Bijlage 25AF119 BOPA Ootmarsumseweg nabij 127 Albergen (11-5-2026), Bijlage bij RE_ ZT-2025-001459 Ootmarsumseweg 127a in Albergen het plaatsen van bedrijfsau
Tekst van het document
omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Ootmarsumseweg nabij 127 Albergen 1 Inhoudsopgave 1. Inleiding ...................................................................................................................................... 2 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied ............................................................................................ 2 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging .............................................................................. 3 1.3 Leeswijzer .................................................................................................................................. 4 2. Toekomstige situatie ................................................................................................................... 5 2.1 Gewenste ontwikkeling............................................................................................................... 5 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving .................................................................. 5 3. Toetsing aan omgevingsplan...................................................................................................... 7 3.1 Omschrijving nieuwe situatie ......................................................................................................
7 3.2 Toetsing aan het omgevingsplan ............................................................................................... 7 3.2.1 Strijdigheden met bestemmingsplan ‘Tubbergen Buitengebied 2016’ .................................... 8 3.2.2. Bruidsschat ............................................................................................................................. 8 4. Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht ........................ 9 4.1 Visie en beleid voor het plangebied ........................................................................................... 9 4.1.1 Nationale omgevingsvisie ....................................................................................................... 9 4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 ................................................. 9 4.1.3 Omgevingsvisie Tubbergen .................................................................................................. 15 Buitengebied met kwaliteit.............................................................................................................. 15 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders ........................................................
16 4.2.1 Vooroverleg provincie ........................................................................................................... 16 4.2.2 Vooroverleg Waterschap Vechtstromen ............................................................................... 16 4.2.3 Participatie omgeving ............................................................................................................ 16 4.2.4 Bindend adviesrecht gemeenteraad ..................................................................................... 17 5. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ................................................................................ 18 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking ..................................................................................... 18 5.2 m.e.r.-beoordeling .................................................................................................................... 19 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren ........................................................................... 21 5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming ........................................................................ 22 5.4.1 Natura 2000-gebieden ..........................................................................................................
22 5.4.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................... 23 5.4.3 Soortenbescherming ............................................................................................................. 24 5.5 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................ 25 5.6 Geluid ....................................................................................................................................... 26 5.7 Geur.......................................................................................................................................... 28 5.8 Omgevingsveiligheid ................................................................................................................ 28 5.9 Trilling ....................................................................................................................................... 30 5.10 Archeologie en Cultuurhistorie ............................................................................................... 31 5.11 Bodem ....................................................................................................................................
32 5.12 Waterbelang ........................................................................................................................... 32 6. Financiële haalbaarheid ........................................................................................................... 34 7. Voorwaarden omgevingsvergunning ........................................................................................ 35 8. Bijlagen ..................................................................................................................................... 36 2 1. Inleiding 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied De initiatiefnemer is voornemens de gronden van het projectgebied tijdelijk voor een periode van 3 jaar te gebruiken voor de opslag/stalling van voertuigen voor de bedrijfsvoering van het bedrijf Dani Autobedrijven BV. De opslag van de bedrijfsauto’s zal plaatsvinden aan de Ootmarsumseweg nabij 127 te Albergen. Wanneer de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein in Albergen gereed is, is initiatiefnemer voornemens om zich hier te gaan vestigen. In de tussentijd wil initiatiefnemer gebruik maken van een deel van het parkeerterrein bij de sportvelden om te gebruiken voor de opslag/stalling van de bedrijfsauto’s. De ontwikkeling vindt plaats op het perceel dat kadastraal bekend staat als Gemeente Tubbergen, Sectie I, perceelnummer 6374 (deels).
