CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Bp. Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 16 november 2021, gemeente TubbergenBij agendapunt: 7: Bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek31.361 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan

Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

Status: vastgesteld

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

vastgesteld NL.IMRO.0183.BUIBPSLAGENWEG16-VG01

Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer

7 7 7 8 9 9

Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

11 11 11

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid

13 13 14 19

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Bodem 4.4 Geluid

23 23 24 25 26

4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10

26 27 29 30 31 32

Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer / parkeren

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels

35 35 35

Hoofdstuk 6

39

Economische uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen

41 41 41

Bijlagen bij de toelichting

43

Bijlage 1

Erfinrichtingsschets Slagenweg 16

44

Bijlage 2

Verkennend en (asbest)bodemonderzoek

46

Bijlage 3

Watertoets

294

Bijlage 4

Quickscan natuurwaardenonderzoek

297

Regels 2

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

329

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

331 331 336

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5

Bestemmingsregels Wonen - VAB Waarde - Archeologie 3 Waarde - Archeologie 4

337 337 342 344

Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

347 347 348 349 350 351 352

Hoofdstuk 4 Artikel 12 Artikel 13

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

353 353 354

Bijlagen bij de regels

355

Bijlage 1

356

Erfinrichtingsschets Slagenweg 16

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

3

4

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

Toelichting

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

5

6

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Voor de locatie Slagenweg 16 in Harbrinkhoek is een plan ontwikkeld. De initiatiefnemers willen de voormalige agrarische bebouwing een nieuwe passende gebruiksvorm geven middels het VAB+ beleid van de gemeente Tubbergen. De leegstaande schuren krijgen daarbij een nieuwe invulling. Voor een deel van de schuren zal vervangende nieuwbouw moeten plaatsvinden, gezien deze niet meer functioneel zijn voor een nieuwe activiteit. Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Ligging De planlocatie bestaat uit een (voormalig) agrarisch erf aan de Slagenweg 16 in Harbrinkhoek. Het plangebied ligt op circa 700 meter afstand ten noorden van de kern Harbrinkhoek. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie I, perceelnummer: 2434, 5444, 6603 en 6605. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: PDOK luchtfoto; bewerking Ad Fontem) Begrenzing De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto weergegeven waarop de begrenzing van het plangebied aan de Slagenweg 16 te zien is.

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

7

Figuur 1.2: Begrenzing plangebied (bron: ruimtelijkeplannen)

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor de Slagenweg 16 in Harbrinkhoek geldt het bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied 2016'. Het bestemmingsplan is op 23-05-2016 vastgesteld. In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen. Daarnaast is op 15-12-2020 het veegplan 'Tubbergen Buitengebied 2016' geheel in werking getreden.

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied 2016' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Aan het plangebied is de bestemming 'Agrarisch -1' toegekend met een bouwvlak. Op het perceel rust tevens de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone landbouwontwikkelingsgebied'. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor agrarisch gebruik en de uitoefening van een agrarisch bedrijf ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’, waarbij uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied’ tevens agrarische bedrijfsvoering in de vorm van intensieve veehouderij mag worden uitgeoefend, in combinatie met verhuuractiviteiten ten behoeve van het agrarisch gebruik. 8

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

Het geldende bestemmingsplan biedt daarmee geen mogelijkheden om de voorziene ontwikkeling mogelijk te maken. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk.

1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.0183.BUIBPSLAGENWEG16-VG01); Bijlagen bij de toelichting; Regels;

1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

9

10

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

Hoofdstuk 2

Het plan

2.1 Huidige situatie Het perceel aan de Slagenweg 16 is gelegen in het buitengebied ten noorden van de kern Harbrinkhoek. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie I, perceelnummers 6605, 5444, 2434 en 6603. Op het perceel is een bedrijfswoning met inwoning en meerdere schuren aanwezig. In de huidige situatie zijn de schuren voornamelijk verhuurd voor opslag (onder andere stalling van caravans en auto’s, opslag voor een elektrobedrijf en een bloemisterij). Het erf wordt ontsloten via de Slagenweg en Patersweg (beide 60 km/u). In de directe omgeving bevinden zich voornamelijk agrarische percelen en burgerwoningen. De dichtstbijzijnde burgerwoning bevindt zich aan de Patersweg 1, op circa 80 meter afstand. Andere burgerwoningen bevinden zich op meer dan 200 meter afstand. Het dichtstbijzijnde agrarische perceel (paardenhouderij) betreft de Patersweg 2, op circa 57 meter afstand (gemeten van bouwvlak Slagenweg 16 tot bestemmingsvlak Patersweg 2).

