CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35 (8-9-2022) (1).pdf

Commissie Omgeving en Economie 4 oktober 2022, gemeente TubbergenBij agendapunt: 7: Bestemmingsplan Buitengebied Beekzijdeweg 33 en 3525.748 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid.

4.3 Regionaal beleid 4.3.1

Nota verblijfsrecreatie Noordoost-Twente

4.3.1.1 Inleiding De gemeenten Dinkelland, Losser, Oldenzaal en Tubbergen hebben besloten op gebied recreatie & toerisme samen te werken en gezamenlijk een beleidsnota verblijfsrecreatie in Noordoost Twente op te stellen. Immers, de toerist kent geen gemeentegrenzen. De toerist gaat op bezoek in een bepaald gebied en in dit geval gaat de toerist naar Noordoost Twente. Daarom is het goed om het beleid in de vier gemeenten in Noordoost Twente op elkaar af te stemmen. Op deze manier kan de regio zich sterker profileren binnen Twente.

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

29

Doel is om het verblijfstoerisme in Noordoost Twente te versterken door middel van kwaliteitsverbetering, productvernieuwing en differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod. Het aantal overnachtingen stijgt hierdoor en ook de toeristische bestedingen stijgen. Dit heeft een positief effect op de werkgelegenheid, de leefbaarheid en het voorzieningenniveau. Eén van de belangrijkste voorwaarden om dit doel te bereiken is het kunnen aanbieden van een optimaal en divers aanbod aan kwalitatief goede verblijfsmogelijkheden binnen Noordoost Twente dat aansluit bij de wensen en behoeften van de toerist. In dat kader is het van belang om het huidige aanbod van verblijfsmogelijkheden binnen de vier gemeenten onder de loep te nemen en te bepalen of en waar ingezet moet worden op vergroting, versterking of verbreding van het aanbod rekening houdend met wensen. De toeristische sector is een sector die sterk aan trends en ontwikkelingen onderhevig is. Hierdoor zijn ondernemers dikwijls genoodzaakt om veranderingen door te voeren om in te kunnen blijven spelen op de wensen uit de markt. Daarbij wordt in veel gevallen medewerking vanuit de gemeente gevraagd. Als het gaat om positieve ontwikkelingen, is het belangrijk dat de daarvoor noodzakelijke procedures zo kort mogelijk kunnen zijn.

Mede in dat kader is er behoefte aan een duidelijke visie op de verblijfsrecreatie, die richting geeft aan de gestelde ambities en de kaders weergeeft waarbinnen de verschillende verblijfsrecreatieve vormen zich in de toekomst kunnen blijven ontwikkelen om zodoende in te kunnen blijven spelen op de behoeften in de markt. 4.3.1.2 Doelstelling Voor verblijfsrecreatie in Noordoost-Twente wordt de volgende doelstelling geformuleerd: Versterking van het verblijfstoerisme in Noordoost Twente door middel van kwaliteitsverbetering, productvernieuwing en differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod. Om deze doelstelling te kunnen verwezenlijken streeft de regio de volgende subdoelstellingen na: Versterking van de bestaande verblijfsaccommodaties in Noordoost Twente, stimuleren van kwaliteitsverbetering en innovatie op bestaande verblijfsaccommodaties; Streven naar deregulering en een grotere mate van ondernemersvrijheid; Gepaste uitbreiding van het aantal nieuwe verblijfsaccommodaties; Het regelen van uitsluitend recreatieve bewoning van recreatiewoningen door onder andere exploitatieovereenkomsten; Versterken van de landschappelijke kwaliteit van verblijfsaccommodaties; 4.3.1.3 Toetsingscriteria Centrale doelstelling vormt de versterking van de verblijfsrecreatieve sector. Plannen van ondernemers die hieraan bijdragen, worden met een positieve insteek behandeld.

Dit betekent echter niet dat iedere recreatieve ontwikkeling zomaar kan worden toegestaan. Bij de afweging om een uitbreiding of nieuwvestiging al dan niet toe te staan, moet gekeken worden naar de ruimtelijke impact die een ontwikkeling zal hebben. Deze mag geen afbreuk doen aan de landschappelijke kwaliteit. Bij de ruimtelijke afweging van wensen tot uitbreiding of nieuwvestiging spelen de volgende overwegingen een rol: Nieuwvestiging moet een kwalitatieve en economische en/of duurzame meerwaarde zijn voor het toeristisch-recreatieve product en een acceptabele toevoeging aan het landschapsbeeld. De accommodatie doet geen onevenredige afbreuk aan bestaande landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden. Een uitbreiding of nieuwvestiging draagt bij aan kwaliteitsverbetering (landschap, architectuur, beeld- en belevingskwaliteit). Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) beleid is van toepassing. 4.3.1.4 Leefstijlen In de nota wordt er gebruikt gemaakt van een doelgroepsegmentatie gebaseerd op het BSR-model. Deze doelgroepen/leefstijlen worden al enkele jaren gebruikt in Nederland. Omdat het vrijetijdsgedrag voortdurend verandert hebben de doelgroepen onlangs een opfrisbeurt gekregen. Op www.leefstijlvinder.nl is informatie te vinden over de nieuwe doelgroepen gebaseerd op het BSR-model.

