Bijlage Bp. Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek.pdf
Tekst van het document
Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 11-08-2020 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 3. Op grond van de uitgevoerde watertoets geldt de korte procedure. Het waterschap heeft op voorhand geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
29
4.8 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden (kenmerk: 2615 versie 1.0, d.d. 21-7-2020), zie ook Bijlage 4. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Het plangebied is op 16 juni 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, is niet aannemelijk, gelet op de beperkte inzet van materieel met een verbrandingsmotor tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden en de ligging van het plangebied op ruime afstand van een Natura 2000-gebied. Stikstof Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Engbertsdijksvenen op circa 6,2 kilometer afstand van het plangebied. Om te bepalen wat het effect is van een ontwikkeling op een Natura 2000-gebied zijn twee factoren van belang. Enerzijds de omvang en het type ontwikkeling en anderzijds de afstand tot Natura 2000-gebied. Met voorliggend bestemmingsplan worden enkele bestaande opstallen gesloopt en worden er hobbymatig schapen gehouden. Hiervoor wordt nieuwe bedrijfsbebouwing teruggebouwd. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied ligt op 6,2 kilometer afstand. Er zijn dan ook geen significante effecten te verwachten, gezien de omvang van het project en de afstand tot Natura 2000-gebied. Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatieve effecten op deze Natura 2000- of Natuurnetwerk Nederland gebieden.
Er is geen nader onderzoek nodig in het kader van gebiedsbescherming en er hoeft geen ontheffing van de Omgevingsverordening Overijssel of Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van sloopen bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is een negatief effect uitgesloten. Ten behoeve van de ontwikkeling (sloop schuren en bouw schuren), wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van sloop- en bouwmaterialen, materieel en personeel. De stikstofemissie gedurende de ontwikkelfase is gering en vindt plaats gedurende een korte periode (enkele maanden).
Gelet op de ligging van het plangebied, op minimaal 6,2 kilometer afstand van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Deze conclusie wordt getrokken op basis van ervaring met stikstofberekeningen voor soortgelijke projecten, zowel qua omvang, als afstand tussen plangebied en stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. Als gevolg van ontwikkeling (opslag en verhuur ruimte voor lichte bedrijvigheid) vindt er een beperkte toename plaats van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Het verkeer gaat snel op in het heersende verkeersbeeld. Het is niet aannemelijk dat de toename van verkeer zal leiden tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. Deze conclusie wordt getrokken op basis van ervaring met stikstofberekeningen voor soortgelijke projecten, zowel qua omvang, als afstand tussen plangebied en stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. Het uitvoeren van een stikstofberekening wordt niet noodzakelijk geacht.
30
bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemene- en weinig kritische beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten verschillende grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Net buiten het plangebied nestelen vogelsoorten, waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is. Deze nestplaatsen worden niet negatief beïnvloed door uitvoering van de voorgenomen plannen.
Voor de amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten, die vaste rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van vaste rust- en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren niet aangetast. Samenvattende conclusie: Het plangebied bestaat uit bebouwing, erfverharding en is gelegen op een voormalig agrarisch erf in het buitengebied. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Afhankelijk van de periode van het jaar, waarin de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden, kunnen beschermde dieren negatief beïnvloed worden. Met uitzondering van vogels, geldt een vrijstelling voor het doden van dieren en het beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.
Mits bezette vogelnesten niet beschadigd of vernield worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermd (natuur)gebied en de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. In het kader van de zorgplicht hoeven geen specifieke maatregelen uitgevoerd te worden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'ecologie' geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van onderhavig plan.
4.9 Archeologie en Cultuurhistorie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie In figuur 4.3 is de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Tubbergen opgenomen. Voor de planlocatie geldt de categorie 'dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek'. De verwachting is hoog voor resten uit alle perioden. Archeologische resten afgedekt door een plaggendek >50 cm en daardoor minder kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten hierdoor goed geconserveerd. Het beleidsadvies voor bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
31
deze categorie geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is voor plangebieden groter dan 2.500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Daarnaast is de locatie aangewezen als bufferzone rondom een ef. De verwachting is hoog voor arceologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Voor gebieden kleiner dan 2.500 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek.
