT-stelsel worden geleid. Door de ontwikkeling is binnen het openbaar gebied straks circa 7.415 m2 verharding aanwezig. In lijn met de beringseis (17 mm) is binnen het plangebied 126 m3 bergingscapaciteit benodigd. Het IT-riool in de nieuwe situatie heeft een bergingscapaciteit van 26 m3. Om de overige 100 m3 te bergen wordt onder de rijbanen een waterbufferende verharding aangelegd, hiermee ontstaat voldoende bergingscapaciteit.
Op basis van de toekomstige inrichting van het plangebied is er voldoende ruimte aanwezig om deze te sluiten op de bestaande peilen op aangrenzende percelen, echter wordt aanbevolen om bij de verdere (civiele) uitwerking van het plan aandacht te hebben voor de hoogteverschillen welke ontstaan tussen de percelen.
5.9 Besluit Milieueffectrapportage 5.9.1
Algemeen
In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: 52
bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool
Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan.
Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. 5.9.2
Situatie plangebied
5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 4,5 kilometer van het plangebied. Zoals in paragraaf 5.6.1.1 ene Bijlage 5 (Stikstofonderzoek) van deze toelichting is beschreven is er geen sprake van een stikstofdepositie dat significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.
Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.' Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat de in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool 53
van een significant kleiner schaalniveau is. Van een directe m.e.r.-plicht is in dit geval geen sprake. Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe is een vormvrije m.e.r-beoordeling opgesteld, deze is opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting. Uit deze notitie blijkt dat voorliggend bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt. De gemeente heeft besloten dat in het kader van voorliggende bestemmingsplan geen milieueffectrapportage als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer opgesteld hoeft te worden. Het besluit is opgenomen in Bijlage 9 behorend bij deze toelichting.
54
bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool
Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording 6.1 Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
6.2 Opbouw van de regels 6.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
6.2.2
Inleidende regels
6.2.2.1 Begrippen In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 6.2.2.2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse meetvoorschriften wordt verstaan. 6.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. In paragraaf 6.3 wordt per bestemming een korte uitleg gegeven. 6.2.4 Algemene regels Anti-dubbeltelregel (artikel 8): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool 55
een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels (artikel 9): in deze regel is een bepaling opgenomen omtrent situering van hoofdgebouwen. Algemene gebruiksregels (artikel 10): in deze regel is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Algemene afwijkingsregels (artikel 11): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Overige regels (artikel 12); in dit artikel zijn regels in verband met parkeren opgenomen. 6.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
6.3 Bestemmingen Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Groen (Artikel 3) Aan de westzijde van het plangebied, grenzen aan woonpercelen van derden, zijn de gronden bestemd tot 'Groen'. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor groenvoorzieningen, kunstwerken, kunstobjecten en waterhuishoudkundige voorzieningen, ten behoeve van afvoer, (tijdelijke)berging en infiltratie van (hemel)water. In de bouwregels is bepaald dat binnen de ze bestemming geen gebouwen mogen worden gebouwd.
Ten aanzien van het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag ten hoogste 2 m bedragen; b. de bouwhoogte van kunstwerken of speeltoestellen mag ten hoogste 5 m bedragen; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 2 m bedragen. Maatschappelijk (Artikel 4) De gronden ter plaatse van de schoollocatie zijn voorzien van de bestemming 'Maatschappelijk'. De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn met name bestemd voor maatschappelijke voorzieningen. Voor wat betreft de bouwregels is aangesloten op het bestemmingsplan "Albergen en Geesteren". Zo mogen gebouwen uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak. Daarnaast is met de aanduiding 'maximum bouwhoogte' op de verbeelding de maximaal toegestane bouwhoogte vastgelegd. Verder zijn er bouwregels opgenomen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag ten hoogste 1 m bedragen met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan ten hoogste 2 m bedraagt; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen.
Verkeer (Artikel 5) De gronden ter plaatse van de beoogde ontsluitingswegen en het parkeerterrein zijn bestemd tot 'Verkeer'. De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor wegen, straten, paden, parkeervoorzieningen, straatmeubilair, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige 56
bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool
voorzieningen, ten behoeve van afvoer, (tijdelijke)berging en infiltratie van (hemel)water, tuinen, erven en terreinen. In de bouwregels is bepaald dat binnen de ze bestemming geen gebouwen mogen worden gebouwd. Ten aanzien van het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: c. de bouwhoogte van kunstwerken, kunstobjecten of speeltoestellen mag ten hoogste 5 m bedragen; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag ten hoogste 3 m bedragen; e. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van verkeersgeleiding en wegverlichting mag niet meer bedragen dan 8 m. Wonen (Artikel 6) De beoogde woningen en de bijhorende gronden zijn bestemd tot 'Wonen'. De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen. De bouwregels behorende bij deze bestemming zijn uit het bestemmingsplan "Albergen en Geesteren" overgenomen, hiermee sluiten de bestemmingsplannen qua plansystematiek op elkaar aan. Hoofdgebouwen: mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Door middel van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' zijn de maximum goot- en bouwhoogte vastgelegd. In voorliggend geval zijn uitsluitend twee aaneen gebouwde woningen en/of aaneen gebouwde woningen toegestaan.
