Bijlage 25AF119 BOPA Ootmarsumseweg nabij 127 Albergen (11-5-2026), Bijlage bij RE_ ZT-2025-001459 Ootmarsumseweg 127a in Albergen het plaatsen van bedrijfsau
Tekst van het document
Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt h et 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Situatie plangebied Het perceel behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De locatie ligt op een afstand van circa 1.400 meter van het meest nabijgelegen gebied van het NNN (figuur 5.2). Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen ac tiviteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel.
Figuur 5.2 – Afstand tot NatuurNetwerk Nederland (Bron: Atlas Leefomgeving) Conclusie Het plangebied ligt op 1,4 kilometer afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 5.4.3 Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende | beschermingsregimes | gehanteerd | waaraan | verschillende | verbodsbepalingen | zijn gekoppeld: • | Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); • | Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); • | Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora | - en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. Situatie plangebied De gronden binnen het projectgebied die gebruikt | zullen worden voor de opslag van bedrijfsauto’s ten behoeve | de bedrijfsvoering kunnen gelet op de terreingesteldheid van deze gronden als ongeschikt voor beschermde flora en/of fauna. | Op basis hiervan lijkt van aantasting van het leefgebied voor beschermde flora en fauna geen sprake. Op basis van deze gegevens wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. 24 25 5.5 Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen.
Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van weg en, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over: • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; • ammoniakemissies van veehouderijen; • geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3% -grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project d e 3% -grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening.
Met de NIBM -tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool. Situatie plangebied Met dit project wordt de realisatie van parkeerplekken voor opslag/stalling van bedrijfsauto’s ten behoeve van de bedrijfsvoering van Dani Autobedrijven BV. Naar aanleiding van een schatting wordt er gerekend voor 35 extra verkeersbewegingen per week. Dit betekent dat er per werkdaggemiddelde 7 extra verkeersbewegingen zullen plaatsvinden. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden. In figuur 5.3 is de worst -case berekening weergegeven met 7 extra voertuigbewegingen. 26 Figuur 5.3 Worst-case berekening voor bijdrage extra verkeer (Bron: INFOMILL.nl) Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmeringen veroorzaakt. 5.6 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook ge luid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: • woningen; • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal);
27 • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals • verzorgingstehuizen, • psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel: Figuur 5.4 – Standaardwaarden geluid (Bron: Besluit kwaliteit Leefomgeving, artikel 5.78T) Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluids beleid, namelijk het ‘Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen’ en de ‘Nota hogere grenswaarden ’. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe.
Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfsauto’s op te slaan op de grond aan de Ootmarsumseweg nabij 127 te Albergen ten behoeve van zijn bedrijfsvoering. Hiermee wordt geen geluidsgevoelig object opgericht. Toetsing aan de weg- en railverkeerslawaai is hiermee niet noodzakelijk. Situatie plangebied, industrielawaai De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfsauto’s op te slaan op de grond aan de Ootmarsumseweg nabij 127 te Albergen ten behoeve van zijn bedrijfsvoering. Hiermee wordt geen geluidsgevoelig object opgericht. Toetsing aan industrielawaai is hiermee niet noodzakelijk. Situatie plangebied, geluid door belastende activiteiten De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfsauto’s op te slaan op de grond aan de Ootmarsumseweg nabij 127 te Albergen ten behoeve van zijn bedrijfsvoering. Hiermee wordt geen geluidsgevoelig object opgericht. Toetsing aan geluid door belastende activiteiten is hiermee niet noodzakelijk. Voor een parkeerterrein geldt volgens de VNG milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 m voor het aspect geluid. Gelet op de verschillende functies in de directe omgeving van het projectgebied, kan gesteld worden dat het hier gaat om een ‘gemengd gebied’. Hierdoor kan de richtafstand met één afstandstap teruggebracht worden.
De richtafstand bedraagt dan 10 m tot geluidgevoelige objecten. Het dichtstbijzijnde geluidgevoelige object betreft de bedrijfswoning aan de Ootmarsumseweg 27 op een
28 afstand van ca. 20 m van het projectgebied. Er wordt voldaan aan de richtafstand, waardoor geconcludeerd kan worden dat er voor de bedrijfswoning en andere geluidgevoelige objecten in de omgeving sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen en bedrijfsactiviteiten niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat 5.7 Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: • zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); • het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); • andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur.
Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. Situatie plangebied De uitbreiding van de bedrijvigheid ten behoeve opslag van bedrijfsauto ’s wordt niet als geurgevoelig gezien. De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op geurgevoelige functies in de omgeving. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voor het aspect ‘geur’ geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen. 5.8 Omgevingsveiligheid Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl.
In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastendeactiviteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het • Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met 29 het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art.
5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifw olk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied.
Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand - of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl ). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdie nsten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).
Situatie plangebied De initiatiefnemer is voornemens op de grond aan de Ootmarsumseweg nabij 127 te Albergen bedrijfsauto’s op te slaan ten behoeve van de bedrijfsvoering van Dani Aut obedrijven BV. Hiermee is geen sprake van het oprichten van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. Er worden geen brandbare en/of gevaarlijke materialen opgeslagen. Er wordt geen gevoelige functie opgericht in het kader van externe veiligheid. Daarnaast is het projectgebied niet gelegen in een aandachtsgebied (zie figuur 5.5). Verdere toetsing aan het omgevingsaspect ‘Omgevingsveiligheid’ kan hiermee achterwege blijven. 30 Figuur 5.5 – Ligging ten opzichte van aandachtsgebieden (Bron: Atlas Leefomgeving) Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘Omgevingsveiligheid’ geen belemmeringen vormt voor het planvoornemen. 5.9 Trilling In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.
De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillingge voelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook
31 standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Situatie plangebied In de nabijheid van het plangebied zijn geen functies te vinden, zoals spoorwegen. Spoorwegen en dergelijke andere functies kunnen trillingen veroorzaken. Teven is binnen het projectgebied geen trillinggevoelig gebouw aanwezig. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Trilling’ geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 5.10 Archeologie en Cultuurhistorie De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten.
Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een pro ject binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst. Situatie plangebied Archeologie Bij de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Tubbergen’ is reeds getoetst aan het onderdeel archeologie, waarop de functie en bijbehorende planregels zijn aangebracht. De projectlocatie is daarmee geschikt voor het beoogde gebruik. Echter is voor de gronden van het projectgebied de archeologische functie opgenomen met een functieaanduiding ‘Waarde – Archeologie 3’. Binnen deze functie mogen geen gebouwen met een oppervlakte van 2.500 m2 of meer worden opgericht. Tevens mag niet op een grotere diepte dan 0,4 m worden verstoord.
Gezien er geen bouwwerkzaamheden zullen plaatsvinden ten behoeve van de opslag van de bedrijfsauto’s, wordt archeologisch onderzoek niet nodig geacht. Cultuurhistorie Binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan bevinden zich geen cultuurhistorische waardevolle objecten of landschapswaarden. Verdere toetsing op het gebied van cultuurhistorische waarden is daarmee uitgesloten. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voor de aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ geen belemmering zijn voor het planvoornemen. 32 5.11 Bodem Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met he t oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.
Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergu nning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschil len. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Situatie plangebied De initiatiefnemer is voornemens de grond op de projectlocatie te gebruiken voor opslag van bedrijfsauto’s ten behoeve van de bedrijfsvoering.
De uitbreiding zal uitsluitend worden gebruikt voor opslag. Binnen deze uitbreiding zullen er niet voortdurend (langer dan 2 uur) mensen verblijven. Daarmee wordt geen nieuwe bodemgevoelige functie opgericht. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is in dit geval dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘bodem’ geen belemmeringen vormt voor voorgenomen ontwikkeling. 5.12 Waterbelang Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke water toets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. 33 Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan loz ingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn. Situatie plangebied Op 14 mei 2025 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets verricht. Uit de watertoets is gebleken dat er geen belangen van het Waterschap Vechtstromen worden geraakt. Het advies van het Waterschap is dan ook geen belang procedure. Voor de volledige watertoets wordt verwezen naar bijlage 2. 34 6. Financiële haalbaarheid De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen.
Enerzijds door dire ct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar. 35 7. Voorwaarden omgevingsvergunning Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt door activiteiten evenwichtig over locaties te reguleren.
In dat verband worden de volgende voorwaarden aan de vergunning verbonden: 36 8. Bijlagen Bijlage 1: Situatieschets Bijlage 2: Digitale Watertoets Bijlage 3: Participatieverslag