Figuur 4.3: archeologische verwachtingskaart gemeente Tubbergen (bron: RAAP) Toets In voorliggend plan worden vrijstaande agrarische bedrijfsgebouwen gebruikt voor andere functies. Hiervoor vinden geen bodemingrepen plaats. In het noordelijk deel van het plangebied vindt vervangende nieuwbouw plaats. Dit deel van het plangebied is kleiner dan 2.500 m². Hiervoor geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'archeologie'. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Het plangebied is getoetst aan de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel. Een deel van het plangebied is gekenmerkt als 'Archeologische essen'. Er gelden geen gebruiksbeperkingen voor 'Archeologische essen'. Verder bevinden zich geen cultuurhistorische waarden in het plangebied.
Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.10
Verkeer / parkeren
Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Slagenweg en de Patersweg. Voor beide wegen geldt een maximum snelheid van 60 km/u. De Slagenweg betreft een betonweg en heeft een wegbreedte van 3,5 meter. Om de weg te verbreden zijn er langs weerzijden van de Vinckenweg grasbetonblokken geplaatst waardoor tegemoetkomend verkeer elkaar kan passeren zonder de berm te beschadigen. Voor de verkeersgeneratie van de verschillende functies (stalling en lichte bedrijvigheid tot en met milieucategorie 2) wordt aangesloten bij de categorie 'bedrijf arbeidsextensief (loods, opslag, transportbedrijf'. Op grond van de CROW-publicatie 381 geldt voor een dergelijke categorie een verkeersgeneratie van 4,8 verkeersbewegingen per 100 m² per dag. Op het erf staat circa 2.700 m² aan bebouwing die gebruikt wordt voor opslag of verhuur voor kleinschalige bedrijvigheid. Dit komt neer op 130 verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Dit betreft een theoretische berekening van de verkeerstoename. In praktijk zal het aantal verkeersbewegingen fors lager liggen, aangezien het vooral opslagfuncties die niet dagelijks worden bezocht. Volledigheidshalve gaan we uit van de verkeersgeneratie conform het CROW. Zoals is aangegeven heeft de Slagenweg een wegbreedte van 3,5 meter en geldt een maximumsnelheid van 60 km per uur.
Op grond van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan (GVVP) voor Tubbergen 2018 wordt de Slagenweg aangemerkt als 'overige wegen' en betreft een erftoegangsweg van het type zonder 32
bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
fietsvoorzieningen (woonstraten en plattelandswegen). Hoewel deze wegen een op grond van het GVVP een rijbaanbreedte van 4,50 tot 6,00 meter hebben met een verkeersintensiteit van minder dan 6.000 verkeersbewegingen per dag, heeft de Slagenweg een smallere wegbreedte. Over het algemeen is de breedte van een weg historisch bepaald en zijn de mogelijkheden voor een aanpassing van de weg (bijvoorbeeld de verbreding) ruimtelijk begrensd. Als gevolg van het plan neemt de verkeersgeneratie op basis van de CROW-normen toe met (theoretisch) 110 verkeersbewegingen per dag. Daarbij moet de opmerking worden gemaakt dat dit een theoretische toename is. Gelet op het feit dat de grootste bedrijfsactiviteit betrekking heeft op het opslaan van goederen zal het aantal verkeersbewegingen in de praktijk minder zijn. De Slagenweg is met name bestemd voor de ontsluiting van de aangrenzende percelen in het buitengebied met de kern Harbrinkhoek. De Slagenweg wordt aan weerszijden begrensd door sloten met bestaande bomenstructuren waardoor de mogelijkheden voor de verbreding van de weg ruimtelijk begrensd zijn. Hoewel de Slagenweg een relatief smal wegdek heeft van 3,5 meter kan de toename van het aantal verkeersbewegingen via de huidige infrastructuur worden afgewikkeld.