In figuur 1 .1 is de globale ligging van het projectgebied weergegeven (rode ster) en in figuur 1.2 is de begrenzing van het projectgebied globaal weergegeven (rood omkaderd). Figuur 1.1 – Globale ligging projectgebied (Bron: PDOK Viewer)
3 Figuur 1.2 – Globale begrenzing projectgebied (Bron: Kadastrale kaart) 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader Een buitenplanse omgevingsplanactivitei t is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan. Bij vergunningverlening van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt enerzijds dat een vergunning voor de activiteiten alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties li gt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functi es aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld. Bij de beoordeling of wij een vergunning willen verlenen voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn deze regels betrokken of in acht genomen Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregel s voor de fysieke leefomgeving, zodat de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
4 De gemeenteraad heeft een aantal gevallen aangewezen waarvoor een bindend advies van de gemeenteraad is vereist alvorens de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergunning verleend kan worden. Wanneer de gemeenteraad een negatie f advies geeft moet de gevraagde vergunning door het college worden geweigerd. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon - en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat. Belangenafweging Het college heeft bij het bepalen om wel of geen vergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoeringen vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied.
Verder mag het project niet i n strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze worden afgewogen. Ondanks dat het project in strijd is met het omgevingsplan kan de omgevingsvergunning voor het project worden verleend, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het project bij aan de visie en het beleid die de gemeente voor dit projectgebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Ook de gemeenteraad heeft een positief advies gegeven. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen. Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de omgevingsvergunning geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op.
Het verlenen van de omgevingsvergunning is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg, het participatietraject en of een bindend advies van de gemeenteraad benodigd is. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot zijn in hoofdstuk 7 de voorwaarden opgenomen die aan deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergunning zijn verbonden. 5 2. Toekomstige situatie 2.1 Gewenste ontwikkeling De initiatiefnemer is voornemens om op de grond aan de Ootmarsumseweg nabij 127 te Albergen tijdelijk (3 jaar) bedrijfsauto’s op te slaan ten behoeve van de bedrijfsvoering van Dani Aut obedrijven BV. Hierbij is het van belang dat er zo’n 80 bedrijfsauto’s gestald kunnen worden op het perceel.
Op het perceel is echter ruimte voor meer dan 100 bedrijfsauto’s, waarvan gebruik gemaakt kan worden als dit noodzakelijk is. Dit perceel staat kadastraal bekend als: Gemeente Tubbergen, Sectie I, perceelnummer 6374 (deels). De oppervlakte van het perceel dat in gebruik genomen gaat worden is 4.410 m2. De gronden zullen gebruikt worden voor de opslag van de bedrijfsvoertuigen totdat initiatiefnemer een geschikte locatie op een bedrijventerrein of industrieterrein heeft gevonden. Het overige gedeelte van het parkeerterrein (3.050 m2) blijft in gebruik ten behoeve van de sportvelden. Hier is ruimte voor circa 90-95 auto’s. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op het parkeren en de benodigde parkeerplaatsen voor de sportvelden. Wanneer een evenement plaatsvindt ter plaatse van de projectlocatie, zullen de bedrijfsauto’s tijdelijk verplaatst worden naar een andere locatie. Dit kan bij een collega-ondernemer in de gemeente. 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving In de vorige paragraaf is de gewenste ontwikkeling beschreven. Hierbij wordt op één locatie een ander type gebruik mogelijk gemaakt, zie onderstaand: • Ootmarsumseweg nabij 127, Albergen: het mogelijk maken van de stalling van bedrijfsauto’s op een locatie met de functie ‘Sport’.
