CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen Toelichting.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 27 juni 2023, gemeente TubbergenBij agendapunt: 9: Bestemmingsplan Buitengebied Hardenbergerweg 208 Langeveen23.061 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruik.

5.6.2

Situatie plangebied

In voorliggende geval kunnen de bedrijfsgebouwen die binnen het plangebied worden gerealiseerd worden aangemerkt als geurgevoelige objecten in het kader van Wgv, want er is sprake van bebouwing die geschikt is voor menselijk verblijf gedurende de dag periode. Er is namelijk sprake van een ‘gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt’ (artikel 1 Wgv). In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele agrarische bedrijfspercelen aanwezig (Hardenbergerweg 192 en 190, Vasserdijk 60 en Witteweg 1). Tevens is er een intensieve veehouderij gelegen aan de Balkenbeltsweg 7/7a, ten westen van het plangebied. Ter plaatse van de Witteweg 1 is enkel een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Ter plaatse van de Vasserdijk 60 is tevens een intensieve veehouderij toegestaan. Hierbij is de Vasserdijk 60 aangemerkt als kleinschalig agrarisch bedrijf met beperkte ontwikkelingsmogelijkheden. Ter plaatse van de Balkenbeltsweg 7/7a wordt opgemerkt dat het autobedrijf niet uitbreidt richting dit agrarische bedrijf, er een forse tussenliggende afstand van circa 440 meter is en er reeds woningen van derden op kortere afstand zijn gelegen. Nadere toetsing is derhalve niet noodzakelijk aan dit bedrijf.

De afstand tussen bovengenoemde agrarisch bouwvlakken en de nieuwe bedrijfsperceelgronden in het plangebied bedraagt in alle gevallen ruim meer dan 100 meter. Hiermee wordt voldaan aan de vaste afstand. Gezien deze afstand wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de nieuwe bedrijfsbebouwing sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat. De veehouderijen worden als gevolg van de ontwikkeling niet in hun bedrijfsvoering belemmerd, want er wordt voldaan aan de vaste afstand en woningen van derden en bestaande geurgevoelige objecten zijn op kortere afstand gelegen.

5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 43

5.7 Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming.

5.7.1

Gebiedsbescherming

Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000 weergegeven. Het plangebied is indicatief met de blauwe cirkel aangegeven.

Afbeelding 5.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied (Bron: Natuurbank Overijssel)

In afbeelding 5.3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuur Netwerk Nederland weergegeven.

44

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

Afbeelding 5.3 Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN (Bron: provincie Overijssel)

Natura 2000-gebieden: In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied behoort niet tot de Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Gronden die tot de Natura 2000 (Engbertsdijksvenen) behoren liggen op circa 2,4 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op het vorenstaande zijn negatieve effecten niet te verwachten. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is er een AERIUS-berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van het voornemen. Deze bestaat uit een berekening voor de gebruiksfase. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 3 van deze toelichting. Hierna wordt het rekenresultaat besproken. Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat voor de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De activiteit in de gebruiksfase leidt tot een NOx-emissie van 19,4 kg/jaar en een NH3-emissie van 1,0 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied.

Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden, niet vergunningsplichtig. Natuurnetwerk Nederland: Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren liggen op minimaal circa 1,1 kilometer afstand van het plangebied. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten zijn lokaal. Hierdoor hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op gronden die tot het NNN behoren.

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 45

5.7.2

Soortenbescherming

Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Natuurbank Overijssel heeft een Quickscan natuurwaardenonderzoek voor de locatie uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn hierna opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 4.

5.7.3

Onderzoeksresultaten

In het kader van de Quickscan natuurwaardenonderzoek zijn de plannen voor het uitbreiden van de bedrijfsgebouwen aan de Hardenbergerweg 208 te Langeveen van belang. Daarnaast is het van belang dat er bebouwing wordt gesloopt en er twee wadi’s worden aangelegd. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. Het plangebied is op 1 februari 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.

Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. De vogels, amfibieën en beschermde grondgebonden zoogdieren bezetten een vaste rust- en voortplantingsplaats enkel in de houtsingels. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde dieren in de houtsingels gedood en wordt geen vaste rust- en voortplantingsplaats in de houtsingels beschadigd en vernield. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af.

5.7.4

Conclusie

De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteit en nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. Vaststelling van dit bestemmingsplan heeft tevens geen negatieve effecten op Natura-2000 gebieden of het NNN.

46

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

5.8 Archeologie en cultuurhistorie 5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Tubbergen heeft de archeologische verwachtingswaarden doorvertaald in de bestemmingsplannen middels dubbelbestemmingen. Op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied 2016' is het plangebied bestemd met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.

Hier is een archeologisch onderzoek noodzakelijk wanneer een oppervlakte van 5.000 m² wordt overschreden, met bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor kleinere gebieden geldt vrijstelling van archeologisch onderzoek. Deze oppervlakte wordt ter plaatse met voorgenomen ontwikkelingen (uitbreiden bedrijfsbestemming en uitbouwen van de werkplaats/garagebedrijf) niet overschreden, een archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de gemeente of haar regio-archeoloog.

5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in en rondom het plangebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat archeologisch vervolgonderzoek niet benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 47

5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is er na een bestemmingsplan geen m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit meer nodig, dan is er sprake van een bestemmingsplan in kolom 4 (besluit). Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Engbertsdijksvenen' ligt op minimaal 2,4 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot het Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Dit bestemmingsplan voorziet in de planologische kaders voor een uitbreiding van de bedrijfsbestemming en het uitbreiden van werkplaats en voldoet daarmee aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Het autobedrijf is al ruim 25 jaar een begrip in gemeente Tubbergen en is door de jaren fors gegroeid en kampt hierdoor met een tekort aan bedrijfs- en stallingsruimte. Het betreft hier met name een tekort aan verhard oppervlak voor het buiten stallen van auto's. Deze parkeervoorzieningen zijn momenteel deels gesitueerd buiten de vigerende bedrijfsbestemming op de (agrarische) gronden rondom van huidige bedrijfsperceel.

Deze gronden zijn echter bestemd voor agrarische doeleinden en groenvoorzieningen. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. 48

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

Indien de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-plichtige activiteit aangezien deze pas geldt bij 200.000 m2 bvo of meer. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het uitbreiden van het garagebedrijf. Als gevolg van bovengenoemde groei is de eigenaar voornemens het bedrijfsperceel te vergroten ten behoeve van de stalling van auto's middels de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO regeling). Daarnaast wil het bedrijf haar bedrijfsbebouwing (autogarage) verder uitbreiden met 645 m² om onder meer het aantal autoreparaties te kunnen vergroten. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en andere milieugevoelige functies. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit Hoofdstuk 5 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.9.3

Conclusie

Dit plan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.

5.10

Water

5.10.1 Vigerend beleid 5.10.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.10.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.

De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.10.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.10.1.4 Beleid waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren.

In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 49

schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

5.10.2 Waterparagraaf 5.10.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.10.2.2 Watertoetsproces Waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van toepassing is. Het waterschap heeft in voorliggend geval onderstaand advies uitgebracht. Advies waterschap Het verhard oppervlak neemt toe in voorliggend plan.

Feitelijk gezien is er ook reeds in de bestaande situatie sprake van verharding, om de auto's representatief te kunnen stallen. In voorliggend bestemmingsplan wordt een en ander echter planologisch gezien geregeld. Daarom dienen compenserende maatregelen genomen te worden. Compenserende maatregelen zijn bijvoorbeeld de aanleg van een zaksloot, vijver, wadi’s, bodempassage etc. Het waterschap hanteert hierbij de 55 mm vuistregel. Concreet betekent dit dat 55mm x de toename verhard oppervlak, dit uitgedrukt in kubieke meters, ingericht dient te worden voor waterberging. Dit water kan worden geborgen in bijvoorbeeld een zaksloot, wadi’s, bodempassage, (vis)vijver, infiltratiekratten etc. In voorliggend vindt er compensatie plaats. Aan de voorzijde van het plangebied blijft de bestaande situatie behouden. Eveneens wordt er een nieuwe boom aangeplant (H op tekening in Bijlage 1) die past in de visie van 'Mijn dorp 2030' voor meer groen in het straatbeeld. Tot slot wordt aan de voor- en achterzijde van het plangebied een wadi aangelegd (K in Bijlage 1) voor de infiltratie van hemelwater. Er kan respectievelijk 69,6 m³ en 55,4 m³ (totaal 125 m²) worden opgevangen. Daarmee wordt voldaan aan de gestelde eisen voor het bergen van hemelwater. Het aanleggen en instandhouden van de wadi wordt verplicht binnen de regels in dit bestemmingsplan.

Het waterschap heeft laten weten dat het kan instemmen met de voorgenomen ontwikkeling Opgemerkt wordt nog dat de bestaande groenvoorzieningen c.q. wadi in het plangebied in de afgelopen jaren nog nooit vol gestaan, ook niet bij extreme regenval. De omgeving is droog en gelegen op hogere zandgrond. Conclusie is dat de wadi's in het plangebied beschikken over ruim voldoende opslagcapaciteit, ook bij extreme regenval en mogelijke klimaatverandering in de nabije toekomst waarbij de verwachting is dat weersomstandigheden steeds extremer zullen zijn.

50

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording 6.1 Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

6.2 Opbouw van de regels 6.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

6.2.2

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 51

6.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. In de bestemmingen is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. In paragraaf 6.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen.

6.2.4 Algemene regels Anti-dubbeltelregel (artikel 7): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels (artikel 8): in deze regels is opgenomen dat de bestaande maatvoering van met vergunning tot stand gekomen bouwwerken is toegestaan. Algemene gebruiksregels (artikel 9): in deze regel is aangegeven wat er in elk geval onder verboden gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Algemene afwijkingsregels (artikel 10): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Overige regels (artikel 12); in dit artikel zijn regels in verband met parkeren opgenomen.

6.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

6.3 Bestemmingen Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Artikel 3 Bedrijf De nieuwe alsmede de voormalige bedrijfsperceelgronden zijn bestemd met de bestemming 'Bedrijf'. De vigerende functieaanduidingen ('bedrijfswoning uitgesloten' en 'specifieke vorm van bedrijf-garagebedrijf') zijn overgenomen in dit bestemmingsplan. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor bedrijven die zijn genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, die als bijlage bij de regels is opgenomen.

