Bijlage Bp Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen En Veeneggeweg 24 Geesteren
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld NL.IMRO.0183.BUIBPGRAV16VEEN24-VG01
Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer
7 7 7 8 9 9
Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
11 11 12
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid
15 15 16 20
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Geur 4.4 Bodem
25 25 26 27 27
4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
28 28 29 30 31 32 32
Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer / parkeren
Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels
33 33 33
Hoofdstuk 6
37
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen
39 39 39
Bijlagen bij de toelichting
41
Bijlage 1
erfinrichtingsplan Gravendijk
42
Bijlage 2
erfinrichtingsplan Veeneggeweg
44
Bijlage 3
Asbestinventarisatie Veeneggeweg 24
46
Bijlage 4
verkennend bodemonderzoek - Veeneggeweg 24
82
2
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren
Bijlage 5
Watertoets Veeneggeweg 24
118
Bijlage 6
Watertoets Gravendijk 16-16a
121
Bijlage 7
Quicscan natuurwaarden
124
Regels
159
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
161 161 168
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bestemmingsregels Agrarisch - 1 Wonen Waarde - Archeologie 4
169 169 180 185
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
187 187 188 189 190 191 192 193
Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
195 195 196
Bijlage bij de regels
197
Bijlage 1
Erfinrichtingsplan Gravendijk
198
Bijlage 2
Erfinrichtingsplan Veeneggeweg
200
Bijlage 3
Ondergeschikte tweede tak of een deeltijdfunctie
202
Bijlage 4
Notitie serrestallen
204
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Vee neggeweg 24 Geesteren
3
4
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren
Toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Vee neggeweg 24 Geesteren
5
6
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding De eigenaar van het woonperceel aan de Gravendijk 16-16a in Albergen is voornemens om de oppervlakte aan schuren op zijn perceel te vergroten met 226 m2 en een nieuwe kapschuur te realiseren. Binnen het geldende bestemmingsplan is er geen ruimte om op dit perceel nog extra bijgebouwen te realiseren. Om dit voornemen mogelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het 'schuur voor schuur' beleid van de gemeente Tubbergen. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken wordt er aan de Veeneggeweg 24 in Geesteren 352 m2 aan schuren met asbest gesloopt. Deze voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan voor zowel het perceel Gravendijk 16-16a in Albergen en Veeneggeweg 24 in Geesteren noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plan bestaat uit een erf aan de Gravendijk 16-16a in Albergen en een agrarisch bedrijfsperceel aan de Veeneggeweg 24 in Geesteren. De locaties liggen respectievelijk circa 1,75 km ten westeren van Albergen en circa 2,1 km ten zuidwesten van Geesteren. Beide erven liggen in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. Het plangebied Gravendijk 16-16a staat kadastraal bekend als gemeente Tubergen, sectie H, perceelnummers 7915 en 7916 en het plandeel Veeneggeweg 24 staat bekend als Tubbergen, sectie K, perceelnummer 9770 en 10309. In figuur 1.1 is de ligging van beide percelen omkaderd in rood en oranje.
Figuur 1.1: Ligging plangebieden Gravendijk (rood) en Veeneggeweg (oranje) (bron: Esri, opentopo)
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Vee neggeweg 24 Geesteren
7
1.3 Vigerend bestemmingsplan Beide percelen zijn gelegen binnen het bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied 2016'. Dit bestemmingsplan is op 23 mei 2016 door de gemeenteraad van Tubbergen vastgesteld. De bouwlocatie aan de Gravendijk 16-16A heeft binnen dit bestemmingsplan de enkelbestemming 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Gronden met de woonbestemming zijn bestemd voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken, al dan niet in combinatie met en in ondergeschikte mate ruimte voor een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf dan wel een vrij beroep, mantelzorg en/of een bed and breakfast. Binnen deze bestemming geldt een maximale oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken van 100 m², tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt. Dit is voor de locatie Gravendijk 16-16a het geval.