De gemeente Tubbergen gebruikt de leefstijlvinder sinds 2019 binnen Overijssel wanneer wordt gesproken over recreatieve doelgroepen. Onderstaande grafiek is afkomstig uit vitaliteitsonderzoek naar de verblijfsrecreatieve sector in 2019 en geeft het vraag en aanbod weer per doelgroep in Twente. Ter hoogte van het getal 100 zijn vraag en aanbod met elkaar in evenwicht. Een staaf naar boven betekent dat er te veel aanbod is voor de vraag. Een staaf naar beneden betekent het tegenovergestelde. De grafiek geeft weer dat voor de doelgroepen avontuurzoeker (rood), de 30

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

plezierzoeker (oranje), de rustzoeker (donkergroen), de inzichtzoeker (aqua) en de stijlzoeker (paars) nog marktruimte is in Twente. Er is geen markt voor de harmoniezoeker (geel) en de verbindingszoeker (lichtgroen).

Afbeelding 4.6 Leefstijlvinder, behoefte in Twente (Bron: Gemeente Tubbergen) 4.3.1.5 Toetsing van het initiatief aan de Nota verblijfsrecreatie Noordoost-Twente Algemeen Met het initiatief wordt er een specifieke vorm van verblijfsrecreatie toegevoegd. Het gaat immers om recreatie gericht op rust, meditatie en natuur in een historische setting. Hiermee sluit men aan bij de doelstelling om productvernieuwing en differentiatie na te streven. Met de landschapsmaatregelen wordt aangesloten bij de doelstelling om de landschappelijke versterking te verwezenlijken. Nieuwvestiging moet voorzien in een duurzame, kwalitatieve en economische meerwaarde. Daar is hier sprake van: de duurzame meerwaarde vertaalt zich in de verschillende vormen van duurzaamheid (zie ook paragraaf 3.1.1) die worden toegepast bij het plan. De economische meerwaarde komt tot uiting in de samenwerking met andere restaurants in de omgeving en de bestedingen van toeristen in de omgeving. De kwalitatieve meerwaarde komt tot uiting in het geven van een nieuwe functie aan de gebouwen, waardoor de toekomstbestendigheid wordt geborgd en door de landschapsmaatregelen behorend bij de ontwikkeling. Er is in het geheel geen sprake van afbreuk aan bestaande landschappelijke waarden, maar het geheel draagt juist bij aan kwaliteitsverbetering. Ook is het initiatief in overeenstemming met de KGO.

Hier is in paragraaf 4.2.3.1 aan getoetst.

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

31

Leefstijlvinder De buitenplaats richt zich met twee vakantiewoningen en 15 tweepersoonskamers, waarvan 4 studio's, met eigen douche en toilet faciliteiten, op groepen die op deze plek inspiratie zoeken, nieuwe inzichten en ervaringen opdoen. Zowel binnen als buiten zijn er volop mogelijkheden om in grote groepen verschillende activiteiten te ontplooien als yoga, meditatie en inspiratie sessies. Met bovenstaande propositie wordt gericht vanuit de doelgroep segmentatie vanuit het BSR-model (leefstijlvinder) op de inzichtzoeker, de avontuurzoeker en mogelijk de stijlzoekers. De inzichtzoeker wordt verwelkomt op een authentieke buitenplaats waar alle rust ruimte is voor zelfontplooiing en ontwikkeling. De avontuurzoeker wordt de mogelijkheid geboden om te overnachten op een verrassende en unieke locatie waar natuur en cultuur samenkomen en waar mensen uit verschillende werelden elkaar ontmoeten. Voor de stijlzoeker wordt op Landgoed Geerdink exclusieve comfortabele studio's op een monumentale locatie geboden, waar zij gebruik kunnen maken van de luxe restaurantfaciliteiten van een lokale partner. Zoals blijkt uit afbeelding 4.6 is er behoefte naar accommodaties voor deze doelgroepen. Concluderend wordt gesteld dat het initiatief in overeenstemming is met de Nota Verblijfsrecreatie Noordoost-Twente.

4.4 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling worden hierna behandeld.

4.4.1

Mijn Omgevingsvisie Tubbergen

4.4.1.1 Algemeen De gemeente Tubbergen beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Tubbergen gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal! MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); 2. hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); 3. hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); 4. welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart). Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We wentelen niet af op volgende generaties; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.

