CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage BP Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42 VG01.pdf

Raadscommissie 2 maart 2021, gemeente TubbergenBij agendapunt: 7: Bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 4229.508 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

In dit geval is echter geen sprake van een nieuw bedrijventerrein. Als derde categorie geldt de schaal. Uitgangspunt hierbij is dat de bedrijven met veel werknemers t.o.v. oppervlakte eenheid, zoals kennisintensieve bedrijven, productiebedrijven met weinig opslag, etc. op kleinere kavels in de kern Tubbergen en Albergen met een maximale kavelgrootte van 5.000 m² en dat de overige bedrijven zich vestigen in Geesteren. Na vergroting van het bedrijfsperceel ontstaat een bedrijfskavel van ruim 4.000 m2. Dit is in overeenstemming met de op het bedrijventerrein toegestane maximale kavelgrootte. Daarnaast is het type bedrijf, een bouwbedrijf, toegestaan op het bedrijventerrein. De vestiging van een bouwbedrijf op het betreffende bouwperceel en de uitbreiding van het perceel past dan ook binnen de "Notitie hantering vestigingscriteria bedrijventerreinen".

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42 25

26

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit m.e.r. zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt.

In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, lijkt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake te zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de Raad van State van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832).

De Afdeling heeft in deze uitspraak bepaald dat het feit dat het gebruik van het perceel door de realisering van het project (vestiging evenementenhal op een bedrijventerrein) verandert, niet betekent dat de wijziging van het gebruik aangemerkt dient te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarbij is van belang dat de functiewijziging niet gepaard gaat met een uitbreiding van bebouwing op het perceel, dat de dat het niet aannemelijk is dat de wijziging van het gebruik een dusdanig andere verkeersaantrekkende werking heeft dat daarmee milieugevolgen gepaard gaan die ertoe moeten leiden dat de ontwikkeling aangemerkt dient te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarbij heeft de Afdeling tevens in aanmerking genomen dat het project is gelegen aan de rand van een bedrijventerrein in een gebied met een gemengd karakter en waar op grond van het bestemmingsplan al bedrijvigheid was toegestaan. Als gevolg van dit bestemmingsplan wordt op een bestaand industrieterrein aan de rand van de bebouwde kom van Albergen enkel de bestemming 'Groen' gewijzigd in de bestemming 'Bedrijventerrein' en wordt de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bouwbedrijf' aan de bestemming 'Bedrijventerrein' toegevoegd. Albergen heeft circa 14 hectare bedrijventerreinen. Als gevolg van dit bestemmingsplan wordt het bedrijventerrein uitgebreid met een oppervlakte van 819 m2.

De bebouwde oppervlakte van het bedrijfsgebouw neemt als gevolg van dit plan niet toe. Daarnaast neemt het aantal verkeersbewegingen, als gevolg van de ontwikkeling niet zodanig toe dat er negatieve milieugevolgen zijn te verwachten (zie ook paragraaf 4.10). bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42 27

Tevens dient te worden opgemerkt dat er in de huidige situatie reeds bedrijfsactiviteiten mogelijk zijn op grond van het vigerende bestemmingsplan. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het plan niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject.

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Bij het realiseren van een nieuwe bestemming dient gekeken te worden of die nieuwe functie past in de omgeving (externe werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking). Zowel het plangebied aan de Eenhuisstraat als aan de Zenderseweg zijn gelegen op het bestaande bedrijventerrein van Albergen. In de directe omgeving van het plangebied zijn overwegend bedrijven aanwezig. Het plangebied is derhalve gelegen in het omgevingstype 'gemengd gebied'. Externe werking Bij de externe werking gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Hieronder wordt voor beide locaties aangegeven of het plan leidt een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Aan de Eenhuisstraat wordt de bestemming van het plangebied gewijzigd van 'Sport' naar de bestemming 'Bedrijventerrein' inclusief de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1'. Voor bedrijven tot en met 28