Figuur 1.2: uitsnede verbeelding locatie Gravendijk 16-16a (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Het voornemen voor de realisatie van een extra vrijstaand bijgebouw is op basis van het geldende bestemmingsplan niet bij recht toegestaan, omdat de maximale hoeveelheid vierkante meters aan bijgebouwen daarmee wordt overschreden. Om het plan te kunnen realiseren is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Het perceel van de slooplocatie aan de Veeneggeweg 24 heeft de bestemming 'Agrarisch - 1' met een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4', bijbehorend bouwvlak en gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied'. Binnen dit perceel wordt slechts een landschapsontsierende schuur gesloopt. De bestaande oppervlakte aan bedrijfsgebouwen na de sloop wordt met dit bestemmingsplan als maximum opgenomen.
8
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren
Figuur 1.3: uitsnede verbeelding locatie Veeneggeweg 24 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.0183.BUIBPGRAV16VEEN24-VG01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlagen bij de regels.
1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Vee neggeweg 24 Geesteren
9
10
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren
Hoofdstuk 2
Het plan
2.1 Huidige situatie Beide erven bevinden zich in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. De erven zijn gelegen in een agrarisch cultuurlandschap met verspreide bebouwing en omliggend agrarische percelen die voornamelijk uit graslanden en maisakkers bestaan. In het gebied liggen verder groenstructuren in de vorm van houtwallen en singels. Het erf aan de Gravendijk bestaat uit een woning met diverse bijgebouwen.
Figuur 2.1: luchtfoto uit 2018 locatie Gravendijk 16-16a in Albergen (bron: Atlas van Overijssel) Het erf aan de Veeneggeweg 24 in Geesteren bestaat uit een woonboerderij met kapschuur en vier stallen. Het erf is voorzien van diverse groenstructuren en bomenrij langs de inrit.
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Vee neggeweg 24 Geesteren
11
Figuur 2.2: luchtfoto uit 2018 locatie Veeneggeweg 24 in Geesteren (bron: Atlas van Overijssel)
2.2 Toekomstige situatie De toekomstige situatie omvat een uitbreiding van de bijgebouwen op de locatie Gravendijk 16-16a in Albergen met behulp van schuur voor schuur. Hiermee wordt in het verlengde van de bestaande schuren een nieuwe kapschuur (C in figuur 2.3) opgericht. De bestaande landschappelijke structuren worden benut om de toekomstige erfsituatie op een juiste wijze in te passen. Dit door middel van extra haag- en boomstructuren. Een weergave van de beoogde situatie is onderstaand weergegeven en opgenomen in Bijlage 1.
Figuur 2.3: Toekomstige situatie Gravendijk 16-16a in Albergen (bron: N+L landschapsontwerpers) Aan de Veeneggeweg wordt conform het schuur voor schuur-beleid een (voormalig) agrarische opstal 12
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren
gesaneerd. Dit betreft de stal in figuur 2.4 aangeduid met de letter C. Het bestaande erf kent reeds een groene inpassing en het saneren van de bestaande bebouwing heeft een positieve invloed op de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Het erfinrichtingsplan is tevens opgenomen in Bijlage 2.
Figuur 2.4: Toekomstige situatie Veeneggeweg 24 in Geesteren (bron: N+L landschapsontwerpers)
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Vee neggeweg 24 Geesteren
13
14
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn: Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol; Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw; Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS (inmiddels NNN), inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe); Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet. Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit deze Structuurvisie heeft het Rijk op basis van de Wet ruimtelijke ordening, twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van elkaar in aard (beleidsmatig versus procesmatig): Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk beleid te borgen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij verschillende overheden. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid. 3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Vee neggeweg 24 Geesteren
15
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Onderhavig plan Onderhavig plan heeft betrekking op de sloop van schuren aan de Veeneggeweg 24 in Geesteren en de realisatie van een schuur aan de Gravendijk 16-16a in Albergen. Gelet op het feit dat er in het onderhavige plan eerst bebouwing zal worden gesloopt, alvorens er een nieuwe schuur wordt gebouwd, kan gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De oppervlakte aan bebouwing in het buitengebied van de gemeente Tubbergen zal niet toenemen.