4.4.1.2 Speerpunten In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema 'Kwalitatief toerisme' van belang. Kwalitatief toerisme De gemeente wil werken aan kwalitatief toerisme door middel van toerismespreiding en het behouden van een vitaal verblijfsaanbod. Dit doet de gemeente door: een goede balans te bewaken tussen de landschapskwaliteiten van het gebied, de leef- en werkomgeving voor inwoners en de groeimogelijkheden van de toeristische sector; mogelijkheden te bieden voor marktconforme en gebiedspassende bedrijvigheid; projecten en ideeën te verwelkomen gericht op toerisme of dagrecreatie als ze een aanvulling zijn op het 32

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

bestaande aanbod, gericht zijn op interessante doelgroepen of zorgen voor seizoensverlenging; toeristisch interessante locaties in te richten in zowel de kernen als in het buitengebied De gemeente Tubbergen kent ruim 21.000 inwoners die allemaal hun vrije tijd op een andere manier invullen. Daarnaast komen er jaarlijks veel dagrecreanten en toeristen die genieten van een vakantie of een dagje weg. Veel inwoners van Tubbergen vinden hierdoor hun werk in deze sector. De verwachting is dat het toerisme de komende jaren nog flink zal groeien in onze gemeente. Dit is goed voor de economie en onze bedrijven, maar brengt tegelijkertijd uitdagingen met zich mee voor de leefomgeving en het landschap. De gemeente wil werken aan een goede balans tussen de hoeveelheid toeristen en dagbezoekers, de economische voordelen, de druk op het landschap en het woonplezier voor inwoners. 4.4.1.3 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke structuurvisie Met het initiatief wordt er een specifieke vorm van verblijfsrecreatie toegevoegd. Het gaat immers om recreatie gericht op rust, meditatie en natuur in een historische setting. Hiermee sluit men aan bij de doelstelling om mogelijkheden te bieden voor toerisme die een aanvulling vormt op het bestaande aanbod, gericht op interessante en specifieke doelgroepen.

Ook past het plan bij het streven om toeristisch interessante locaties in te richten in het buitengebied. Tevens wordt door de samenwerking met lokale restaurants en andere ondernemers bijgedragen aan het streven om een bijdrage te leveren aan de lokale economie.Tot slot is het initiatief in overeenstemming met de KGO. Hier is in paragraaf 4.2.3.1 aan getoetst. Concluderend wordt gesteld dat het initiatief in overeenstemming is met Mijn Omgevingsvisie van de gemeente Tubbergen. 4.4.2

Beleidsnotitie 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving'

4.4.2.1 Algemeen De gemeenten Tubbergen en Dinkelland hebben op basis van het provinciale beleid een eigen gezamenlijk KGO-beleid opgesteld. Op basis van dit beleid kan er ruimte worden geboden voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied. De volgende basisprincipes gelden voor elke ontwikkeling: Elke ontwikkeling dient beoordeeld te worden vanuit het aspect ruimtelijke kwaliteit; Bij grootschalige ontwikkelingen (nieuw of uitbreiding van bestaand) wordt naast een investering in de ontwikkeling zelf tegelijkertijd geïnvesteerd in de omgevingskwaliteit; De ontwikkelingsruimte die men krijgt dient in evenwicht te zijn met investeringen (prestaties) in de ruimtelijke kwaliteit De principes van ruimtelijke kwaliteit gelden voor elk planproces en dienen bij elk initiatief/ontwerp/opgave te worden toegepast. 4.4.2.2 Generiek beleid Het generieke beleid voorziet in een zuinig gebruik van ruimte. Dit heeft zich vertaald in beleid en regels die zijn opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied. De regels die zijn opgenomen betreffen in het algemeen maatvoeringen (afstand, hoogte, oppervlakte en inhoud) en randvoorwaarden voor het functionele gebruik van locaties. Uitgangspunt voor onderhavig beleid blijft hetgeen op basis van het bestemmingsplan cq. het bestaande beleid mogelijk is.

Elke ontwikkeling die past binnen de regels van het bestemmingsplan is toegestaan. Uitgangspunt van het gemeentelijk KGO-beleid is dat voor iedere ontwikkeling het hoofduitgangspunt van ruimtelijke kwaliteit geldt. Voor grootschalige ontwikkelingen moet naast de kwaliteit van de locatie ook geïnvesteerd worden in omgevingskwaliteit. Het proces is meer gericht op kwaliteit en minder op kwantitatieve normen. Deze benaderingswijze zorgt voor meer flexibiliteit en mogelijkheden bij het zoeken naar nieuwe economische dragers. In het gemeentelijk KGO-beleid is aangegeven, dat medewerking kan worden verleend aan alle economische ontwikkelingen die passend zijn binnen het gemeentelijk beleid en /of visie. Het begrip “aard en omvang” is bewust gekozen. Hiermee is aangegeven dat er sprake dient te zijn van maatwerk. Niet alle ontwikkelingen kunnen per definitie. Per ontwikkeling dient beoordeeld te worden of de voorgestane ontwikkeling past in de omgeving.