Om de gewenste ontwikkeling in kaart te brengen is een situatieschets opgesteld met de invulling van de parkeerplaatsen (zie figuur 2.1). De situatieschets is tevens toegevoegd als bijlage 1. Uit de opzet blijkt dat er ruimte is voor de realisatie van 106 parkeerplaatsen, waarbij per parkeerplaats een standaardmaat van 3 bij 6 meter wordt gehanteerd . Binnen deze afmetingen passen de bedrijfsauto’s. Daarnaast is er rekening gehouden met voldoende doorrijmogelijkheid tussen de parkeerplaatsen door. Figuur 2.1 – Situatieschets projectgebied (Bron: Ad Fontem Ruimtelijk Advies)
6 De milieueffecten van de ontwikkeling zijn beschreven in hoofdstuk 5. 7 3. Toetsing aan omgevingsplan 3.1 Omschrijving nieuwe situatie Concreet wordt de volgende activiteit aangevraagd in de voorliggende vergunningsaanvraag: • Het tijdelijk (3 jaar) gebruiken van de gronden ten behoeve van het stallen van voertuigen voor de bedrijfsvoering van Dani Autobedrijven BV. • Afwijken van regels in het Omgevingsplan. 3.2 Toetsing aan het omgevingsplan Het initiatief heeft betrekking op de volgende activiteiten: • Het gebruiken van de gronden ten behoeve van het stallen van voertuigen voor de bedrijfsvoering van Dani Autobedrijven BV. Het plangebied ligt binnen het omgevingsplan gemeente Tubbergen, onderdeel ‘Tubbergen Buitengebied 2016’ en ‘Tubbergen Buitengebied Veegplan’ . Binnen het plangebied ligt de functie ‘Sport’. Daarnaast zijn de volgende overige functies en aanduidingen van toepassing : • Waarde – Archeologie 3 • Vrijwaringszone – radarverstoringsgebied • Maximum oppervlakte (m2): 950 Dit betekent dat de gronden ter hoogte van de functie ‘Sport’ in hoofdzaak zijn bedoeld voor sport - en speelterreinen met daaraan ondergeschikt wegen en paden. De gezamenlijke oppervlakte aan bebouwing binnen de functie ‘Sport’ mag 950 m 2 bedragen.
De voor 'vrijwaringszone - radarverstoringsgebied' aangeduide gronden zijn mede bedoeld voor het vrijhouden van een goed radarbeeld van het luchtruim. De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. In figuur 3.1 ziet u een weergave van het geldende plan en de bijbehorende onderdelen. Figuur 3.1: Geldend Omgevingsplan projectgebied (Bron: Omgevingsloket, regels op de kaart)
8 3.2.1 Strijdigheden met bestemmingsplan ‘Tubbergen Buitengebied 2016’ Het tijdelijk gebruiken van de gronden nabij de Ootmarsumseweg 127 te Albergen voor het stallen van voertuigen voor de bedrijfsvoering van Dani Autobedrijven BV past niet binnen de mogelijkheden van het omgevingsplan gemeente Tubbergen. Binnen de functie ‘ Sport’ is het niet toegestaan om bedrijfsmatig voertuigen te stallen. Door middel van een BOPA kan afgeweken worden van het omgevingsplan en kan het beoogde gebruik van de gronden ten behoeve van het stallen van voertuigen voor de bedrijfsvoering mogelijk gemaakt worden. 3.2.2. Bruidsschat Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt een aantal regels op rijksniveau. Deze regels verhuizen naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Dit heet ook wel de ‘bruidsschat’. Gezien de kleinschaligheid van voorliggend plan worden er geen (voormalige) rijksregels geraakt. 9 4. Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.1.1 Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan.
Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd.
Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik v an de ruimte; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder da n in het andere; • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Toets In de voorgenomen ontwikkeling wordt de grond aan de Ootmarsumseweg nabij 127 te Albergen gebruikt ten behoeve van het stallen van voertuigen voor de bedrijfsvoering van het bedrijf Dani Autobedrijven BV. Deze ontwikkeling is noodzakelijk voor het bedrijf om verder door te ontwikkelen. Dit sluit aan bij één van de vier gestelde prioriteiten van de NOVI, namelijk ‘Duurzaam economisch groeipotentieel’. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van tegenstrijdigheid met het Rijksbeleid. 4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 Provinciale Omgevingsvisie De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel.
De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie v an de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Provinciale Omgevingsverordening De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt 10 resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waa rin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid.
Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te mak en, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: • generieke beleidskeuzes (OF); • ontwikkelingsperspectieven (WAAR); • gebiedskenmerken (HOE). Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes (OF) Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, r andvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000 -gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024. Ontwikkelingsperspectieven (WAAR) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken (HOE) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving ) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. 11 Figuur 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Onder afdeling 4.2 (Overijssels ladder voor duurzame verstedelijking) van de Omgevingsverordening 2024 staan de generieke beleidskeuzes opgenomen. Artikel 4.3 stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de Ladder voor duurzame verstedelijking en is gericht op de concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid.