Al met al kan gesteld worden dat de Slagenweg voldoende uitgerust is om de toename van het aantal verkeersbewegingen af te wikkelen. Daarnaast zijn er - vanwege de ruimtelijke begrenzingen langs de Slagenweg - geen mogelijkheden om de weg te verbreden. Gelet op de kenmerken van de Slagenweg kan gesteld worden dat de toename van het aantal verkeersbewegingen eenvoudig via de huidige infrastructuur kan worden afgewikkeld. Daarbij geldt dat een agrarisch bedrijfsperceel, met de daarbijbehorende verkeersbewegingen, wordt opgeheven. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'verkeer'. Parkeren Met voorliggend bestemmingsplan worden functies (opslag en verhuur voor kleinschalige bedrijvigheid tot en met categorie 2) mogelijk gemaakt waarvoor niet structureel parkeerplaatsen benodigd zijn. Volledigheidshalve is voorliggende ontwikkeling wel getoetst aan de parkeernormen in het parkeerbeleid 'Bouwen en parkeren 2018' van de gemeente Tubbergen-Dinkelland. Hierin heeft de gemeente aangegeven dat elke ontwikkeling op eigen terrein in de parkeerbehoefte moet voorzien. Momenteel staat er ca. 2.700 m² aan bedrijfsgebouwen op het perceel. Aangenomen wordt dat dit na de vervangende nieuwbouw ongeveer hetzelfde zal bedragen, gezien dezelfde inhoudsmaat wordt teruggebouwd.
In de parkeernormen is aansluiting gezocht bij twee categorien, te weten: Functie: 'loods, opslag, bergplaats'. Voor een locatie in het buitengebied geldt voor deze functie een parkeernorm van 1,05 parkeerplaatsen per 100 m². Functie: 'bedrijfsverzamelgebouw'. Voor een locatie in het buitengebied geldt voor deze functie een parkeernorm van 1,95 parkeerplaatsen per 100 m². Uitgaande dat de helft van de vierkante meters gebruikt wordt voor opslag en de helft voor verhuur aan bedrijven tot en met categorie 2, komt dat neer op 40 parkeerplaatsen (14 parkeerplaatsen voor opslag en 26 parkeerplaatsen voor bedrijven tot en met categorie 2). Dit is een theoretische berekening. In praktijk zal het benodigde aantal parkeerplaatsen fors minder zijn. Ten eerste omdat mensen voor de opslagruimte niet structureel langskomen en ook niet allemaal tegelijk. Ten tweede omdat mensen voor de lichte bedrijvigheid vooral tijdens werkdagen aanwezig zijn. Gemiddeld genomen zijn naar verwachting tien tot maximaal vijftien parkeerplaatsen benodigd. Het erf rondom de schuren is verhard en biedt voldoende ruimte om in de parkeerbehoefte te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.
bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
33
34
bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2 Toelichting op de regels 5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
35
om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.
De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen 'Wonen' Ter plaatse van het agrarisch bouwvlak aan de Slagenweg 16 is de bestemming gewijzigd naar 'Wonen'. De bestemmingsregels uit het bestemmingsplan “Tubbergen Buitengebied 2016” zijn hiertoe overgenomen, waarbij rekening is gehouden met de regels uit het 'Veegplan Tubbergen Buitengebied 2016'. De huidige bedrijfsgebouwen blijven behouden waarbij deze middels het VAB+ beleid van de gemeente Tubbergen een andere functie krijgen. Voor een deel van de schuren vindt vervangende nieuwbouw plaats. Voor de (bedrijfs)gebouwen is een maatvoering opgenomen voor een maximum oppervlakte voor bijgebouwen. 'Waarde - Archeologie 3' De gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3' gekregen. De gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze
36
bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
dubbelbestemming is gekoppeld aan een plicht van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden alsmede aan bouwwerkzaamheden. 'Waarde - Archeologie 4' De gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4' gekregen. De gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze dubbelbestemming is gekoppeld aan een plicht van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden alsmede aan bouwwerkzaamheden. Algemene aanduidingregels Reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied De voor 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor de ontwikkeling van de landbouw, waarbij het belang van de landbouw bovengeschikt is aan andere belangen. Overige functies (onder andere natuur en landschap, recreatie en toerisme en wonen) kunnen zich in deze gebieden ontwikkelen, mits er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ontwikkeling van bestaande of inplaatsing van nieuwe agrarische bedrijven.
bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
37
38
bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen. Voor onderhavig plan geldt dat in navolging van de conclusie in paragraaf 4.3, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke verplichting' een bodemsanering plaats dient te vinden. De aldaar aanwezige verontreinigde grond heeft een omvang van circa 48 m3.