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42

milieucategorie 3.1 geldt voor het gebiedstype 'gemengd gebied' een richtafstand van 30 meter, gemeten vanuit de grens van de milieubelastende bestemming tot aan de dichtstbijzijnde gevel van een milieugevoelige functie (wonen). De afstand tot aan de gevel van de dichtstbijzijnde woning (Zandhuisweg 6) bedraagt 45 meter waardoor voldaan wordt aan de richtafstand. Aan de Zenderseweg 42 wordt de bestemming 'Groen' gewijzigd in de bestemming 'Bedrijventerrein' en wordt de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bouwbedrijf' opgenomen. Deze aanduiding maakt het mogelijk om bedrijfsactiviteiten van een bouwbedrijf behorend tot milieucategorie 3.2 uit te voeren, waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter voor het 'gemengd gebied'. De bestaande woning aan de Zenderseweg 41/41a ligt binnen de hindercirkel waardoor niet voldaan kan worden aan de richtafstand van 50 meter. Door Buijvoets Bouw- en geluidsadvisering is een akoestisch onderzoek verricht om de gevolgen ten aanzien van de geluidsbelasting van de bedrijfsactiviteiten op de nabijgelegen woning te onderzoeken (kenmerk 20.052, d.d. 23 maart 2020). Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen.

Hieronder wordt enkel de conclusie weergegeven voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LA r, LT ) en het maximale geluidsniveau (LA MA X ): Bij de woningen buiten het industrieterrein, Zenderseweg 41/41a en 44, kan zeer ruim aan de grenswaarde van het Activiteitenbesluit worden voldaan. Voor deze woningen blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zeer gunstig is de gesloten oost en zuidgevel en de laad/losposities aan de westzijde van het gebouw waardoor het geluid wordt afgeschermd. Ook bij de bedrijfswoningen op het bedrijfsterrein kan ruim aan de grenswaarden worden voldaan. De grenswaarden voor piekgeluiden LAmax van het Activiteitenbesluit worden niet overschreden. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er voldaan wordt aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Interne werking De nieuwe functie betreft geen milieugevoelige bestemming. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de interne werking geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets In opdracht van Bouwbedrijf B&K is in een verkennend bodemonderzoek (projectcode 20016110, d.d. 6 juli 2020) de bodem onderzocht op een terreindeel ter grootte van circa 920 m2 aan de Zenderseweg 42 te Albergen. De onderzoekslocatie is onbebouwd en onverhard (bomen en struiken).

De rapportage is als Bijlage 2 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten weergegeven. Resultaten veldwerk In totaal zijn er 6 boringen verricht. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn zand in de bovengrond en in de ondergrond zeer fijn zand met vanaf circa 0.9 m-mv zwak zandig klei. In de boven- en ondergrond zijn roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. De veldwerker heeft visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Omdat binnen 5.0 m-mv geen grondwater is aangetroffen, is er geen grondwateronderzoek uitgevoerd. Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd. bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42 29

Conclusies en aanbevelingen In de boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen aankoop gevolgd door een bestemmingsplanwijziging, aangezien er geen verontreinigingen zijn vastgesteld. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (industrie).

4.4 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Onderhavig plan heeft betrekking op de uitbreiding van het bedrijfsperceel aan de Eenhuisstraat 11 en de Zenderseweg 42 te Albergen. Als gevolg van dit bestemmingsplan wordt geen nieuw geluidgevoelig object mogelijk gemaakt, waardoor een toetsing aan het wegverkeerslawaai achterwege kan blijven. Het aspect 'wegverkeerslawaai' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 30

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42

Toets Dit plan maakt de uitbreiding van de bestemming 'Bedrijventerrein' aan de Eenhuisstraat 11 en de Zenderseweg 42 mogelijk. Aan de Eenhusstraat 11 wordt de bestemming 'Sport' gewijzigd in de bestemming 'Bedrijventerrein' zodat de juridisch-planologische situatie overeenkomt met het feitelijk gebruik. Het aantal verkeersbewegingen neemt als gevolg van deze wijziging dan ook niet toe. De verruiming van het bedrijfsperceel aan de Zenderseweg 42 is noodzakelijk voor een duurzame en toekomstbestendige bedrijfsvoering. De uitbreiding van het bedrijfsperceel (bestemming 'Bedrijventerrein') bedraagt circa 819 m2. Zoals in paragraaf 4.10 bedraagt de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de uitbreiding van het bedrijfsperceel op grond van de CROW-normen 82 verkeersbewegingen. In verband met laad- en losactiviteiten van bouwmaterialen (voor zover deze niet op de bouwplaats worden geleverd) kan het aandeel vrachtverkeer op 10% worden gezet. In figuur 4.2 is de berekening weergegeven.

Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42 31

van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat op een afstand van 150 meter van het plangebied aan de Eenhuisstraat 11 een benzineservicestation met LPG-installatie is gelegen aan de Ootmarsumseweg 110. Dit benzineservicestation met LPG-installatie kent een plaatsgebonden risicocontouren voor het vulpunt (25 meter), het LPG-reservoir (25 meter) en de LPG-afleveringsinstallatie (15 meter). Het invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 150 meter. Het plangebied aan de Zenderseweg 42 is gelegen op een afstand van meer dan 430 meter waardoor deze risicobron geen belemmering vormt voor dit plan. Ook het plangebied aan de Eenhuisstraat bevindt zich buiten het invloedsgebied van de LPG-installtie. Gelet hierop geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

32

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42

4.7 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.

Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 20 mei 2020 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht voor de Zenderseweg 42 en de Eenhuisstraat 11 (zie Bijlage 4 en Bijlage 5). Voor het plangebied aan de Zenderseweg 42 geldt op grond van de beantwoording van de digitale watertoets de korte procedure.

Aangezien dit plan de juridisch-planologische situatie aan de Eenhuisstraat 11 in overeenstemming brengt met het feitelijke gebruik geldt op grond van de watertoets voor de Eenhuisstraat 'geen waterschapsbelang'. Het waterschap heeft derhalve geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42 33

4.8 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Om te onderzoeken of de voorgenomen activiteiten leiden tot wettelijke consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming, is door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaarden uitgevoerd met betrekking tot de gebiedsbescherming en de soortenbescherming. De quickscan natuurwaarden is als Bijlage 6 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten weergegeven. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied aan de Zenderseweg 42 ligt op minimaal 1,7 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied aan de Zenderseweg 42 weergegeven.

Aangezien het plangebied naast de Eenhuisstraat 11 verder naar het westen is gelegen geldt dat de afstand van het plangebied naast de Eenhuisstraat 11 tot aan de dichtstbijzijnde gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland 1,9 kilometer.

Figuur 4.4: Ligging plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas van Overijssel) De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Natura 2000-gebied Het plangebied aan de Zenderseweg 42 ligt op minimaal 7,4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Springendal en Dal van de Mosbeek. De afstand van het Natura 2000-gebied tot aan het plangebied naast de Eenhuisstraat 11 bedraagt 7,5 kilometer. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

34

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42

Figuur 4.5: Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: Atlas van Overijssel) Stikstofgevoelige Habitattypen Niet alle Habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura 2000-gebied Springendal en Dal van de Mosbeek bestaat voor een aanzienlijk deel uit stikstofgevoelige Habitattypen. Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied Springendal en Dal van de Mosbeek is een negatief effect uitgesloten.

Het is niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied en leidt daarom niet tot wettelijke consequenties. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, wordt uitgesloten. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden om de wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming vast te kunnen stellen. Beoordeling Stikstof Als gevolg van de voorgenomen activiteiten zal een enige emissie van NOx plaats vinden, als gevolg van de inzet van materieel met een verbrandingsmotor tijdens de ontwikkelfase. Gelet op de ligging van het plangebied, op 7,3 kilometer afstand van stikstofgevoelige Habitattypen, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Dit is een aanname, gebaseerd op ervaring met het opstellen van stikstofberekeningen voor soortgelijke projecten op een vergelijkbare afstand van stikstofgevoelige habitattypen.

Soortenbescherming Het plangebied aan de Zenderseweg 42 is op 20 mei 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden', en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats', als gevolg van werkzaamheden die in bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42 35

het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, wordt uitgesloten. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden om de wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming vast te kunnen stellen.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemene- en weinig kritische beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten verschillende grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen rust- of verblijfplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Voor de meeste beschermde grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden' en het 'beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats'.