Figuur 2.1: Huidige situatie Slagenweg 16 Harbrinkhoek (bron: Cyclomedia)

2.2 Toekomstige situatie De bewoners van de Slagenweg 16 zijn voornemens om de vrijkomende agrarische bebouwing op het perceel een passende nieuwe functie te geven middels het VAB+ beleid van de gemeente Tubbergen. Aan de vrijkomende schuren hebben de initiatiefnemers reeds verschillende functies toegekend. Het betreft onder andere het hobbymatig houden van enkele schapen, de verhuur van opslagruimte van goederen aan bedrijven (o.a. bloemist) en particulieren, een caravan- en camperstalling en de verhuur aan een zzp-er binnen de installatietechniek. In de beoogde situatie worden de schuren gebruikt voor opslag en verhuur aan bedrijven tot en met categorie 2 (lichte bedrijvigheid). Een deel van de bestaande schuren is niet meer functioneel. Hiervoor zal vervangende nieuwbouw moeten plaatsvinden volgens de uitgangspunten van het VAB+ beleid. In totaal worden drie schuren gesloopt van in totaal 1.325 m³ (379 m²). Deze bouwmassa mag teruggebouwd worden. Wel wordt hierbij de voorwaarde gesteld dat de herbouw een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit moet opleveren. De initiatiefnemers wensen een tweetal schuren terug te bouwen met een gezamelijke inhoud van maximaal 1.325 m³. In figuur 2.3 is de beoogde situatie, met de nieuw te bouwen schuren, weergegeven. Tevens zullen de initiatiefnemers investeren in de landschappelijke inpassing.

Ten noorden van het perceel wordt een nieuwe houtsingel aangeplant over 35 meter met 4 plantrijen. Dit versterkt de visuele uitstraling van het voormalig agrarische erf. Hiervoor is een erfinrichtingsschets opgesteld, waar onder andere de landschappelijke inpassing van het erf is beschreven. De erfinrichtingsschets is opgenomen in figuur 2.3 en in Bijlage 1.

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

11

Met de voorliggende ontwikkeling wordt verder geinvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van het erf. De oude vervallen bebouwing wordt gesloopt. Hiervoor worden een tweetal schuren teruggebouwd. Tot slot zal de buitenopslag, die momenteel beperkt aanwezig is, verwijderd en verplaatst worden naar de voormalige agrarische bebouwing (inpandig).

Figuur 2.3: Toekomstige situatie (bron: N+L Landschap)

12

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1 Rijksbeleid 3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de NOVI. 3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Onderhavig plan Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er wel sprake is van een (geringe) toename van bouwmogelijkheden, dan is doorgaans sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er in het geheel geen sprake is van toename van het ruimtebeslag, dan is de Afdelingslijn dat er geen

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

13

sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Zo overweegt de Afdeling in haar uitspraak van 10 december 2014 (zaak nr. 201310814/1/R1): Deze bewoording wordt enigszins bijgesteld door een recente uitspraak door de Raad van State van 18 februari 2015 (zaak nr. 201311211/1/R3). Daarin is sprake van een uitbreiding van de planologische gebruiksmogelijkheden van feitelijk bestaande units in een bedrijfsverzamelgebouw. De afdeling suggereert hiermee dat er functiewijzigingen - zonder enige toename van bebouwing - kunnen zijn die wel 'zodanig' zijn, dat zij kunnen worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met zodanig wordt in dit geval een ontwikkeling met zodanige impact/invloed bedoeld. Hierbij kan gedacht worden aan een functie wijziging "sec" die van invloed is op het woon-, leef- en ondernemersklimaat elders, en door die invloed kan kwalificeren als "zodanige functie wijziging", zodat sprake is van een Ladderplichtige stedelijke ontwikkeling.

Gelet op het feit dat in het onderhavige plan: er geen sprake is van nieuw beslag op de ruimte; er sprake is van een relatief kleinschalige ontwikkeling, gelieerd aan het buitengebied; er sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling, die in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' aanvaardbaar is; kan gesteld worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking achterwege kan blijven. Ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, zal gemotiveerd moeten worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Onderliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. 3.2.2

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Actualisatie Omgevingsvisie Overijssel 2018/2019 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk 14

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden.

Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

15

beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hieronder wordt het plan aan de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel getoets. Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Doorwerking voor voorliggend plan: Middels dit bestemmingsplan krijgen bestaande bedrijfsgebouwen een vervolgfunctie. Voor een deel van de schuren zal vervangende nieuwbouw plaatsvinden, gezien deze niet meer functioneel zijn. De vervangende nieuwbouw legt geen extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving. Het plan is in overeenstemming met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Doorwerking voor voorliggend plan: Met voorliggende ontwikkeling krijgen voormalige agrarische bedrijfsgebouwen een vervolgfunctie. Op deze manier wordt verval van de opstallen voorkomen. Ook worden drie schuren gesloopt. Hiervoor zal vervangende nieuwbouw plaatvinden. Daarnaast zal geinvesteerd worden in de landschappelijke inpassing. Ten noorden van het perceel worden nieuwe bomen geplant. Dit versterkt de visuele uitstraling van het voormalig agrarische erf. Ook zal verder geinvesteerd worden in de ruimtelijke kwaliteit van het erf. De voorliggende ontwikkeling komt de ruimtelijke kwaliteit binnen de gemeente Tubbergen ten goede. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

16

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel) Het plangebied ligt in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. In het ontwikkelingsperspectief voor 'mixlandschap' wordt ruimte geboden aan een mix/verweving van verschillende functies. De plannen van initiatiefnemers doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor omliggende functies in de omgeving. Binnen dit perspectief is ruimte voor landbouw, landschapsontwikkeling, natuur, cultuurhistorie, vrijetijd, wonen en overige bedrijvigheid. Het onderhavig plan geeft invulling aan dit perspectief; voormalige agrarische bebouwing krijgt een vervolgfunctie en een deel van de vervallen bebouwing wordt gesloopt. Het geheel wordt landschappelijk ingepast en levert zodoende een bijdrage aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit Gebiedskenmerken Natuurlijke laag De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' en 'beekdalen en natte laagtes' (zie figuur 3.3).

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

17

Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Het plangebied kent de volgende twee gebiedskenmerken: 'Dekzandvlakte en ruggen' en 'Beekdalen en natte laagtes'. Het overgrote deel betreft 'Dekzandvlakte en ruggen'. De ambitie voor dit gebied is om de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met 'natuurlijke' soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen. Voor het gebied 'Beekdalen en natte laagtes' is de ambities de beekdalen als functioneel en ruimtelijke dragende structuren het landschap betekenis te geven. In voorliggende ontwikkeling krijgt voormalig (agrarische) bedrijfsbebouwing een nieuwe functie middels het VAB+ beleid. Ook vindt er vervangende nieuwbouw plaats van bestaande opstallen. Gelet op de kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling kan geconcludeerd worden dat het plan geen afbreuk doet aan de gebiedskenmerken ter plaatse. Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Oude hoevenlandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

18

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Het oude hoevenlandschap wordt gekenmerkend door de verspreide erven in het landschap. Het oude hoevenlandschap. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat dezelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. De ambitie voor het Oude Hoevenlandschap is om het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. De verspreide erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken en recreatie mits er wordt voortgebouwd aan de kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen. Middels de landschappelijke inpassing wordt een kwaliteitsimpuls aan het erf gegeven, met inachtneming van de ter plaatse gebiedskenmerken van het oude hoevenlandschap. De voorgenomen ontwikkeling past derhalve binnen de kenmerken van het agrarische cultuurlandschap.

De 'Stedelijke laag' en de 'Laag van de beleving' hebben binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijven daarom verder buiten beschouwing. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1

Omgevingsvisie Tubbergen

De raad heeft in maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' vastgesteld. MijnOmgevingsvisie vertelt welke dingen wij als samenleving en gemeente belangrijk vinden in onze leefomgeving. Dat zijn onze waarden; bestaande waarden en waarden die we in de toekomst willen bereiken. Je kunt hierbij denken aan ons coulisselandschap, de mooie kernen, onze kerkgebouwen en landgoederen, de natuurgebieden. Maar ook aan gezonde lucht, mogelijkheden om te bewegen en te genieten. Het belangrijkste speerpunt voor voorliggende ontwikkeling is: Buitengebied in belans Buitengebied in balans: Wij willen een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. In ons buitengebied komen veel verschillende functies voor die allemaal bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

