CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Bp Ootmarsumseweg 161 en Kemnaweg 15, Albergen.pdf

Raadscommissie 11 januari 2022, gemeente TubbergenBij agendapunt: 7: Bestemmingsplan Ootmarsumseweg 161 en Kemnaweg 15, Albergen27.592 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Resultaten asbestanalyses Op basis van de resultaten van de asbestanalyses kan het volgende worden geconcludeerd: Overig te herontwikkelen terreindeel De mengmonsters MM FF - 01 en MM FF - 02 bevatten geen asbest; Het mengmonster MM FF - 03 bevat asbest; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Deellocaties B, C, D, E en F Het mengmonster MM FF - B bevat geen asbest; De mengmonsters MM FF - C, MM FF - D en MM FF - E bevatten asbest; de gewogen asbestgehalten zijn lager dan de interventiewaarde; Het mengmonster MM FF - F bevat asbest; het gehalte is hoger dan de interventiewaarde. Afperkend asbestonderzoek Het mengmonster F - Hor.afp. bevat geen asbest; Het mengmonster F - Vert.afp. bevat geen asbest. Hypothese De hypothese “verdachte locatie” ter plekke van de bovengrond van de onderzoekslocatie en ter plekke van de voormalige bovengrondse dieseltank kan worden aangenomen, aangezien er enkele overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese “onverdachte locatie” ter plekke van de ondergrond en het grondwater dient te worden verworpen, aangezien er enkele overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond.

De hypothese “verdacht voor de aanwezigheid van asbest” ter plekke van de bovengrond van de onderzoekslocatie kan worden aangenomen, aangezien de bodem plaatselijk asbesthoudend is. De hypothese “verdacht voor de aanwezigheid van asbest” ter plekke van de druppelzone B dient te worden verworpen, aangezien er geen asbest is aangetoond. De hypothese “verdacht voor de aanwezigheid van asbest” ter plekke van de druppelzones C, D, E en F kan worden aangenomen, aangezien de bodem ter plekke asbesthoudend is. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG I en A-BG), de ondergrond (OG) en in het grondwater (PB 1) zijn verhoogde concentraties aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de bovengrond (BG II en BG III) en in het grondwater (PB A1) zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 03, MM FF - C, MM FF - D, MM FF - E en MM FF - F asbest aangetoond. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01, MM FF - 02 en MM FF - B is geen asbest aangetoond. 28

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaweg 15, Albergen

Het gewogen asbestgehalte in MM FF - 03 is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. De gewogen asbestgehalten in de druppelzones MM FF - C (Gat C1, C2, C3 en C4), MM FF - D en in MM FF - E (gaten E1, E2, E3 en E4) zijn lager dan de interventiewaarde: er is geen nader asbestonderzoek noodzakelijk. Druppelzone F is sterk verontreinigd met asbest. De asbestverontreiniging is niet te relateren aan de druppelzone. Ter plekke van de druppelzone F werd asbesthoudende vlakke plaat opgeslagen. Ter plekke van druppelzone F is een sterke asbestverontreiniging aanwezig met een omvang van circa 15 x 1.5 x 0.5 = circa 12 m 3 . Sanering van de sterk asbesthoudende toplaag is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de geplande nieuwbouw. In de visueel schone bodem direct onder en naast deze toplaag zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met deze schone grond. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. De sterk verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag (provincie Overijssel). Voorafgaande aan de sanering dient een BUS-melding of saneringsplan opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd.

Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is, na sanering van de asbestverontreiniging ter plekke van deellocatie F, geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouwplannen, aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt na sanering geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Kemnaweg 15, Albergen Het voorliggende plan wordt het bestemmingsvlak 'Wonen' vergroot ten behoeve van het realiseren van een bijgebouw. Er kan gesteld worden dat het woon- en leefklimaat ter plaatse niet onevenredig wordt aangetast. Derhalve geldt dat het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk is. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.

in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaw eg 15, Albergen

29

(art. 74, lid 3 Wgh). Ootmarsumseweg 161 De voorkeursgrenswaarde op de gevel van woningen als gevolg van wegverkeerslawaai bedraagt 48 dB (etmaalwaarde). De planlocatie ligt op circa 140 meter afstand van de Ootmarsumseweg (50 km/u). Tussen de beoogde compensatiewoning en de Ootmarsumseweg bevinden zich meerdere gebouwen (o.a. Morshuis, Aannemersbedrijf Scholte op Reimer). Gelet op de grote afstand en de invulling van het tussenliggende gebied met bebouwing (barrièrewerking) kan geconcludeerd worden dat de geluidbelasting op de gevel van de nieuwe woning niet hoger zal zijn dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Kemnaweg 15 Voorliggend plan voorziet in de uitbreiding van de woonbestemming ter plaatse van de Kemnaweg 15 te Albergen. Hierdoor wordt de nieuwbouw van een bijgebouw mogelijk gemaakt. Een bijgebouw wordt in het de Wet geluidhinder niet als geluidsgevoelig object aangeduid. Gelet op voorenstaande is akoestisch onderzoek niet vereist. Het aspect 'geluid' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Daarnaast zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen spoorwegen en/of geluidsgezoneerde bedrijventerreinen aanwezig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Ootmarsumseweg 161 In de toekomstige situatie is er sprake van één extra woning op een bestaand erf aan de Ootmarsumseweg 161. Verkeersbewegingen bestaan enkel uit het af en aan rijden van de bewoners. Hierdoor zullen de verkeersbewegingen door het voornemen nauwelijks toenemen.

Voor zover er sprake zal zijn van een toename aan verkeersbewegingen, zal deze zeer beperkt zijn. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het 30

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaweg 15, Albergen

aantal verkeersbewegingen op 10 per dag gesteld worden. In figuur 4.3 is de worst-case scenario berekening weergegeven met 10 extra voortuigbewegingen.

Figuur 4.3: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Kemnaweg 15 Voorliggend plan voorziet niet in de toename van verkeersbewegingen ter plaatse. Derhalve draagt de ontwikkeling niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Ook is er geen sprake van een nieuwe (extra) gevoelige bestemming volgens 'besluit gevoelige bestemmingen'. Daarnaast is er nu en in de toekomst geen sprake van overschrijdingen van de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit (geldt voor heel Oost-Nederland). Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaw eg 15, Albergen

31

binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

Figuur 4.4: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 1,3 km van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

32

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaweg 15, Albergen

Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd.

Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem.

Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 10 februari 2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie bijlage Bijlage 3. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de 'korte procedure'. Vanuit het waterschap Vechtstromen is geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'water' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Ootmarsumseweg 161 Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden Ootmarsumseweg 161 Albergen (kenmerk 3041 versie 1.0), zie ook, zie ook bijlage Bijlage 4 Quickscan natuurwaardenonderzoek. Het plangebied is op 24 november 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaw eg 15, Albergen

33

Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Een negatief effect op Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van voorliggende studie uitgesloten worden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezet een amfibie er een vaste (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.

Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier en/of amfibie gedood en wordt een vaste (winter)rusten/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van een deel van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels niet aangetast. Samenvattende conclusie: Het plangebied vormt een deel van een agrarisch erf met bebouwing, erfverharding, beplanting en grasland en wordt omgeven door intensief beheerd agrarisch cultuurland.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd dier gedood en een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd dier beschadigd en/of vernield. Met uitzondering van vogels en bezette vogelnesten, geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van een vaste rust- en voorplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Mits er geen bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield wordt, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en beschermd (natuur)gebied, leiden de voorgenomen activiteiten, in het kader van gebiedsbescherming, niet tot wettelijke consequenties. Kemnaweg 15 Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en behoort niet tot Natura 2000-gebied. Een negatief effect op Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van voorliggende studie uitgesloten worden.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Daarnaast zijn de gronden waarop de beoogde uitbreiding van het woonvlak is voorzien in de huidige situatie in gebruik als weiland en gazon bij de bestaande woning. Het terrein wordt hierbij op regelmatige basis onderhouden door bemaaiing. Gelet op de terreingesteldheid van de gronden is de locatie ongeschikt voor beschermde flora en/of fauna. Op basis hiervan lijkt van aantasting van leefgebied voor beschermde flora en fauna geen sprake, daarnaast is de invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling lokaal. Op basis van deze gegevens wordt nader onderzoek op basis van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk geacht. Het aspect 'ecologie' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

34

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaweg 15, Albergen

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Archeologie Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), een wijziging op de Monumentenwet 1988, van kracht geworden en inmiddels opgenomen in de Erfgoedwet (en het overgangsrecht daarbinnen wordt overgeheveld naar de Omgevingswet). De wijziging van de Monumentenwet heeft ervoor gezorgd dat gemeenten een archeologische zorgplicht krijgen en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Figuur 4.5: uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: RAAP, 2008) Toets Gemeente Tubbergen beschikt over een eigen archeologische verwachtings- en advieskaart (RAAP Archeologisch Adviesbureau, 2008). Deze kaart maakt voor het grondgebied van de gemeente inzichtelijk waar archeologische resten zich (kunnen) bevinden. In figuur 4.5 is een uitsnede van de archeologische verwachtings- en advieskaart opgenomen. Het plangebied is indicatief rood omkaderd. Het plangebied is aangemerkt als 'stuwwalhellingen met vochtige zandige of kleiige bodems'. hiervoor geldt een middelmatige archeologische verwachting uit alle periodes. Archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Op deze locatie zal één compensatiewoning geraliseerd worden met een bijgebouw. De oppervlakte van (mogelijk) relevante bodemingrepen is daarmee kleiner dan 5.000 m2. Archeologisch onderzoek is niet vereist. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'archeologie'. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap.

Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaw eg 15, Albergen

35

Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in en nabij het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig zijn. De te slopen gebouwen zijn niet aangemerkt als gemeentelijk of rijksmonument en hebben geen cultuurhistorische waarde. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.11

Verkeer / parkeren

Verkeer De Ootmarsumseweg 161 wordt ontsloten via de Ootmarsumseweg aan de zuidzijde of Kemnaweg aan de noordzijde. Beide wegen kunnen een (beperkte) toename van verkeersbewegingen, door de toevoeging van één woning, eenvoudig via de huidige weg afwikkelen. Het bestaande woonerf aan de Kemnaweg 15 wordt ontsloten via de Kemnaweg, een buitenweg die vooral dienst doet voor bestemmingsverkeer. Dit betreft een weg met een 60 km/u snelheidsregime. Door de realisatie van de nieuwe schuur die aan de hand van onderhavig plan mogelijk wordt gemaakt ontstaan geen extra verkeersbewegingen. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Parkeren Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

36

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaweg 15, Albergen

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels 5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaw eg 15, Albergen

37

In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.

De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro.

Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen 'Agrarisch - 1' De gronden zijn bestemd voor het agrarisch gebruik met daaraan ondergeschikt het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarden, doeleinden van agrarisch natuurbeheer, hobbymatig agrarisch gebruik, wegen, ontsluitingswegen voor bebouwde percelen en agrarische kavelpaden, fiets- en wandelpaden, beken, plassen, poelen, vennen, sloten, en/of andere watergangen en/of -partijen, al dan niet mede bestemd voor waterberging. 'Wonen' Verspreid in het buitengebied liggen bedrijfswoningen (meest agrarisch) en burgerwoningen. Woningen mogen een maximale inhoud hebben van 1.000 m³ ongeacht de vraag of sprake is van inwoning (m.u.v. landgoederen).Ten westen van de Ootmarsumseweg 161 zal een nieuwe woonbestemming gerealiseerd worden. In ruil voor de sloop van landschapsontsierende bebouwing mag een nieuwe compensatiewoning 38

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaweg 15, Albergen

gerealiseerd worden. 'Waarde - Archeologie 3' De gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben de dubbelbestemming Waarde Archeologie 3' gekregen. De gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze dubbelbestemming is gekoppeld aan een plicht van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden alsmede aan bouwwerkzaamheden. Ingrepen in de bodem zijn in deze gebieden in principe niet toegestaan. Alleen als aangetoond is dat er geen archeologische waarden meer zijn, deze niet onevenredig worden geschaad of er maatregelen worden getroffen om de waarden te beschermen, is het mogelijk hier bodemroerende werkzaamheden uit te voeren. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend wanneer er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de voorkomende archeologische en cultuurhistorische waarden. De omgevingsvergunning is niet nodig voor werkzaamheden die gerekend worden tot het normale onderhoud. 'Waarde - Archeologie 4' De gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben de dubbelbestemming Waarde Archeologie 4' gekregen. De gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

Deze dubbelbestemming is gekoppeld aan een plicht van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden alsmede aan bouwwerkzaamheden. Ingrepen in de bodem zijn in deze gebieden in principe niet toegestaan. Alleen als aangetoond is dat er geen archeologische waarden meer zijn, deze niet onevenredig worden geschaad of er maatregelen worden getroffen om de waarden te beschermen, is het mogelijk hier bodemroerende werkzaamheden uit te voeren. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend wanneer er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de voorkomende archeologische en cultuurhistorische waarden. De omgevingsvergunning is niet nodig voor werkzaamheden die gerekend worden tot het normale onderhoud.

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaw eg 15, Albergen

39

40

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaweg 15, Albergen

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaw eg 15, Albergen

41

42

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaweg 15, Albergen

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 4, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 10 februari 2021 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 27 oktober 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaw eg 15, Albergen

43

44

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaweg 15, Albergen

Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaw eg 15, Albergen

45

Bijlage 1

46

Ruimtelijk kwaliteitsplan

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumseweg 161 en Kemnaweg 15, Albergen

R U I M T E L I J K K W A L I T E I T S P L A N R O O D VO O R R O O D •

O o t m a r s u m s ewe g 16 1 •

Tubbergen, 20 september 2021 - Versie 1 Definitief

Project: Rood voor rood

2

Afbeelding: Ontwikkeling Ootmarsumseweg 161 (Bron: N+L Landschapsontwerpers)

Ruimtelijk kwaliteitsplan Project:

Rood voor rood

Locatie: Ootmarsumseweg 161

Titel rapport

RKP rood voor rood - Ootmarsumseweg 161

Opgesteld:

25 mei 2021, Tubbergen

Gewijzigd:

20 september 2021

Status:

Versie 1 - Definitief

Auteur:

N+L Landschapsontwerpers Ing. NH Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen 06-83337880 info@nl-landschap.nl www.nl-landschap.nl

3

4

1. Aanleiding

05

2. Huidige situatie

06

3. Beleid

08

4. Nieuwe situatie

14

5. Financiële onderbouwing

16

1. Aanleiding Aan de Ootmarsumseweg 161 is sprake van een gestaakt bedrijf. Door het ontbreken van een vervolgfunctie raken de schuren steeds meer in verval. De locatie van het erf is oud en komt reeds op kaarten voor rond 1900. Door de jaren heen is het erf verder ontwikkeld en daardoor wat grootschaliger geworden. Er is sprake van een bepaalde ordening van schuren waarbij de (bedrijfs)woning in later instantie aan de andere kant van de verbindingsweg tussen de Kemnaweg en de Ootmarsumseweg is gebouwd. Daardoor is de hiërarchie van het erf wat verstoord geraakt. Er is sprake van minimaal 1000 m2 landschap ontsierende schuren. De initiatiefnemer is daarom voornemens om de schuren te slopen en via de zogeheten rood voor rood regeling een extra woning gerealiseerd te krijgen. De agrarische bestemming komt daarbij te vervallen. Landschappelijke inpassing De gemeente Tubbergen eist voor de ontwikkeling een landschappelijke inpassing. In dit document wordt daarom de landschappelijke inpassing uiteengezet. Er wordt een beschrijving van het plangebied gegeven, het omliggende landschap en het vigerende beleid. Dat resulteert in een beschrijving van de nieuwe situatie die aan het gestelde beleid voldoet.

5

2. Huidige situatie Het plangebied is op een rug gelegen dat onderdeel uitmaakt van het stuwwallencomplex onder meer de Kuiperberg in Ootmarsum. Er is daarom sprake van hoogteverschillen, met name richting de noordzijde waar ook het essencomplex van Reutum is gelegen. De hoogteverschillen zijn ontstaan in de laatste ijstijd waar zandruggen en beekdalen na verloop van tijd veelal zijn geërodeerd. De grotere aanwezige dekzandruggen werden in gebruik genomen als gezamenlijke essen. De kleinere zandkopjes werden gebruikt als de eenmansesjes die het karakteristiek van het Essen- en kampenlandschap tot gevolg had. Essenlandschap Het plangebied ligt in het essenlandschap. Het plangebied ligt aan de rand van een, van oorsprong zeer gevarieerd landschap. Van het voormalige kleinschalige landschap rondom het plangebied is maar weinig over. Veel landschappelijke elementen zijn verdwenen, in veel gevallen door de schaalvergroting (ruilverkaveling) in de landbouw. Dat is goed weer te zien op de cultuurhistorische kaarten waarbij vanaf de jaren ’30 veel elementen verdwijnen. Ook veel steilranden, die het gebied typeerden, zijn afgevlakt en/ of verdwenen. Hoewel het gebruikelijk was dat een erf direct aan een kamp of es was gelegen, ligt dit erf in de nabijheid daarvan. Het landschap Het landschap rondom het plangebied is voorheen erg gesloten geweest.

Verder naar het noorden en oosten was het meer open (essencomplex). Het kenmerkende coulisselandschap rondom het plangebied is volledig gesneuveld door de jaren heen, enkel wat robuuste elementen veelal langs wegen of met een functie zijn bewaard gebleven (landschappelijke dragers). 6

Deze zijn belangrijk voor de herkenbaarheid van het gebied. De erven waren vroeger verbonden door het vele groen en de diverse veldwegen tussen de kampen of essen door. De weg waaraan het erf is gelegen lijkt zo’n weg te zijn. De ontwikkeling dient bij te dragen in het behoud, herstel en/of de herkenbaarheid daarvan. Nieuwe elementen Praktisch alle landschapselementen zijn door de jaren verdwenen. De nieuwe landschapsstructuur heeft tot gevolg dat er weinig ruimte is voor nieuwe elementen. Het is belangrijk om de landschappelijke dragers te behouden en/ of te versterken. Huidige erfindeling De oorspronkelijke opzet van het erf is verloren gegaan. Een nieuwe bedrijfswoning is aan de andere zijde van het verbindingsweggetje gebouwd met een afwijkende typologie. De schuren zijn relatief jong en niet zo zeer karakteristiek en erg strak geordend. Weliswaar staat er een woning voor de schuren, maar niet op een gebruikelijke wijze. De woning had meer zuid moeten staan om te spreken over een cultuurhistorische opzet.

Planlocatie omstreeks 1905. (Bron: topotijdreis.nl)

Locatie plangebied ten noorden van Albergen. (Bron: geo.overijssel.nl)

Plangebied. (Bron: geo.overijssel.nl)

7

3. Beleid 3.1 Omgevingsvisie Overijssel Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere plannen. De belangrijkste is de Omgevingsvisie 2017 welke is vastgesteld op 12 april 2017. In de visie bakent de provincie af wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel om het toekomstbestendig te houden. Rode draden en beleidsambities De opgaven en kansen zijn vertaald in centrale beleidsambities en negen beleidsthema’s. Deze worden benaderd vanuit de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsmodel (of, waar en hoe) worden generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken beschreven. Generieke beleidskeuzes: Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Vooral

8

reserveringen voor integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, ruimtegebruik, waterveiligheid, externe veiligheid, LOG gebieden en begrenzingen als Nationale Landschappen, NNN-gebieden (natuurnetwerk Nederland) en de EHS zijn voorbeelden van generieke beleidskeuzes. Daarnaast zijn er gebied specifieke beleidskeuzes. De beleidskeuzes hebben geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling. Ontwikkelingsperspectieven: In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De planlocatie is (grotendeels) aangemerkt als “Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap”. De ambitie voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen staat voorop. De kwaliteitsambities zijn een zichtbaar en leefbaar mooi landschap, sterke ruimtelijke identiteit en een continu en beleefbaar watersysteem. Het ontwikkelingsperspectief richt zich op de gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie verduurzaming de ruimte krijgt. Agrarische ondernemers dienen gebouwen en erven zo vorm te geven dat zij passen bij de maat en schaal van het landschap.

Niet agrarische initiatieven mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken. Bij voorkeur moet aangesloten worden bij bestaande

Ontwikkelingsperspectief, plangebied is mosgroen en roze wat betekent “Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap” en “Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)

9

bebouwing en wegen. De voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie. Voor het perspectief “woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken” staat de ambitie brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus, elk buurtschap, dorp en stad zijn eigen kleur voorop. Zichtbaar en beleefbaar mooi landschap, sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel en continu en beleefbaar watersysteem betreffen de geldende ruimtelijke kwaliteitsambities. Specifiek wordt aangegeven dat de steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken altijd mogen bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen. Het opgestelde plan past binnen dit ontwikkelingsperspectief. Gebiedskenmerken Tenslotte wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de gebiedskenmerken. Er zijn vier lagen te onderscheiden (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving). Er gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat omschreven in een catalogus gebiedskenmerken welke kenmerken diverse gebieden en hoe een ontwikkeling invulling dient te krijgen. De gebiedskenmerken zijn richtinggevend op aspecten als landschap, infrastructuur, milieu, bodem en cultuurhistorie. De stedelijke laag en de laag van de beleving zijn niet opgenomen; deze zijn niet relevant wat betreft de voorgenomen ontwikkeling.

10

Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locatie is gelegen op een rug die onderdeel uitmaakt van een stuwallencomplex met onder meer de Kuiperberg in Ootmarsum. De locatie zelf kent weinig reliëf wat verderop wel het geval is. In de jaren zijn hoogteverschillen gedeeltelijk geërodeerd door de wind, weer versterkt door de wijze van agrarisch gebruik (essen en eenmansesjes) en weer verminderd door de schaalvergroting in de landbouw. De hoogteverschillen zijn in dit geval nog goed herkenbaar. Laag van cultuurlandschap Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden. De akkers op de hogere gronden werden intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal systeem. De essen en kampen kwamen daardoor hoger in het landschap te liggen met veelal scherpe randen. Al dan niet werden randen van de es of kamp beplant met houtsingels (steilrand beplanting) of houtwallen. Afhankelijk van de grootte van de es werden meerdere boerderijen rondom een es gebouwd. In latere instantie ontstonden de eenmansesjes in het kampenlandschap.

Het plangebied ligt indirect aan een kamp / es.

Links: natuurlijke laag. Plangebied is omschreven als: “stuwwal”. Rechts: laag van Cultuurlandschap. Plangebied is omschreven als: “essenlandschap”. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)

11

3.2 Rood voor rood Tubbergen De gemeente Tubbergen heeft in 2014 haar vernieuwde rood voor rood beleid vastgesteld. Absolute doelstelling van de regeling is het verminderen van de steeds meer vrijkomende oppervlaktes landschap ontsierende opstallen en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Steeds meer agrarische bedrijven stoppen en zonder nieuwe bestemming raken zij in verval. De rood voor rood regeling is een methodiek om tenminste 1000 m2 landschap ontsierende stallen te slopen in ruil voor een bouwrecht onder voorwaarden. De gemeente stelt nadere eisen zodat de oppervlakte daadwerkelijk gesloopt wordt, de bestemming wordt aangepast en de omgeving landschappelijk wordt ingepast. De initiatiefnemer voldoet met opgesteld plan in combinatie met het bestemmingsplan door Ad Fontem opgesteld aan de voorwaarden van de gemeente Tubbergen. In dit geval wordt totaal 1052 m2 gesloopt. Onder hoofdstuk 5 is de financiële onderbouwing terug te vinden. 3.3 Casco benadering Noordoost Twente De gemeente Tubbergen hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de Casco zijn in principe niet te verwijderen (blauwe lijnen / roze vlakken op de

12

kaart). Er wordt geen element geveld of verplaatst. De ontwikkeling heeft geen consequenties voor het cascobeleid en/of het cascobeleid heeft geen consequenties voor de ontwikkeling.

Fragment van de cascokaart behorende bij de casco benadering. (Bron: geo.overijssel.nl)

13

4. Nieuwe situatie De schuren zijn in verval geraakt door het ontbreken van de oorspronkelijke agrarische functie. Sinds enige jaren worden er geen dieren meer gehouden. Via de rood voor rood regeling bestaat de mogelijkheid om landschap ontsierende schuren te slopen en in ruil daarvoor een woning te bouwen. Alle landschap ontsierende schuren worden om die reden gesloopt. Hoewel de plek en de typologie niet passend is bij de hiërarchie en/of de cultuurhistorie blijft de huidige bedrijfswoning behouden. Om een goede hiërarchie te krijgen moet het erf een duidelijk hoofdgebouw krijgen. Deze rol is weggelegd voor de nieuw te bouwen woning die qua typologie, positie en omvang duidelijk het hoofdgebouw moet zijn. De woning staat aan de voorzijde (noordzijde) van het erf met daarachter de verschillende bijgebouwen, waaronder de huidige bedrijfswoning. De gebouwen staan in een verstrooide opstelling waardoor goed wordt aangehaakt op het essenlandschap en de overgang van het dorp naar het landelijk gebied. Door de opstelling is er sprake van één erfensemble waarbij de ontsluiting via noord en/of zuid mogelijk is. Daarmee wordt de karakteristieke verbindingsweg functioneel benut en dus behouden. Juist deze weg markeert de overgang van het dorp Albergen naar het landelijke gebied en de openheid van het essenlandschap.