Voor aaneen gebouwde woningen geldt dat een rij aaneen gebouwde woningen uit maximaal 4 aaneen gebouwde woningen mag bestaan. Daarnaast is vastgelegd dat er in totaal maximaal 8 woningen zijn toegestaan. De dakhelling bedraagt ten minste 18 graden en ten hoogste 70 graden. Bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd. Ook is een bepaling opgenomen voor het maximaal toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken. Waterstaat - Beheerszone watergang (Artikel 7) Overeenkomstig het bestemmingsplan "Albergen en Geesteren" is de dubbelbestemming 'Waterstaat Beheerszone watergang' overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. De voor 'Waterstaat - Beheerszone watergang' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het beheer en de bescherming van de waterloop, met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voorzieningen en (on)bebouwde gronden.
bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool 57
58
bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds aangetoond door de financiële haalbaarheid en anderzijds via de grondexploitatieregeling vanuit de wetgeving. Dit betreft een gemeentelijk plan. In het kader van voorliggend bestemmingsplan is een grondexploitatie vastgesteld.
bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool 59
60
bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool
Hoofdstuk 8
Vooroverleg en inspraak
8.1 Vooroverleg 8.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2
Provincie Overijssel
Voorliggend bestemmingsplan wordt in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de provincie Overijssel. 8.1.3
Waterschap Vechtstromen
In het kader van voorliggende bestemmingsplan heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben geleid tot de 'korte procedure'. Aanvullend vooroverleg met het waterschap is niet noodzakelijk.
8.2 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
8.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 23 februari 2022 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is één zienswijze kenbaar gemaakt. De zienswijze is samengevat en beantwoord in de in Bijlage 11 opgenomen reactienota. De binnengekomen zienswijze heeft geen aanleiding gegeven tot het wijzigen van het bestemmingsplan. Wel is er een ambtshalve toevoeging gedaan aan de toelichting van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de toevoeging van het uitgevoerde waterhuishoudkundigplan in paragraaf 5.8.2.3 en Bijlage 10. Omdat het hier uitsluitend een aanvulling betreft in de toelichting, is het bestemmingsplan ongewijzigd vastgesteld.
bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool 61
62
bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool 63
Bijlage 1 Beoordeling varianten ontsluiting plangebied
64
bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool
1.
Varianten 1 en 2 worden positiever beoordeeld, want bij variant 3 hebben kinderen te maken met een in verhouding grotere verkeerstoename op de Kampboerlaan. Bij lage aantallen auto's is lopen, fietsen en oversteken geen probleem. Objectief gezien zou ook variant 3 acceptabel zijn. Echter scoort variant 3 slechter omdat kinderen de grote drukte als minder prettig ervaren.
2.
Variant 3
Door eenrichting
Door ‘scheiding’
Het drukst
Door eenrichting
Door ‘scheiding’
Het drukst
Voldoende
Voldoende
Voldoende
Door elkaar
Gescheiden
Door elkaar
Zijn voldoende parkeerplaatsen aan te leggen voor alle functies (school, woningen)?
Het aantal parkeerplaatsen voor de school is bepaald aan de hand van onderzoek dat in 2020 is uitgevoerd (zie paragraaf 3.2.4). De aantallen zijn lager dan volgens de algemene richtlijnen, dus is er minder ruimte nodig voor het parkeren dan volgens de parkeernormen. Voor de woningen zijn de gemeentelijke parkeernormen wel toegepast. Bij alle varianten zijn er voldoende parkeerplaatsen.
4.
Variant 2
Zijn veilige en goede routes mogelijk voor halen/brengen (voet, fiets, auto)?
Bij varianten 1 en 2 wordt het verkeer van de school en de woningen beter gespreid. En dan is variant 2 beter en duidelijker voor kinderen door de striktere scheiding van de beide functies. Daarom is variant 3 het slechtst (alle auto's moeten via dezelfde route). Ook hier gaat het om, objectief gezien, relatief kleine verschillen, maar door grotere drukte in de Kampboerlaan zullen de kinderen variant 3 als minder prettig ervaren en dat geeft doorslag.
3.
Variant 1
In de variant goed en veilig voor kinderen die wandelen of met de fiets komen?
Zijn parkeerfuncties 'school' en 'wonen' van elkaar gescheiden?
Hier gaat het om de parkeerfunctie die verband houdt met het halen/brengen van kinderen. Dat is hectischer bij variant 3, en in iets mindere mate ook bij variant 1. Bij variant 2 zijn de school- en woonfuncties qua parkeren 'uit elkaar gehaald' en dat scoort beter. Objectief en verkeerskundig gezien zijn de verschillen tussen de varianten 1 en 2 minder groot dan de verschillen met variant 3. Voor kinderen is de scheiding van de parkeerfuncties (en daarmee de auto's) bij variant 2 duidelijker en daarom scoort deze variant beter.