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

33

4.4.2.3 Evenwicht ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties Er is een basis gevonden voor het bereiken en meten van het evenwicht tussen ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties. Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke (landschappelijke) inpassing: vorm en situering van gebouwen, erfbeplantingen. Voor het bepalen van de hoogte van de aanvullende kwaliteitsprestaties zijn drie variabelen te hanteren: is de ontwikkeling gebiedseigen of gebiedsvreemd; wat is de schaal van de impact op de omgeving; Als er sprake is van een niet functioneel aan het buitengebied gebonden grootschalige ontwikkeling, dient 100% van de waardevermeerdering (van de gronden als gevolg van aanpassing van de bestemming) te worden geïnvesteerd (naast de basisinspanning). Van het voorgenoemde percentage van 100% kan in bepaalde omstandigheden worden afgeweken. Dit is de maatwerkclausule. Als er sprake is van specifieke omstandigheden die een verlaging van het toe te passen percentage rechtvaardigen, dan kan het college hiertoe een besluit nemen. Alsdan gelden aspecten als sociale kwaliteit, werkgelegenheid, veiligheid, ruimtegebrek en logistiek als items ter onderbouwing om (per item) het percentage te verlagen met 5 (met een maximum van 25%).

Als er sprake is van een functioneel aan het buitengebied gebonden grootschalige ontwikkeling zal er naast de basisinspanning 25% moeten worden geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit. Indien er geen mogelijkheid is om het gehele bedrag te investeren, zal het bedrag gestort worden in het KGO-fonds. De percentages zijn ingegeven door het feit dat bij een niet aan het buitengebied gebonden activiteit de impact groot is, omdat deze functies feitelijk in de kernen thuishoren. Gelet hierop dient er een volledige tegenprestatie geleverd te worden. Het zogenoemde weegschaalmodel komt in evenwicht door de waardevermeerdering volledig te compenseren in ruimtelijke kwaliteit. Kernrandzone Is er sprake van een niet aan het buitengebied gebonden ontwikkeling in een kernrandzone, dan dient niet 100% maar 50% van de waardevermeerdering geïnvesteerd te worden. Gaat het om een aan het buitengebied gebonden ontwikkeling in een kernrandzone, dan dient niet 25% maar 12,5% van de waardevermeerdering te worden geïnvesteerd. De kernrandzone is niet een vast afgebakend gebied (in bijvoorbeeld het bestemmingsplan), maar zal van geval tot geval gemotiveerd moeten worden. Een kernrandzone is een gebied aansluitend aan de kern waar sprake is van een menging van functies; waar “de kern het buitengebied treft”.

Vindt een ontwikkeling plaats in de kernrandzone, dan kan dus het percentage van de waardevermeerdering die geïnvesteerd moet worden, worden gehalveerd. 4.4.2.4 Waardevermeerdering en waardevermindering Waardevermeerdering Bij het bepalen van de hoogte van de kwaliteitsimpuls voor de groene omgeving wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van de gronden die door de planologische verandering zal ontstaan. Er wordt uitgegaan van basisbedragen. Dit zijn in overleg met erkende taxateurs bepaalde waarden. Het gemeentelijk KGO-beleid bevat een tabel waarin deze bedragen zijn opgenomen. Daar waar dat lastiger is vanwege de invloed van de mogelijkheden binnen een specifieke bestemming (bijvoorbeeld indien veel meer bouwmogelijkheden worden geboden binnen een bestemming), zal een taxatie nodig zijn. Opgemerkt wordt hier dat bij ontwikkelingen waarbij sprake is van een negatieve waardeontwikkeling, geen verrekening plaats vindt. Waardevermindering Waardevermindering als gevolg van de herziening van het bestemmingsplan, zoals bijvoorbeeld van agrarische grond naar bos en natuur of landschap dan wel van bedrijfsterreingrond naar bos en natuur of landschap, mogen worden meegenomen in de berekening, voor zover het gaat om het veranderen van de bestemming ten behoeve van de basisinspanning.

Ten aanzien van de investering van de berekende KGO bijdrage, mogen reële, werkelijke kosten voor het opstellen van het KGO-landschapsplan tot een percentage van 10% van het berekende KGO bedrag met een absoluut maximum van €15.000,-, worden meegenomen, in die zin, dat deze mogen worden toegerekend aan de investering in ruimtelijke kwaliteit (voorwaarde is hierbij wel dat niet op een andere wijze een bijdrage mag zijn ontvangen voor het opstellen van het landschapsplan). Ook de kosten voor de inzet van de kwaliteitsgroep landelijk gebied kunnen hierbij worden betrokken.