Daarnaast is er sprake van een sterk met asbest verontreinigd stortmateriaal van circa 2 m3, zijde geen bodem. Voor de kosten voor sanering van deze grond en stortmateriaal is een kostenpost gereserveerd voor wat betreft de uitvoering van het plan. De sanering staat de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan niet in de weg.
bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
39
40
bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 3, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 11-08-2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 21 juni 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.
bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
41
42
bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
43
Bijlage 1 Erfinrichtingsschets Slagenweg 16
44
bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
A:
Bestaande woning.
B:
Bestaande, te behouden schuren.
C:
Nieuw te bouwen schuren t.b.v. opslag.
D:
Erfverharding.
E:
Te slopen opstallen (oranje contouren).
F:
Gazon/gras.
G:
Bestaand erfbos met 9 zomereiken. 2 zomereiken dienen geveld te worden. Zij zijn onderst andig. Bovendien ontnemen zij groeimogelijkheden voor de nieuwe houtopstand (J). Daarnaast is er sprake van één
J
attentie boom vanwege zwam. Minimaal 6 bomen
F
dienen behouden te blijven. Voor het vellen is een kapvergunning vereist.
G H
E
C
L
C Fragment uit 1925 (topotijdreis.nl).
H:
Bestaande houtsingels.
I:
Aan te vullen / te versterken houtsingel. Versterken door de aanplant van 255 stuks bosplantsoen met lijsterbes, hazelaar, Gelderse roos, liguster, krent en
A
B
D
K B
kardinaalsmuts. Aanplant in de maat 80-100 (hoogte in
N
centimeters) met een plantafstand van 1,5 meter in en tussen de rijen in een gelijke verhouding. De houtsingels wordt aan de zuidzijde 2 á 3 meter breder
B
dan de huidige situatie. J:
Nieuw aan te planten houtsingel over 35 meter met 4 plantrijen (140 stuks). Aanplant met lijsterbes, hazelaar,
B
G
Gelderse roos, liguster, krent en kardinaalsmuts.
B
Aanplant in de maat 80-100 (hoogte in centimeters) met een plantafstand van 1,5 meter in en tussen de
M
rijen in een gelijke verhouding. K/L:
Vellen van 60% van bestaande beplanting. Er zijn nu voornamelijk boomvormers aangeplant. Voor een betere
I
inpassing worden struikvormers aangeplant. Aanplant
H
met lijsterbes, hazelaar, Gelderse roos, liguster, krent en kardinaalsmuts. Aanplant in de maat 80-100 (hoogte in centimeters) met een plantafstand van 1,5 meter in
N
nl-landschap.nl
een gelijke verhouding. Totale aanplant 190 stuks. M:
Weilanden.
N:
Toegang tot erf.
Project:
VAB
Getekend:
N. Hannink
Status:
Naam:
Dierink
Adres:
Slagenweg 1
Woonplaats:
Harbrinkhoek
VO
Datum:
20-01-2021
Aantal pag.:
1
Gecontroleerd:
-
Formaat:
A3
Schaal:
1:1000
Noord:
Tekening is noordgericht
Bijlage 2 Verkennend en (asbest)bodemonderzoek
46
bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek
RAPPORT VERKENNEND EN NADER (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN 5740 en NEN 5707 Slagenweg 16 - Harbrinkhoek
Opdrachtgever: Familie Dierink Locatie: Slagenweg 16 7615 NJ Harbrinkhoek December 2020
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63
Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Rapport Verkennend en Nader (Asbest)bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 Slagenweg 16 - Harbrinkhoek
Opdrachtgever: Familie Dierink Slagenweg 16 7615 NJ Harbrinkhoek Locatie: Slagenweg 16 7615 NJ Harbrinkhoek Projectcode: 20036016 Rapportagedatum: 8 december 2020 Auteur: ing. J.L. Kienstra Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2.1 2.2 2.3
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Historische gegevens Geologie en geohydrologie
2 2 2 3
3.1 3.2 3.3 3.4
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Chemische analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
4 4 5 7 8
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten chemische analyses vaste bodem Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses Bespreking asbestanalyses