5.
Bij welke variant blijft het rustiger in de Kampboerlaan en L. ten Catelaan?
Dit is belangrijk voor kinderen en voor de bewoners van deze straten. In het verleden is met verkeersborden aangegeven dat het halen en brengen van kinderen niet via deze woonstraten mag gebeuren (er is een inrijdverbod ingesteld tijdens haal-/brenguren). Uit de berekening van de toename van de auto's blijken ook duidelijke verschillen. De variant met de kleinste toename van auto's in de Kamperboerlaan heeft de voorkeur, want dat zullen de kinderen als meest prettig ervaren.
6.
+60 auto’s
+260 auto’s
+30 auto’s
+/- 0 auto’s
+/- 0 auto’s
Circa -15 auto’s
Circa -15/-30 auto’s
Circa -30 auto’s
4 groen 3 geel
7 groen 0 geel
3 groen 4 geel
Bij welke variant blijft het rustiger aan de Vriezenveenseweg?
Bij variant 1 rijden zowel auto's ten behoeve van de woningen als de school via de Vriezenveenseweg. Bij variant 2 worden de woningen ontsloten via de Kampboerlaan en alleen de school via de Vriezenveenseweg. Dat verkeer was er al, dus levert geen extra verkeer op. Bij variant 3 zijn er ook geen extra auto's in de Vriezenveenseweg als gevolg van deze ontwikkeling, omdat het verkeer grotendeels via de Kampboerlaan gaat. Varianten 2 en 3 scoren daarom hetzelfde.
7.
+130 auto’s
De sportzaal wordt gesloopt. Maakt dat verschil? (In de Vriezenveenseweg?)
Een sportzaal met deze oppervlakte (dat is 'basis' voor de berekening) zal 65 auto's per dag aan verkeer veroorzaken. Deze sportzaal is alleen 's avonds voor publiek open, dus het gaat hier hooguit om de helft, dus circa 30 auto's per dag ('extern' verkeer; 15 heen en 15 terug). Bij variant 1 scheelt de sloop van de hal 15 auto's per dag (alleen heen). Bij variant 3 moet alle verkeer via de Kampboerlaan en dat scheelt 30 auto's. Bij variant 2 kan men kiezen qua route (fifty-fifty?). Alles overziend, heeft variant 2 een duidelijke voorkeur, boven variant 1. Variant 3 scoort slechter dan variant 1, en dat heeft vooral te maken met de '"proportioneel" grotere verkeerstoename in de Kampboerlaan en L. ten Catelaan, terwijl het juist wenselijk is dat die straten rustiger blijven zodat de kinderen die straten op een prettige manier kunnen gebruiken om te komen lopen of fietsen. Ook doet variant 3 geen recht aan de huidige verkeersmaatregelen (inrijdverbod tijdens haal/brenguren 's ochtends en 'middags in de Kampboerlaan).
Bijlage 2
Verkeersonderzoek 2019
bestemmingsplan Geesteren, herontwikkeling locatie Aloysiusschool 67
Gemeente Tubbergen
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
Documentatiepagina
Opdrachtgever(s)
Gemeente Tubbergen
Titel rapport
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
Kenmerk
004825.20190823.R1.04
Datum publicatie
16 september 2019
Projectteam opdrachtgever(s)
Bianca Menderink, Jan Beekman
Projectteam Goudappel Coffeng
Joost Verhoeven, Iris Lansink
Inhoud
Pagina
1
Inleiding
1
2 2.1 2.2 2.3 2.4
Huidige situatie Schoolomgeving Schoolroutes op basis van verkeerstellingen De weg naar school Het autoverkeer
3 4 4 5 7
3 3.1 3.2 3.3
Varianten voor verkeer en stedenbouw Drie verkeerskundige varianten Vier stedenbouwkundige varianten Beoordeling van de 12 scenario’s
9 9 13 16
4 4.1 4.2 4.3 4.4
Nadere uitwerking van scenario’s Parkeren Uitwerking scenario 1 Uitwerking scenario 2 Uitwerking scenario 3
17 17 18 19 21
5
Conclusies en aanbevelingen
24
Bijlage 1
Rekentool Basisschool
1
Bijlage 2 Ontwerp scenario 1
1
Bijlage 3 Ontwerp scenario 2
1
Bijlage 4 Ontwerp scenario 3
1
1 Inleiding
Het huidige gebouw van de RKBS St. Aloysisusschool in Geesteren is technisch en functioneel gedateerd. Gekozen is voor vervangende nieuwbouw. Locatieonderzoek voor vervangende nieuwbouw (februari 2019) heeft uitgewezen dat de huidige locatie het meest geschikt is voor nieuwbouw. De basisschool voor circa 300 leerlingen blijft in het dorp. Er zijn vier stedenbouwkundige ontwerpen opgesteld voor de onderwijslocatie. ■ Huidige locatie en hoofdingang aan de Vriezenveenseweg (geel); ■ Huidige locatie en hoofdingang aan Kampboerlaan (geel); ■ Nieuwbouw op locatie van Bibliotheek (groen); ■ Nieuwbouw op locatie van pastorie (groen).