Deze vrijstelling geldt echter niet voor de egel, bunzing en de steenmarter. Deze soorten mogen niet (opzettelijk) gedood worden en hun rust- en voortplantingsplaats is beschermd. Vanwege de aanwezigheid van deze soorten, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden, of dient gewerkt te worden volgens een toepasbare Gedragscode. De werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform de toepasbare Gedragscode zoals opgenomen in Bijlage 7. Derhalve geldt dat het aspect 'ecologie' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Ten aanzien van het plangebied naast de Eenhuisstraat 11 geldt dat de juridisch-planologische situatie in overeenstemming wordt gebracht met het huidige gebruik. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect 'ecologie' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Archeologie en Cultuurhistorie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Op grond van het vigerende bestemmingsplan 'Albergen en Geesteren' geldt voor het plangebied aan de 36

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42

Zenderseweg 42 de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' met functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - middelhoge archeologische verwachting'. Op grond van deze dubbelbestemming geldt dat in afwijking van hetgeen in de andere bestemmingen is bepaald, geen bouwwerken mogen worden gebouwd. Echter, deze regel is niet van toepassing op bouwwerken en -projecten ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - middelhoge archeologische verwachtingswaarde' met een oppervlakte van niet meer dan 2.500 m2, waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,4 m zal kunnen worden verstoord. Voor het plangebied aan de Eenhuisstraat 11 geldt de bestemming 'Waarde - Archeologie' met functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting'. Op grond van deze dubbelbestemming geldt dat in afwijking van hetgeen in de andere bestemmingen is bepaald, geen bouwwerken mogen worden gebouwd. Echter, deze regel is niet van toepassing op bouwwerken en -projecten ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachtingswaarde' met een oppervlakte van niet meer dan 100 m2, waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,4 m zal kunnen worden verstoord. Toets Aan de Zenderseweg 42 wordt de bestemming 'Groen' gewijzigd in de bestemming 'Bedrijventerrein'.

Als gevolg van het plan worden dan ook geen bouwwerken en -projecten gerealiseerd over een oppervlakte groter dan 2.500 m2, waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Aangezien dit bestemmingsplan de juridisch-planologische situatie aan de Eenhuisstraat 11 in overeenstemming brengt met het feitelijke gebruik, waarbij geen bouw- en grondroerende werkzaamheden uitgevoerd worden, geldt dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er binnen het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.10

Verkeer / parkeren

Aan de Eenhuisstraat 11 wordt de bestemming 'Sport' gewijzigd in de bestemming 'Bedrijventerrein' over een oppervlakte van 233 m2. Daarmee wordt de juridisch-planologische situatie in overeenstemming gebracht met het feitelijke gebruik. Aangezien de gronden reeds in gebruik zijn voor de uitvoering van de bedrijfsactiviteiten aan de Eenhuisstraat 11 zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen. Tevens zal de parkeerbehoefte als gevolg van dit plan niet toenemen. Aan de Zenderseweg 42 wordt het bedrijfsperceel verruimd over een oppervlakte van 819 m2. Op grond van de CROW-normen (Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen) geldt voor de bedrijfsactiviteiten (bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief) een verkeersgeneratie van gemiddeld 10 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo (niet stedelijk, rest bebouwde kom). De toename van het aantal verkeersbewegingen bedraagt derhalve 82 verkeersbewegingen per dag (8,19 * 10 = 81,9). Aangezien het bedrijfsperceel zowel vanaf de Van Koersveldweg als de Zenderseweg bereikbaar is kan deze toename van het aantal verkeersbewegingen eenvoudig via de huidige infrastructuur afgewikkeld worden. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