9 9 9 13 14 15 16
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
Nader asbestonderzoek 17 Onderzoeksstrategie 17 Asbestanalyses 18 Veldwerkzaamheden 18 Resultaten asbestanalyses nader asbestonderzoek 20 Bespreking asbestanalyses nader asbestonderzoek (kern) 20 Horizontale en verticale afperking asbestverontreinigingen S1 en S16 20 Bespreking (asbest)analyses nader asbestonderzoek 21 Bespreking asbestanalyses nader asbestonderzoek 22
2
3
4
5
6
Samenvatting, conclusie en aanbevelingen
23
7
Literatuur en bronvermelding
27
Bijlagen I Topografische kaart Boorplan verkennend bodemonderzoek Van der Poel, juli 1995 Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, december 2020 Graafplan nader asbestonderzoek Kruse Milieu BV, december 2020 II Boorprofielen en legenda III Resultaten chemische analyses en toetsingstabellen IV Resultaten asbestanalyses en concentratieberekeningen V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 20036016
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van de familie Dierink op diverse terreindelen aan de Slagenweg 16 in Harbrinkhoek door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging van het te onderzoeken terreindeel en de nieuwbouw van een schuur. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat binnen de onderzoekslocatie 2 voormalige bovengrondse dieseltanks (deellocatie A en B), een voormalige bovengrondse HBO-tank (deellocatie C) en 4 asbestverdachte druppelzones (deellocaties D, E, F en G) aanwezig zijn. De bovengrond van het te herontwikkelen terreindeel van de onderzoekslocatie wordt beschouwd als heterogeen verdacht ten aanzien van zware metalen en asbest. De ondergrond en het grondwater zijn niet verdacht voor de aanwezigheid van chemische componenten. De aanleiding voor het nader asbestonderzoek wordt gevormd door de analyseresultaten van inspectiegaten 6 en 7, waarbij de gewogen asbestgehalten de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek overschrijden. Ter plekke van inspectiegat 1A is een asbesthoudende stort aangetroffen.
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017; - NEN 5725, “Bodem. Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009; - NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. De doelstelling van het onderzoek op de verdachte deellocaties is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskernen ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig zijn en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrond-, norm- en de streefwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in september en november 2020 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018.
Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. Kruse Milieu BV
Project: 20036016
Pagina 1 van 27
2
Locatiegegevens 2.1
Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Slagenweg 16, op circa 600 meter ten noordwesten van de bebouwde kom van Harbrinkhoek. Het centrale punt van het te onderzoeken terreindeel heeft de RD-coördinaten x = 228.861 en y = 498.984. Het perceel is kadastraal bekend als: gemeente Tubbergen, sectie I, nummers 5444 (ged.), 6603 (ged.) en 6605 (ged.). De Slagenweg is ten zuidwesten van de onderzoekslocatie gelegen. Bebouwing en verharding Binnen de locatie bevinden zich een woning, een woonboerderij, 6 buiten gebruik zijnde veeschuren (deels onderkelderd ten behoeve van mestopslag) en 2 bergingen. De inpandige vloeren zijn van beton. In één berging en 1 veeschuur is (deels) een tegelverharding aanwezig. Op de daken van de diverse schuren en overkappingen liggen asbesthoudende golfplaten. In 4 gevallen watert het hemelwater af via asbesthoudende daken op onverhard terrein; op deze plekken is er sprake van een asbestverdachte druppelzone (deellocaties D t/m G). Het onbebouwde deel van de onderzoekslocatie is verhard met klinkers en asfalt. De onverharde terreindelen zijn braakliggend of begroeid met gras. Een deel van de onderzoekslocatie is begroeid met eiken, die voor de toekomst behouden blijven.