Figuren 1.1 – 1.2: Situering St. Aloysisusschool in Geesteren; mogelijke locaties onderwijslocaties De gemeente Tubbergen heeft Goudappel Coffeng gevraagd verkeersonderzoek te doen naar de ontsluiting van de onderwijslocatie en rekening te houden met de vier stedenbouwkundige ontwerpen en drie circulatievarianten voor het autoverkeer.
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
1
De aanpak is zo ingestoken dat alle gegevens die nodig zijn voor de analyses goed op een rij staan. De bestaande situatie is in beeld gebracht met onder andere tellingen en herkomst van de leerlingen (hoofdstuk 2). Vervolgens doen we uitspraken over de stedenbouwkundige ontwerpen en de mogelijkheden voor de verkeerskundige ontsluiting (hoofdstuk 3). Er zijn drie scenario’s nader uit gewerkt en beoordeeld (hoofdstuk 4). Deze notitie sluit af met conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 5).
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
2
2 Huidige situatie
De basisschool heeft momenteel haar ingang aan de Kampboerlaan. Om een beter beeld te krijgen van de huidige situatie hebben meerdere schouws plaatsgevonden en zijn de postcode gegevens van de leerlingen opgevraagd bij de basisschool.
Figuur 2.1: huidige situering van de RKBS St. Aloysisusschool in Geesteren.
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
3
2.1
Schoolomgeving
In de huidige situatie valt op dat auto’s aan de randen van het schoolgebied staan geparkeerd. Er zijn loop- en fietsroutes om bij het schoolplein en de schoolingang te komen. Dit is positief, kinderen hebben veel vrijheid om te bewegingen. Bij het verlaten van de school hoeven de leerlingen niet direct rekening te houden met gemotoriseerd verkeer. Parkeergelegenheid is aanwezig aan de Kampboerlaan/Louis ten Catelaan en de Vriezenveenseweg. Bij de inrit van de Kampboerlaan staat een verbodsbord voor gemotoriseerd verkeer op maandag tot en met vrijdag tussen 8.00 – 9.00 uur en 13.30 14.30 uur. Bij het begin en einde van de schooldag rijdt er geen verkeer door de Kampboerlaan/ Louis ten Catelaan. Hierdoor levert deze route geen conflict op met deze fiets- en looproute.
Figuur 2.2: Oversteek Vriezenveenseweg | inrit Kamboerlaan met verbodsbord | loop- en fietsroute vanaf Kampboerlaan.
2.2
Schoolroutes op basis van verkeerstellingen
Om inzicht te krijgen in de gebruikte schoolroutes en de vervoerswijze is op 10 juli tussen 8.00 – 8.45 het schoolverkeer geteld. Daarbij is onderscheid gemaakt naar kinderen die te voet naar de school komen, op de fiets of met de auto. De verdeling tussen de vervoerswijze is in onderstaande tabel weergegeven. De gebruikte schoolroutes zijn inzichtelijk gemaakt in figuur 2.3. Er is op drie locaties geteld; de Vriezenveenseweg, Kampboerlaan – Louis ten Catelaan – Louis ten Catelaan ter hoogte van huisnummer 1.
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
4
Aantal leerlingen Lopend
127
Fiets zonder begeleiding
135
Fiets met begeleiding
26
Aantal auto’s
47
Tabel: aantal leerlingen per vervoerswijze Tijdens de schouw kwam bijna 80% van de leerlingen zelfstandig lopend of met de fiets naar school. Bij slecht weer is het aannemelijk dat het aantal leerlingen die met de auto komen hoger ligt. Bijna de helft van de kinderen kwam via de Vriezenveenseweg. 1/3 kwam via het voetpad Figuur 2.3: looproutes naar de basisschool tussen de Peuverstraat en Louis ten Catelaan. Dat veel kinderen zelfstandig naar school mogen lopen en fietsen betekent dat de schoolomgeving en de weg naar school veilig zijn, zo veilig dat ouders het niet nodig vinden om altijd mee te lopen of fietsen. Leerlingen die met de auto komen, worden voornamelijk aan de Vriezenveenseweg afgezet. Hier is duidelijk sprake van een zoen- en zoef functie. 11 auto’s negeren het verbodsbord en parkeren bij de Louis ten Catelaan. Bij de school zijn nadat de school gestart was, het aantal geparkeerde fietsen geteld. In totaal zijn 141 fietsen geteld. Deze fietsen passen niet allemaal in de stallingen.