Om het parkeren ook na 1 juli 2018 te kunnen reguleren is het bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan Parkeren Tubbergen" vastgesteld door de raad van de gemeente Tubbergen op 28 mei 2018. Elke initiatiefnemer van een plan is zelf verantwoordelijk voor het realiseren van zijn eigen parkeervoorzieningen. Een nieuw initiatief (uitbreiding, nieuwbouw of functiewijziging) mag geen onaanvaardbare problemen veroorzaken in de omgeving. Dit betekent dat in beginsel de parkeerbehoefte op eigen erf moet worden gerealiseerd. Vanwege dat bestemmingsplan geldt de beleidsnotitie 'Bouwen & Parkeren 2018' als uitgangspunt voor nieuwe ontwikkeling. De beleidsnotitie 'Bouwen & Parkeren 2018' wordt toegepast bij de beoordeling van ontwikkelingen die niet binnen het vigerende bestemmingsplan passen. Het beleid is uitsluitend van toepassing op gebouwen en ontwikkelingen binnen de bebouwde kom van Dinkelland. De parkeerbehoefte van een bouwplan wordt bepaald bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42 37

door het vermenigvuldigen van de parkeernorm met de bruto vloeroppervlakte of met een aantal. Daarbij wordt gerekend met de parkeernormen die zijn opgenomen in bijlage I van de beleidsnotitie. Uitgangspunt is dat het parkeren op het eigen erf plaatsvindt. Als een aanvrager alle parkeergelegenheid voor het bouwplan op eigen erf realiseert, wordt er een positief parkeeradvies gegeven. Als een aanvrager van een bouwplan en/of een gebruikswijziging gemotiveerd kan aantonen waarom het parkeren op het eigen erf niet (of niet geheel) kan worden gerealiseerd, kunnen burgemeester en wethouders bij het verlenen van een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht om op eigen erf parkeerplaatsen aan te leggen. Maar altijd geldt dat zoveel mogelijk parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd moeten worden. De uitbreiding van het bedrijfsperceel is noodzakelijk voor een courantere indeling van het bedrijfsperceel en tevens voor de (buiten)opslag van bouwmaterialen, het laden- en lossen van bouwmaterialen en de stalling van de bedrijfsbussen. Derhalve is het aannemelijk dat de uitbreiding van het bedrijfsperceel - in het kader van de parkeerbehoefte - wordt aangemerkt als de uitbreiding van het bedrijf ten behoeve van een loods, opslag, bergplaats waarvoor een parkeernorm geldt van 1,05 parkeerplaats per 100 m2 bvo.

De parkeerbehoefte neemt derhalve toe met 9 parkeerplaatsen (8.19 * 1,05 = 8,6). Het bedrijfsperceel is voldoende groot om in de toegenomen parkeerbehoefte te voorzien.

38

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels 5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik; wijzigingsregels bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42 39

In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.

De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd waarin geregeld wordt dat de inrichting van de bij het bouwplan behorende en daartoe bestemde gronden zodanig moet plaatsvinden dat er voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren of stallen van voertuigen gerealiseerd wordt. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro.

Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Bedrijventerrein (Artikel 3) De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven genoemd in de in bijlage 1 van de regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten Bedrijventerrein met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2', 'bedrijf tot en met categorie 3.1' en 'bedrijf tot en met categorie 3.2' uitsluitend bedrijven tot en met de genoemde categorie zijn toegestaan. Daarnaast geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bouwbedrijf' tevens een bouwbedrijf behorend tot milieucategorie 3.2 is toegestaan. Groen (Artikel 4) Het aanwezige beeldbepalend-, structureel- en begeleidend groen is in dit bestemmingsplan bestemd als ‘Groen’. Deze bestemming is onder andere bedoeld voor groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige 40

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42

voorzieningen, ten behoeve van afvoer, (tijdelijke)berging en infiltratie van (hemel)water, in- en uitritten, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en verkeersvoorzieningen. Verkeer Alle gronden waar sprake is van een doorgaande verkeersroute of waar sprake is van een openbaar gebied met een verblijf- en verplaatsingsfunctie voor verkeer zijn bestemd tot ‘Verkeer’. Naast wegen, straten en paden worden binnen deze bestemming onder andere parkeervoorzieningen, straatmeubilair, kunstwerken, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, ten behoeve van afvoer, (tijdelijke)berging en infiltratie van (hemel)water, en speelvoorzieningen toegestaan. Waarde - Archeologie Aan gronden die op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart zijn aangemerkt als 'historische kern', 'terrein van (hoge en zeer hoge) archeologische waarde' en de zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting wordt in dit bestemmingsplan een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' toegekend. In de regels van deze dubbelbestemming is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting' bij plangebieden groter dan 2.500 m2 en bodemingrepen dieper dan 40 centimeter archeologisch vooronderzoek moet worden uitgevoerd.