34

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

4.4.2.5 Toetsing van het initiatief aan de beleidsnotitie 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Het provinciale beleid gaat er vanuit dat er ter compensatie van ontwikkelingen in het buitengebied geïnvesteerd wordt in de groene omgeving. De parkeerplaatsen worden op agrarische gronden gerealiseerd, vandaar dat de KGO van toepassing is. In dit geval is door BJZ.nu een KGO-plan opgesteld, waarin uit is gewerkt dat de kwaliteitswinst in overeenstemming is met de investeringen die in de ruimtelijke kwaliteit gedaan worden. Het gehele KGO-plan is als Bijlage 3 opgenomen. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met de KGO. 4.4.3

Gemeentelijk woonbeleid

4.4.3.1 Algemeen De provincie Overijssel heeft met de Twentse gemeenten (waaronder Tubbergen) woonafspraken gemaakt over de woningbouwprogrammering binnen de regio Twente. Hierbij zijn afspraken gemaakt over de hoeveelheid woningen die gemeenten in de komende jaren gaan bouwen binnen deze regio. Op 13 juli 2016 is de gemeentelijke woonvisie (Woonvisie 2016+) vastgesteld door de gemeenteraad van Tubbergen. De visie vorm de basis voor strategische afwegingen omtrent het thema wonen. Hoofddoel is het versterken van de woonaantrekkelijkheid van de gemeente, middels een drietal ambities: Attractieve kernen - kwaliteitsslag; Vitale kernen - beschikbaarheid; Betaalbare kernen - betaalbaarheid. 4.4.3.2 Woningbouwopgave De gemeente wenst te voorzien in de lokale woningbehoefte volgens Primos 2013 voor de periode 2015-2024, één en ander volgens de regionale afspraken en de bestuursovereenkomst met de provincie Overijssel. De gemeente dient voor de realisatie van nieuwe plancapaciteit te voldoen aan het volgende: De nieuwe plancapaciteit geeft invulling aan de gemeentelijke beleidsdoelen, zoals het realiseren van levensloopbestendige woningen en goedkope woningen voor starters.

Afhankelijk van de locatie kunnen ook woningen voor andere doelgroepen worden gebouwd; Prioriteit wordt toegekend aan aanvragen voor de benutting van kleinschalige locaties (geen stedelijke ontwikkelingen) voor herstructurering of transformatie. Uitzonderingen hierop zijn mogelijk, mits voldaan wordt aan een aantal nader gestelde eisen; Plannen die binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma passen, moeten binnen een periode van drie jaar (nadat positief principebesluit is verzonden) in procedure worden gebracht. Als dat achterwege blijft, vervalt de (contingents)reservering. De woonvisie beschrijft dat kwantitatief gezien voor de gehele gemeente sprake is van een additionele woningbehoefte van 290 nieuwe woningen van 2020 tot 2024 (exclusief sloop). Deze gemeentelijke behoefte is voor een deel verdeeld over de plaatsen binnen de gemeente. In principe is het, vanwege zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, niet toegestaan in het buitengebied extra burgerwoningen te bouwen. De mogelijkheid bestaat dat dit ten koste gaat van de basisfuncties landbouw, landschap en natuur. Een uitzondering op dit principe zijn onder andere nieuwe burgerwoningen die worden gebouwd in het kader van de Rood-voor-Rood-regeling.

Het overige deel van de gemeentelijke behoefte is daarom gereserveerd voor woningen in het buitengebied, gebaseerd op de ervaringen in de afgelopen jaren met de toepassing van regelingen als Rood voor Rood en Rood voor Groen. 4.4.3.3 Uitvoeringsnota Woningbouw 2018 In de woonvisie wordt aangegeven dat de woningbouwprogrammering in een Uitvoeringsnota Woningbouw wordt verantwoord en geactualiseerd, inclusief een actueel kwaliteitskader. Dit is gedaan in de Uitvoeringsnota Woningbouw 2018. De voornaamste wijziging is dat veel meer op kwaliteit gestuurd gaat worden en niet alleen maar op kwantiteit. Ten aanzien van het kwalitatief programmeren is op 25 mei 2018 een rapport uitgebracht dat deel uitmaakt van de Uitvoeringsnota Woningbouw. Op basis van deze nota zal in samenspraak met de werkgroepen Wonen onder "Mijn Dorp 2030" en/of de dorpsraden, per kern tot concrete stappen worden gekomen om te voorzien in de kwalitatieve woningbouwopgave voor elke kern voor de korte en de middellange termijn.

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

35

In het Uitvoeringskader woningbouw is tevens aangegeven dat het woningbouwprogramma in die zin wordt her verdeeld, dat de aantallen nog toe te voegen woningen voor de grote kernen (Albergen, Geesteren en Tubbergen) samen gevoegd worden tot één aantal beschikbaar voor de 3 kernen en die van de kleine kernen (Fleringen, Harbrinkhoek/Mariaparochie, Langeveen, Manderveen, Reutum, Vasse) ook tot één aantal, beschikbaar voor die 6 kernen. Daarnaast wordt nog één maal een aantal van 15 woningen gereserveerd voor woningen in het buitengebied (rood voor rood en rood voor groen) en tenslotte wordt er een knelpuntenpot gecreëerd als vrije ruimte voor onvoorziene waardevolle initiatieven. 4.4.3.4 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke woonvisie Voorliggend bestemmingsplan voorziet ten aanzien van 'wonen' in het planologisch bestemmen van een bestaande woning. Er is voor de woning logischerwijs een concrete behoefte. De woning past dan ook binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma. Geconcludeerd wordt dat voorliggend voornemen in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie. 4.4.4

Casco-benadering in Noordoost-Twente

4.4.4.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.