2.3
De weg naar school
De weg naar school moet allereerst veilig zijn voor kinderen. Als er in de schoolroute wegen voorkomen waar hard wordt gereden of die erg druk zijn, is het niet verantwoord dat kinderen zelfstandig naar school komen. Maar als de veiligheid niet problematisch is, blijken vooral de afstanden nauw te luisteren. Voor kinderen die binnen een afstand van 500 meter van de school wonen is lopen veruit favoriet. Boven 2 km kiest een groot deel van de ouders de auto om kinderen school te brengen (bron: KPVVdashboard.nl). Op kortere afstanden mogen kinderen op enig moment zelfstandig naar school, op grotere afstanden is dat vaak geen optie. In onderstaande figuur zijn afstand cirkels rond de school op hemelsbreed 500 meter, 1.000 meter en 1.500 meter getekend. Duidelijk is te zien dat de school voor de hele kern op loop- of fietsafstand ligt.
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
5
Figuur 2.4: Afstand cirkels ten opzichte van de huidige locatie RKBS St. Aloysisusschool Van de RKBS St. Aloysisusschool hebben we van de huidige leerlingen de (geanonimiseerde) postcodes ontvangen. Om deze wijze is de spreiding van de leerlingen inzichtelijk gemaakt (figuur 2.5). 57% van de leerlingen woont binnen een straal van 1.000 meter van de school. 43% woont buiten de bebouwde kom en heeft een langere afstand.
Figuur 2.5: Spreiding van de leerlingen op basis van postcodes
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
6
2.4
Het autoverkeer
Het is goed als de route naar school zodanig rustig en veilig is, dat leerlingen in de hogere groepen zelfstandig naar school kunnen lopen of fietsen. Het belangrijkste aspect is daarbij een lage snelheid van het autoverkeer en de drukte van het autoverkeer. Het Handboek ontwerpen voor Kinderen (CROW publicatie 153) geeft een richtlijn voor de oversteek van wegen binnen het 30 km/uur gebied. Tabel 2.1 is daar een samenvatting van. Wegen waar auto’s harder (mogen) rijden dan 30 km/uur kunnen basisschoolleerlingen niet veilig zelfstandig oversteken. Op wegen met een 30 km/uur-regime kunnen de oudere kinderen wel zelfstandig oversteken, mits de intensiteit niet hoger is dan 4.000 auto’s per etmaal. Intensiteit
Karakterisering van de oversteek
tot 2000 mvt (spitsintensiteit = 200 mvt/uur)
de straat is goed tot redelijk goed over te steken, ook voor jonge kinderen
2000 tot 4000 mvt (spitsintensiteit = 200 tot
oversteekbaarheid wordt minder makkelijk voor jonge
400 mvt/uur)
kinderen, zorg voor goed zicht van en naar de stoep en voor
meer dan 4000 mvt
op schoolroutes en andere intensief gebruikte kinderroutes:
logische oversteekplekken op kinderroutes zebrapad/voetgangersoversteekplaats op een plateau; versmalling van de rijbaan; goede zichtbaarheid op overstekend kind; middeneiland (facultatief).
Tabel 2.1: Indicatie leeftijd waarop kinderen bepaalde verkeerstaken al dan niet zelfstandig kunnen uitvoeren (afgaande op het ontwikkelingsproces van kinderen) Een groot deel van de wegen binnen de bebouwde kom van Geesteren ligt in een 30 km/uur zone. De Lutkeberg en de Randweg hebben de maximale snelheid van 50 km/h. De Vriezenveenseweg, Langeveenseweg en de Dorpsstraat zijn wegen met een doorgaande functie, die kinderen binnen de bebouwde kom tegen komen op hun schoolroute. In 2017 is op verschillende locaties in Geesteren het verkeer geteld, zie onderstaande figuur.
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
7
Figuur. Intensiteiten per etmaal 2017 1 De Dorpsstraat kent een hogere intensiteit, die kinderen niet zelfstandig kunnen oversteken. Uit gegevens van ViaStat blijkt dat de V851 ligt op de snelheid 31 km/h. De Dorpsstraat heeft een dorpskarakter met verschillende functies. De inrichting is zodanig ingericht dat bestuurders hun gedrag aanpassen en rekening houden met onverwachte situaties. De oversteekbaarheid van de Dorpsstraat voor kinderen blijft een aandachtspunt. De Vriezenveensweg is een éénrichtingsweg met 1.700 motorvoertuigen per etmaal. De V85 is 36 km/h.
1
(aanvulling) monitoring Geesteren, 2018
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
8
3 Varianten voor verkeer en stedenbouw
Het creëren van een nieuwe schoolomgeving is een kans om (opnieuw) een veilige schoolomgeving te creëren. De fysieke omgeving heeft een grote impact op het verkeersgedrag van de ouders en de kinderen. Wanneer de schoolomgeving een inrichting kent waarbij het spelende kind centraal staat, heeft dit een ander mobiliteitsgedrag tot gevolg. Ouders worden zo gestimuleerd hun kind met de fiets of te voet naar school te brengen. Ook stimuleert dit ouders hun kinderen zelfstandig naar school te laten gaan. Dit heeft allemaal een positief effect op de zelfredzaamheid van het kind. De kinderen kunnen zo op vroege leeftijd al langzaam wennen aan een omgeving met verkeer. Vanuit de gemeente zijn vier stedenbouwkundige en drie verkeerskundige varianten aangedragen (figuur 3.1 t/m 3.6). Vanuit een bewoners- en ondernemersgroep is de wens uitgesproken om de ruimtelijke kwaliteit rondom het centrum te versterken en aantrekkelijker te maken. Hierbij wordt gedacht aan een autoluw plein ter hoogte van het kerkplein en de Dorpsstraat. De stedenbouwkundige varianten voor de school: 1. Huidige locatie, ingang aan de Vriezenveenseweg; 2. Huidige locatie, ingang aan de Kampboerlaan; 3. Locatie voormalige bibliotheek; 4. Locatie voormalige bibliotheek met nieuwe woonstraat. De verkeersvarianten: 1. Huidige verkeersstructuur met eenrichtingsverkeer op de Vriezenveenseweg; 2.