19

ruimte nodig hebben. We zien landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Al deze functies leggen samen veel druk op ons buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. We streven naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt ons buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit doen we samen met onze inwoners, onze partners en de gebruikers. Onze speerpunten voor het buitengebied zijn: toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw; kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur. Toets Met voorliggende ontwikkeling wordt een nieuwe invulling gegeven aan voormalige agrarische bebouwing. Dit draagt bij aan een duurzame invulling en een economisch sterk buitengebied. Voorliggende ontwikkeling is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Tubbergen. 3.3.2

VAB+ beleid 2011

Op 6 juni 2011 heeft de gemeenteraad van Tubbergen het VAB+ beleid 2011 vastgesteld. Deze beleidsnotitie is gericht op het gebruik van vrijkomende agrarische bebouwing. Hiermee kunnen nieuwe kansen geboden worden voor een gezonde (economische) ontwikkeling van het platteland. Passende, nieuwe gebruiksvormen voorkomen niet alleen leegstaande gebouwen met als mogelijk gevolg verval/verkrotting, maar kunnen tevens een positieve impuls zijn voor de leefbaarheid van het platteland. Functies welke in het kader van het VAB+ beleid onder andere kunnen worden toegestaan, zijn functies is de medische, sociale/educatieve of culturele sfeer. Voor het VAB+ beleid zijn bij de afweging van een concreet verzoek de volgende stappen van toepassing: Stap A zone toets: Welke locatie heeft de aanvrager op het oog; in welke zone is deze locatie gesitueerd en welke gebiedsdoelstelling geldt hier (doeleindenomschrijving uit gebiedsbestemming)? Stap B voorwaardentoets: Indien een activiteit in principe op de voorgestelde locatie mogelijk is, dient de vraag beantwoord te worden of die activiteit op korte en lange termijn aan de navolgende voorwaarden kan voldoen.

Stap C reconstructietoets: Indien de locatie is gelegen in Landbouwontwikkelingsgebied dan zal, nog vóór de stappen A en B genomen worden, eerst beoordeeld dienen te worden of de activiteiten passen in de beleidsuitgangspunten van LOG, namelijk alle ontwikkelingsruimte voor de Intensieve Veehouderijbedrijven. Is sprake van belemmerende activiteiten, dan geen medewerking ter plaatse. Toets Nog vóór de stappen A en B genomen worden moet eerst beoordeeld worden of de activiteiten passen in de beleidsuitgapunten van LOG. Dit betreft Stap C reconstructietoets. Stap C: reconstructietoets De voorgenomen VAB+ activiteiten betreffen met name opslagactiviteiten en zijn niet aangemerkt als 'gevoelige (verblijfs)functies'. Daarnaast zal er sprake zijn van lichte bedrijvigheid tot en met categorie 2 (lichte bedrijvigheid). In dat geval zal er sprake zijn van een langere verblijfstijd van personen, wat wel wordt gezien als gevoelige verblijfsfunctie. In paragraaf 4.2 is onderbouwd dat dit geen belemmeringen oplevert. De activiteiten vormen daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling van de intensieve veehouderij. Daarmee voldoet de ontwikkeling aan Stap C: reconstructietoets. Stap A: zone toets De locatie ligt in de zone 'Reconstructiezonering'.

In het kader van het Reconstructieplan is in de LandbouwOntwikkelingsGebieden (LOG) alles gezet op de ontwikkelingsmogelijkheden voor de Intensieve Veehouderij (IV). Indien in het kader van VAB+ een verplaatsing van een bedrijf leidt tot meer ruimte voor de IV, dan is verplaatsing naar buiten het LOG bespreekbaar. Een VAB+-activiteit mag geen belemmering opleveren voor de IV. Overigens zullen hierbij geen gemeentelijke financiële middelen worden ingezet. Zoals ook aangegeven in 'stap C', betreffen de voorgenomen VAB+ activiteiten opslagactiviteiten en verhuur aan bedrijven tot milieucategorie 2, die geen belemmering vormen voor de ontwikkeling van intensieve veehouderijen. Dit is getoetst in paragraaf 4.2. Daarmee voldoet de ontwikkeling aan 'Stap A: zone toets'. Stap B voorwaardentoets Algemene voorwaarden: 1. De aard van de bedrijvigheid moet toepassing van de overige voorwaarden, ook op lange termijn, mogelijk 20