Onderzoekslocatie Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouw van een schuur, waardoor inzicht in de bodemkwaliteit is gewenst. Het verkennend (asbest)bodemonderzoek wordt verricht op de volgende terreindelen: - Deellocatie A: voormalige bovengrondse dieseltank (15 m2); - Deellocatie B: voormalige bovengrondse dieseltank (15 m2); - Deellocatie C: voormalige bovengrondse HBO-tank (15 m2); - Deellocatie D: druppelzone (27 m2, 27 meter x 1 meter); - Deellocatie E: druppelzone (13 m2, 13 meter x 1 meter); - Deellocatie F: druppelzone (13 m2, 13 meter x 1 meter); - Deellocatie G: druppelzone (12 m2, 12 meter x 1 meter); - Te herontwikkelen terreindeel (circa 1240 m2). In bijlage I is de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de volgende boor- en graafplannen opgenomen: - Boorplan verkennend bodemonderzoek Van der Poel, juli 1995; - Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, december 2020; - Graafplan nader asbestonderzoek Kruse Milieu BV, december 2020. 2.2
Historische gegevens
In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de eigenaren en bij de gemeente Tubbergen. De heer P. Haverkort van Kruse Milieu BV heeft bij de gemeente Tubbergen een archiefonderzoek verricht en heeft de locatie bezocht. De volgende informatie is verzameld: - De oudste bebouwing (woonboerderij) dateert van 1860 en de meest recente veeschuur van 2001. De bouwjaren van de bebouwing staan weergegeven in het boorplan in bijlage I. - De oudst beschikbaar gestelde Hinderwetvergunning dateert van november 1973. Uit de vergunning blijkt dat er sprake was van het houden van runderen en varkens. Kruse Milieu BV
Project: 20036016
Pagina 2 van 27
Op de bijbehorende tekening staat een bovengrondse dieseltank weergegeven (deellocatie B) en een bovengrondse HBO-tank bij de woonboerderij (deellocatie C). In februari 1979 wordt een Hinderwetvergunning verleend voor het wijzigen van een rundvee- en varkensbedrijf, met daaraan verbonden opslag van mest en een dieseltank van 1200 liter (deellocatie A). De dieseltank (deellocatie B) en de HBO-tank staan niet meer op de milieutekening weergegeven. De laatste Hinderwetvergunning is afgegeven in augustus 1989 voor het houden van fokvarkens en melkvee. De bovengrondse dieseltank (deellocatie A) is nog in gebruik. Tijdens een milieucontrole in april 1993 blijkt dat door de oliehoudende persluchtcondensaat afkomstig van de melkmachine een bodemverontreiniging kan ontstaan. Niet bekend is waar de uitlaat van de melkmachine zich bevond (vermoedelijk via het dak). Tijdens de controle in november 1993 werd vastgesteld dat het probleem is opgelost. Tijdens de laatste controle in 1998 zijn geen overtredingen met betrekking tot de Wet Bodembescherming geconstateerd. - Door Kruse Milieu BV is in november 2017 een asbestinventarisatie verricht (projectnummer 17069691) in 6 schuren en de bergingen, die zijn gebouwd tussen 1950 en 1980. Hieruit blijkt onder meer dat op de daken geheel of gedeeltelijk asbesthoudende golfplaten liggen.
- Op basis van het gebruik en historie is er een grote kans op aanwezigheid van zware metalen, PAK en asbest in de bovengrond. Er zijn 4 asbestverdachte druppelzones aanwezig (deellocaties D, E, F en G). Binnen de te onderzoeken terreindelen zijn na 1987 geen veranderingen aangebracht in de bodemsamenstelling. De huidige verhardingslagen dateren van voor 1993. - Voor zover bekend is het te onderzoeken terreindeel in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden. - Er is 1 bodemonderzoek op de locatie bekend. Verkennend bodemonderzoek, Slagenweg 16 te Harbrinkhoek, Van der Poel, projectnummer 20.957.065 d.d. juli 1995 Aanleiding voor het onderzoek was de voorgenomen nieuwbouw van de huidige woning. Uit de resultaten van dit onderzoek bleek het volgende (getoetst aan de huidige richtlijnen): Zintuiglijke waarnemingen: geen bijzonderheden Bovengrond: PAK > achtergrondwaarde Ondergrond: niet verontreinigd Grondwater: chroom, koper, nikkel, zink > streefwaarden 2.3
Geologie en geohydrologie
Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - Het maaiveld bevindt zich ongeveer 20 meter boven NAP. - De deklaag bestaat uit kwartair zand, een door de wind afgezet dekzandpakket, dat behoort tot de formatie van Twente. Deze laag is ter plaatse minder dan 10 meter dik, mogelijk zelfs slechts enkele meters. Op geringe afstand in noordelijke richting dagzoomt het tertiair plaatselijk. Het doorlatend vermogen ter plekke van de onderzoekslocatie is ongeveer 100 m²/dag. - De grondwaterspiegel bevindt zich op circa 1.0 meter onder het maaiveld. Het freatische grondwater stroomt in westelijke richting onder invloed van afstroming vanaf de Tubberger Esch met een gering verhang. - In de directe omgeving bevindt zich geen waterwingebied of oppervlaktewater van enige betekenis. Kruse Milieu BV
Project: 20036016
Pagina 3 van 27
3
Uitvoering bodemonderzoek 3.1
Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017; - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009; - NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. In de normen NEN 5740 en NEN 5707 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en de uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht.