Volgens de Nota van Toelichting behorende bij het besluit tot wijziging van de Bro worden ontwikkelingen die geen extra verstedelijking tot gevolg hebben maar bebouwing reduceren of verplaatsen, zoals bijvoorbeeld de Ruimte-voor-Ruimte regelingen, niet gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Derhalve kan gesteld worden dat toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking daarom achterwege kan blijven. Echter, op grond van de uitspraak van de Raad van State van 16 september 2015 ECLI:NL:RVS:2015:2921) geldt dat ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is. De toelichting van dit bestemmingsplan toont aan dat er als gevolg van onderhavig plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het plan uitvoerbaar is.
3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
Op 13 november 2019 is door de Provinciale Staten van Overijssel de Actualisatie Omgevingsvisie Overijssel 2018/2019 vastgesteld. De aanpassingen van de Omgevingsvisie die met de Actualisatie 2018/2019 zijn doorgevoerd zijn op 1 december 2019 in werking getreden. Met de Actualisatie 2018/2019 is de Omgevingsvisie weer bij de tijd gebracht. De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. 3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Actualisatie Omgevingsverordening Overijssel 2018/2019 van de provincie Overijssel. De Provinciale Staten van Overijssel hebben de Actualisatie Omgevingsverordening Overijssel 2018/2019 op 13 november 2019 vastgesteld en is op 1 december 2019 in werking getreden. Met de vaststelling van de Actualisatie 2018/2019 is de Omgevingsverordening weer bij de tijd gebracht. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
16
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren
3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Actualisatie Omgevingsvisie Overijssel 2018/2019 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.
De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Vee neggeweg 24 Geesteren
17
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt. In onderhavig plan gaat het om het saneren van voormalige agrarische bebouwing op een bestaand erf aan de Veeneggeweg 24, waarbij de bebouwing niet langer de beoogde voormalige bedrijfsfunctie vervult. De bebouwing wordt gesaneerd en de 'Agrarische' bestemming blijft - behoudens het instellen van een oppervlaktebeperking in bedrijfsbebouwing - intact. In de bouwregels van dit bestemmingsplan wordt daarom geborgd dat de gesloopte gebouwen niet kunnen worden teruggebouwd. Aan de Gravendijk 16 wordt, ter compensatie van de gesloopte bebouwing, een nieuwe schuur gerealiseerd. De beide erven worden op een juiste wijze landschappelijk ingepast door een erfinrichitngsplan.
Het voornemen geeft hiermee invulling aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse (artikel 2.1.5, Omgevingsverordening Overijssel) en daarmee past binnen de generieke beleidskeuzes. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
18
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel) Het plangebied Gravendijk valt binnen het ontwikkelperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Dit perspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De locatie Veeneggeweg ligt binnen het perspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap'. Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Onder verduurzaming verstaat de provincie hier: realisatie van de waterkwaliteitsdoelen, gezondheid en welzijn van mens en dier, bijdrage aan de energietransitie, klimaatbestendigheid en ketenoptimalisatie, en ontwikkelen met aandacht voor – en waar mogelijk in dialoog met – omwonenden. Agrarische ondernemers staan voor de uitdaging om hun – vaak grote – gebouwen en erven zo vorm te geven dat ze passen bij maat en schaal van het landschap en de ruimtelijke en milieukwaliteit versterken.
Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering). Initiatiefnemers zijn voornemens om middels de beleidsnota 'Schuur voor schuur gemeente Tubbergen' aan de Gravendijk in Albergen 226 m2 aan extra bijgebouwen te realiseren. In ruil voor de mogelijkheid om extra bebouwing te kunnen realiseren zal er aan de Veeneggeweg in Geesteren 352 m2 aan schuren (met asbest) gesloopt worden. Het gewenste voornemen leidt niet tot negatieve effecten voor nabijgelegen agrarische bedrijven. Derhalve doen de plannen van de intiatiefnemer geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied. Gebiedskenmerken Voor wat betreft de gebiedskenmerken voor de verschillende deelgebieden wordt onderstaand een opsomming verricht van de van toepassing zijnde kenmerken. bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Vee neggeweg 24 Geesteren
19
Gravendijk 16-16a, Albergen Natuurlijke laag: Dekzandvlakte en ruggen Laag van het agrarisch cultuurlandschap: Jonge heide- en broekontginningslandschap Stedelijke laag: n.v.t. Laag van de beleving: Donkerte Veeneggeweg 24, Geesteren Natuurlijke laag: Dekzandvlakte en ruggen Laag van het agrarisch cultuurlandschap: Jonge heide- en broekontginningslandschap Stedelijke laag: n.v.t. Laag van de beleving: n.v.t. Het onderhavig plan betreft de sloop van agrarische opstallen, waarvoor in ruil conform het schuur voor schuur beleid een nieuw bijgebouw wordt gerealiseerd op de locatie Gravendijk 16-16a in Albegen. Het gaat daarom niet om een grote impact op het landschap bij de desbetreffende locaties. Daarnaast worden de ontwikkelingen zoveel mogelijk landschappelijk ingepast door middel van een erfinrichtingsplan, waarbij de nadruk ligt op het behouden van de waardevolle kenmerken in de verschillende deelgebieden. De ontwikkelingen doen daarmee geen afbreuk aan de aanwezige gebiedskenmerken. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1
Structuurvisie Tubbergen
Op 14 maart 2016 heeft de gemeenteraad van Tubbergen de structuurvisie 'Op en top Tubbergen' vastgesteld. Het is een actueel strategisch beleidsdocument, waarin belangen worden gedefinieerd en ruimtelijke keuzes worden uitgewerkt, die gebaseerd zijn op sociaal-maatschappelijke, demografische - en ruimtelijke ontwikkelingen en trends. In een groot aantal documenten en visies voor thema's en gebieden, is het beleid van de gemeente Tubbergen uitgewerkt. De structuurvisie vormt hiervoor de koepel. De structuurvisie omvat daarnaast de hoofdlijnen van actueel beleid. Economie en werken in het buitengebied De gemeente Tubbergen heeft van oorsprong een sterk agrarisch karakter. Veel Tubbergse agrarische ondernemers richten zich als gevolg van economische trends op andere (aanvullende) bronnen van inkomsten, zoals recreatie en toerisme. Hiervoor wil de gemeente Tubbergen nadrukkelijk de mogelijkheden bieden. De landbouw is een belangrijke economische sector en kan een rol spelen bij de omschakeling naar een zogenaamde 'biobased economy' als alternatief voor fossiele brandstoffen. De ontwikkeling van de multifunctionele landbouw ondersteund de gemeente actief. De gemeente ziet een belangrijke kans voor de (economische en sociale) vitaliteit in het versterken van de sector toerisme en recreatie. Hierbij is de gemeente met name ondersteunend en faciliterend aan particuliere initiatieven.