Deze structuur wordt extra versterkt door de aanplant van 3 bomen aan de zuidzijde. De boomsoort is daar zomereik om aan te sluiten bij de andere bomen. De verharding bestaat uit een gebakken klinker, net als de overige delen van het erf. Aan de voorzijde van het erf markeert een strakke haag de voortuin rondom de nieuwe woning. De haag bestaat uit Carpinus of Fagus. Daarnaast wordt er een solitaire boom aangeplant als een zomerlinde of walnoot. De haag op 14

het middenerf kent een andere functie en is een gemengde haag of heg. Het element groeit vrijer uit en is dubbel aangeplant om een sterke structuur te verkrijgen. Het element is ook hoger ten opzichte van de haag aan de voorzijde van de woning. Het middenerf krijgt daarnaast meer stevigheid door de aanplant van 3 bomen in de vorm van zomerlinde of beuk. Tenslotte wordt de houtsingel aan de zuidzijde 6 meter breder. De aanvulling bestaat uit inheems bosplantsoen in combinatie met de aanplant van 5 bomen. De verbreding heeft tot gevolg dat de daarachter gelegen horeca gelegenheid beter is ingepast. Omdat door de sloop het perceel van de Kemnaweg 15 wordt verruimd kan daar ruimte gereserveerd worden voor een bijgebouw. Deze wordt ter plaatse van de te slopen schuur gerealiseerd waardoor er sprake blijft van een compact erf. Maatregelen: - Het slopen van landschap ontsierende bebouwing (D op tekening); - Het aanplanten van een strakke haag om woning A (G); - Het aanplanten van een losse gemengde haag om het middenterrein (G); - Het verbreden van de houtsingel aan de zuidzijde (I); - Het aanplanten van meerdere bomen langs de verbindingsweg (J); - Het aanplanten van meerdere bomen op het middenerf (K); - Het aanplanten van een solitaire boom aan de voorzijde van woning A (L); - Het aanbrengen van duurzame elementverharding (N).

Met voorgenoemde maatregelen voldoet het plan aan de gestelde eisen van de gemeente.

A:

Nieuw te bouwen woning in het kader van de rood voor rood regeling. De nieuwe woning is het (nieuwe) hoofdgebouw op het

erf. B:

Nieuw te bouwen bijgebouwen.

C:

Tweede woning . Betreft voormalige bedrijfswoning .

D:

Te slopen opst allen.

E:

Erfensemble.

F:

Weiland.

G:

Nieuw aan te planten hagen. Haag aan de voorzijde van de nieuwe woning bestaat uit Carpinus of Fagus met 5 stuks per m1, enkele plantrij, tot aal 115 stuks. Haag op het middenerf is dubbel aangeplant met 50 cm in en tussen de plantrijen, tot aal 332 stuks. De soort bestaat uit Crataegus, Carpinus, Fagus en/of aanvullende

H

inheemse soorten in een gelijke verhouding . De aanplant maat is 80-10 0 (hoogte in centimeters).

H

G

Fragment uit 1925 (topotijdreis.nl)

H:

Best aande houtopstanden in en rondom plangebied.

I:

Nieuw aan te planten houtsingel / te versterken houtsingel. Aanplant

E

L

bomen in de maat 14-16 (stamomtrek in centimeters) en elk voor zien van twee boompalen en gietrand. Soort zomerlinde of

A

zomereik. In combinatie met inheems bosplantsoen. Aanplantmaat

M

F

80-10 0 (hoogte in centimeters) met hazelaar, lijsterbes, kardinaalsmuts, Gelderse roos, Gele kornoelje en meidoorn in een

C B G K

M

P

K:

H

Nieuw aan te planten bomen ter inpassing van het erf. Aanplant in de maat 14-16 (st amomtrek in centimeters) en elk voor zien van t wee boompalen en gietrand. Soort beuk of zomerlinde, tot aal 3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/773/documents/14877