Met betrekking tot dit project zijn de volgende beleidskeuzes van belang: Artikel 4.4 (principe van concentratie) Lid 1 In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerreinen, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen. Toets De voorgenomen ontwikkeling maakt het mogelijk om de grond aan de Ootmarsumseweg, ter hoogte van nummer 127 in Albergen, te gebruiken voor het parkeren en opslaan van bedrijfsauto’s die nodig zijn voor de bedrijfsvoering van Dani Autobedrijven BV. Deze uitbreiding ten behoeve van de opslag is nodig, aangezien het bedrijf dusdanig is gegroeid dat verdere opslag op het huidige terrein niet mogelijk is. Het gaat om een uitbreiding van een lokaal geworteld bedrijf dat voorziet in de werkgelegenheid en
12 de sociaaleconomische structuur op gemeentelijk/dorpsniveau. Hiermee wordt voldaan aan het principe van concentratie. Artikel 4.9 (Ruimtelijke kwaliteit) Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Planspecifiek De voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in een toetsing aan het uitvoeringsmodel en het ontwikkelingsperspectief. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling passend is op de projectlocatie. Gezien de ligging in het buitengebied van Albergen wordt de stedelijke laag niet verder getoetst. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving en stedelijke omgeving. Het projectgebied bevindt zich buiten bestaand bebouwd gebied aan de rand van de kern van Albergen.
Figuur 4.2 – Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart Ootmarsumseweg nabij 127, Albergen (Bron: Provincie Overijssel)
13 Het ontwikkelingsperspectief ‘Woon en werklocaties buiten de stedelijke netwerken’ geeft aan dat steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken altijd mogen bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Toets De initiatiefnemer is voornemens om op de grond van het projectgebied bedrijfsauto’s op te slaan ten behoeve van de bedrijfsvoering. Door de groei van het bedrijf is de behoefte naar meer opslaglocatie ontstaan. De beoogde ontwikkeling voorziet in de behoefte van een bestaand lokaal geworteld bedrijf om uit te breiden. Dit project is in overeenstemming met het geldende ontwikkelingsperspectief. Gebiedskenmerken Natuurlijke laag De natuurlijke laag geeft aan dat het projectgebied gelegen is in het kenmerk ‘Stuwwallen’. In onderstaande weergave is de natuurlijke laag in dit gebiedskenmerk opgenomen. Figuur 4.3 – Fragment gebiedskenmerk ‘Stuwwallen’ (Bron: Provincie Overijssel) De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar.
Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provi ncie. De stuwwalen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de ‘ingangen’ van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen. De ambitie is het eigen karakter van de afzonderlijke stuwwalen te behouden e n versterken. De inzet is het reliëf daarbij ruimtelijk beeldbepalend te laten zijn. Door bijvoorbeeld de overgangen naar andere landschappen te accenturen en door de zichten erop én er vanaf te versterken. Toets De hoogteverschillen zijn ter plaatse van het projectgebied niet (meer) waarneembaar. Van echte hoogteverschillen is dan ook geen sprake. De projectlocatie ligt ingeklemd tussen de woningen aan de
14 rand van de kern Albergen en sportvelden. Geconcludeerd wordt dat het project geen afbreuk doet aan de kenmerkende waarden van de ‘Natuurlijke laag’. Laag van agrarisch cultuurlandschap Figuur 4.4 – Fragment gebiedskenmerk ‘Essenlandschap’ (Bron: Provincie Overijssel) Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es. Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. De ambitie is het behouden van de es als ruimtelijke eenheid en het versterken van de contrasten tussen de verschillende landschapsonderdelen: grote open maat van de essen, het mozaïek van de flank van de es, de open beekdalen en vroegere heidevelden. De s amenhang hiertussen krijgt opnieuw vorm en inhoud door accentuering van de verschillende onderdelen en overgangen. De flank van de es biedt eventueel ruimte voor ontwikkelingen, mits de karakteristieke structuur van erven, beplantingen, routes en open ruim tes wordt versterkt. Dit betekent dat de es en de flanken slecht geschikt zijn voor het plaatsen van windturbines. Toets Met voorgenomen ontwikkeling wordt enkel het gebruik van het gebied aangepast.