Nieuwe economische dragers in het buitengebied zouden ook moeten zorgen voor duurzaam behoud van de gebiedseigen kwaliteiten. Initiatieven worden proactief opgepakt en in gezamenlijk overleg wordt de toekomstbestendigheid en kwaliteit ervan bekeken. Hiervoor is ook het KGO-beleid en de cascobenadering van belang. Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving In het verlengde van het vereiste van een goede landschappelijke inpassing (de basisinspanning) geldt voor een aantal type ontwikkeling de noodzaak voor een extra kwaliteitsversterking. Dit vloeit voort uit de beleidslijn 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van de provincie Overijssel. De gemeente Tubbergen heeft een gemeentelijke uitwerking van het KGO-beleid opgesteld. Dit beleid is echter niet van toepassing op locaties met een woonbestemming en op VAB-locaties waarop het KGO-beleid niet van toepassing is. Ontwikkelingsmogelijkheden voor deze locaties kunnen worden geboden op basis van de Schuur voor Schuur regeling. Voor iedere ontwikkeling op basis van het Schuur voor Schuur beleid geldt overigens wel de inspanningsverplichting tot een goede landschappelijke inpassing. Toets Op basis van de Structuurvisie Tubbergen is voor wat betreft de economische ontwikkelingen in het buitengebied een aantal randvoorwaarden gesteld.
Het onderhavige plan voorziet in een uitbreiding van de maximum oppervlakte bijgebouwen op het erf aan de Gravendijk 16 in Albergen.
20
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren
Het voornemen is passend in de visie zoals geschetst in de Structuurvisie Tubbergen. Er wordt een compensatie geleverd in de sloop van een veelvoud aan landschapsontsierende bebouwing. Bovendien worden de nieuwe erfsituaties landschappelijk verantwoord ingepast. Hiermee wordt met de ontwikkeling in ruimtelijk opzicht een kwaliteitsslag beoogd, blijft de economische vitaliteit van het buitengebied behouden en versterkt en vindt een extra investering in de omgeving plaats. Het voornemen voldoet daarmee aan de uitgangspunten. 3.3.2
Beleid schuur voor schuur gemeente Tubbergen
De gemeente Dinkelland en Tubbergen hebben in april 2019 het Schuur voor schuur beleid vastgesteld (eerste herziening). Door middel van het schuur voor schuur beleid wordt de mogelijkheid geboden om bij erven in het buitengebied de oppervlakte aan bijgebouwen te vergroten. In ruil hiervoor moet elders binnen de gemeente Dinkelland of Tubbergen schuren gesloopt worden. Het doel van de schuur voor schuur-regeling is meervoudig. Enerzijds is het bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door de sloop van leegstaande schuren. Anderzijds is het de bedoeling om ontwikkeling van economische activiteiten (bij zowel bedrijfslocaties als particuliere locaties) te faciliteren en te voorzien in uitbreidingsbehoefte bij particuliere erven. Bovendien willen de gemeenten graag stimuleren/faciliteren dat asbesthoudende schuren worden verwijderd. Het schuur voor schuur-beleid is van toepassing op locaties waar een woonbestemming geldt (en de aangrenzende gronden) en op VAB-locaties waarop het KGO-beleid niet van toepassing is. Voor het plangebied geldt dat sprake is van een woonbestemming. Met dit beleid kan extra oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen gerealiseerd worden. Zonder alle spelregels te beschrijven worden hierna de belangrijkste regels aangehaald. In ruil voor de mogelijkheid om extra bebouwing te kunnen realiseren, moet elders een veelvoud aan schuren worden gesloopt.
Hierbij geldt de volgende sloopverhouding:
Figuur 3.3: Werkwijze staffel (bron: gemeente Tubbergen en Dinkelland) De tabel met de bouw-sloopverhouding dient als volgt toegepast te worden: Allereerst wordt bepaald welke oppervlakte aan bebouwing gerealiseerd dient te worden. Vervolgens wordt van de eerste 100 m² van die te bouwen oppervlakte de verhouding van de eerste trede toegepast: 1:1 (bij asbest) of 1:2 (bij geen asbest). Bij de volgende 400m² wordt de verhouding van de tweede trede toegepast: 1:2 (bij asbest) of 1:4 (bij geen asbest). Uitgangspunten beleid en spelregels Bij de totstandkoming van het schuur voor schuur-beleid is een aantal uitgangspunten gehanteerd: Leegstaande schuren zijn een primaire verantwoordelijkheid van de eigenaren; Het gaat om een extra mogelijkheid voor leegstaande schuren, naast bestaand instrumentarium als rood voor rood en functieverandering; De gewijzigde economische omstandigheden, de gewijzigde rol, functie en omvang van de agrarische sector leiden tot meer functiemenging in het buitengebied Ontstening: er moet vanaf een toename bebouwing van meer dan 100 m² een veelvoud gesloopt worden dan er elders wordt teruggebouwd; Stimulans om vooral asbestschuren te slopen Er wordt geen rekening gehouden met de aanwezigheid van kelders. Sloop- en bouwlocaties die betrekking hebben op hetzelfde plan, bevinden zich in de gemeente Dinkelland of Tubbergen, in het buitengebied.
Sloop van een deel van het erf is mogelijk. Schuren moeten in het geheel worden ingezet in de Schuur voor schuur-regeling. Enkel schuren waarvoor vergunning voor bouwen is verleend en welke daadwerkelijk aanwezig zijn, komen in aanmerking voor deelname aan de schuur voor schuur-regeling. In afwijking van het vorige komen ook schuren zonder bouwvergunning in aanmerking indien aangetoond is dat deze op 31 december 1997 reeds aanwezig waren. Schuren met een cultuurhistorische waarde komen niet in aanmerking voor deelname aan de schuur voor schuur-regeling. bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Vee neggeweg 24 Geesteren
21
De planologische bouwmogelijkheden op alle betrokken locaties worden aangepast aan de nieuwe situatie. Gedeeltelijke/gefaseerde beëindiging van het (agrarisch) bedrijf is mogelijk. In afwijking van het VAB+-beleid geldt de voorwaarde dat bebouwing minimaal 5 jaar moet zijn opgericht en zoals vergund in gebruik zijn, niet voor schuren die middels de schuur voor schuur-regeling worden opgericht. In afwijking van het VAB+-beleid geldt het VAB+-beleid ook voor locaties (o.a. met een woonbestemming) die nooit agrarisch zijn geweest. Op deze locaties kan derhalve ook functieverandering plaatsvinden zoals beoogd met het VAB+-beleid, ook wanneer extra bebouwingsmogelijkheden zijn gecreëerd door middel van het schuur voor schuur-beleid. Toets In het onderhavige plan gaat het om een totaal oppervlak van 352 m² aan te slopen schuren met asbesthoudende golfplaten op een woonerf in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. Dit is ook geinventariseerd in de rapportage zoals opgenomen in Bijlage 3. Aan de Gravendijk 16-16A wordt 226 m² teruggebouwd. Voor de eerste 100 m² te bouwen schuren geldt een verhouding van (1:1). Hiervoor zal 100 m² worden gesloopt aan de Veeneggeweg. Dit betekent dat er nog 252 m² aan sloopmeters beschikbaar is. Hiervoor geldt de verhouding 1:2 (asbesthoudende golfplaten). Dit betekent dat er nog 126 m² gebouwd mag worden aan de Gravendijk 16-16A in Albergen.
Voor het overige wordt op voorhand voldaan aan de voorwaarden die binnen de schuur voor schuur regeling gesteld worden. De schuren hebben geen betekenisvolle cultuurhistorische waarde en er is in dit geval sprake van een gedeeltelijke sloop van de opstallen op het perceel in Geesteren. Het resterende erf is door middel van een landschapsplan (zie Bijlage 1) landschappelijk ingepast. De bestemming 'Agrarisch -1' blijft hierbij overigens gehandhaafd, wel worden de bouwmogelijkheden ingeperkt. Middels dit bestemmingsplan wordt de resterende oppervlakte bijbehorende bouwwerken vastgelegd als maximum. 3.3.3
Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'
De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.4) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.