Huidige verkeersstructuur met tweerichtingsverkeer op de Vriezenveenseweg; 3. Nieuwe weg om het centrum heen.
3.1
Drie verkeerskundige varianten
Variant 1 – huidige verkeersstructuur De huidige verkeersstructuur voor het gemotoriseerd verkeer blijft in deze variant behouden. De Vriezenveenseweg blijft eenrichting. Op de ontwikkellocatie is ruimte om te schuiven met de interne structuur van de loop- en fietsroutes.
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
9
De verkeersintensiteiten blijven dan ook vergelijkbaar met de tellingen uit 2017. De Vriezenveenseweg kent een lage intensiteit waardoor kinderen zelfstandig naar school kunnen lopen en fietsen.
Figuur 3.1: Intensiteiten verkeerskundige variant 1 – huidige verkeerstructuur Mede door de eenrichtingsstructuur van de Vriezenveenseweg wordt het verkeer evenredig verdeelt over de verschillende voorzieningen die aanwezig zijn in het dorp. Bij de kruising Dorpsstraat – Langeveenseweg – Vriezenveenseweg is de intensiteit laag genoeg waardoor ruimte blijft om kort te stoppen. De oversteekbaarheid van de Dorpsstraat blijft vergelijkbaar als in de huidige situatie en een aandachtspunt.
Variant 2 – Vriezenveenseweg tweerichtingsverkeer De infrastructuur blijft behouden, maar de Vriezenveenseweg wordt opnieuw opengesteld voor tweerichtingsverkeer. Het eerder genomen verkeersbesluit wordt teruggedraaid. Op de ontwikkellocatie is ruimte om te schuiven met de interne structuur van de loop- en fietsroutes. De intensiteit van Vriezenveenseweg gaat omhoog naar circa 3.000 motorvoertuigen per etmaal. Dat houdt in dat er een extra barrière ontstaat in de directe omgeving van de school. De oversteekbaarheid van de Vriezenveenseweg wordt minder makkelijk voor jonge kinderen. Bij de ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met goede, veilige en overzichtelijke oversteeklocaties voor de kinderen.
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
10
Figuur 3.2: Intensiteiten verkeerskundige variant 2 – Vriezenveenseweg terug naar tweerichtingsverkeer. De Vriezenveenseweg kent ter hoogte van het TMZ gezondheidscentrum krappe haaksparkeervakken. In combinatie met tweerichtingsverkeer (3.000 mvt) en veel fietsers in de schoolomgeving levert dit conflicten op. Er wordt regelmatig gewisseld op de haaksparkeer vakken, voor uitparkerende auto’s is er weinig kijk- en manoeuvreruimte. Door de krappe parkeervakken moeten fietsers (ook kinderen) extra schrikafstand houden tot de geparkeerde auto’s. Hierdoor fietsen de fietsers midden op het profiel. Met het invoeren van tweerichtingsverkeer zijn er te veel verkeersbewegingen om midden op het profiel te rijden. Om de verkeerssituatie zodanig in te richten dat tweerichtingsverkeer op een veilige wijze te realiseren is extra ruimte nodig tussen de rijweg en de parkeervakken. De ruimte daarvoor ontbreekt in het profiel. Er is alleen extra ruimte te vinden door de weg iets naar het noorden te verschuiven. Dit gaat ten koste van de bomen aan die zijde van de weg. Bij de kruising Dorpsstraat – Langeveenseweg – Vriezenveenseweg wordt het drukker en onoverzichtelijker door het verkeersaanbod. De ruimtelijke kwaliteit van het centrum verbetert niet ten opzichte van de huidige situatie.
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
11
Variant 3 – nieuwe infrastructuur naar Langeveenseweg In de derde variant wordt een nieuwe (doorgaande) weg aangelegd tussen de Vriezenveenseweg en de Langeveenseweg. Op deze wijze ontstaat er meer ruimte om een autoluw plein te creëren en de ruimtelijke kwaliteit te versterken.
Figuur 3.3: Intensiteiten verkeerskundige variant 3 – nieuwe infrastructuur naar Langeveenseweg De inrichting van de wegen en het autoluwe plein zijn erg belangrijk. Afhankelijk hiervan maken verkeerdeelnemers zijn routekeuzes. Enkele gevolgen zijn afhankelijk van de inrichting: ■ Uitgaande van een volledige nieuwe herinrichting met een herkenbare route via de nieuwe weg gaan circa 2.500 – 3.000 voertuigen deze weg gebruiken. ■ Mogelijke omrijdbewegingen (sluipverkeer) via de Roringstraat. De Roringstraat is een korte doorsteek waardoor tijdwinst te behalen valt. ■ De route over het plein blijft geschikt voor openbaar vervoer en bevoorrading. Dat betekent dat autoverkeer feitelijk weinig hinder ondervindt. Daarmee is er een kans dat een deel van het verkeer gebruik blijft maken van de route via het plein. Het plein wordt daardoor minder autoluw dan bedoeld. Omrijbewegingen via Zurinkstraat – Pastoor Cramerstraat en Broenenstraat achten wij niet waarschijnlijk. De omrijdafstand is te lang, waardoor er geen tijdwinst te behalen is om het dorpsplein te meiden via deze route te rijden. Daarnaast oogt de straat smal door het op straat parkeren en zijn er meerdere verkeerdrempels aanwezig in de straat. Om die redenen wordt de route via Zurinkstraat – Pastoor Cramerstraat en Broenenstraat niet als sluiproute gebruikt.
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
12
3.2
Vier stedenbouwkundige varianten
Stedenbouwkundige variant 1 – hoofdingang Vriezenveenseweg Bij deze stedenbouwkundige variant zijn de routes voor auto’s en langzaam verkeer uit elkaar gehaald. Op deze wijze kunnen de leerlingen te voet en op de fiets via een veilige route het schoolplein bereiken.
Figuur 3.4: Stedenbouwkundige variant 1 – hoofdingang Vriezenveenseweg Het voetpad bij de Vriezenveenseweg en tussen de Peuverstraat – Louis ten Catelaan worden in de huidige situatie veel gebruikt. Bij deze variant verdwijnt gedeeltelijk de autoluwe route van de Louis ten Catelaan naar het schoolplein, door het parkeren en halen en brengen te ontsluiten via de Vriezenveenseweg en de Louis ten Catelaan. In de verdere uitwerking kan hier rekening mee worden gehouden en nogmaals naar gekeken worden. Daarnaast gaat het om een laag verkeersaanbod, waar automobilisten hun gedrag aanpassen doordat ze zich in een schoolomgeving bevinden.
Stedenbouwkundige variant 2 – hoofdingang Kampboerlaan In de tweede variant is de hoofdingang aan het schoolplein en de Kampboerlaan gesitueerd. De langzame (interne) verbindingen zijn vergelijkbaar met de huidige situatie. Een nadeel van deze variant is dat het halen en brengen met de auto in de directe schoolomgeving en het schoolplein is gesitueerd. Kinderen die de school verlaten worden direct geconfronteerd met auto’s. De kracht van het parkeren op 70-100 meter vanaf af de hoofdingang en de afgescheiden route voor het autoverkeer verdwijnt in deze variant.
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
13
In de huidige situatie vindt het halen en brengen met name aan de Vriezenveenseweg plaats. Bij een verdere uitwerking van deze stedenbouwkundige variant kan overwogen worden om het halen en brengen op een andere locatie te situeren.
Figuur 3.5: Stedenbouwkundige variant 2 – hoofdingang Kampboerlaan
Stedenbouwkundige variant 3 – locatie bibliotheek In deze stedenbouwkundige variant is gekozen om een weg ten noorden van de school te maken. Daarnaast staan woningen gepland ten noorden van de ontwikkellocatie. Het halen en brengen is ter hoogte van de Langeveenseweg gesitueerd. Bij eventueel verdere uitwerking kan gekeken worden of het halen en brengen deels gecombineerd kan worden met de inrichting van autoluwe plein. De verkeersluwe langzaam verkeerroute via de Vriezenveenseweg en Kampboerlaan verdwijnt. Dit is nadelig voor een veilige directe schoolomgeving en levert extra problemen op bij het halen en brengen van kinderen. Ouders gaan direct voor de schoolingang stilstaan of parkeren. Kinderen die via het voetpad tussen de Peuverstraat en Louis ten Catelaan komen, vervolgen de route via een rustige woonstraat. Echter moeten zij de nieuwe weg oversteken.
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
14
Figuur 3.6: Stedenbouwkundige variant 3 – locatie bibliotheek Stedenbouwkundige variant 4 – locatie naast de kerk In de vierde stedenbouwkundige variant ligt de onderwijslocatie naast de kerk. Ten westen van de onderwijslocatie komt een nieuwe verbinding die de Louis ten Catelaan en de Vriezenveenseweg aan elkaar koppelt. Aan deze nieuwe verbindingen wordt het halen en brengen gesitueerd en staan 18 woningen gepland. Het doorgaande verkeer blijft gebruik maken van de Vriezenveenseweg. Gezien het slingerende verloop van de nieuwe verbindingsweg verwachten we hier geen doorgaand verkeer. Door de ligging van het halen/brengen en parkeren op enige afstand van de ingang van de school, ondervinden kinderen te voet en op de fiets in de directe schoomomgeving geen hinder van manoeuvrerende auto's. Net als in de huidige situatie kunnen ouders die met de auto hun kind(eren) brengen er ook voor kiezen om de auto op de Vriezenveenseweg te parkeren.