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

maken. Voorwaarden met betrekking tot bebouwing 1. De activiteit moet binnen de bestaande bebouwing, dan wel binnen de bestaande bouwmassa, plaatsvinden. 2. De activiteit mag geen aanleiding zijn voor de bouw van een extra woning. 3. Karakteristieke bebouwing met cultuurhistorische en/of architectonische waarde beschermen. Voorwaarden met betrekking tot gebruik 1. De nieuwe activiteit mag geen nadelinge effecten uitoefenen op gebruik van gronden in de directe omgeving en geen onevenredig nadelige effecten uitoefenen op milieu, natuur en landschap. Voorwaarden met betrekking tot landschappelijke en visuele aspecten 1. De nieuwe activiteit mag geen buitenopslag met zich meebrengen; dit wordt als gebiedsvreemd beschouwd. 2. De visuele uitstraling van het voormalig agrarisch complex moet aansluiten bij de landelijke omgeving. 3. Het bedrijfscomplex moet landschappelijk zijn ingepast. Voorwaarden met betrekking tot verkeer 1. De bestaande verkeersinfrastructuur moet afdoende zijn voor de nieuwe activiteit. 2. De nieuwe activiteit dient te voorzien in eigen parkeergelegenheid. Conclusie voorwaardentoets Voorliggend plan betreft het mogelijk maken van functies conform het VAB+ beleid van de gemeente Tubbergen. De functies betreffen relatief kleinschalige functies, die ook op de lange termijn mogelijk blijft.

Er wordt geen extra bebouwing gerealiseerd en de activiteit heeft geen nadelige effecten op het gebruik van de gronden in de directe omgeving of op milieu, natuur en landschap. Er vindt wel vervangende nieuwbouw plaats, conform de regels van het VAB+ beleid. In totaal worden drie schuren gesloopt van in totaal 1.325 m³ (379 m²). Deze bouwmassa mag teruggebouwd worden. Wel wordt hierbij de voorwaarde gesteld dat de herbouw een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit moet opleveren. Hier voor is een erfinrichtingsschets opgesteld. Deze geeft de toekomstige situatie weer inclusief de beoogde landschappelijke inpassing van het erf. De inrichtingsschets is opgenomen in Bijlage 1. In de regels is opgenomen dat buitenopslag verboden is. Tot slot voorziet de beoogde activiteit in eigen parkeergelegenheid en kan de (beperkte) toename in verkeersintensiteit goed worden afghandeld via de bestaande verkeersinfrastructuur. Door de beoogde herinvulling van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, krijgt de locatie aan de Slagenweg 16 weer een nieuwe toekomstbestendige bestemming. Dit komt de ruimtelijke kwaliteit van het gebied ten goede en er wordt een bijdrage geleverd aan de leefbaarheid en de vitaliteit van het platteland van de gemeente Tubbergen. Het initiatief geeft hiermee invulling aan de doelstellingen van het VAB+ beleid 2011.

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

21

22

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Het voorliggend plan voorziet in een functiewijziging naar kleinschalige functies gelieerd aan het buitengebied, zoals opslag. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. De voorgenomen activiteiten vallen op grond van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aan te merken als D.

11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De m.e.r.plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook «dorpen» hieronder vallen. Wat «stedelijke ontwikkeling» inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in deplaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben.

Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” Uit voorgaande volgt dat de functiewijziging conform het VAB+ beleid in algemene zin niet te kwalifieren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. Het gaat om een inpandige functiewijziging, die op passende wijze in het landschap wordt opgenomen. De ruimtelijke uitstraling/de verandering die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r.

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

23

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Bij het realiseren van een nieuwe bestemming dient gekeken te worden of die nieuwe functie past in de omgeving (externe werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking). Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Harbrinkhoek. In de directe omgeving van het plangebied zijn overwegend woningen en agrarische percelen en bedrijven gelegen. Het plangebied is derhalve gelegen in het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Externe werking Bij de externe werking gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het beoogde plan betreft het toekennen van nieuwe functies voor voormalige agrarische gebouwen volgens het VAB+ beleid. Het gros van de schuren wordt gebruikt voor de verhuur van opslagruimte en lichte bedrijvigheid tot en met milieucategorie 2. Dit zijn geen belastende functies voor de omgeving. De functie met de grootste richtafstand die binnen het plangebied gerealiseerd wordt betreft 'bedrijven tot en met categorie 2'. Op grond van de VNG-uitgave geldt hiervoor een richtafstand van 30 meter. Binnnen de straal van 30 m rondom het plangebied zijn geen functies aanwezig.

