CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 19 april 2022, gemeente TubbergenBij agendapunt: 12: Bestemmingsplan Rood voor Rood 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse27.205 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Voor hen zijn er niet of nauwelijks betaalbare woningen beschikbaar, waardoor zij (al dan niet tijdelijk) opteren voor een woning in een gemeente waar het aanbod goedkoper is. Een deel van de jongeren keert na verloop van tijd terug als men een gezin gaat stichten en meer financiële mogelijkheden heeft om een woning te kopen. We staan immers bekend als een zeer kindvriendelijke gemeente met veel ruime gezinswoningen en in elke kern een school aanwezig. Daarnaast ziet de gemeente zeker de laatste jaren een vestigingsoverschot van 50-plussers. Door de stijgende woningprijzen in de steden is de gemeente als groene, rustige woongemeente met ruime woningen steeds aantrekkelijker geworden voor vestigers. Het gaat vaak om vestigers die vanuit de stedelijke omgeving van Almelo en Hengelo op zoek zijn naar een ruime gezinswoning in het groen, maar steeds vaker gaat het ook om vestigers van ver buiten de regio. Dat kunnen mensen zijn die van oorsprong uit Tubbergen of omgeving komen, maar ook vestigers van verder weg die onze gemeente kennen omdat ze hier bijvoorbeeld ooit op vakantie zijn geweest. Het zijn nu nog met name 50- en 65-plussers, waarvoor de reisafstand tot werk minder (of helemaal geen) een rol speelt.

Maar de aantrekkingskracht van de gemeente Tubbergen neemt in de komende jaren wellicht ook toe bij andere leeftijdscategorieën, omdat thuiswerken door de Coronacrisis een hoge vlucht heeft genomen. De fysieke nabijheid van kantoor is daardoor minder belangrijk geworden, terwijl een ruime woning (met ruimte voor een werkplek) juist belangrijker wordt. 4.3.3.2.2 Woningbouwprogramma: +640 woningen Voor de komende jaren gaat de gemeente uit van een woningbehoefte van 640 woningen voor de periode 2020-2030. Gezien de huidige druk op de markt wil de gemeente deze woningbouwopgave zoveel mogelijk de komende vijf jaar realiseren. Mocht er na de eerste vijf jaar meer woningen gebouwd zijn dan de geprognosticeerde behoefte, dan zal de gemeente daar met de woningbouwopgave na 2025 rekening mee houden. Daarnaast is het wenselijk om een ruimere plancapaciteit aan te houden dan enkel te koersen op de verwachte woningbehoefte. De ervaring leert dat een deel van de plannen vertraging oploopt of helemaal niet doorgaat. bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse 33

Voor het tijdig kunnen inspelen op de behoefte is een zachte plancapaciteit van 130% reëel; zo’n 830 woningen (ervan uitgaande dat 30% van de plannen niet of vertraagd wordt gerealiseerd). 4.3.3.2.3 Woningbouwopgave per gebied Om te kunnen voorzien in de woningbehoefte én als impuls voor de leefbaarheid en vitaliteit van kernen is het van belang dat er in alle kernen van Tubbergen kan worden gebouwd. De prognose is vertaald in een woningbouwprogramma per kern (zie afbeelding 4.5). De gemeente wil echter ruimte geven aan goede plannen die mogelijk de woningbehoefte in een kern overstijgt. Om die ruimte te bieden, voegt de gemeente de woningbehoefte voor de grote en kleine kernen samen. Dit biedt meer flexibiliteit. De behoefte per kern blijft echter het uitgangspunt (zie afbeelding 4.6).

Afbeelding 4.5: Woningbouwprogramma naar kern (Bron: gemeente Tubbergen)

Afbeelding 4.6: Woningbouwprogramma naar deelgebied (Bron: gemeente Tubbergen)

Dit houdt in dat ruim de helft van de woningbehoefte landt in de drie grotere kernen. In deze kernen geldt de grootste woningbehoefte vanwege de nabijheid van voorzieningen; iets wat met name voor senioren en mensen met een zorgvraag een grote rol speelt. Ongeveer een derde van de behoefte landt in de overige woonkernen. Daarnaast reserveert de gemeente 40 woningen voor het buitengebied. De overige 40 woningen wijst de gemeente niet op voorhand toe maar kunnen vrij worden toegewezen aan kansrijke plannen die zich voor doen (knelpuntenpot). Realisatie vindt plaats per kern in kleine (evt. gefaseerde) plannen plaats. Dus niet alles in een paar grote plannen. Hierdoor kan goed worden bijgestuurd als dat nodig blijkt te zijn. Mochten de geluiden vanuit de dorpen ten aanzien van krapte op de markt niet juist zijn, dan zal dat blijken bij de uitgifte en/of realisatie van de plannen. In dat geval zal niet ook nog eens aan andere plannen in de betreffende dorpen begonnen worden. De gemeente monitort jaarlijks/tweejaarlijks het woningbouwprogramma aan de hand van prognoses de huishoudensontwikkeling, de migratiecijfers, de zachte en harde plancapaciteit en stuurt waar nodig bij.

34

bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse

4.3.3.3 Bouwen op de juiste plek In overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking gaat de gemeente de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom op inbreidingslocaties realiseren. Op die manier blijft het buitengebied zo groen mogelijk. In Provinciaal verband (Regionale Woonagenda) is al aangegeven dat voor inbreidingsplannen de komende jaren geen kwantitatieve limiet wordt gesteld. Wel moeten deze plannen kwalitatief getoetst worden. In een aantal kernen zijn de mogelijkheden voor inbreiding beperkt. Bijvoorbeeld omdat inbreiding te zeer ten koste gaat van het dorpse- en landelijke karakter, of omdat er niet of nauwelijks inbreidingslocaties voorhanden zijn. Daarom zetten we ons er voor in dat het ook in de toekomst mogelijk blijft om -uiteraard zo zorgvuldig mogelijk- potentiële locaties aan de randen van de bebouwde kom te benutten. De Regionale Woonagenda biedt ook die ruimte. 4.3.3.4 Prioriteit voor starters en senioren 4.3.3.4.1 Woningen voor starters In algemene zin neemt de behoefte aan kleinere woningen onder starters toe. Er zijn nog steeds starters die een ruime woning met grote kavel kopen of bouwen, maar de gemeente ziet nu ook nieuwbouwinitiatieven met rijwoningen opkomen, waar veel interesse voor is.

Bij zelfbouw richt de vraag zich met name op kavels van 250 / 300 m², deels geholpen door het financiële voordeel dat de starter bij deze kavels krijgt (20% korting op de grondprijs bij een kavel van maximaal 250 m²). De komende jaren wil de gemeente het woningaanbod voor starters vergroten. Het is hierbij zaak om snel aan de slag te gaan, om te voorkomen dat (nog meer) starters op zoek gaan naar goedkoper aanbod in andere gemeenten. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is het vergroten van het aanbod aan goedkope koopwoningen voor starters met beperkte financiële mogelijkheden (waaronder alleenstaande starters). Om die woningen betaalbaar te kunnen houden, zal de kwaliteit (qua m², aantal kamers, uitrusting) daarop aangepast moeten worden. Maar dan wel op zo’n manier dat deze woningen aantrekkelijk blijven voor starters. Samen met ontwikkelende partijen wil de gemeente kijken wat de mogelijkheden hiervoor zijn binnen de gegeven kaders en de stijgende bouwkosten. Hierbij kan ook gedacht worden aan een woonconcept dat dusdanig flexibel is dat het in de loop der jaren ook voor andere doelgroepen aantrekkelijk kan zijn. Een voorbeeld hiervan is de bouw van boven- en benedenwoningen die de komende jaren kunnen voorzien in de woningbehoefte van starters, maar eventueel op lange termijn samengevoegd kunnen worden tot één gezinswoning.

4.3.3.4.2 Levensloopgeschikte woningen voor senioren (... en andere doelgroepen) Een tweede belangrijke doelgroep zijn de senioren op de woningmarkt. Het aantal huishoudens van 65 jaar en ouder neemt de komende jaren verder toe. Op dit moment vormt de groep 1+2 persoonshuishoudens van 65 jaar en ouder 31% van het totaal aantal huishoudens in Tubbergen, in 2030 is dat gestegen naar 38%. Veel oudere huishoudens wonen op dit moment in een ruime eengezinswoning. Een groot deel van deze groep wil het liefst zo lang mogelijk in hun eigen woning in de vertrouwde woonomgeving blijven wonen. Zowel landelijk als lokaal beleid heeft hier de afgelopen jaren ook sterk op ingezet. Maar een deel van de ouderen overweegt wel te verhuizen. Vooral omdat zij op zoek zijn naar een levensloopgeschikte woning waar zij ook kunnen wonen als de gezondheid achteruit zou gaan. Belangrijk voor zo’n woning is dat slaap- en badkamer bij voorkeur op de begane grond zitten en bij voorkeur in de eigen vertrouwde omgeving (de buurt of kern waar men nu woont) en op loopafstand van voorzieningen staat. De woning moet ook nog enigszins betaalbaar zijn (meestal betekent dat goedkoper dan de huidige woning). Al deze wensen maakt het lastig om tot een geschikt woonproduct te komen. In de praktijk blijven veel ouderen daardoor in hun huidige woning wonen, ondanks hun verhuiswens.

In veel gevallen is dat ook goed mogelijk, zeker als men enkele aanpassingen aan de woning doorvoert (zoals een traplift). Maar als er sprake is van zeer veel onderhoud (bijvoorbeeld een grote tuin) of een locatie ver van voorzieningen (bijvoorbeeld in het buitengebied) is deze situatie niet altijd even gewenst. Het voordeel van gerichte nieuwbouw voor senioren is dat er meer doorstroming op de woningmarkt komt. Als senioren gaan verhuizen, komen er meer bestaande ruime woningen op de markt die geschikt zijn voor gezinnen, waardoor er uiteindelijk ook weer meer woningen voor jonge doorstromers en starters beschikbaar komen. Daarom heeft de gemeente als ambitie om een substantieel deel van de nieuwbouw de komende jaren levensloopgeschikt te realiseren.

bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse 35

4.3.3.4.3 Beperkte woningbouwopgave voor gezinnen De grootste groep huishoudens wordt in onze gemeente gevormd door gezinnen met kinderen. De verwachting is dat deze groep in omvang iets zal afnemen de komende jaren. Daar staat tegenover dat een groot deel van de huidige woningvoorraad nu al gericht is op deze doelgroep; namelijk ruime grondgebonden koopwoningen. In de basis zien we daarom geen grote opgave om het woningaanbod voor deze doelgroep uit te breiden. Toch zijn er enkele redenen waarom we op beperkte schaal ruimte willen blijven bieden voor (middel)dure grondgebonden koopwoningen. Ten eerste zullen de bestaande grondgebonden koopwoningen niet van vandaag op morgen allemaal beschikbaar komen. Dit hangt af van de doorstroming van met name senioren. Zij vormen echter geen sterk verhuisgeneigde doelgroep. Indien het gewenst is om de eerstkomende jaren ruimte te blijven bieden aan gezinnen die hier willen (blijven) wonen, dan is enige mate van nieuwbouw noodzakelijk. Ten tweede wil de gemeente gevarieerde nieuwbouwlocaties ontwikkelen, met een mix van woningtypen, huur/koop en prijsklassen. De gemeente wil voorkomen dat met nieuwbouw eenzijdige wijken gecreëerd worden met alleen goedkope woningen of buurten met een eenzijdige bevolkingssamenstelling.

4.3.3.5 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijke woonvisie Het voorliggende bestemmingsplan gaat uit van het toevoegen van een rood voor rood compensatiewoning op drie verschillende locaties in het buitengebied van Tubbergen. Hiermee is per saldo sprake van een toevoeging van drie woningen aan de woningvoorraad. Hiermee wordt een (beperkte) bedrage geleverd aan de woningbouwbehoefte in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. In kwalitatieve zin voorziet het voorliggende plan niet direct in de woningbouwbehoefte onder specifieke doelgroepen (starters/senioren). De vrijstaande woningen in het buitengebied die met dit plan mogelijk worden gemaakt zijn met name aantrekkelijk voor doorstromers op de woningmarkt. Doordat de toekomstige bewoners hun huidige woning zullen verlaten, draagt de ontwikkeling wel bij aan de doorstroming op de woningmarkt. Er is voor de woningen reeds sprake van een concrete behoefte. Deze woningen zijn naar aanleiding van de principebesluiten over de locaties reeds opgenomen in de reservering voor woningen in het buitengebied in het kader van Rood voor Rood. De compensatiewoningen passen dan ook binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijk woonvisie. 4.3.4

Casco-benadering in Noordoost-Twente

4.3.4.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.

4.3.4.2 Casco-benadering in de praktijk De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het ‘kleinschalige groene karakter’ van het landschap in totaliteit. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende 36

bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse

tabel. Landschapstype Elementen die tot het casco behoren Elementen die niet tot het casco behoren

Opmerking Mogen in principe niet verplaatst worden Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan Te compenseren elementen Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Afbeelding 4.3 toont per plandeel een fragment van de Cascokaart..

Afbeelding 4.3 Fragmenten Cascokaart (Bron: Atlas Overijssel) 4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan de 'Casco-benadering in Noordoost-Twente' Enkel ter plaatse van de plandelen aan de Delmaweg 13 en Beekzijdeweg 31 zijn casco elementen aanwezig. Aan de Beekzijdeweg 31 wordt landschapsontsierende bebouwing gesloopt en enkel een nieuw bijgebouw gerealiseerd. Het nieuwe bijgebouw wordt niet gebouwd ter plaatse van een casco element. De compensatiewoning aan de Delmaweg 13 wordt gerealiseerd ten zuiden van het casco element. Als onderdeel van de ruimtelijke inpassing ter plaatse wordt de houtsingel ter plaatse (casco element) versterkt. Het plan is hiermee in overeenstemming met de 'Casco-benadering in Noordoost-Twente'.

bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse 37

4.3.5

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling past binnen de gemeentelijke beleidskaders.

38

bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en besluit milieueffectrapportage. Opgemerkt wordt dat slechts waar dit relevant wordt geacht wordt ingegaan op het plandeel aan de Beekzijdeweg 31. Ter plaatse is immers al sprake van een woonperceel waar de bestaande woonboerderij behouden blijft en verder geen woningen worden toegevoegd. Hiermee is locatiespecifieke toetsing aan de aspecten 'geluid', 'milieuzonering' en 'geur' niet noodzakelijk.

5.1 Geluid 5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plandelen

In voorliggend geval worden met de compensatiewoningen en de te herbouwen woningen op de locaties aan de Ootmarsumseweg 184, Monnikenbraakweg 8 en Delmaweg 13 nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Er is geen sprake van spoorwegen of gezoneerde bedrijventerreinen in de omgeving van het plangebied. De aspecten 'spoorweglawaai' en 'industrielawaai' zijn in deze dan ook niet relevant. Het aspect 'wegverkeerslawaai' heeft wel nadere aandacht nodig. De locaties aan de Monnikenbraakweg 8 en Delmaweg 13 liggen in gebied waar de wegen in de directe omgeving een lage verkeersintensiteit kennen. Dit vanwege het feit dat deze wegen nagenoeg uitsluitend door bestemmingsverkeer worden gebruikt. Op basis hiervan wordt gesteld dat ter plaatse van deze locaties wordt voldaan aan de wettelijke voorkeurswaarde van 48 dB. De compensatiewoning en te herbouwen woning aan de Ootmarsumseweg 184 liggen in buitenstedelijk gebied binnen de wettelijk vastgestelde geluidszone, als bedoeld in art. 74 van de Wet geluidhinder, van de Ootmarsumseweg. Ten behoeve van voorliggend plan heeft Buijvoets Bouw- en geluidsadvisering een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd in verband met de ligging van deze woningen nabij de Ootmarsumseweg. Hierna wordt beknopt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksconclusies.

Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 2 bij deze plantoelichting. Onderzoeksresultaten Bij de vervangende woning op 60 meter uit de wegas is de geluidbelasting incl. 2 dB aftrek maximaal 57 dB en wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De maximaal toelaatbare hogere grenswaarde van 58 dB uit de Wet geluidhinder voor een vervangende woning wordt niet overschreden. Bij de compensatiewoning op ruim 80 meter uit de as van de Ootmarsumseweg is de geluidbelasting incl. 2 dB aftrek maximaal 50 dB en wordt de voorkeursgrens/ambitiewaarde overschreden. De maximaal toelaatbare bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse 39

hogere grenswaarde van 53 dB uit de Wet geluidhinder en de bovengrens uit het gemeentelijk geluidbeleid voor een nieuwe woning wordt niet overschreden. Voor de vervangende woning op 60 meter uit de wegas kan een hogere waarde worden vast gesteld van 57 dB. Voor de compensatiewoning op 80 meter uit de wegas kan een hogere waarde worden vast gesteld van 50 dB. 5.1.3

Conclusie

Met verlening van hogere grenswaarden voor de woningen aan de Ootmarsumseweg 184 vormt het aspect 'geluid' geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2

Situatie plangebied

Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan heeft Terra Agribusiness ter plaatse van alle plandelen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt beknopt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksconclusies. Voor de volledige onderzoeksrapportages wordt verwezen naar Bijlage 3, Bijlage 4, Bijlage 5 en Bijlage 6 bij deze plantoelichting. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de plandelen aan de Delmaweg 13 en Beekzijdeweg 31 geen nader onderzoek noodzakelijk is. De grondkwaliteit ter plaatse is passend in relatie tot het beoogde gebruik (wonen). Ter plaatse van de plandelen aan de Ootmarsumseweg 184 en Monnikenbraakweg 8 zijn verontreinigingen met asbest aangetroffen die formeel aanleiding geven tot het uitvoeren van nader onderzoek. In voorliggend geval wordt hiervan afgezien aangezien deze verontreinigingen op basis van de verwachte omvang als onderdeel van de ontwikkelingen ter plaatse direct gesaneerd kunnen worden. 5.2.3

Conclusie

De plandelen worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik (wonen met tuin) of zijn hiervoor met enkele kleine saneringen zonder onoverkomelijke belemmeringen geschikt te maken. Het aspect 'bodem' vormt hiermee geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: 40

bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

In paragraaf 5.3.1.1 is een lijst met categorieën van gevallen beschreven, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met voorgenoemde voorbeelden van categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggende ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat ten aanzien van de ontwikkeling geen sprake is van de realisatie van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

5.4 Externe veiligheid 5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden- en het groepsrisico.

bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse 41

5.4.2

Beoordeling

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond de plangebieden. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart opgenomen in relatie tot de plandelen.

Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart Overijssel) Uit de inventarisatie blijkt dat de deelgebieden: zich niet bevinden binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevinden binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet liggen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet liggen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. 5.4.3

Conclusie

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

42

bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse

5.5 Milieuzonering 5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2

Gebiedstypen

5.5.2.1 Algemeen Volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor en langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De plandelen aan de Ootmarsumseweg 184, Monnikenbraakweg 8 en Delmaweg 13 bevinden zich allen in gebied waar geen sprake is van een matige tot sterke functiemenging. Deze deelgebieden wordt dan ook aangemerkt als gebiedstype 'rustige woonwijk'. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse 43

5.5.3

Beoordeling

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake wanneer het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. In voorliggend geval worden drie nieuwe woningen gerealiseerd. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. Hierbij wordt nog opgemerkt dat op drie locaties de agrarische bedrijfsmogelijkheden worden wegbestemd. Dit is gunstig in relatie tot het woon- en leefklimaat in de omgeving. Het plan leidt tevens niet tot extra hinder voor omliggende milieubelastende functies in de omgeving.

In de huidige is ter plaatse van alle plandelen reeds sprake van milieugevoelige functies in relatie tot externe milieubelastende functies. Daar waar sprake is van nieuwe woningen die op kortere afstand van deze functies worden gerealiseerd wordt opgemerkt dat bestaande omliggende milieugevoelige functies (woningen) in dit kader reeds maatgevend zijn. 5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval worden er drie compensatiewoningen gerealiseerd. Deze compensatiewoningen worden aangemerkt als nieuwe milieugevoelige functies. Hierna wordt per deelgebied ingegaan op eventuele hinder afkomstig van bestaande functies in de omgeving. Ootmarsumseweg 184 In de directe nabijheid van dit deelgebied bevinden zich enkele milieubelastende functies, waaronder een kleinschalig agrarisch bedrijf aan de Ootmarsumseweg 189. Bij veehouderijen geldt de grootste richtafstand voor het aspect 'geur'. Bij veehouderijen zijn echter de wettelijk aan te houden afstanden of berekende geuremissiecontouren bepalend. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.6. Als het aspect geur buiten beschouwing gelaten wordt, geldt voor een grondgebonden veehouderij een grootste richtafstand van 30 meter voor de aspecten 'geluid' en 'stof'.

Het deelgebied Ootmarsumseweg 184 ligt op minimaal 220 meter afstand van het bestemmingsvlak behorend bij dit bedrijf. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden. Voor het overige is op korte afstand een aannemersbedrijf gevestigd (Ootmarsumseweg 188) en is er sprake van een openlucht ijsbaan (Weemselerweg 1). Het aannemersbedrijf aan de Ootmarsumseweg 188 is het beste aan te merken met de functie 'aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1.000 m²'. Dit betreft een milieucategorie 3.1 functie met een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect 'geluid'. De afstand van het plandeel tot het bestemmingsvlak van dit bedrijf bedraagt minimaal 75 meter. Hiermee wordt aan de richtafstanden voldaan. De openlucht ijsbaan aan de Weemselerweg 1 is het beste aan te merken met de functie 'open-lucht-ijsbanen'. Dit betreft een milieucategorie 4.2 functie met een grootste richtafstand van 300 meter voor het aspect 'geluid', en daarna '50' meter voor gevaar. De afstand van het plandeel tot het bestemmingsvlak van deze functie bedraagt minimaal 105 meter. Hiermee wordt enkel niet aan de richtafstand voor het aspect 'geluid' voldaan. Hierbij wordt opgemerkt dat het geen permanente ijsbaan betreft, maar een ijsbaan die uitsluitend in koude winters met voldoende natuurijs wordt gebruikt.

Gelet op het beperkte gebruik van de ijsbaan wordt ervan uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Monnikenbraakweg 8 Binnen een straal van enkele honderden meters rondom dit deelgebied bevindt zich enkel een kleinschalig 44

bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse

agrarisch bedrijf aan de Monnikenbraakweg 5/5a. Bij veehouderijen geldt de grootste richtafstand voor het aspect 'geur'. Bij veehouderijen zijn echter de wettelijk aan te houden afstanden of berekende geuremissiecontouren bepalend. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.6. Als het aspect geur buiten beschouwing gelaten wordt, geldt voor een grondgebonden veehouderij een grootste richtafstand van 30 meter voor de aspecten 'geluid' en 'stof'. Het deelgebied Monnikenbraakweg 8 ligt op minimaal 100 meter afstand van het bestemmingsvlak behorend bij dit bedrijf. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden. Delmaweg 13 In de directe nabijheid van dit deelgebied bevinden zich enkele milieubelastende functies, waaronder een agrarisch bedrijf aan de Geesterseveldweg 5. Bij veehouderijen geldt de grootste richtafstand voor het aspect 'geur'. Bij veehouderijen zijn echter de wettelijk aan te houden afstanden of berekende geuremissiecontouren bepalend. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.6. Als het aspect geur buiten beschouwing gelaten wordt, geldt voor een intensieve veehouderij (die hier deels is toegestaan) een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect 'geluid'. Het deelgebied Delmaweg 13 ligt op minimaal 200 meter afstand van het bestemmingsvlak behorend bij dit bedrijf. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden.

Voor het overige is op korte afstand een houthandel en/of installatiebedrijf gevestigd aan de Delmaweg 14. Deze functies zijn het beste aan te merken met de functie 'aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. < 1.000 m²'. Dit betreft een milieucategorie 2 functie met een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect 'geluid'. De afstand van het plandeel tot het bestemmingsvlak van dit bedrijf bedraagt minimaal 55 meter. Hiermee wordt aan de richtafstanden voldaan. Samenvatting Op basis van het bovenstaande wordt verwacht dat er ter plaatse van de compensatiewoningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende bedrijven niet verder in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.6 Geur 5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. De Wgv bevat een regeling (art. 14, lid 2 en 3) voor onder meer voormalige bedrijfswoningen en compensatiewoningen in het kader van Rood voor rood. Het tweede lid van artikel 14 luidt: bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse 45

Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij; in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en; in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij; ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2

Situatie plangebied

Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van nieuwe geurgevoelige functies in de vorm van de te realiseren compensatiewoningen en de te herbouwen voormalige agrarische bedrijfswoningen. Op de locatie aan de Beekzijdeweg 31 worden geen nieuwe geurgevoelige objecten gerealiseerd. De ontwikkelingen op deze locatie hoeven dan ook niet te worden getoetst aan de Wgv. Het is dan ook van belang om per relevante locatie in te gaan op het toetsingskader uit de Wgv en de situatie ter plaatse in relatie tot de omliggende veehouderijen. Ootmarsumseweg 184 Beide nieuw te bouwen woningen op deze locatie bevinden zich binnen de contour van het voormalige agrarische bouwperceel. Hiermee mag voor deze woning dan ook aan de vaste afstand van 50 meter worden getoetst conform artikel 14 van de Wgv. Binnen een straal van 50 meter ten opzichte van de geprojecteerde locatie van deze woningen bevinden zich geen veehouderijen. Tussen de dichtstbijzijnde veehouderij en de locatie van deze woningen zijn één of meerdere andere geurgevoelige objecten gelegen. Van enige negatieve invloed op de bedrijfsvoering en/of ontwikkelmogelijkheden van omliggende veehouderijen is dan ook geen sprake. Monnikenbraakweg 8 Te herbouwen woning Aan de Monnikenbraakweg wordt de te herbouwen voormalige bedrijfswoning gebouwd binnen de contour van het oorspronkelijke agrarische bouwperceel.

Hiermee mag voor deze woning dan ook aan de vaste afstand van 50 meter worden getoetst conform artikel 14 van de Wgv. Binnen een straal van 50 meter ten opzichte van de geprojecteerde locatie van deze woning bevinden zich geen veehouderijen. Tussen de dichtstbijzijnde veehouderij en de locatie van deze woning zijn één of meerdere andere geurgevoelige objecten (woning Steenkampsweg 3) gelegen. Van enige negatieve invloed op de bedrijfsvoering en/of ontwikkelmogelijkheden van omliggende veehouderijen is dan ook geen sprake. Compensatiewoning De nieuwe compensatiewoning ligt echter buiten de contour van het voormalige agrarische bouwperceel. Hiermee dient aan de hand van de ter plaatse van de omliggende veehouderijen gehouden diercategorieën te worden getoetst aan de vaste afstand of aan specifieke geurwaarden. De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich in deze aan de Monnikenbraakweg 5/5a. Ter plaatse is uitsluitend een grondgebonden veehouderij toegestaan. Hiermee mag worden getoetst aan de vaste afstand van 50 meter. De onderlinge afstand bedraagt in dit geval minimaal 150 meter. Tussen de bedoelde veehouderij en de locatie van deze woning zijn één of meerdere andere geurgevoelige objecten (woning Steenkampsweg 3) gelegen. Van enige negatieve invloed op de bedrijfsvoering en/of ontwikkelmogelijkheden van omliggende veehouderijen is dan ook geen sprake.

Delmaweg 13 Te herbouwen woning Aan de Delmaweg wordt de te herbouwen voormalige bedrijfswoning gebouwd binnen de contour van het oorspronkelijke agrarische bouwperceel. Hiermee mag voor deze woning dan ook aan de vaste afstand van 50 meter worden getoetst conform artikel 14 van de Wgv. Binnen een straal van 50 meter ten opzichte van de geprojecteerde locatie van deze woning bevinden zich geen veehouderijen. Tussen de dichtstbijzijnde veehouderij en de locatie van deze woning zijn één of meerdere andere geurgevoelige objecten (woning Delmaweg 11) gelegen. Van enige negatieve invloed op de bedrijfsvoering en/of ontwikkelmogelijkheden van omliggende veehouderijen is dan ook geen sprake. Compensatiewoning 46

bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse

De nieuwe compensatiewoning ligt echter ten zuiden van en hiermee buiten de contour van het voormalige agrarische bouwperceel. Hiermee dient aan de hand van de ter plaatse van de omliggende veehouderijen gehouden diercategorieën te worden getoetst aan de vaste afstand of aan specifieke geurwaarden. De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich in deze aan de Geesterseveldweg 5. Ter plaatse is uitsluitend een grondgebonden veehouderij toegestaan. Hiermee mag worden getoetst aan de vaste afstand van 50 meter. De onderlinge afstand bedraagt in dit geval minimaal 200 meter. Tussen de bedoelde veehouderij en de locatie van deze woning zijn één of meerdere andere geurgevoelige objecten (woning Monnikenbraakweg 11) gelegen. Van enige negatieve invloed op de bedrijfsvoering en/of ontwikkelmogelijkheden van omliggende veehouderijen is dan ook geen sprake. De dichtstbijzijnde locatie waar een intensieve veehouderij is toegestaan bevindt zich aan de Haarbrinksweg 47. Deze locatie ligt op minimaal 700 meter afstand en wordt vanwege de grote onderlinge afstand niet relevant geacht in het kader van geurhinder. Conclusie Ter plaatse van alle binnen deze ontwikkeling betrokken nieuwbouwwoningen wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht in relatie tot het aspect 'geur'.

Omgekeerd is van enige negatieve invloed op de bedrijfsvoering en/of ontwikkelmogelijkheden van omliggende veehouderijen geen sprake. 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7 Ecologie 5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. De plandelen maken geen van allen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de 'Springendal & Dal van de Mosbeek' bevindt zich op een afstand van minimaal 150 meter van het plandeel aan de Beekzijdeweg 31. De overige plandelen liggen allemaal op meerdere kilometers afstand van Natura 2000-gebieden. De ligging van het plandeel Beekzijdeweg 31 (rode omlijning) ten opzichte van Natura 2000-gebied 'Springendal & Dal van de Mosbeek' is hieronder weergegeven in afbeelding 5.2.

bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse 47

Afbeelding 5.2 Ligging plandeel Beekzijdeweg 31 ten opzichte van Natura 2000-gebied (Bron: AERIUS Calculator) Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. In dit kader wordt opgemerkt dat in voorliggend geval sprake is van een kleinschalige ontwikkeling. Daarnaast wordt op drie locaties de agrarische bedrijfsbestemming gesaneerd.

Hiermee is het uitoefenen van een agrarisch bedrijf (veehouderij) met de bijbehorende stikstofuitstoot in de toekomst in beginsel niet meer mogelijk. Geconcludeerd wordt dat er als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen sprake is van (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Geen van de plandelen ligt binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangemerkt als NNN-gebied ligt zo goed als aangrenzend aan het plandeel aan de Beekzijdeweg 31. De afstand tot de overige plandelen betreft enkele kilometers. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten zijn lokaal waardoor deze geen negatief effecten op gebieden buiten het plangebied hebben. De voorgenomen activiteit heeft daarom geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.

48

bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse

5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd ter plaatste van alle binnen deze ontwikkeling betrokken locaties. In de komende subparagraaf worden de belangrijkste conclusies van dit onderzoek uiteengezet. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 7. 5.7.3.2 Situatie plangebied De inrichting en het gevoerde beheer maken de deelgebieden niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. Beschermde amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten, vogels en vleermuizen benutten de deelgebieden als foerageergebied.

Verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren bezetten een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied, verschillende amfibieën bezetten er een (winter)rustplaats, er nestelen vogels en mogelijk bezetten vleermuizen een verblijfplaats in de woning in deelgebied Ootmarsumseweg 184. Van de meeste in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Dat geldt echter niet voor de huismussen die onder de dakpannen van de woning in deelgebied Monnikenbraakweg 8 nestelen. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Geadviseerd wordt de bebouwing te slopen en beplanting te verwijderen buiten de voortplantingsperiode. Indien de bebouwing gesloopt wordt en de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. De nestplaats van huismussen is jaarrond beschermd. Om de nestplaats van huismussen te mogen verstoren, beschadigen of te vernielen, dient men te beschikken over een ontheffing. Om de functie van de woning voor huismussen vast te kunnen stellen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden.

De aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in de woning in deelgebied Ootmarsumseweg 184, kan op basis van het uitgevoerde onderzoek niet uitgesloten worden. Verblijfplaatsen van vleermuizen mogen alleen negatief beïnvloed worden, indien men beschikt over een ontheffing. Om de functie van de woning voor vleermuizen vast te kunnen stellen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie beschadigd of vernield. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor beschermde dieren niet af. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die negatief beïnvloed worden, als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen en vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats'. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen. 5.7.4

Conclusie

In de planregels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in relatie tot de uitvoering van een vleermuizenonderzoek voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden voor de locatie aan de Ootmarsumseweg 184 en verkrijging van een ontheffing in relatie tot huismussen voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden voor de locatie aan de Monnikenbraakweg 8. Het aspect ecologie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse 49

5.8 Archeologie & cultuurhistorie 5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Beoordeling De gemeente Tubbergen beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. De archeologische verwachtingswaarden zijn per gebied middels archeologische dubbelbestemmingen doorvertaald in het geldende bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied 2016' (zie hiervoor ook paragraaf 1.4). In voorliggend geval is sprake van de archeologische dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 3' en 'Waarde – Archeologie 4'. Binnen deze dubbelbestemmingen is pas archeologisch onderzoek nodig bij plangebieden met een omvang groter dan 2.500 m². In het geval van dit bestemmingsplan is geen sprake van ontwikkeling van individuele plandelen met een oppervlakte groter dan 2.500 m². Archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Beoordeling Er bevinden zich in de plandelen Ootmarsumseweg 184, Monnikenbraakweg 8 en Delmaweg 13 zelf geen rijksdan wel gemeentelijke monumenten of bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van deze plandelen bevinden zich daarnaast geen cultuurhistorische waarden die negatief beïnvloed zouden kunnen worden door voorliggend plan. De woonboerderij aan de Beekzijdeweg 31 is aangemerkt als een rijksmonumentale driebeukige vakwerkschuur. Deze woonboerderij blijft echter volledig behouden. Ter plaatse is enkel sprake van de sloop van een ligboxenstal en de nieuwbouw van een vrijstaand bijgebouw bij de monumentale woonboerderij. Hiermee is geen sprake van aantasting van de cultuurhistorische waarden die op dit erf zijn vertegenwoordigd. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek benodigd is en geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.

5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit 50

bestemmingsplan RVR 4 locaties, Albergen, Geesteren en Vasse

besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving.

Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/794/documents/15597