4.4.4.2 Casco-benadering in de praktijk De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het ‘kleinschalige groene karakter’ van het landschap in totaliteit. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel. Landschapstype Elementen die tot het casco behoren Elementen die niet tot het casco behoren

Opmerking Mogen in principe niet verplaatst worden Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan Te compenseren elementen Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie).

36

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

In afbeelding 4.7 is een fragment van de Cascokaart behorende bij de Casco benadering opgenomen, met daarbij met in rode cirkel het plangebied.

Afbeelding 4.7 Fragment Cascokaart (Bron: Atlas Overijssel) 4.4.4.3 Toetsing van het initiatief aan de 'Casco-benadering in Noordoost-Twente' In en rond het plangebied liggen verscheidene elementen behorend tot het casco. Zoals in Hoofdstuk 3 omschreven wordt het erf landschappelijk ingepast. Hierbij is er in zijn geheel geen sprake van verwijdering van bestaande landschapselementen, maar enkel van versterking en aanvulling door nieuw aan te planten elementen. Gelet op vorenstaande en de beoogde ontwikkeling zijn geen belemmeringen ten aanzien van de casco-benadering en worden geen nadere voorwaarden gesteld. 4.4.5

Nota omgevingskwaliteit

4.4.5.1 Algemeen De gemeenten Dinkelland en Tubbergen hebben op 22 december 2015 de gezamenlijke welstandsnota 'Nota Omgevingskwaliteit' vastgesteld. De gemeenten hebben de keus gemaakt om de bemoeienis zoveel mogelijk te beperken en daarom alleen te sturen op omgevingskwaliteit waar dit nodig en voor iedereen uitlegbaar is. Ruimtelijke kwaliteit en deregulering hebben in het proces bij het opstellen van de nota centraal gestaan. Behalve deregulering staat ook maatwerk centraal in het welstandsbeleid. De beeldkwaliteit van karakteristieke en kenmerkende plekken dient te worden geborgd. Het grondgebied van de gemeenten is opgedeeld in deelgebieden, om per deelgebied tot een passend welstandsbeleid te komen is gewerkt via de thema's waardering, ambitie en beleid. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveaus van omgevingskwaliteit: basis omgeving; midden omgeving; bijzonder omgeving. Daarnaast wordt er onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, die allen een andere impact hebben op de omgeving. Er wordt onderscheid gemaakt tussen:

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

37

Kleine bouwwerken (binnen en buiten het bestemmingsplan); Reguliere bouwwerken (binnen het bestemmingsplan); Reguliere bouwwerken (buiten het bestemmingsplan, m.u.v. kleine bouwwerken); Bijzondere bouwwerken. In afbeelding 4.8 staat de toetsingsmethodiek weergegeven.

Afbeelding 4.8 Werkwijze welstandsbeoordeling (Bron: gemeenten Dinkelland en Tubbergen) 4.4.5.2 Welstandsniveau - Waardevolle elementen De gemeentes Dinkelland en Tubbergen kennen diverse landgoederen. Dit betreft de vaak oude landgoederen met een cultuur- (historische) achtergrond. Op de landgoederen staan vaak bijzondere gebouwen, die door de vormgeving en landschapsinrichting in het landelijke gebied verankerd zijn. Elk van de landgoederen is waardevol en heeft een eigen karakter waarmee een positieve bijdrage wordt geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Naast de landgoederen zijn verspreid door de gemeentes ook andere waardevolle elementen in deze nota opgenomen. In de gemeentes bevinden zich diverse gemeentelijke- en rijksmonumenten die door hun monumentale status al als bijzonder zijn aangemerkt. De redengevende monumentenbeschrijving geldt als waardering van deze objecten. 4.4.5.3 Toetsing van het initiatief aan de 'Nota omgevingskwaliteit' In dit geval zijn de plannen uitgebreid besproken met het Q-team en met de monumentencommissie van de gemeente Tubbergen. In de planvorming is hiermee uitvoerig rekening gehouden. De kwaliteiten van de rijksmonumentale gebouwen worden behouden en waar mogelijk nadrukkelijker in beeld gebracht. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het initiatief daarmee in overeenstemming is met de nota omgevingskwaliteit. 4.4.6

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling past binnen de gemeentelijke beleidskaders.