Gezien het bestaande landschap niet aangetast wordt en de huidige inrichting en het gebruik van het projectgebied, zal dit ook geen invloed hebben op het essenlandschap. Geconcludeerd kan worden dat het project in overeenstemming met het gestelde in de ‘Laag van agrarisch cultuurlandschap’. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat, gelet op het feit dat er enkel sprake is van wijziging van het gebruik en er sprake is van een tijdelijke situatie, het voorgenomen plan in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
15 4.1.3 Omgevingsvisie Tubbergen MijnOmgevingsvisie gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); 2. hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); 3. hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); 4. welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart). Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: - We doen het samen; - We geven het goed voorbeeld; - We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. - We wentelen niet af op volgende generaties. Speerpunten In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op de thema’s Buitengebied in balans, Leefbare kernen, Leefomgeving van de toekomst.
In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema ‘Leefbare kernen’ van belang. Daarbij gelden de volgende speerpunten: • Voldoende voorzieningen • Aantrekkelijk wonen • Ruimte voor ondernemen Toets Met voorgenomen ontwikkeling wordt de opslag van bedrijfsauto’s ten behoeve van de bedrijfsvoering mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling sluit het best aan bij het speerpunt ‘Ruimte voor ondernemen’. Het doel is om het aanbod aan bedrijfsgrond aan te laten sluiten bij de vraag. Gezien de groei van Dani Autobedrijven BV in de afgelopen jaren, hebben zij te weinig ruimte voor hun bedrijfsvoering. De vraag naar extra bedrijfsgrond vanuit het bedrijf is dus aanwezig. Ook buiten de bedrijventerreinen zet de gemeente zich in voor voldoende, duurzame en passende ruimte voor ontwikkelingen. De projectlocatie wordt op het moment minimaal gebruikt, waardoor deze locatie als een passende ruimte gezien kan worden voor voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voorgenomen ontwikkeling aansluit bij de Omgevingsvisie van de gemeente Tubbergen. 4.1.4 Buitengebied met kwaliteit Het buitengebied kenmerkt zich door een mix van functies als landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en wonen, al deze functies vragen om ruimte. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Al deze functies leggen samen veel druk op ons buitengebied.
Daarom wordt ook voor de toepassing van deze beleidsregel het uitgangspunt gehanteerd: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. We streven naar een aantrekkelijk en vitaal buitengebied waar een goede balans is tussen landgebruik, ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en economische activiteiten. Om dit te kunnen bereiken beschikt de gemeente over diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur en het VAB+ beleid. Alle beleidsregelingen hebben de afgelopen jaren op hun eigen wijze een bijdrage geleverd aan een aantrekkelijk en vitaal buitengebied en de doelstellingen van deze regelingen sluiten nog prima aan bij de speerpunten voor het buitengebied zoals geformuleerd in MijnOmgevingsvisie. 16 Toets Voor het (gedeeltelijk) toestaan van een andere ‘Overige functie’ passend binnen een perceel met een ‘Overige functie’ is sprake van maatwerk. Bedrijfsmatige buitenopslag van goederen of andere bedrijfsmatige activiteiten buiten de gebouwen is uitsluitend in ondergeschikte mate toegestaan en moet aantoonbaar noodzakelijk zijn voor de aard van de bedrijvigheid. De buitenopslag mag geen substantieel onderdeel vormen van de bedrijfsvoering en mag geen grotere oppervlakte beslaan dan 200 m2.
Daarnaast moet de buitenopslag goed landschappelijk ingepast worden. Met voorgenomen ontwikkeling wordt de opslag van bedrijfsauto’s ten behoeve van de bedrijfsvoering mogelijk gemaakt. Op de bedrijventerreinen in Tubbergen is momenteel geen ruimte meer om te voorzien in de groei van Dani Autobedrijven BV. Om die reden is er gezocht naar een geschikte locatie om de bedrijfswagens elders tijdelijk in de gemeente op te slaan. De beoogde locatie aan de Ootmarsumseweg nabij 127 wordt om het moment minimaal gebruikt, waardoor deze locatie als een passend gezien wordt. Daarbij die nt opgemerkt te worden dat het hier gaat om een tijdelijke situatie. Om die reden wordt landschappelijke inpassing niet noodzakelijk geacht. Conclusie Gelet op het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het beleid ‘Buitengebied met kwaliteit’ het beoogd initiatief niet in de weg staat. 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders In de voorfase is geen sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe- uitspraak heeft gedaan. De plannen zijn echter wel gedeeld met de gemeente Tubbergen. De gemeente heeft via mailcontact op 25 april 2025 aangegeven dat de voorgenomen ontwikkeling niet paste binnen het omgevingsplan. De gemeente heeft aangegeven wel medewerking te kunnen verlenen via een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA).
