CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen Toelichting.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 27 juni 2023, gemeente TubbergenBij agendapunt: 9: Bestemmingsplan Buitengebied Hardenbergerweg 208 Langeveen23.061 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

De reden voor uitbreiding is dat het autobedrijf al geruime tijd de beoogde uitbreidingsruimte dringend nodig heeft voor haar bedrijfsactiviteiten en de bedrijfsvoering. Een gedeelte van de gronden in het plangebied is om die reden dan ook al reeds verhard ten behoeve van een representatieve stalling van de voertuigen voor de verkoop. Naast een toename van verharding is ook het voornemen om de bedrijfsopstallen verder uit te breiden. De ontwikkelingen zijn noodzakelijk om het autobedrijf voldoende toekomsperspectief te bieden. Gezien het feit dat het bedrijf zorgt voor werkgelegenheid spelen er in voorliggend geval sociaaleconomische belangen en wordt de ontwikkeling in het kader van de KGO aanvaardbaar geacht. In voorliggend geval is een KGO-plan opgesteld waarin het evenwicht is aangetoond welke in overeenstemming is met het KGO-beleid van de gemeente Tubbergen. De nadere uitwerking is opgenomen in het ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 1 bij deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat er een goede balans is gevonden in de investeringen in de ruimtelijke kwaliteit en de nieuw geboden ontwikkelingsruimte en dat voldaan wordt aan de wens van de provincie Overijssel met betrekking tot de impuls aan de groene omgeving.

Artikel 2.3.2

Realisatie nieuw bedrijventerrein

1. Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuw bedrijventerrein als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek bedrijventerreinen. 2. In bestemmingsplannen wordt in maximaal 80% van de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen, zoals vastgesteld in het kader van actueel onderzoek bedrijventerreinen, voorzien. 3. In bestemmingsplannen van gemeenten waarvoor afspraken bedrijventerreinen van toepassing zijn, mag in afwijking van lid 2 - in een hoger percentage dan 80% worden voorzien, met een maximum van 100% van de behoefte zoals vastgesteld in het kader van de afspraken bedrijventerreinen. 4. De behoefte aan nieuw bedrijventerrein zoals bedoeld in lid 1 wordt geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende afspraken bedrijventerrein zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. 5. Wanneer de realisatie van nieuw bedrijventerrein niet past binnen geldende afspraken bedrijventerreinen of wanneer er voor de gemeente geen afspraken bedrijventerreinen gelden, dan moet de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen aangetoond worden door middel van actueel onderzoek bedrijventerreinen waarop de instemming is verkregen van zowel de gemeenten in de regio als Gedeputeerde Staten. 6.

In afwijking van het bepaalde in lid 5 geldt de eis dat gemeenten in de regio moeten hebben ingestemd niet voor buurgemeenten die gelegen zijn buiten de provincie Overijssel. In dat geval moet zijn aangetoond dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip 'nieuw bedrijventerrein' nader gedefinieerd als: een locatie voor bedrijvigheid en bij die bedrijven behorende kantoorruimte, waarvoor nog geen omgevingsvergunning is afgegeven. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.3.2 van de Omgevingsverordening Overijssel Met de provincie Overijssel zijn specifieke afspraken gemaakt omtrent de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen. Deze zijn vastgelegd in het document ‘Afspraken Regionale Bedrijventerreinen Programmering Twente 2017-2020’. Binnen de afspraken is er nog ruimte om nieuwe bedrijventerreinen te realiseren. Hierdoor is het mogelijk om de voorgenomen ontwikkeling, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, te realiseren. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met artikel 2.3.2 van de Omgevingsverordening.

4.2.5.2 Ontwikkelingsperspectieven In dit geval zijn de ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving van belang. In de Groene Omgeving gaat het vooral om: behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie. In de Groene Omgeving onderscheidt de provincie de volgende drie ontwikkelingsperspectieven: de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW); agrarisch ondernemen in het grootschalige landschap; wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap. Het plangebied behoort zowel tot het ontwikkelingsperspectief 'wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' en 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 25

de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.

Afbeelding 4.2 Uitsnede Ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' Het ontwikkelingsperspectief 'wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt. Het verbinden van de ontwikkelingsmogelijkheden van economische en maatschappelijke functies met het behoud en de versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke elementen draagt bij aan het behoud van de specifieke kwaliteiten van het kleinschalige mixlandschap in Overijssel.

“Woon en werklocaties buiten de stedelijke netwerken” De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten). Toetsing van het initiatief aan de 'Ontwikkelingsperspectieven' De functionele structuur van de omgeving rondom het plangebied is divers, zoals ook beoogd in dit gebied. Met voorliggende ontwikkeling vindt hier geen verandering in plaats. Op basis van dit bestemmingsplan kan een bestaand lokaal geworteld bedrijf uitbreiden.

Door de uitbreiding krijgt het bedrijf de mogelijkheid om de bedrijfsvoering in te richten op de toenemende vraag naar de diensten die het bedrijf levert en de auto's die het verhandelt. Hierdoor krijgt het bedrijf een duurzaam toekomstperspectief en wordt de sociale en economische vitaliteit in Langeveen behouden. Daarnaast is het plan op basis van milieu- en omgevingsaspecten toelaatbaar op de betreffende locatie. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar Hoofdstuk 5. Tot slot wordt opgemerkt dat de ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de structuur van de omgeving.

26

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

4.2.5.3 Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De 'Stedelijke laag' wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, want voor het plangebied en de aangrenzende gronden gelden geen specifieke en relevante eigenschappen. 1.

De 'Natuurlijke laag'

Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de ‘Natuurlijke laag’ aangeduid met het gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen' en 'Hoogveengebieden (in cultuur gebracht)'. In afbeelding 4.3 is dat weergegeven.

Afbeelding 4.3 Uitsnede Natuurlijke laag (Bron: provincie Overijssel) “Dekzandvlakte en ruggen” In deze gebieden is er afwisseling van opgewaaide ruggen en uitgesleten beekdalen. De daarbij horende hoogteverschillen kenmerken de dekzandvlaktes van Overijssel. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap het uitgangspunt. 'Hoogveengebieden (in cultuur gebracht)' Op waterhuishoudkundig geïsoleerde plekken (waar het regenwater wordt vastgehouden) ontwikkelde zich in het zandgebied op kleine en grote schaal hoogveen; onder invloed van regenwater ontstonden veenmoerassen. Deze groeiden als een dikke spons van veenmossen steeds verder omhoog, los van het grondwater. De extreme zure en voedselarme omstandigheden leidden tot natte, slecht toegankelijke moerasgebieden, waar vrijwel geen boom kon groeien. De hoogveenrestanten worden gekenmerkt door een hoge waterkwaliteit, een hoge waterstand en een hoge natuurkwaliteit. Lokaal is sprake van “levend hoogveen” (veenaangroei). De ambitie is de hoogveenrestanten in stand te houden en op een aantal plekken het hoogveen opnieuw tot groei te brengen. Het open natte karakter is hierbij een belangrijke kwaliteit. De inzet is op de randen tussen de hoogveenrestanten en de hoogveenontginningsgebieden landschappelijk leesbaar te maken als ontgonnen deel van het oorspronkelijk veenlandschap.

Zo ontstaat een samenhangend en leesbaar landschap in de hoogveengebieden en een overgang naar heide en schaalgraslanden eromheen. Als ontwikkelingen plaats vinden in de nabijheid van hoogveenrestanten, dan dragen deze bij aan verbetering van de hydrologie om verdroging van het veenpakket tegen te gaan en, waar mogelijk, aan toename van natuurkwaliteit en het areaal levend hoogveen. Dit zijn uitgangspunten bij (her)inrichting. bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 27

Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag' De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locatie is grotendeels gelegen in een dekzandgebied. Er is daarnaast (zie het ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 1 bij deze toelichting) sprake van enig reliëf in de omgeving door de uitloper van een zogeheten Esker. In de jaren zijn hoogteverschillen gedeeltelijk geërodeerd door de wind en weer versterkt door de wijze van agrarisch gebruik, maar toch zijn de hoogteverschillen nog altijd goed herkenbaar. Het dichtstbijzijnde hoogveenrestant in de Engbertsdijkvenen ligt echter op ruime afstand. De gebiedskenmerken van het plangebied sluiten meer aan op de gebiedskenmerken van de zandgronden die ten oosten van het plangebied liggen. Op deze gronden is er sprake van lokale inzijging en zomereieken worden beschouwd als onderdeel van het natuurlijke bostype. Bij de zandgronden is het uitgangspunt om de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen. In het inrichtingsplan wordt aangesloten op de (strekkings)richting van het landschap. Geconcludeerd wordt dan ook dat het plan in overeenstemming is met de gebiedskenmerken van de 'Natuurlijke laag'.

2.

De 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'

In de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ aangeduid met het gebiedstype 'Hoogveenontginningen' en 'Jong heide - en broekontginningslandschap'. In afbeelding 4.4 is dat weergegeven.

Afbeelding 4.4 Uitsnede Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: provincie Overijssel) 'Hoogveenontginningen' Vanuit linten werd het omliggende hoogveengebied door middel van opstrekkende verkavelingen, vrij kleinschalig, grotendeels ontgonnen. Dit was het gevolg van de wens tot vergroting van het landbouwareaal. Diepe afwateringskanalen werden niet gegraven zodat veel veen onder het grondwater bleef zitten. Een groot deel van dit landschapstype is dan ook later alsnog afgegraven, verder ontwaterd en weer als landbouwgrond in cultuur gebracht. Het landschapstype is afwisselend meer of minder open. Als ontwikkelingen plaats vinden in de hoogveenontginningen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van het kleinschalige karakter en de kenmerkende weg- en kavelgrensbeplanting en de diverse bebouwingslinten. 'Jonge heide- en broekontginningslandschap' 28

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

Kenmerkend voor het jonge heide- en broekontginningslandschap waren oorspronkelijk de grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden. Deze waren functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het 'inbreidings'landschappen met rommelige driehoekstructuren als resultaat. Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen. Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' De bedrijfsuitbreiding vindt plaats op de gronden ten oosten en zuiden van het huidige bedrijfsperceel. Het plangebied ligt in het zuidelijke gedeelte van Langeveen.Ter plaatse was sprake van heide dat tussen de jaren '30 en '60 ontgonnen is.

Dit landschap is daarna functioneler ingericht waarbij bebouwing onder meer georiënteerd is op de hoofdontsluiting. Er was sprake van een open tot half open landschap. De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van de heideontginning. De gronden ter plaatse zijn in de huidige situatie voor een groot gedeelte ingericht als agrarische cultuurgrond en voor een kleiner gedeelte als groenstrook. Het omliggende landschap wordt getypeerd door bospercelen en houtwallen. Deze maken het landschap kleinschalig. Aan de hand van een landschapsplan wordt de locatie zorgvuldig landschappelijk ingepast. Verwezen wordt naar Hoofdstuk 3 waarin de landschapsmaatregelen nader worden beschreven. Bij het uitwerken van het landschapsplan wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van streekeigen soorten, zodat wordt aangesloten bij de gebiedskenmerken van het landschap. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’. 3.

De 'Laag van de beleving'

De laag van de beleving is het domein van de belevenis, de betekenis en identiteit. Het voegt kenmerken toe als landgoederen, recreatieparken, recreatieve routes maar benut ook vooral de kwaliteit van de andere drie lagen. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart ‘Laag van de beleving’ aangeduid met het gebiedstype ‘Donkerte’. In afbeelding 4.5 is dat weergegeven.

Afbeelding 4.5 Uitsnede Laag van de beleving (Bron: provincie Overijssel) ''Donkerte'' Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 29

bebouwing. De donkere gebieden geven daarentegen een indicatie van het rustige buitengebied van Overijssel. Het zijn relatief luwe en dunbevolkte gebieden met een lage gebruiksdruk. De ambitie is gericht op het koesteren van donkerte als kwaliteit. Het streven is gericht op het handhaven van de donkerte en, waar mogelijk, de gebieden bij ontwikkelingen nog donkerder te maken. De richting van de sturing is gericht op het minimaal toelaten van kunstlicht. Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van de beleving' Voorliggend initiatief zal (bij herinrichting van het plangebied, toename aan verharding, professionele en representatieve stalling van voertuigen) wellicht voor een toename aan kunstlicht zorgen, maar het plangebied grenst aan het bestaande bedrijventerrein van Langeveen, waar inherent sprake is van kunstmatige verlichting. De toename aan kunstlicht zal daarom niet onevenredig merkbaar zijn. Wel moet zoveel mogelijk lichtvervuiling worden tegengegaan. Middels gerichte verlichting met bewegingssensoren en/of tijdschakelaars is dit mogelijk. Dit brengt met zich mee dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in strijd is met het gestelde in de ‘Laag van de beleving’.

4.2.6

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Bovenstaande toetsingen laten zien dat het voornemen goed inpasbaar is, dit vanwege het feit dat de ontwikkelingen en de landschappelijke inpassing trouw blijft aan de vigerende kenmerken, de ambities en de sturingsprincipes van de gebiedskenmerken vanuit het hogere schaalniveau, dit om zo de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse te vergroten. Geconcludeerd wordt dat de ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1

Mijn Omgevingsvisie Tubbergen

4.3.1.1 Algemeen De gemeente Tubbergen beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Tubbergen gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal! MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. 2. 3. 4.

de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten) hoe men daarop kan inspelen (speerpunten) hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan) welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart)

Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: We doen het samen We geven het goed voorbeeld We wentelen niet af op volgende generaties We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt 4.3.1.2 Speerpunten In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is het thema 'Ruimte voor ondernemen' van belang. Ruimte voor ondernemen Als gemeente zorgt men voor voldoende ontwikkelruimte voor bedrijven en voor plekken waar bedrijven zich kunnen vestigen. Zo draagt de gemeente bij aan de werkgelegenheid en kunnen verschillende soorten bedrijvigheid ontstaan. De gemeente streeft naar levendige compacte kernwinkelgebieden. Voor duurzame, 30

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

kansrijke initiatieven wordt maatwerk geleverd. Daarbij ligt de nadruk op het behouden en versterken van het lokale bedrijfsleven. Samenvattend gaat de gemeente voor: goede vestigings- en ontwikkelingsmogelijkheden voor het bedrijfsleven; het faciliteren van ondernemers met als principe “ja- tenzij”. Goede vestigings- en ontwikkelingsmogelijkheden: Goede vestigingsmogelijkheden voor het bedrijfsleven betekent dat wordt ingezet op voldoende en passende bedrijventerreinen. En op een goede bereikbaarheid. Leegstand wil men daarbij zoveel mogelijk voorkomen. Meer uitgebreid gaat het om het volgende: Het doel is om het aanbod aan bedrijfsgrond aan te laten sluiten bij de vraag. In principe moeten ondernemers en/of bedrijven met een ruimtebehoefte binnen de gemeente een plek kunnen vinden. Of dit lukt is mede afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf. Als er veel vraag is wordt gekeken of uitbreiding van bedrijfsterreinen nodig is. Hierbij kijkt men ook ook naar vraag en aanbod in de regio. Ook buiten de bedrijventerreinen zet de gemeente zich in voor voldoende, duurzame en passende ruimte (huisvesting) voor ontwikkelingen. Dit is maatwerk. De gemeente weegt de specifieke behoefte van ondernemers en bedrijven af en adviseert over de haalbaarheid van initiatieven. Streven naar kwalitatieve verbeteringen.

Dit gaat bijvoorbeeld over het voorkomen van leegstand, een goede ontsluiting en een goede fysieke en digitale bereikbaarheid. Het faciliteren van ondernemerschap De gemeente geeft ondernemers de ruimte door in te zetten op maatwerk en door flexibiliteit te bieden. De gemeente vindt het belangrijk dat de juiste functies op de juiste plek terecht komen. Het slim combineren van functies vanuit een duidelijke visie biedt kansen. De ondernemers, de bedrijfsconsulent en het OndernemerServiceTeam (OST) zijn hierbij de spil. Zij verbinden partijen aan elkaar en helpen met de juiste routes.

4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke Omgevingsvisie Dit bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van een lokaal geworteld bedrijf in Langeveen. Het autobedrijf is door de jaren fors gegroeid en kampt hierdoor met een tekort aan bedrijfs- en stallingsruimte. Het betreft hier met name een tekort aan verhard oppervlak voor het buiten stallen van auto's. Deze parkeervoorzieningen zijn momenteel deels gesitueerd buiten de vigerende bedrijfsbestemming op de (agrarische) gronden rondom van huidige bedrijfsperceel. Deze gronden zijn echter bestemd voor agrarische doeleinden en groenvoorzieningen. Als gevolg van bovengenoemde groei is de eigenaar (in het vervolg initiatiefnemer) voornemens het bedrijfsperceel te vergroten ten behoeve van de stalling van auto's middels de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO regeling). Daarnaast wil het bedrijf haar bedrijfsbebouwing (autogarage) verder uitbreiden met 645 m² om onder meer het aantal autoreparaties te kunnen vergroten. De gemeente Tubbergen heeft in december 2019 besloten in principe medewerking te verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling. Dit besluit is op basis van het vigerende gemeentelijk KGO-beleid genomen, waarbij de gekozen locatie vanuit het oogpunt van milieukwaliteit, (kosten)efficiëntie en een doelmatige bedrijfsvoering het meest logisch is.

Met dit bestemmingsplan wordt het toekomstperspectief van het bedrijf gewaarborgd, wat de werkgelegenheid in de regio ten goede komt. Daarnaast is het plan op basis van milieu- en omgevingsaspecten toelaatbaar op de betreffende locatie. Er is geen sprake van een onevenredige verkeersaantrekkende werking en geen sprake van onevenredig extra overlast. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar Hoofdstuk 5. Tot slot wordt opgemerkt dat als gevolg van de ontwikkeling een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt in de vorm van landschappelijke inpassing van het geheel. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat dit bestemmingsplan in overeenstemming is met de beleidsuitgangspunten zoals opgenomen in de Omgevingsvisie.

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 31

4.3.2

Kwaliteitsimpuls groene omgeving (KGO)

Vooraf wordt opgemerkt dat voorliggend bestemmingsplan nog is gebaseerd op het beleid 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Tubbergen (KGO)', maar dat op 12 juli 2022 de gemeenteraad heeft ingestemd met een afwijking van het overgangsrecht in het beleid ‘Buitengebied met kwaliteit’ om dit plan af te ronden onder het oude beleid voor het buitengebied. Voor dit plan was immers binnen de drie maanden overgangstermijn een concept-bestemminsgplan ingediend. Echter was er onvoldoende tijd om de bestemmingsplannen en bijbehorende onderzoeken te (laten) toetsen om ze zodoende op tijd in ontwerp ter inzage te leggen. Op basis van voorgenoemd raadsbesluit wordt voorliggend bestemmingsplan daarom afgerond onder het 'oude' beleid. Hierna volgt de toetsing aan dit beleid. 4.3.2.1 Algemeen In de Omgevingsvisie Overijssel en de Omgevingsverordening Overijssel is een nieuw instrument geïntroduceerd, namelijk de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO). Op basis van het provinciaal beleid ten aanzien van dit instrument is het mogelijk om gemeentelijk niveau beleidskaders op te stellen. De gemeente Tubbergen en de gemeente Dinkelland hebben gezamenlijk een nieuw beleidsdocument genaamd ‘Beleidskader voor de toepassing van de kwaliteitsimpuls groene omgeving’.

Het doel van dit document is om bij aangevraagde ontwikkelingen in het landelijk gebied een toetsingskader te hebben voor het beoordelen van het voornemen op basis van de kwaliteitsimpuls. Daarnaast biedt het beleidskader voor de aanvragers handvatten om bij een aanvraag de kwaliteitsimpuls vorm te geven. 4.3.2.2 Basisinspanning en aanvullende kwaliteitsimpuls Er is een basis gevonden voor het bereiken en meten van het evenwicht tussen ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties. Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke (landschappelijke) inpassing: vorm en situering van gebouwen, erfbeplantingen. Bij ontwikkelingen met een grote impact is een extra investering in de groene omgeving noodzakelijk. Kleinschalige impact In de gevallen waarbij medewerking kan worden verleend aan ontwikkelingen welke in het bestemmingsplan zijn geregeld, hetzij bij recht, hetzij met toepassing van een afwijking, geldt deze ontwikkeling in principe als een ontwikkeling met een kleinschalige impact en hoeft er geen kwaliteitsimpuls in de groene omgeving te worden geleverd en kan worden volstaan met de basisinspanning. Grootschalige impact Is er wél een bestemmingsplanprocedure nodig (bijv. ten behoeve van een verruiming van een bestemmingsvlak) dan is er sprake van een ontwikkeling met een grootschalige impact.

Dit geldt ook voor een partiële herziening in de vorm van een verandering van de bestemming of een aanduiding. Op dat moment moet er naast de basisinspanning een kwaliteitsimpuls van de groene omgeving plaatsvinden. 4.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' In voorliggend geval is een KGO-plan opgesteld waarin het hiervoor genoemde evenwicht is aangetoond. Dit evenwicht is bepaald aan de hand van het beleidskader 'gemeentelijke beleidskader Kwaliteitsimpuls groene omgeving (KGO)' van de gemeente Tubbergen. Voor het bepalen van de kwaliteitsimpuls wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van de gronden. Om de KGO-bijdrage voor autobedrijf H. Tijhuis te bepalen is er door 'N+L' een KGO-berekening opgesteld, welke is opgenomen in het ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 1 bij deze toelichting. In dit geval vindt er een vergroting plaats van de bestaande bedrijfsbestemming. De feitelijke bedrijfsbestemming breidt uit met circa 2.355 m². Het totaal wordt bepaald door diverse correcties waarbij overwegend de bedrijfsbestemming wordt verruimd. Daar waar het gaat om het vergroten van de bedrijfsbestemming is sprake van een waardevermeerdering. Ter plaatse van het verkleinen van de bedrijfsbestemming, en het opnemen van de Groen-bestemming is sprake een waardevermindering. Dit is in afbeelding 3.2 in Hoofdstuk 3 specifiek omschreven.

Daarnaast is er sprake van een waardevermindering ter plaatse van de landschappelijke inpassing. Het voorgenoemde betekent dat de totale waardevermeerdering (inclusief correcties) € 168.114,83 bedraagt. Als er sprake is van een niet aan het buitengebied gebonden ontwikkeling in een kernrandzone moet de helft worden geïnvesteerd. Dat betekent dat de investering € 84.057,41 bedraagt. De kernrandzone is een niet vast afgebakend gebied direct rondom en grenzend aan het dorp. De kosten voor het KGO plan (met een maximum van 10%) worden afgetrokken, evenals de kosten voor het kwaliteitsteam. Omdat het 2 bezoekmomenten betreft is dat € 500,--. De bijdrage voor een investering in de ruimtelijke kwaliteit bedraagt daardoor € 75.151,67. Hoewel er een aanplant plaats gaat vinden nabij het bedrijf mag deze investering niet meegenomen worden. Er 32

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

zijn daarom enkele investeringen gevonden. Maximaal 20% van het te investeren bedrag mag worden ingezet ten behoeve van 'maatschappelijk rood'. Om die reden kiest autobedrijf Tijhuis ervoor om 20% van het bedrag te reserveren voor de bouw van een nieuwe carnavalsloods. Deze carnavalsloods wordt naar verwachting opgericht aan de Tiemansweg 3 in Langeveen als een gedeelte van een machineberging. Ter plaatse is onlangs een eerste schets akkoord bevonden. In totaal gaat het om een bedrag van € 15.030,33. Het bedrag (€ 15.030,33) blijft twee jaar lang beschikbaar voor de bouw van de machineberging, specifiek de carnavalsloods. Als het geldbedrag niet binnen twee jaar na vaststelling van het bestemmingsplan wordt gebruikt dan komt het geld vrij voor ruimtelijke initiatieven binnen de gehele gemeente Tubbergen. Verder is besloten om uitvoering te geven aan een wandelpad en verbinding nabij het knooperf in Langeveen. Nabij plan Veldboer heeft zich een initiatief aangedragen. Ter plaatse is sprake van een wandelnetwerk ten behoeve van een ommetje. Het bestaande netwerk kan worden vergroot waarbij het landschap rondom Langeveen beter beleefbaar kan worden gemaakt. De gronden van de Mandjesberg aan de noordzijde van Langeveen zijn in gebruik als akkerbouwgronden en recentelijk is daar een wijngaard gerealiseerd.

Het is de bedoeling dat inwoners van Langeveen met dit dorpsommetje straks langs een dubbele gemengde haag lopen en daardoor de Mandjesberg beter kunnen beleven evenals de uitzichten op Duitsland. De bestaande openheid wordt gerespecteerd, maar het dorpsommetje bevat meer uitdaging. Het voert daarnaast langs de recent aangelegde wijngaard. Het onverharde gedeelte weg vanaf het knooperf naar de Veldboersweg is met name in de nattere delen van het jaar onbegaanbaar. Er wordt daarom een enkel karrespoor aangelegd bestaande uit gebakken klinkers voor voetgangers om het dorpsommetje te completeren, maar het pad is ook geschikt voor fietsers. Er is bewust niet voor een dubbel karrespoor gekozen om de route luw te houden voor gemotoriseerd verkeer. Langszij wordt een gemengde haag aangeplant. De totale kosten voor uitvoering zijn geraamd op € 60.854,75. Een nadere omschrijving van het plan met bijbehorende kosten is opgenomen onder hoofdstuk 5, investeringen KGO, van Bijlage 1. Conclusie Met de gekozen investeringen wordt voldaan aan de gevraagde investering van (afgerond) € 75.000,--. Hierdoor wordt geconcludeerd dat de geboden ontwikkelingsruimte en investering in de ruimtelijke kwaliteit in evenwicht zijn.

4.3.3

Welstandsnota (Nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen)

4.3.3.1 Algemeen In de welstandsnota, vastgesteld op 4 maart 2016, worden de criteria voor de welstandstoets geformuleerd en toegelicht. De nota is daarnaast vooral een sturend en stimulerend hulpmiddel en niet een instrument om van alles te verbieden. De nota is mede bedoeld om een initiatiefnemer enthousiast te maken voor de kwaliteiten van hun directe omgeving, en om daarmee te bereiken dat zij zorgvuldig nadenken over hun bouwplannen. De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand. Op grond van de kwaliteitsniveaus wordt de beoordeling ambtelijk of door de stadsbouwmeester uitgevoerd. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de tekst in de nota omgevingskwaliteit. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveaus van omgevingskwaliteit: 1. Basis omgeving; 2. Midden omgeving; 3. Bijzondere omgeving. Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald.

Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart genoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor: ‘Ambtelijk’: alleen kleine bouwwerken van- en voor de voorgevel worden getoetst. Deze toets vindt ambtelijk plaats. Bouwplannen achter de voorgevel zijn toetsvrij. bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 33

'Stadsbouwmeester’: de stadsbouwmeester toetst. ‘Q-team’: het Q-team beoordeelt en kan daarbij in overleg treden met de initiatiefnemer en/of ontwerper.

4.3.3.2 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota Bij het indienen van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt het ontwerp van de nieuwe bebouwing (werkplaats/autogarage) getoetst aan de Welstandsnota.

4.3.4

Casco-benadering in Noordoost-Twente

4.3.4.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van NoordoostTwente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.

4.3.4.2 Casco-benadering in de praktijk De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het ‘kleinschalige groene karakter’ van het landschap in totaliteit. Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie).

Zoals ook blijkt uit de in afbeelding 4.6 opgenomen uitsnede van de casco-kaart zijn er Casco onderdelen aanwezig in of direct aangrenzend aan het plangebied. Het plangebied is aangegeven met de rode belijning.

34

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

Afbeelding 4.6 Uitsnede casco-kaart (Bron: gemeente Tubbergen) 4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan de 'Casco-benadering in Noordoost-Twente' De gemeente Tubbergen hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de Casco zijn in principe niet te verwijderen (groen lijnen/vlakken op de kaart). Ter plaatse is een casco element ingetekend. Dit kan echter niet anders dan een vergissing zijn. Er is namelijk sprake van een bedrijf met buitenterrein. Daarom kan gesteld worden dat de ontwikkeling geen consequenties voor het cascobeleid heeft en/of het cascobeleid geen consequenties voor de ontwikkeling heeft. De landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het ruimtelijke kwaliteitsplan voorzien juist in versterking van de casco onderdelen in de directe omgeving. Voor een omschrijving van de investeringen in het landschap wordt verwezen naar paragraaf 3.3 en het ruimtelijk kwaliteitsplan als opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting en bij de regels van dit bestemmingsplan. Geconcludeerd wordt dat het initiatief past binnen de casco-benadering.

4.3.5

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling goed past binnen de gemeentelijke beleidskaders.

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 35

36

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, het besluit milieueffectrapportage en water.

5.1 Geluid 5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval zijn de aspecten railverkeers,- wegverkeers-, en industrielawaai niet van belang, want er wordt met voorliggend bestemmingsplan geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt. Met het voornemen wordt slechts de bestaande werkplaats uitgebreid om het aantal autoreparaties te kunnen vergroten. Verder worden de parkeervoorzieningen planologisch juist bestemd. Tenslotte wordt de receptie/kantoor annex verkoopruimte uitgebreid ten behoeve van de verkoopgesprekken (of incidenteel bedoeld voor werkruimtes voor wachtende klanten). Opgemerkt wordt dat dit slechts een geringe uitbreiding betreft van een bestaande, reeds aanwezige functie. Het is echter zeer kleinschalig, en wordt eveneens niet dichter aan de Hardenbergerweg gerealiseerd dan nu al het geval is. Nadere toetsing is daarom derhalve niet noodzakelijk. Voor wat betreft het aspect industrielawaai wordt opgemerkt dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van een gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Wat betreft de invloed van de ontwikkeling op omliggende woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt in voorliggend geval geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.2 Bodem 5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Kruse Groep heeft ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Een samenvatting van de resultaten en de conclusies uit dit onderzoek is in de volgende subparagraaf opgenomen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het complete bodemonderzoek welke is opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting. bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 37

5.2.2

Situatie plangebied

Algemeen In opdracht van Autobedrijf H. Tijhuis is in een verkennend bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel ter grootte van circa 1475 m² aan de Hardenbergerweg 208 te Langeveen. De onderzoekslocatie is deels bebouwd en geheel verhard (beton en klinkers). Aanleiding voor het bodemonderzoek is de geplande uitbreiding van het bedrijfspand. Resultaten veldwerk Het terreindeel is beschouwd als niet verdacht. Er is een verdachte deellocatie aanwezig (Deellocatie A, wasplaats met OBAS). In totaal zijn er 11 boringen verricht, waarvan 1 tot circa 5.00 meter diepte welke is afgewerkt met een peilbuis. Gebleken is dat de grond globaal bestaat uit matig grof tot zeer zand. Op het oostelijke terreindeel is onder de klinkers puin- granulaat aangetroffen (boring 2, 3, 4 en 5 tot circa 0.6 m-mv). Op het maaiveld bij boring 3 is puin op het maaiveld aangetroffen, hier is geen klinkerverharding aanwezig. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. De veldwerker heeft visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Het freatische grondwater in de peilbuis is aangetroffen op 3.60 meter min maaiveld.

Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG) is zeer licht verontreinigd met PAK; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is zeer licht verontreinigd met barium. Hypothese De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen, aangezien er overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond en in het grondwater zijn verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het bodemonderzoek. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. De wasplaats heeft geen aantoonbare negatieve invloed gehad op de bodemkwaliteit. 5.2.3

Conclusie

Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen geplande nieuwbouw (uitbreiding van het bedrijfspand), aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezond- heid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (bedrijf). Geconcludeerd wordt dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor voorliggend plan.