Figuur 3.4: Fragment casco-kaart, (L) Veeneggeweg en (R) Gravendijk (bron: www.overijssel.nl/cascokaart) Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit 22
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren
de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets Voor beide locaties geldt dat omliggend aan de deelgebieden onderdelen van het casco aanwezig zijn. De bestaande onderdelen van het casco worden niet aangetast en de erfinrichtingsplannen zorgen voor een goede landschappelijke inpassing. Het casco-beleid vormt geen belemmering voor de plannen.
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Vee neggeweg 24 Geesteren
23
24
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Er wordt middels dit bestemmingsplan extra bijgebouwen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied is wonen en agrarisch.
Woonbebouwing wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De kwalificatie of er sprake is van een een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit is afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. Voorliggende ontwikkeling betreft de bouw van een bijbehorend bouwwerk met een oppervlakte van 226 m2 ten behoeve van het woonerf. Gelet op de aard en de beperkte omvang van deze ontwikkeling die op zichzelf geen extra verkeersaantrekkende werking heeft is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeing als bedoeld in het Besluit. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. De ontwikkeling wordt daarbij op passende wijze in het landschap opgenomen. De ruimtelijke uitstraling/de verandering die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r.
Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen. Gelet op de kenmerken van het onderhavige project (zoals het feit dat de omvang ruimschoots beneden de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. ligt), de plaats van het onderhavige project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Alternatieven hoeven dan ook niet te worden afgewogen. Het onderhavige project is niet m.e.r.-plichtig. Bij de beoordeling is rekening gehouden met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling aangegeven criteria.
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Vee neggeweg 24 Geesteren
25
4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Zowel het plangebied aan de Gravendijk 16-16a als het perceel aan de Veeneggeweg 24 zijn gelegen in het omgevingstype 'rustig buitengebied'. Bij het realiseren van een nieuwe bestemming danwel nieuwe functie dient gekeken te worden of de nieuwe functie past in de omgeving (externe werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking). Als gevolg van onderhavig plan wordt het mogelijk om aan de Gravendijk 16-16a extra bebouwing bij het bestaande woonerf te realiseren. Hierbij wordt het bestaande woonerf aan de noordzijde vergroot, aan deze zijde is echter geen bedrijvigheid aanwezig welke mogelijk in de mogelijkheden geschaad kunnen worden. De woongronden en bebouwing worden in de toekomstige situatie gebruikt voor de opslag van eigen voertuigen. Het gebruik ten behoeve van het wonen kent geen milieubelasting. Er liggen verder tevens geen milieubelastende functies in de omgeving van locatie Gravendijk 16-16a, waardoor geen sprake is van hinder. Aan de Veeneggeweg 24 in Geesteren wordt enkel bestaande bebouwing gesloopt. Er wordt geen nieuw milieugevoelig of milieubelastend object opgericht.
Gelet op de interne werking en de externe werking van de bedrijven en milieuzonering kan geconcludeerd worden dat het perceel Veeneggeweg 24 in Geesteren geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 26
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren
4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets Als gevolg van voorliggende planvorming wordt geen geurgevoelig object toegevoegd. Er is dan ook geen sprake van enige hinder voor omliggende erven dan wel van aantasting van een goed woon- en leefklimaat. Voor wat betreft het aspect geur blijft sprake van een goede ruimtelijke ordening als gevolg van de plannen.
4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Gravendijk 16 te Albergen Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van extra bebouwing op het perceel aan de Gravendijk 16-16a in Albergen. De extra bebouwing wordt gebruikt voor de stalling van voertuigen en opslag. Als gevolg van dit bestemmingsplan wordt de bestemming 'Wonen' uitgebreid op onbebouwde agrarische gronden.