Het dichtstbijzijnde perceel ligt aan de Patersweg 1, op circa 85 meter. Aan de richtafstand wordt derhalve ruimschoots voldaan. Het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt 24

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

derhalve niet aangetast door de voorgenomen ontwikkeling. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In de nabijheid van het plangebied zijn verschillende agrarische percelen aanwezig. Het dichtstbijzijnde agrarisch perceel ligt aan de Patersweg 4, op circa 120 meter afstand. Dit is gemeten vanaf de rand van het agrarisch bouwvlak van de Patersweg 4 tot aan de gevel van de wonig aan de Slagenweg 16. Het betreft een melkveehouderij met ondergeschikt het houden van paarden. Volgens de VNG-uitgave geldt voor de categorie 'Fokken en houden van rundvee' milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter in verband met aspect geur. Aan deze richtafstand wordt voldaan. De overige bedrijfsgebouwen op het perceel kunnen ook worden aangemerkt als geurgevoelig, aangezien hier mensen voor langere tijd kunnen verblijven. Omdat deze op grotere afstand zijn gelegen vormen deze echter geen belemmering. Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek (projectcode: 20036016) om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen (Bijlage 2 Verkennend en (asbest)bodemonderzoek). Het bodemonderzoek is beoordeeld door de Omgevingsdienst Twente (ODT).

De beoordeling/advies van de ODT is als volgt: Het bodemonderzoek is getoetst aan het beleid dat door de gemeente Tubbergen is vastgelegd in de nota: De bodemkwaliteit onderzocht Ga tot de bodem!. Er zit meer in dan je denkt. De gehele locatie is historisch onderzocht. Het onderzoek voldoet aan de geldende normen en richtlijnen en geeft voldoende inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem binnen de onderzoekslocatie. Op de locatie is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest, verspreid over 2 deelgebieden, met een totale omvang van circa 48 m³. Daarnaast is sprake van sterk met asbest verontreinigd stortmateriaal (circa 2 m³), zijnde geen bodem. In het kader van de herinrichting zullen sanerende maatregelen moeten worden getroffen. Voor de sanering kan een BUS-melding worden ingediend. Toekomstig grondverzet (op of van de locatie) dient te worden gemeld via het meldpunt Bodemkwaliteit. De gemeente Tubbergen heeft op 7 juli 2020 de Bodembeheernota en Bodemkwaliteitskaart Twente en de aanvulling m.b.t. PFAS vastgesteld. Overtollige grond kan mogelijk worden afgevoerd op basis van de bodemkwaliteitskaart. Slotconclusie In het kader van de herinrichting zullen sanerende maatregelen moeten worden getroffen. De asbesthoudende delen moeten eerst gesaneerd worden om de geplande functies te kunnen realiseren.

Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting voor saneren opgelegd in de regels van voorliggend bestemmingsplan. Na saneren is er vanuit milieukundig oogpunt geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en eventuele nieuwbouwplannen, aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt, na sanering, geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'bodem' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

25

4.4 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.

in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het plangebied is gelegen aan de Slagenweg, een verharde eenbaansweg (60 km/u) in het buitengebied van Harbrinkhoek. De Slagenweg is niet opgenomen in de Verkeersmilieukaart, daarbij gaat het om minder dan 1500 mvt/etmaal en de afstand bedraagt minimaal 160 meter. Dit is ruim voldoende om aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB te voldoen. Daarnaast zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen spoorwegen en/of geluidsgezoneerde bedrijventerreinen aanwezig. Voor de toetsing van het aspect 'geluid' van de nieuw te realiseren milieubelastende functie (opslag en bedrijven tot en met categorie 2) wordt verwezen naar paragraaf 4.2. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) 26

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Toets Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals hierboven zijn beschreven, kan worden gesteld dat voorliggend plan voor het gebruik van vrijkomende agrarische bebouwing middels het VAB+ beleid 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Om dit uit te sluiten is de NIBM-tool ingevuld. Uitgegaan is van een wordt-case scenario van maximaal 154 verkeersbewegingen per etmaal (berekening 5,7 x 2.700 m² / 100 m²) , op basis van kerngetal 5,7 voor een opslag/loods in het buitengebied, in een niet-stedelijk gebied (CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren').

Figuur 4.2: NIBM-tool (bron: InfoMil) Uit bovenstaande berekening kan geconcludeerd worden dat de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit in niet betekende mate is. Tevens kan de voorliggende ontwikkeling niet aangemerkt worden als de realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen de zone van een Rijks- of provinciale weg. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

27

het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd.

Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

Figuur 4.3: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van ca. 950 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; 28

bestemmingsplan Buitengebied, Slagenweg 16 Harbrinkhoek

niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.7 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/662/documents/14505