Het verkennend bodemonderzoek wordt verricht op de volgende terreindelen: - Deellocatie A: voormalige bovengrondse dieseltank (15 m2); - Deellocatie B: voormalige bovengrondse dieseltank (15 m2); - Deellocatie C: voormalige bovengrondse HBO-tank (15 m2); - Deellocatie D: druppelzone (27 m2, 27 meter x 1 meter); - Deellocatie E: druppelzone (13 m2, 13 meter x 1 meter); - Deellocatie F: druppelzone (13 m2, 13 meter x 1 meter); - Deellocatie G: druppelzone (12 m2, 12 meter x 1 meter); - Te herontwikkelen terreindeel (circa 1240 m2). Deellocaties A, B en C - voormalige dieseltanks en voormalige HBO-tank De onderzoeksstrategie ter plekke van de dieseltanks en HBO-tank is gebaseerd op norm NEN 5740, paragraaf 5.3: Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP). De bovengrond is verdacht ten aanzien van minerale olie en het grondwater is verdacht ten aanzien van minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX) en naftaleen. Deellocaties D, E, F en G - druppelzones De deellocaties D, E, F en G worden beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest. De onderzoeksstrategie is gebaseerd op de norm NEN 5707, paragraaf 6.4.5: verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld (VED-HE).
Er worden per druppelzone 4 inspectiegaten gegraven met een lengte en breedte van minimaal 0.3 x 0.3 meter. Het aantal gaten voldoet daarmee aan de NEN 5707 nader asbestonderzoek (bepalen gemiddelde gehalte per ruimtelijke eenheid). De resultaten worden derhalve getoetst aan de interventiewaarde. De toplaag van 0 tot 0.1 m-mv wordt bemonsterd en geanalyseerd. Te herontwikkelen terreindeel Gezien de historie en de voormalige bedrijfsactiviteiten wordt de bovengrond beschouwd als verdacht voor zowel chemische componenten (met name zware metalen en PAK) en asbest. Derhalve wordt het onderzoek van de bovengrond uitgevoerd conform norm NEN 5740 en NEN 5707 (beide verdacht heterogeen, VED-HE). De ondergrond en het grondwater zijn niet verdacht; hiervoor wordt de norm NEN 5740 (onverdacht, ONV-NL) gehanteerd. De 3 strategieën worden met elkaar gecombineerd, waarbij in totaal 9 inspectiegaten worden gegraven. Twee gaten worden doorgeboord tot de ondergrond. Het grondwateronderzoek wordt gecombineerd met deellocatie A.
Kruse Milieu BV
Project: 20036016
Pagina 4 van 27
In tabel 1 is de onderzoeksstrategie per deellocatie weergegeven. Tabel 1: Onderzoeksstrategie. Deellocatie
Oppervlakte
A 15 m2 B 15 m2 C 15 m2 D 27 m2 E 13 m2 F 13 m2 G 12 m2 Te herontwikkelen 1240 m2 terreindeel * in combinatie met deellocatie A
Boringen of gaten tot 0.5 m-mv 4 4 4 4
Boringen tot 1.0 m-mv
Boringen tot 2.0 m-mv
Peilbuis
2 2 2 -
-
1 1 1 -
-
2
1*
7
Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN 5897 + C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. 3.2 Chemische analyses De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratoria voor analyses conform de AS3000-protocollen. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN 5740 onderzocht. De asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam te Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 4. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN 5740 en NEN 5707 onderzocht. In tabel 2 is weergegeven welke analyses worden uitgevoerd. Tabel 2: Analysepakket per monster. Monster
Analysepakket
Codering (meng)monster Deellocatie A
Bovengrond (1x) Minerale olie, organische stof en droge stof
A - BG
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, Grondwater (1x) styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting
PB A1
Kruse Milieu BV
Project: 20036016
Pagina 5 van 27
Vervolg tabel 2: Analysepakket per monster. Monster
Analysepakket
Codering (meng)monster Deellocatie B
Bovengrond (1x) Minerale olie, organische stof en droge stof
B - BG
Minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, Grondwater (1x) zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting
PB B1
Deellocatie C Bovengrond (1x) Minerale olie, organische stof en droge stof
C - BG
Minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, Grondwater (1x) zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting
PB C1
Deellocatie D Bovengrond (1x) Asbest en droge stof
D - MM FF Deellocatie E
Bovengrond (1x) Asbest en droge stof
E - MM FF Deellocatie F
Bovengrond (1x) Asbest en droge stof
F - MM FF Deellocatie G
Bovengrond (1x) Asbest en droge stof
G - MM FF
Te herontwikkelen terreindeel Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), Bovengrond (3x) minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en Ondergrond (1x) droge stof
BG I, BG II, BG III en OG
Bovengrond (2x) Asbest en droge stof
MM FF - 01 MM FF - 02
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats.
Kruse Milieu BV
Project: 20036016
Pagina 6 van 27
3.3
Toetsing chemische analyses
De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu. Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging.
tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde.
De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. De resultaten van eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Tijdelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (geactualiseerde versie 2 juli 2020) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de sinds 5 maart 2020 door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater. Kruse Milieu BV
Project: 20036016
Pagina 7 van 27
3.4
Toetsing asbestanalyses
De resultaten van de asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is bij een verkennend asbestonderzoek een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Bij een nader asbestonderzoek wordt getoetst aan de interventiewaarde.
Alleen indien in het verkennend bodemonderzoek de onderzoeks-intensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als het nader asbestonderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.
Kruse Milieu BV
Project: 20036016
Pagina 8 van 27
4
Resultaten 4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses en de asbestanalyses worden weergegeven in paragraaf 4.3 en 4.5 en in paragraaf 4.4 en 4.6 worden de resultaten besproken. 4.2
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn in augustus en september 2020 uitgevoerd door de heren J. Hartman, R. Veltmaat en N. Pepping. De veldwerkers zijn conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Op 21 augustus en 3 september 2020 zijn, na het inspecteren van het maaiveld, in totaal 9 boringen verricht (deellocaties A, B en C) en 26 inspectiegaten gegraven (waarvan 16 gaten ter plekke van deellocaties D, E, F en G). Inspectiegat 1 is verplaatst nadat het graven is gestaakt in een asbesthoudende stortlaag. Het percentage bodemvreemd materiaal in de stortlaag bedraagt meer dan 50%. De gestaakte inspectiegat is gecodeerd als 1A. Boring A1 is gestaakt in de ondergrond op keien (natuursteen); de peilbuis is niet volledig op de voorgeschreven diepte geplaatst. De negatieve invloed op de analyseresultaten als gevolg van deze afwijking wordt gering geacht. De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Het maaiveld was grotendeels vrij van obstakels en begroeiing en was goed te inspecteren (inspectie-efficiëntie: 100%). De bodem kon deels, vanwege de aanwezigheid van verhardingslagen en gras, niet of niet goed geïnspecteerd worden; er is sprake van een indicatieve maaiveldinspectie. De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren goed (goed zicht, geen of weinig neerslag).
Door de veldwerker zijn visueel asbestverdachte materialen (afkomstig van het dak) waargenomen op het maaiveld ter plekke van inspectiegat F4. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat tot maximaal 2.0 meter diepte is voornamelijk matig fijn tot matig grof zand aangetroffen. In de ondergrond zijn leem-, veen-, roest- en/of oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen (zie tabel 3). Door de veldwerker zijn visueel asbestverdachte materialen waargenomen in inspectiegaten 1A, 6 en 7. Er zijn ter plekke van de deellocaties A, B en C geen waarnemingen gedaan, die duiden op een verontreiniging met minerale olie. Tabel 3: Weergave bodemvreemde materialen. Monsterpunt Diepte (m-mv) Waarneming Deellocatie A A1