38

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1 Geluid 5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

Het plan voorziet in de realisatie van recreatie-appartementen en planologisch één woning. De recreatie-appartementen betreffen geen geluidgevoelige objecten. Dit is in jurisprudentie bevestigd (ABRS 1 mei 2019, no. 201801643/1/R1). Hierin staat het volgende vermeld: 'het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat een recreatiewoning in beginsel geen geluidgevoelig gebouw is in de zin van de Wet geluidhinder. Een camping is dat evenmin. Op grond van de Wgh kunnen de vaste kampeermiddelen en recreatiewoningen aldus niet als geluidgevoelige objecten worden aangemerkt'. Ten aanzien van de woning gaat het planologisch gezien wel om het toevoegen van een geluidsgevoelige functie, echter is deze woning al sinds jaren aanwezig en abusievelijk niet als zodanig bestemd. Er is daarom feitelijk geen sprake van het toevoegen van een geluidsgevoelige functie. Dit neemt niet weg dat moet worden nagegaan of ter plaatse van het recreatieterrein sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat'. In dit geval liggen de functies binnen de geluidszone van de Beekzijdeweg. De functies liggen echter op meer dan 175 meter afstand van deze weg. Daarbij betreft de Beekzijdeweg een zeer rustige weg die met name door het bestemmingsverkeer gebruikt wordt. Ook is er in de nabijheid van het plangebied geen sprake van spoorlijnen of gezoneerde bedrijventerreinen.

Daarom kan redelijkerwijs verwacht worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht.

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

39

5.2.2

Situatie plangebied

In dit geval gaat het om hergebruik van bestaande gebouwen. Er wordt enkel een nieuw gebouw ten behoeve van opslag en stalling gebouwd. Dit betreft geen gebouw met een verblijfsfunctie. Bovendien gaat het om het gebruik van functies op een erf waar reeds een woonbestemming geldt. Voorzover bekend hebben er in het verleden ook geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden, waarmee verwacht mag worden dat de kwaliteit van de grond passend is bij de reeds geldende bestemming 'Wonen'. Een bodemonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 5.2.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Verkeersbewegingen kunnen van invloed zijn op de luchtkwaliteit. Binnen het voornemen worden 15 recreatieverblijven en twee vakantiewoningen toegevoegd in het buitengebied van Tubbergen. Dit zorgt, zoals beschreven in paragraaf 3.2 van deze toelichting, slechts voor een beperkte toename van verkeersbewegingen. In paragraaf 5.3.1.1 is een lijst met categorieën van gevallen beschreven, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. 40

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

Tevens wordt opgemerkt dat de nieuwe functie niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4 Externe veiligheid 5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden- en het groepsrisico. 5.4.2

Beoordeling

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond de plangebieden. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode cirkel) weergeven.

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

41

Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart) Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat de locatie voor de nieuwe woonfunctie: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5 Milieuzonering 5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten

42

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor en langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt in het buitengebied, waar geen sprake is van een verscheidenheid aan functies. De omgeving wordt daarom aangemerkt als een rustige woonwijk. De volgende tabel geeft de richtafstanden voor de verschillende omgevingstypes weer. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6 5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Beoordeling

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.1 Externe werking Algemeen Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In voorliggend geval worden recreatieve functies mogelijk gemaakt op een bestaand woonerf. De bestaande woonbestemming blijft echter geldend, waarmee de woningen formeel gezien beschermd zijn tegen eventuele hinder van de recreatieve functies. Gezien de functies binnen dezelfde gebouwen plaatsvinden als de woningen, wordt formeel niet aan de richtafstand voldaan. Daarom is door Alcedo een akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd. Hierbij is enerzijds de geluidbelasting als gevolg van de functies in het plangebied in beeld gebracht en is anderzijds de geluidbelasting als gevolg van de toename aan verkeer in beeld gebracht.

Hierbij is in het kader van een worst-case scenario er vanuit gegaan dat al het verkeer via de bestaande in- en uitrit ontsloten wordt. In de praktijk is hier echter geen sprake van, aangezien voor het recreatief verkeer een nieuwe ontsluiting zal worden gerealiseerd. Het volledige rapport is als Bijlage 4 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

43

Resultaten onderzoek In de representatieve bedrijfssituatie bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de dagperiode ten hoogste 21 dB(A) en in de avondperiode ten hoogste 26 dB(A) op de noordelijke gevel van ’t Oale Hoes vanwege rijdende auto’s. Hiermee wordt in beide etmaalperioden en voor alle woningen voldaan aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit en de richtwaarden voor de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Het geluid van de dichtslaande autoportieren is maatgevend en bedraagt in de dagperiode (op begane grond) ten hoogste 39 dB(A) en in de avondperiode (op verdieping) is de geluidsbelasting ten hoogste 40 dB(A) op de oostelijke gevel van ’t Oale Hoes. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat het maximale geluidsniveau voldoet aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de richtwaarden voor de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening. In de representatieve bedrijfssituatie bedraagt het equivalente geluidsniveau ten gevolge van inrichtingsgebonden verkeer in de dagperiode ten hoogste 9 dB(A) en in de avondperiode ten hoogste 14 dB(A). Beide niveaus treden op bij de westelijke gevel van ’t Oale Hoes. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde voldaan.

Hieruit kan geconcludeerd worden dat het realiseren van de recreatiewoningen met bijbehorende parkeergelegenheid niet leidt tot onacceptabele geluidniveaus. 5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In dit geval gaat het om de realisatie van nieuwe functies binnen de bestaande woonbestemming. De functies binnen de bestaande woonbestemming zijn reeds beschermd tegen eventuele hinder van omliggende functies. Met het toestaan van recreatieve functies binnen de woonbestemming wijzigt dit niet. Er is dan ook geen sprake van aantasting van de gebruiksmogelijkheden van omliggende functies. Er is wel sprake van het toevoegen van gevoelige functies, aangezien de recreatieve functies in ieder geval geurgevoelig zijn. In de nabijheid van het plangebied ligt één grondgebonden agrarisch bedrijf. Voor veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', veelal de grootste richtafstand voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend.

Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. Indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten dan geldt een grootste richtafstand van 30 meter voor geluid. Het bedrijf ligt aan de Boakenkampsweg 7, op een afstand van meer dan 200 meter van het plangebied. Het betreft een grondgebonden veehouderij, waarvoor een afstand van 30 meter voor geluid geldt. Daarom wordt gesteld dat er ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6 Geur 5.6.1

Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een 44

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Dit wordt 'de omgekeerde werking' genoemd. 5.6.2

Situatie plangebied

In het kader van de toetsing aan de Wgv dient beoordeeld te worden of er sprake is van de realisatie van een 'geurgevoelig object'. Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruik. Met voorliggend initiatief wordt voorzien in het toevoegen van geurgevoelige objecten, namelijk de recreatieverblijven. In de directe omgeving van het plangebied is zoals aangegeven één grondgebonden veehouderij aanwezig. Ter plaatse wordt melkvee gehouden. Voor melkvee gelden geen geuremissiefactoren, maar vaste richtafstanden. De afstand voor dieren zonder geuremissiefactor (artikel 4 lid 1 Wgv) bedraagt 50 meter indien het geurbelastend object buiten de bebouwde kom is gelegen. Daar is in dit geval sprake van. De vaste afstand van 50 meter wordt ten aanzien van het bedrijf ruimschoots gehaald. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt het bedrijf niet in haar ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. 5.6.3

Conclusie

Op basis van de Wgv en een goede ruimtelijke ordening zijn geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.

5.7 Ecologie 5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.7.2.2 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. De locatie ligt op circa 100 meter afstand van het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied 'Springendal en dal van de Mosbeek'. In afbeelding 5.2 is een uitsnede weergegeven van de ligging ten opzichte van het Natura 2000-gebied en het NNN.

Het projectgebied is met de bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

45

roze button weergegeven.

Afbeelding 5.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 en het NNN (Bron: Provincie Overijssel) In dit geval is door BJZ.nu een stikstofberekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase. De resultaten zijn hierna samengevat weergegeven. Het volledige rapport is als Bijlage 5 opgenomen. Geconcludeerd wordt dat in de aanlegfase van één jaar geen sprake is van depositie van boven de 0,1 mol/ha/j. Dit leidt ertoe dat het geheel van de activiteiten in de aanlegfase in combinatie met het verspreidingseffect van de NOx per jaar onderdeel is van de landelijke achtergronddepositie die altijd al aanwezig was. Daarnaast is er in de gebruiksfase geen sprake van depositie boven de 0,00 mol/ha/j. Gelet op vorenstaande is hiermee dan ook geen sprake van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig. 5.7.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Het plangebied ligt direct aangrenzend en deels in het NNN. In dit geval worden er echter geen waarden van het NNN aangetast. Er worden namelijk geen groenelementen verwijderd, maar puur versterkt. Er is dan ook geen sprake van aantasting van het NNN. 5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.

46

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

5.7.3.2 Situatie plangebied In dit geval gaat het om een functieverandering van bestaande gebouwen en het bouwen van een gebouw op een bestaand erf. De uitwendige vorm van de gebouwen blijft echter grotendeels behouden. Er is met name sprake van inpandige ingrepen. Hierbij is geen sprake van sloop. Ook is er geen sprake van het rooien van groen. Redelijkerwijs kan daarom niet worden verwacht dat er sprake is van aantasting van beschermde soorten. Een quickscan ecologie kan achterwege gelaten worden. 5.7.4

Conclusie

De ontwikkeling heeft naar verwachting geen invloed op beschermde natuurgebieden, flora en fauna. Nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

5.8 Archeologie & cultuurhistorie 5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Beoordeling In dit geval is er nagenoeg geen sprake van bodemingrepen. Bovendien gelden op basis van het gemeentelijk archeologiebeleid (de gemeentelijke archeologische verwachtings- en advieskaart) ter plaatse van het plangebied de gebiedstypen ‘dekzandwelvingen en vlakten’ en ‘beekdalen en overige laagten’. Voor deze gebieden geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 5.000 m2 en dieper dan 40 cm. Ook ligt het gehele plangebied binnen de attentiezone van een erf. Vanwege deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en 40 centimeter. Ook deze oppervlakte wordt niet gehaald. Het gaat immers om de bouw van slechts één gebouw van slechts 50 m2. Dat wordt in dit geval niet gehaald. Een archeologisch onderzoek kan daarom achterwege blijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/824/documents/16996