Ondergeschikt zijn onder andere niet-zelfstandige kantoren (behorende bij het bedrijf), groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen (watergang), parkeervoorzieningen en kunstwerken toegestaan. 52

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

Bedrijfsgebouwen mogen binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd, de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen is geregeld in de regels. In dit geval bedraagt de goothoogte maximaal 6 meter en de bouwhoogte maximaal 12 meter. De bebouwingsoppervlakte mag ten hoogte de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingsoppervlakte' aangegeven m² bedragen. Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, geldt dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw ten hoogste 2 meter bedraagt, voor de voorgevel bedraagt dit 1 meter. De bouwhoogte van bedrijfsinstallaties mag ten hoogste 8 meter bedragen. De bouwhoogte van overige bouwwerken mag ten hoogste 5 meter bedragen. In de specifieke gebruiksregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die voorziet in een borging van de uitvoering en instandhouding van de landschapsmaatregelen teneinde te komen tot een adequate landschappelijke inpassing. Tenslotte zijn er afwijkingen van de gebruiksregels opgenomen welke er in voorzien dat op ondergeschikte punten, door middel van een omgevingsvergunning, van deze regels kan worden afgeweken. Artikel 4 Groen De gronden die bedoeld zijn voor de landschappelijke inpassing van de nieuwe bedrijfsperceelgronden zijn bestemd met 'Groen'.

Deze gronden zijn bestemd voor afschermende beplanting en bebossing, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke waarden in de vorm van in hoogte opgaand groen en groenvoorzieningen. De beplanting bestaat uit inheemse soorten conform het in de regels opgenomen in Bijlage 2 Ruimtelijk kwaliteitsplan. Verder zijn water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gerealiseerd. Artikel 5 Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn en blijven bestemd voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken. De bouw- en gebruiksregels zijn overgenomen conform de vigerende woonbestemming. Hierin zijn geen wijzigingen of verruimingen doorgevoerd. Artikel 6 Waarde - Archeologie 4 De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van en onderzoek naar aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 53

54

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Tubbergen. Hierin zijn de gemeentelijke planbegeleidingskosten opgenomen en is vastgelegd dat het risico van planschade bij de initiatiefnemer ligt, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven. Daarnaast wordt tevens een KGO-overeenkomst gesloten waarmee de KGO-investering geregeld wordt.

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 55

56

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

Hoofdstuk 8

Vooroverleg en inspraak

8.1 Vooroverleg 8.1.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2

Provincie Overijssel

Op basis van artikel 3.1.1, lid 2 heeft de provincie de mogelijkheid om plannen aan te wijzen waarvoor geen vooroverleg is vereist. De provincie Overijssel heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en een zogenoemde 'Uitzonderingslijst vooroverleg ruimtelijke plannen' opgesteld. Hierin is opgenomen dat indien de gemeente over een eigen kwaliteitskader beschikt dat in lijn is met het Werkboek KGO en de Omgevingsvisie er geen vooroverleg gevoerd hoeft te worden. De provincie Overijssel biedt gemeenten de gelegenheid om een eigen beleidsinvulling te gegeven aan het KGO-beleid. De gemeente Tubbergen heeft hier gebruik van gemaakt en de beleidsnota "Gemeentelijk beleidskader Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO)" vastgesteld. Deze beleidsnota is in lijn met het Werkboek KGO en de Omgevingsvisie, de provincie heeft dit bevestigd. De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op basis van dit beleid. Geconstateerd wordt dat voorliggende ontwikkeling passend is binnen het gemeentelijke kwaliteitskader. Voor het overige worden geen provinciale belangen geraakt. Provinciaal vooroverleg is niet noodzakelijk. 8.1.3

Waterschap Vechtstromen

In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben ertoe geleid dat de ‘normale procedure’ van toepassing is. Zie Bijlage 5 bij deze toelichting en paragraaf 5.10 voor de watertoetsprocedure.

8.2 Inspraak In voorliggend geval wordt geen voorontwerpplan ter inzage gelegd.

8.3 Zienswijzen Na publicatie op 1 november 2022 is in overeenstemming met artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening met ingang van 2 november 2022 het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen’ voor een periode van zes weken een ieder ter inzage gelegd. Binnen deze periode is er één zienswijze ingediend, welke is behandeld in de 'reactienota zienswijzen', onderdeel uitmakend van de bijlagen van deze toelichting, specifiek Bijlage 6. Naar aanleiding van de zienswijze worden de volgende wijzigingen doorgevoerd. Regels In de regels worden de volgende wijzigingen aangebracht: Er wordt een sloopverplichting voor opstal ‘L’ opgenomen in artikel 3.3.5. In bijlage 2 bij de regels wordt de beplantingsstrook ‘F’ doorgetrokken tot de Hardenbergerweg. Dit is reeds vastgelegd in de voorwaardelijke verplichting; de situatie tekening wordt aangepast.

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/965/documents/20682