Er wordt geen nieuwe (milieu)gevoelige functie mogelijk gemaakt. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van ten hoogste 50 m²; als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd; als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van een bouwwerk waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven. De nieuwe bebouwing wordt gebruikt voor de stalling en opslag van goederen en voertuigen. Daarnaast gaat het om een minimale uitbreiding van de bestemming Wonen en wordt het object niet als gevoelig object beschouwd waardoor bodemonderzoek niet vereist is.
Veeneggeweg 24 te Geesteren Op de locatie gelegen aan de Veeneggeweg 24 te Geesteren, kadastraal bekend gemeente: Tubbergen, Sectie: bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Vee neggeweg 24 Geesteren
27
K, nummer(s): 9771 is op 19 maart 2020 een asbest in bodemonderzoek conform NEN5707 uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in Bijlage 4. Omdat de huidige bestemming niet wordt gewijzigd en geen nieuwbouw wordt gerealiseerd is verder bodemonderzoek van het perceel niet noodzakelijk. De onderzoekslocatie van het verkennend asbestonderzoek bestaat uit één druppelzone. De opdrachtgever is voornemens de schuur te slopen. Druppelzone 1 Ter plaatse van druppelzone 1 zijn 2 inspectiesleuven gegraven. In inspectiesleuf 1 is asbestverdacht materiaal aangetroffen. Samen gewogen met de grond komt de concentratie asbest op 598 mg/kg ds. Het gewogen gehalte overschrijdt de interventiewaarde (100mg/kg ds). In de inspectiesleuf 2 is analytisch geen asbest aangetroffen. In de uitgevoerde analyses zijn in de zeeffractie <0,5mm geen asbestverdachte vezels aangetroffen. Formeel geeft de verhoging ter plaatse van druppelzone 1 aanleiding tot nader asbestonderzoek volgens de NEN5707+C2 moeten worden uitgevoerd om aard en omvang van de verontreiniging in beeld te brengen. Omdat met deze bestemmingsherziening de huidige bestemming niet wordt gewijzigd, maar enkel toeziet op het beperken terugbouwmogelijkheden, is een nader asbestonderzoek voor de bestemmingsplanherziening echter niet noodzakelijk.
Het nader onderzoek volgens de NEN5707 + c2 is wel noodzakelijk als men ter plaatse werkzaamheden gaat uitvoeren waarbij de asbestverontreiniging in de bodem (mogelijk) wordt bewerkt en/of verplaatst. Gezien de voorgenomen sloop van de schuur zal voorafgaand aan de sloop nader asbestonderzoek uitgevoerd moeten worden en het rapport hiervan bij de sloopmelding ingediend moeten worden. Conclusie: De aangetroffen asbestverontreiniging op het perceel Veeneggeweg 24 in Geesteren is geen belemmering voor de bestemmingsplanherziening. Er zal voorafgaand aan de sloop wel een nader asbestonderzoek volgens de NEN 5707+C2 moeten worden uitgevoerd om de aard en omvang van de asbestverontreiniging te bepalen als men ter plaatse van de verontreiniging (grond)werkzaamheden gaat uitvoeren. Voor het perceel Gravendijk 16-16a in Albergen is een bodemonderzoek niet noodzakelijk en is de bodemkwaliteit voor deze herziening van het bestemmingsplan geen belemmering.
4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Als gevolg van onderhavig plan wordt geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. Het bestemmingsplan maakt enkel de realisatie van een bijgebouw ten behoeve van de stalling en opslag van goederen mogelijk. Akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: 28
bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Veeneggeweg 24 Geesteren
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen.
Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van een nieuw bijgebouw in het kader van de 'Schuur voor schuur' regeling. Er wordt geen nieuw milieugevoelig object opgericht. Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals hierboven zijn beschreven, kan worden gesteld dat voorliggend plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op bestemmingsplan Buitengebied, Gravendijk 16-16a Albergen en Vee neggeweg 24 Geesteren
29
een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets Onderhavig plan maakt een schuur voor schuur project mogelijk. Het betreft niet het toevoegen van (beperkt) kwetsbare objecten.