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet milieubeheer zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

38

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

In paragraaf 5.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging en niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Opgemerkt wordt dat er slechts een geringe toename aan verkeersbewegingen is in voorliggend planvoornemen, dit als gevolg van de uitbreiding van de werkplaats, om zodoende meer werkzaamheden aan auto's uit te kunnen voeren. Het planologisch juist bestemmen van de stallingsmogelijkheden voor voertuigen heeft geen gevolgen voor de luchtkwaliteit. Tevens wordt opgemerkt dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4 Externe veiligheid 5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen en moet worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 39

vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Voor buisleidingen geldt het Besluit buisleidingen externe veiligheid (Bevb) die op 1 januari 2011 in werking is getreden. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie plangebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. Het plangebied is indicatief met de rode belijning aangegeven.

Afbeelding 5.1 Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart) Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Tenslotte wordt opgemerkt dat er geen sprake is van gebruik van gevaarlijke stoffen in de werkplaats en dat het personendichtheid maar zeer beperkt toeneemt (als gevolg van de uitbreiding van de werkplaats). 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.

40

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

5.5 Bedrijven en milieuzonering 5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een 'gemengd gebied'. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt aan de rand van de kern Langeveen en ook in het buitengebied, waar geen sprake is van een matige of sterke functiemenging.

Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.

5.5.3

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 41

1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. Op basis van dit bestemmingsplan zijn bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 en specifiek een garagebedrijf bestemd voor de handel en reparatie van motorvoertuigen, omdat ter plaatse van het plangebied de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf" is opgenomen. Dit bedrijf is reeds planologisch gezien aanwezig en ook toegestaan. De ontwikkelingen in dit bestemmingsplan beschreven (met name de uitbreiding van de werkplaats van het autogaragebedrijf) worden op basis van de VNG-uitgave aangemerkt als "Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven" met een millieucategorie van 2, met een grootste richtafstand (rustige woonwijk) van 30 meter. De dichtstbijzijnde reguliere woningen (in hetzelfde lint) betreffen de Hardenbergerweg 202 (woning behorend bij autobedrijf Tijhuis), nummer 196 en Hardenbergerweg 214. Daarnaast zijn aan de overzijde van de Hardenbergerweg woningen gesitueerd, voorzien van oneven-nummering.

Tenslotte zijn er bedrijfswoningen gelegen in het oosten van het plangebied, betreffende de Vasserdijk 65/65a. Bovengenoemde woningen liggen (en blijven liggen) op meer dan 30 meter afstand van de nieuwe bedrijfsperceelgronden, met uitzondering van de eigen woning aan de Hardenbergerweg 202. Deze woning behoort echter tot het bedrijf en heeft hierdoor een directe binding. Daarnaast is het feitelijk gebruik ook al reeds jaren direct aansluitend aan dit perceel, en is de bestaande richtafstand van de bedrijfsbestemming tot aan de woonbestemming ook reeds fors minder dan 30 meter. Tevens is het het redelijkerwijs niet te verwachten is dat de huidige bewoners op korte termijn verhuizen naar elders en hier ter plaatse derden in deze woning komen te wonen. Het is de bedoeling dat deze woning ten alle tijde 'in het bedrijf' zal blijven. Gezien bovenstaande toetsing kan worden gesteld dat voor de omliggende woningen welke niet zijn betrokken bij het bedrijf wordt voldaan aan de richtafstanden en ter plaatse van de omliggende (bedrijfs)woningen dan ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de woning aan de Hardenbergerweg 202 wordt gesteld dat ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat omdat aansluitend aan het perceel slechts stalling van auto's plaatsvind, zie ook Bijlage 1. Stalling van auto's heeft in zoverre geen nadelige gevolgen voor omwonenden.

De feitelijke werkzaamheden van het autobedrijf (de verkoop en de werkplaats) vinden (ook in de toekomst) plaats op circa 25 meter afstand, gesteld wordt dat daarom sprake is van voldoende tussenliggende afstand om een goed woon- en leefklimaat te borgen. Tenslotte wordt gesteld dat vanwege de feitelijke binding de richtafstand ook gerechtvaardigd mag worden verkort, gezien de betrokkenheid, het wonen naast het bedrijf en de toezichthoudende functie in de avonduren. Tevens kan geconcludeerd worden dat de uitbreiding van de bedrijfsbestemming zoals beschreven in dit bestemmingsplan de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet aantast (zie paragrafen 5.5.3.3 en 5.6). 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Dit bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe milieugevoelige objecten. Van enige vorm van hinder van de in de omgeving aanwezige functies is dan ook geen sprake.

5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

42

bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen

5.6 Geur 5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/965/documents/20682