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
15
Figuur 3.7: Stedenbouwkundige variant 4 – locatie naast de kerk
3.3
Beoordeling van de 12 scenario’s
In totaal zijn 12 combinaties te maken, 3 verkeerskundige varianten en 4 stedenbouwkundige varianten. Als we kijken naar de realiseerbaarheid van de scenario’s zien we dat er vijf scenario’s niet mogelijk zijn en daarom afvallen. Stedenbouwkundige Stedenbouwkundige Stedenbouwkundige Stedenbouwkundige variant 1
variant 2
variant 3
variant 4
Verkeerskundige variant 1
Realiseerbaar
Realiseerbaar
Niet realiseerbaar
Realiseerbaar
Verkeerskundige variant 2
Realiseerbaar ten
Realiseerbaar ten
Niet realiseerbaar
Realiseerbaar ten
koste van bomen
koste van bomen
Niet realiseerbaar
Niet realiseerbaar
Verkeerskundige variant 3
koste van bomen Realiseerbaar
Niet realiseerbaar
De wens om de ruimtelijke kwaliteit te versterken in het centrum en een autoluw plein te creëren, zien wij kansen bij de verkeerskundige varianten 1 (eenrichtingsverkeer Vriezenveensweg) en 3 (nieuwe infrastructuur naar Langeveenseweg). Beide verkeerskundige varianten leiden tot een relatief verkeersluw plein. Verkeerskundige variant 2 leidt tot meer verkeer over het plein en gaat ten koste van bomen, reden om deze variant niet verder uit te werken.
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
16
4 Nadere uitwerking van scenario’s
In overeenstemming met de gemeente Tubbergen is gekozen om de volgende scenario’s nader uit te werken: 1. Vriezenveenseweg éénrichting (V1) – schoolgebouw op huidige locatie met hoofdingang aan Kampboerlaan (S1-S2). 2. Nieuwe doorgaande weg (V3) - met schoolgebouw op locatie van de bibliotheek (S3). 3. Vriezenveenseweg tweerichtingsverkeer (V2) - schoolgebouw op locatie van de bibliotheek met nieuw woonerf via Vriezenveenseweg (S4).
4.1
Parkeren
Bij de ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met het auto parkeren van leraren, auto parkeren ouders, zoen- en zoef strook en fiets parkeren leerlingen. Goudappel Coffeng heeft een rekentool ontwikkeld om de benodigde parkeerplaatsen voor schoolomgevingen te bepalen. De totale berekening is opgenomen in bijlage 1. Mede op basis van aantal leerlingen onder- en bovenbouw, aantal medewerkers, overblijfpercentage, percentage leerlingen begeleid naar school, autogebruik en bezettingsgraad zijn de volgende aantallen als uitgangspunt genomen: Aantallen Parkeerplaatsen personeel
17
Parkeerplaatsen halen en brengen
17
Zoen- en zoefstrook
6
Tabel 4.1. Benodigde parkeerplaatsen
Tijdens de tellingen en schouw op 10 juli 2019 blijkt dat de parkeerplaatsen aan de Vriezenveenseweg voornamelijk worden gebruikt voor zoen- en zoef. De benodigde aantal fiets parkeerplaatsen is circa 150 stuks.
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
17
4.2
Uitwerking scenario 1
De locatie van het schoolgebouw en de infrastructuur blijft nagenoeg gelijk ten opzichte van de huidige situatie. De ingang voor de leerlingen blijft aan de Kampboerlaan. Er wordt een nieuwe woonstraat aangelegd ter ontsluiting van de nieuwe woningen (1.845 m2). Aan deze woonstraat zijn ook 22 parkeerplaatsen voorzien voor ouders die graag de auto parkeren en mee lopen naar het klaslokaal. De mogelijkheid tot ‘zoen-zoef’ aan de Vriezenveenseweg blijft aanwezig. Personeel parkeert de auto aan de Louis ten Catelaan. Het ontwerp is in bijlage 2 toegevoegd. Op basis van een globale kostenraming zijn de realisatiekosten berekend op €1.380.000,-. Hierbij betreffen het de civiele werkzaamheden exclusief grondaankoop, sloopwerkzaamheden en nieuwbouw.
Figuur 4.1: uitwerking scenario 1
Verkeersonderzoek schoolomgeving Geesteren
18
Figuur 4.2: Wegprofiel nieuwe woonstraat
De locatie van de schoolingang en de fietsenstalling is bepalend voor de loop- en fietsroutes van leerlingen. De leerlingen kennen een autoluwe schoolomgeving. De leerlingen die op het nieuwe parkeerterrein worden afgezet lopen via de stoep naar de ingang van het schoolterrein, bij de fietsenstalling.