Binnen het aanduidingsgebied 'specifieke vorm van waarde - middelhoge archeologische verwachting' ligt deze grens bij 5.000 m2 en een diepte van 40 centimeter archeologisch vooronderzoek moet worden uitgevoerd. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek kunnen de bodemingrepen doorgang vinden, dienen aanvullende maatregelen te worden getroffen of dient aanvullend archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42 41

42

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42 43

44

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Het bestemmingsplan is voor vooroverleg verzonden naar de provincie Overijssel. De provincie Overijssel heeft vastgesteld dat het bestemmingsplan past in het ruimtelijk beleid van de provincie. De provincie Overijssel ziet dan ook geen belemmeringen wanneer het plan in deze vorm in procedure wordt gebracht. Waterschap Vechtstromen Op 20 mei 2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft.

Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 2 december 2020 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42 45

46

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42

Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42 47

Bijlage 1

48

Landschapsplan

bestemmingsplan Albergen, Eenhuisstraat 11 en Zenderseweg 42

6255

40a

6577

40

6573

N

11

6733 7886

N

6572 42a

S

hwa

J

naaldeur

r.m.

EPASSI NG

$

sectio

42-42

EPASSI VAN TO

b.s.h.

20 mtr

lichtstraat

41-41a $

NIET

NIET

C

M

NG

b

VAN TO

H

stelling

naaldeur

platen

nieuw

43

n

profiele

ragens

sch erieel

A

klimmat

J

4669

G

kozijn

6787

J

vdbk

tra

frees

nk werkba

afzuigin

lood, cement,

J houtbak

praktisch

r.m.

WC

WC

WASRUIM

HAL

K.

KAMER

R

B

KANTOO R

K.

1

vide

$

K.

SPREEK

E PROVISI

ENTREE

L PORTAA

WC

KANTINE

etten

dichtz

B

opening

E

B

bestaande

TE

afkortza

ag

platens

telling

telling boeiens

verdeelk

uren

ast elek

lasers

regels

etc.

nieuw

e loopd

g

zaagtaf

el

afvalbak

WERKPLA

ATS

A

bestaande

nieuw

kolom

OPSLAG

verwijdere

n

/ STALLIN

hogedruk sectio

naaldeur

A

eur

5998

P

6147

e sectio

7887

N

H

7649

G

J

K

L

Q P

Q I

D F

O

J

J

M

7488 5977

A: B: C: D:

Bestaand bedrijfspand. Voorgenomen uitbreiding bedrijfspand. Verharding rondom bedrijfspand. Bestaande groenstructuren. Groenstructuur vanuit noordwestelijke richting omvat een houtwal. Deze structuur wordt in de huidige situatie vervolgd langs het bestaande bedrijfspand door een houtsingel die geveld moet worden (H). Belangrijk is de overgang van het dorp naar het landelijk gebied te borgen. Daarom wordt geadviseerd om een nieuwe houtsingel aan te planten (E) met voornamelijk struikvormers. Boomvormers zijn ook van belang, maar zijn in de huidige situatie reeds aanwezig. De bomen kunnen ten dele opgenomen worden in de nieuwe houtsingel. E: Nieuw aan te planten houtsingel bestaande uit 4 plantrijen, totaal 100 stuks in de maat 80100 (hoogte in centimeters) met onder andere hazelaar, lijsterbes, Gelderse roos, zomereik en vuilboom. De plantafstand bedraagt 1 meter in 6148 en tussen de plantrijen. Met de houtsingel wordt de bestaande groenstructuur versterkt. Door de (bestaande) solitaire bomen zonder onderbeplanting ontstaat er een overgang richting het (open) landelijke gebied. F: Open verbinding maken en behouden als overgang richting landelijk gebied. G: Overgang begeleiden door aanplant van haag bestaande uit Carpinus of Acer campestre. Zonder haag is de overgang te ‘hard’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/627/documents/13078