4.2.1 Vooroverleg provincie De provincie Overijssel heeft de ‘uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023’ vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belange n zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. Het initiatief valt niet onder de uitzonderingslijst ruimtelijke initiatieven 2023. Om die reden is het plan voorgelegd te worden aan de provincie Overijssel. Op 11 maart 2026 heeft de provincie Overijssel aangegeven dat het initiatief past in haar ruimtelijk beleid. Er zijn dan ook geen belemmeringen wanneer dit plan in deze vorm in procedure gebracht wordt. Het omgevingsoverleg met de provincie is daarmee afgerond. 4.2.2 Vooroverleg Waterschap Vechtstromen Op 14 mei 2025 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets verricht. Uit de watertoets is gebleken dat er geen belangen van het Waterschap Vechtstromen worden geraakt. Het advies van het Waterschap is dan ook geen belang procedure. Voor de volledige watertoets wordt verwezen naar bijlage 1. 4.2.3 Participatie omgeving De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen. 17 Initiatiefnemer heeft de buurt op de hoogte geb racht door middel van een informatiebrief.
De voetbalvereniging is op de hoogte gebracht. Daarnaast heeft initiatiefnemer de omwonenden en belanghebbenden binnen een straal van ca. 100 m rond het plangebied op de hoogte gesteld. Hierbij zijn o.a. de Kemnaweg 21 en 27, Hoofdstraat 14 t/m 50 ( even), Zende rtseweg 8 en 10 en Ootmarsumseweg 127 en 127a op de hoogte gebracht. Er zijn momenteel nog geen reacties binnengekomen vanuit de omgeving. De wijze van participeren en eventuele reactie s vanuit de om geving worden in een parti cipatieverslag verwe rkt. Het participatieverslag wordt al separate bijlage bijgevoegd. 4.2.4 Bindend adviesrecht gemeenteraad De raad heeft op grond van artikel 16.15 onder a en b van de Omgevingswet bepaald in welke gevallen een bindend advies van de gemeenteraad is vereist.
Het gaat om de volgende gevallen: - Een toevoeging van een woning in het buitengebied; - (Verplaatsing van) bebouwing op meer dan 30 meter buiten het bouwvlak; - (Het uitbreiden van) niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied; - De vestiging van een intensief veehouderijbedrijf; - Duurzame energievoorzieningen, zoals bijvoorbeeld: - zonneveld voorzover groter dan 50m2; - windturbine/-molen voorzover hoger dan 25 meter; - biomassavergistingsinstallatie voorzover niet uitsluitend bedrijfseigenmest wordt verwerkt - Antenne-installatie voorzover hoger dan 40 meter; - Grootschalige infrastructurele (kunst)werken; - De opvang van vluchtelingen en/of asielzoekers. Onderhavig plan betreft een geval waarvoor bindend advies van de gemeenteraad moet worden gevraagd. De ontwikkeling betreft namelijk de uitbreiding van niet -agrarische bedrijvigheid in het buitengebied. Echter dient daarbij opgemerkt te worden dat de projectlocatie omringt wordt door stedelijke functies. 18 5. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt bij vergunningverlening van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dat een vergunning voor de activiteiten alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow).
Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld , zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie . Voor zover relevan t is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid. 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes.
Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard o mtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven. De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiv eerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het op timale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling ( ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579.
De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkeling en kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan i s in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Stedelijke ontwikkeling Het voorliggende project voorziet enkel in het afwijken van de huidige functie op het projectgebied ten behoeve van de opslag van bedrijfsauto ’s voor de bedrijfsvoering. