CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Bp Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 26 juni 2024, gemeente TubbergenBij agendapunt: 9: Bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen24.838 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geïnfiltreerd in de grond waarvoor ruimvoldoende infiltratiemogelijkheden binnen de plandelen aanwezig zijn en het afvalwater is aangesloten op de bestaande riolering ter plaatse. Watertoetsproces Lycens B.V. heeft het waterschap Vechtstromen geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de normale procedure van de watertoets van toepassing is. Hierdoor dient overleg met het waterschap plaats te vinden. Hieronder wordt op de reactie van het waterschap ingegaan. Voor de gehele watertoets wordt verwezen naar Bijlage 3 Watertoets. Reactie waterschap De watertoets geeft aan dat de normale procedure moet worden gevolgd. Het waterschap ziet graag dat de riolering van het gebouw gescheiden wordt aangelegd tot aan de perceelsgrens en dat het daar later kan worden gekoppeld op het gescheiden stelsel. Hiieraan dient dan ook invulling te worden gegeven. 4.3.3

Conclusie

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoering van het onderhavige plan. Dit aangezien er een verbetering plaatsvindt wat betreft de infiltratiemogelijkheden.

4.4 Erfgoed 4.4.1

Archeologie

Algemeen Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

31

Onderzoek Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4'. Voor gronden met deze bestemming geldt dat voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 2.500m2 en 5.000m2 en dieper dan 0,40 meter onder het maaiveld plaatsvinden, bij aanvraag omgevingsvergunning, moet worden aangetoond dat: a. geen archeologische waarden aanwezig zijn; dan wel b. dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; dan wel c. dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten kunnen worden verstoord. Een toetsing aan deze voorwaarden is met de beoogde ontwikkeling niet van toepassing. De grondroerende werkzaamheden overschrijden namelijk niet de gegeven grenswaarden. In de regels van het bestemmingplan is de huidige bestemming 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4' ongewijzigd overgenomen. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Gelet op de omvang van de werkzaamheden wordt een archeologisch bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. Indien bij de (sloop)werkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen, dient op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zo spoedig mogelijk melding te worden gedaan van de vondsten bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 4.4.2

Cultuurhistorie

Algemeen In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelingsen gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1.

werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Onderzoek Uit de Cultuurhistorische kaart van KICH (Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie) en de provinciale cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat er geen cultuurhistorische waarden in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn waarmee rekening dient te worden gehouden. In het plangebied zelf zijn geen monumenten aanwezig. Ook volgens de gemeentelijk waardenkaart bevat het plan geen waardevolle cultuurhistorie. Het initiatief doet geen afbreuk aan het aspect cultuurhistorie. Conclusie Er worden geen cultuurhistorische waarden geschaad als gevolg van het planvoornemen. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 4.4.3

Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

32

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

4.5 Flora en fauna 4.5.1

Algemeen

Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden.

In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming':

voor

Natura

2000-gebieden drie

1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd.

Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden. 4.5.2

Onderzoek

Het plangebied is geen onderdeel van Natura 2000-gebied of Natuurnetwerk Nederland. In de bestaande situatie is het plangebied ingericht met een woning, tuin, enkele bijgebouwen en een bomenrij. In voorliggende situatie wordt enkel een woning gesloopt er herbouwd. Hieronder wordt nader op soortenbescherming, stikstofdepositie ten behoeve van Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland ingegaan. Soortenbescherming In september 2023 heeft Natuurbank Overijssel een Quickscan flora/fauna uitgevoerd voor het plangebied ter plaatse van het perceel aan de Gravendijk 5. In Bijlage 4 Quickscan flora/fauna is het gehele onderzoek bijgevoegd. Hierna wordt op de conclusie van het onderzoek ingegaan. Conclusie quickscan flora/fauna De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

33

plangebied wordt door beschermde diersoorten uitsluitend benut als foerageergebied. Er nestelen geen vogels en amfibieën en grondgebonden zoogdieren bezetten geen vaste (winter)rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. Vleermuizen bezetten mogelijk wel een verblijfplaats in de woning. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Vleermuizen en hun vaste verblijfplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Als gevolg van het slopen van de woning wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats verstoord, beschadigd en vernield. Voorafgaand aan de sloop dient een onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden om de functie van de woning voor vleermuizen vast te kunnen stellen. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half mei-half september (half oktober). Op basis van nader onderzoek kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende voorkomende soorten tijdelijk af. Deze functie is niet beschermd en dit leidt niet tot wettelijke consequenties. Stikstofdepositie Het plangebied ligt op 8,4 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied; Springendal en Dal van de Mosbeek.

Het initiatief voorziet niet in de bouw van gebouwen welke gas verbruiken. Het plan voorziet enkel in de sloop van een bestaande woning en de herbouw hiervan. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de afstand ten opzichte van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied wordt aangenomen dat er geen sprake is van mogelijke negatieve effecten op het Natura 2000-gebied. Tevens voorziet het voornemen in geen directe negatieve effecten op geluid en lichthinder. Het uitvoeren van een stikstofberekening wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Natuurnetwerk Nederland Het dichtstbijzijnde gebied, aangewezen als Natura 2000-gebied ligt op circa 2900 meter afstand. Gezien de ligging buiten het NNN en de aard en omvang van het voornemen wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.5.3

Conclusie

Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.6 Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai 4.6.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 4.6.2

Onderzoek

Een woning is op basis van de Wet geluidhinder aangemerkt als geluidsgevoelig object. In voorliggende situatie wordt de woning ter hoogte van de Gravendijk 5 gesloopt en verplaatst. De woning wordt circa 50 meter in zuidelijke richting verplaatst en wordt gesitueerd achter de bestaande schuren. Met de nieuwe situering bevindt de woning zich op grotere afstand van de wegen Gravendijk en de Ootmarsumseweg. De Gravendijk is een 60km/uur weg en de Ootmarsumseweg is een 80km/uur weg, daarmee vormen zij toetsingsplichtige wegen in het kader van de Wet Geluidhinder aangezien de woning binnen de wettelijke geluidszones vallen. Met het plan wordt de afstand tot deze wegen ten opzichte van de huidige situatie vergroot, daarmee wordt dan ook aangenomen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woning wordt verbeterd. Ook bevindt de nieuwe woonlocatie zich achter bestaande schuren, de schuren zijn van zodanige omvang dat deze als extra geluidswering dienen. Gesteld wordt dat als gevolg van het planvoornemen het woon- en leefklimaat van de woning wordt verbeterd omdat de nieuwe woning zich op een grotere afstand bevindt van potentiële geluidshinderlijke functies en wegen naast dat de woning aan de nieuwste bouwvereisten zal voldoen

34

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

4.6.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.7 Luchtkwaliteit 4.7.1

Algemeen

De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend. NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium: < 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling; < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. 4.7.2

Onderzoek

Met het planvoornemen wordt een bestaande woning verplaatst. Er wordt geen object toegevoegd dat een negatieve inlvoed heeft op de luchtkwaliteit. Tevens zal de verkeersgeneratie in het kader van de voorgenomen ontwikkeling niet wijzigen. Een nadere uitwerking van het aspect luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk. 4.7.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.8 Bedrijven en milieuzonering Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals het uitgangspunt van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald.

Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken.

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

35

Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype

Milieucategorie

Richtafstanden tot omgevingstype rustige Richtafstanden tot woonwijk en buitengebied omgevingstype gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. 4.8.1

Onderzoek

Het plangebied en de omgeving wordt getypeerd als 'rustige woonwijk' in voorliggende situatie 'buitengebied'. Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 4.8.1.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘Wonen’ betreft geen milieubelastende functie en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Vorenstaande betekent dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende bebouwing.

4.8.1.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s), de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Ten noorden van het plangebied ligt aan de Gravendijk 6 het Landhotel 't Elshuys. Hierbij is zowel sprake van een hotel als een restaurant. Op basis van de VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' behoort bij een een hotel/restaurant milieucategorie 1 waarbij een richtafstand van 10 meter van toepassing is. Hierbij ligt het plangebied op circa 15 meter van de bestemming van het landhotel en bevindt de woning op circa 65 meter. Aangezien ruimschoots aan de richtafstand van 10 meter wordt voldaan, vormt de aanwezigheid van het landhotel geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. In het verlengde van het landhotel is aan de noordzijde een bedrijf gesitueerd gericht op zand- en grindhandel.

36

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

Hierbij is het plandeel op circa 45 meter gesitueerd en de beoogde woning op circa 100 meter. Op basis van de aard en omvang van de zand- en grindbedrijf geldt milieucategorie 2 waarbij een richtafstand van 30 meter van toepassing is. Hierbij dient te worden opgemerkt dat op kortere afstand meerdere woningen zijn gesitueerd waardoor een nuancering dient te worden aangemaakt. Aangezien het plangebied op circa 45 meter ligt ten opzichte van de milieugevoelige functie, de woning op circa 100 meter ligt, vormt de aanwezigheid van het zand en grindbedrijf geen belemmering voor het beoogde voornemen. Op circa 175 meter ten noordoosten van het plangebied is een bedrijf gesitueerd gespecialiseerd in bouwmaterialen en houtbewerking. Het betreft Ootmarsumseweg 42 te Albergen. Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijf en Milieuzonering' geldt in het uiterste geval milieucategorie 3.2 met een grootste afstand van 100 meter. Het gaat om het aspect geluid. Aangezien het plangebied op meer dan 100 meter is gesitueerd vormt de aanwezigheid van dit bedrijf geen belemmering voor het planvoornemen. Op een afstand van circa 240 meter afstand ten zuidwesten van het plangebied is een intensieve veehouderij gesitueerd. Het betreft het adres Looweg 4 te Albergen en betreft een pluimveebedrijf. Op basis van van de VNG-uitgave geldt voor een pluimveebdrijf milieucategorie 4.1.

Hierbij behoort een grootste richtafstand voor het aspect geur. Deze afstand bedraagt 200 meter. Wanneer het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten is er sprake van een afstand van 50 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Voor het aspect Geur wordt verwezen naar 4.9 Geur 4.8.2

Conclusie

Het aspect Bedrijven- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.9 Geur 4.9.1

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoleig object buiten de bebouwde kom is gelegen 4.9.2

Situatie plangebied

Zoals in de voorgaande paragraaf is aangegeven ligt de dichtstbijzijnde intensieve veehouderij op circa 240 meter ten zuidwesten van het plangebied. Op basis van bovenstaande regelgeving ligt het milieugevoelige object, de woning buiten de bebouwde kom waarvoor 50 meter aangehouden dient te worden. Hiermee wordt voldaan aan de vaste afstand van 50 meter en kan redelijkerwijs verwacht worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens dient te worden opgemerkt dat in de nabije omgeving van de intensieve veehouderij, te weten een afstand van circa 30 meter ten westen enkele woningen zijn gesitueerd. Het aspect geur vormt, gelet op de afstand dan wel de aard en omvang geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

37

4.10

Externe veiligheid

4.10.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 4.10.2 Onderzoek In figuur 4.1 is een uitsnede van de risicokaart van de Atlas Leefomgeving weergegeven. Het plangebied is omlijnd met een blauwe lijn.

Figuur 4.1: Uitsnede Atlas Leefomgeving (Bron: Atlas Leefomgeving)

38

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

In de omgeving van het bestemmingsplan zijn geen risico's als ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde aanwezig. In zuidelijke en westelijke richting van het plangebied liggen twee gasleidingen op respectievelijk 740 meter en 800 meter. De gasleidingen zijn beide van dezelfde categorie. De gasleidingen hebben een uitwendige buisdiameter van 212 mm en een maximale werkdruk van 40 bar. Voor dergelijke aardgasleidingen geldt een richtafstand van 100 meter, deze wordt ruimschoots niet overschreden. Verder zijn in de omgeving van het plangebied geen risico's als ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde aanwezig. Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het plangebied: - niet bevindt binnen risicocontouren van Bevi- en Brzo-inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit; - zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; - niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; - niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het aspect externe veiligheid is daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. 4.10.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.11

Verkeer en parkeren

De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de verkeersgeneratie. De Gravendijk betreft een overzichtelijke en verkeersveilige weg met een lage intensiteit. Het nieuwe woonerf is met een inrit verbonden aan de Gravendijk, ontsluiting van het plangebied verloopt via deze inrit. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied in de gemeente Tubbergen geldt een parkeernorm van 2,3, afgerond 3 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte van de vrijstaande woning kan volledig op het eigen erf worden opgevangen. Het aspect Verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het voornemen. Conclusie Het aspect Verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.12

Kabels en leidingen

4.12.1 Algemeen In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.12.2 Onderzoek Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen.

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

39

4.12.3 Conclusie In en nabij het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig, met uitzondering van de rioolleiding van de zuidzijde van het perceel. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachting gelet op het feit dat er enkel sloopwerkzaamheden plaatsvinden. Bij eventuele bodemwerkzaamheden op het terrein tijdens de sloop dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen. In dat geval kan middels een Klic-melding inzicht worden verkregen in de aanwezigheid van dergelijke kabels en leidingen.

4.13

MER-toets

4.13.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffect-rapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. 4.13.2 Onderzoek 4.13.2.1 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is er sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig.

Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (onderdeel D 11.2 besluit m.e.r.). De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, is of met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (o.a. ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

40

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het realiseren van een vrijstaande woning middels een verplaatsing van een bestaand woonrecht. Gelet op de aard en omvang van het plan is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar is er een geringe toename van de bebouwingsmogelijkheden, maar dat betekent dat hetgeen waarin het plan voorziet niet wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject aangezien ruimschoots onder de drempelwaarden wordt gebleven. Gelet op het vorenstaande, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Er hoeft geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd (ABRvS 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:729). Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de verwachte milieuhinder, de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in Hoofdstuk 4 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 4.13.3 Conclusie Er is geen sprake van de ontwikkeling waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is.

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

41

42

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

Hoofdstuk 5 Juridische plantoelichting 5.1 Juridische aspecten De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen. 5.1.1

Inleidende regels

5.1.1.1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. 5.1.1.2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten. 5.1.2

Bestemmingsregels

5.1.2.1 Wonen De gronden binnen het kadastrale perceel zijn bestemd ten behoeve van 'Wonen'. Ter plaatse van deze gronden is een woonhuis en bijbehorende bouwwerken, al dan niet in combinatie met een ondergeschikte mate ruimte voor onder andere een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf dan wel een vrij beroep, en bed and breakfast toegestaan. Ter plaatse van deze bestemming is één woning toegestaan naast dat de huidige maatvoering aan bijgebouwen ter plaatse is toegestaan.

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

43

5.1.2.2 Agrarisch - 1 De gronden met de bestemming 'Agrarisch - 1' zijn bedoeld voor agrarisch gebruik en het behoud, herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden en enkele nevenactiviteiten. Er is op deze gronden geen bebouwing toegestaan met de uitzondering van terreinafscheidingen. 5.1.2.3 Waarde - Archeologie 3 De gronden binnen het kadastrale perceel hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Deze bestemming dient voor het behoud van de archeologische waarden. De dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3' is zonder wijzigingen in het geldend bestemmingsplan worden overgenomen. 5.1.2.4 Waarde - Archeologie 4 De gronden binnen het kadastrale perceel hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Deze bestemming dient voor het behoud van de archeologische waarden. De dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4' is zonder wijzigingen in het geldend bestemmingsplan worden overgenomen. 5.1.3

Algemene regels

5.1.3.1 Anti-dubbeltelregel Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein dan wel plandeel nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. 5.1.3.2 Algemene gebruiksregels In dit artikel worden regels opgenomen ten behoeve van het strijdig gebruik van gronden en bouwwerken. Hierbij geldt onder meer dat het gebruik en laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatie dan wel een seksinrichting. 5.1.3.3 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene afwijkingsregels opgenomen waarbij met een omgevingsvergunning afgeweken kan worden. 5.1.3.4 Algemene wijzigingsregels In dit artikel zijn regels opgenomen ten behoeve van het verwijderen van de aldaar geldende dubbelbestemming 'Waarde - archeologie 4' als de realisatie van een zend- en antennemast. 5.1.3.5 Overige regels In dit artikel zijn regels opgenomen met betrekking tot parkeren. 5.1.4

Overgangs- en slotregels

5.1.4.1 Overgangsregels Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). 5.1.4.2 Slotregel Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.

5.2 Handhaving De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn:

44

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

de regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving; handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren; niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (onder andere in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijken van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.

Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: de regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels; het afwijkingenbeleid. In dit bestemmingsplan is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

45

46

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het bestemmingsplan voorziet in een verplaatsing van een woning en de nieuwbouw daarvan.

Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro. De gemeente heeft met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten; waaronder leges en planschadekosten komen voor rekening van de aanvrager. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Wettelijk (voor)overleg In het Bro is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Inspraak In het kader van inspraak wordt het bestemmingsplan 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze perioden kan één ieder zijn of haar reacties indienen.

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

47

48

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

Hoofdstuk 7

Procedure en overleg

In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in het algemeen in een bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan 'Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen'.

7.1 Procedurestappen Een bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen: 7.1.1

Ontwerp

Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad. 7.1.2

Vaststelling

De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp. 7.1.3

Beroep

Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Daarom is het bestemmingsplan naar diverse instanties gestuurd. De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 4 'Nieuwe ontwikkelingen en uitbreiding met KGO', waardoor vooroverleg niet nodig is. Het Waterschap Vechtstromen is middels de Digitale Watertoets over de ontwikkeling geïnformeerd, omdat de korte procedure van toepassing is wordt gesteld dat met de ontwikkeling geen waterschapsbelangen gemoeid zijn. Een vooroverleg is daarom niet noodzakelijk geacht.

7.3 Zienswijzen Het ontwerp van het bestemmingsplan 'Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen' heeft vanaf 20 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn twee zienswijzen ingediend. In Bijlage 5 Reactienota zienswijzen zijn de zienswijzen en afhandeling ervan opgenomen. Mede naar aanleiding van de zienswijzen zijn wijzigingen in het bestemmingsplan doorgevoerd. De zienswijzen hebben niet geleid tot het niet vaststellen van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

49

50

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

Bijlagen bij toelichting

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

51

Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan

52

bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 5, Albergen

RU I M T E L I J K K WA L IT E IT S P L A N •

Gravendijk 5 - Albergen

Tubbergen, 12 april 2024 - Definitief

Project: Landschappelijke inpassing

2

Afbeelding: Ontwikkeling Gravendijk 5, Albergen (Bron: N+L)

Landschappelijke inpassing Project:

Ruimtelijk kwaliteitsplan

Locatie: Gravendijk 5 - Albergen

Titel rapport

Ruimtelijk kwaliteitsplan - Gravendijk 5 - Albergen

Opgesteld:

30 september 2023, Tubbergen

Gewijzigd:

12 april 2024, Tubbergen

Status:

Definitief

Auteur:

N+L Landschapsontwerpers Auteur: LD Getekend: Ing. DA Gecontroleerd: Ing. NH Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen 06-83337880 info@nl-landschap.nl www.nl-landschap.nl

3

4

1. Aanleiding

05

2. Huidige situatie

06

3. Beleid

08

4. Nieuwe situatie

12

1. Aanleiding 1.1 Korte historie planlocatie Aan de rand van Albergen, deels omringd door weilanden, ligt het erf van de initiatiefnemer. Het huis staat er vanaf 1965 en is gebouwd in een sobere steil, wat qua uitstraling kenmerkend is voor de jaren 60 en 70. Van origine betrof dit erf een varkenshouderij. Achter de woning staan 2 grote schuren die voorheen gediend hebben als stallen voor de varkens. Eind jaren 90 is de argrarische bedrijvigheid gestopt en sindsdien dient het erf alleen als woonlocatie.

Een andere reden om de nieuw te realiseren woning aan de achterkant van het perceel te bouwen is het feit dat het tegenover liggende Landhotel ‘t Elshuys zich in de afgelopen jaren flink heeft ontwikkeld. Het uitgebreide terras, uitkijkend op het bestaande huis, zorgt voor minder privacy en geluidsoverlast. Ook is de parkeergelegenheid uitgebreid naar de andere kant van de weg en zorgt deze situatie dus voor een rommelig aanblik en overlast. De wens is te werken aan een constructieve oplossing tussen enerzijds wonen en anderzijds een hotel.

Rondom het erf zijn er enerzijds kenmerken van het kampenlandschap en anderzijds kenmerken van het heideontginninglandschap terug te vinden, te herkennen aan de planmatige en rechtlijnige structuur van het gebied. Het kampenlandschap kenmerkt zich door de verspreide individuele erven rondom een kamp.

1.3 Landschappelijke inpassing De gemeente Tubbergen stelt voor de ontwikkeling een landschappelijke inpassing als voorwaarde. Deze wordt in dit document uitgelegd. Er wordt een beschrijving van het plangebied gegeven, het omliggende landschap en het geldende beleid. Dat resulteert in een beschrijving van de nieuwe situatie die aan het gestelde beleid voldoet.

1.2 Wens initiatiefnemer Het voornemen van de initiatiefnemer is om de woonbestemming te wijzigen, zodat er een mogelijkheid wordt gecreëerd om de hoofdwoning naar de andere kant (de achterkant) van het perceel te verplaatsen. Op deze manier krijgt het erf meer binding met het eigen erf en met het kampenlandschap. Daarnaast ligt er de wens om in één van de schuren een gastouderopvang te realiseren. De andere schuur zal zijn functie als hobby- en opslagschuur behouden. Door het verplaatsen van de inrit naar de zijkant van het perceel en het aanleggen van centrale parkeerplaatsen, zullen de schuren en de woning eenvoudig bereikbaar zijn.

5

2. Huidige situatie Het plangebied is gelegen in een dekzandvlakte. Meer richting het oosten is een kleine stuwwal gelegen. Nog verder ten oosten van de planlocatie ligt het stuwwallencomplex van Ootmarsum. Gebieden rondom de stuwwallen liggen aanzienlijk hoger dan het omliggende gebied met beekdalen en dekzandvlakten. Het landschap is gevormd in de voorlaatste ijstijd, toen het ijs vanuit Scandinavië zich uitbreidde naar Nederland. Vooral Twente en het midden van Nederland zijn stuwwallen gevormd, doordat de gletsjers vanuit het noorden de ondergrond omhoog hebben gestuwd. In de laatste ijstijd zijn de hoger gelegen delen bedekt met dekzand. Deze dekzandgebieden werden later gebruikt voor bebouwing en als landbouwgrond. De dekzandvlakten werden afgewisseld met beekdalen, waardoor beken stroomden die zorgden voor afwatering van de hogere delen. Deze beken zijn deels nog terug te zien en deels gekanaliseerd, omdat vanaf de jaren ’30 de gebieden grootschaliger werden ontgonnen als gevolg van verbeterde landbouw- en afwateringstechnieken. Door de ligging is er sprake van hoogteverschillen. 2.1 Kampenlandschap Het plangebied ligt in het zandlandschap met essen, jonge heideontginningen en een maten- en flierenlandschap. De planlocatie zelf is gelegen in het kampenlandschap, op de wat hoger gelegen dekzandvlakte.

Kenmerken van het kampenlandschap zijn nog duidelijk terug te zien in het plangebied. De oude essen en kleinere kampen zijn terug te vinden in het landschap als de hoger gelegen delen. Ook de steilranden zijn op kleine afstand van het erf te herkennen. 2.2 Heidelandschap Rondom de planlocatie zijn heideontginningsgebieden te vinden die het landschap hebben beïnvloed. De combinatie van heide naast de essen en 6

kampen was uiterst functioneel, aangezien de plaggen werden gebruikt in de stal. Na vermenging met uitwerpselen van het vee werd het ter bemesting naar de essen of kampen gebracht. Vanaf de jaren ‘30 van de vorige eeuw werden de heidevelden ook interessant als landbouwgrond. Door de uitvinding van kunstmest konden de minder vruchtbare heidegronden vruchtbaarder gemaakt worden. Vanaf dat moment is dan ook te zien dat de verkaveling functioneler en rechtlijniger werd. Deze verkaveling is in de omgeving van de planlocatie ook terug te vinden. 2.4 Huidige erfindeling De planlocatie is gelegen aan de voet van een kamp. Het hoogteverschil is vanaf de achterkant van het erf zichtbaar. Het erf kent een eenvoudige indeling, met de hoofdwoning aan de voorkant en de schuren achter de hoofdwoning. Het erf is duidelijk zichtbaar vanaf de straat, gezien er geen bomen of struiken rondom het perceel staan.

2.5 Nieuwe elementen Het landschap kenmerkt zich nog enigszins door een half open karakter rondom de kamp. De openheid van de ontginning heeft duidelijk terrein gewonnen, terwijl de planlocatie wel aan de voet van een kamp ligt. Vandaar dat er op de planlocatie ingezet zou kunnen worden op het doortrekken van de bestaande houtopstanden.

Planlocatie omstreeks 1910. (Bron: topotijdreis.nl)

Locatie plangebied ten westen van Albergen. (Bron: geo.overijssel.nl) Ten zuidwesten: Almelo, noordwesten: Harbrinkhoek.

Planlocatie 2022. (Bron: geo.overijssel.nl)

7

3. Beleid 3.1 Omgevingsvisie Overijssel Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere plannen. De belangrijkste is de Omgevingsvisie 2017 welke is vastgesteld op 12 april 2017. Nadien is deze visie meerdere keren geactualiseerd. De laatste actualisatie is betreft maart 2021. In de visie bakent de provincie af wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel om het toekomstbestendig te houden. 3.2 Rode draden en beleidsambities De opgaven en kansen zijn vertaald in centrale beleidsambities en negen beleidsthema’s. Deze worden benaderd vanuit de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsmodel (of, waar en hoe) worden generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken beschreven. 3.3 Generieke beleidskeuzes Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1124/documents/24233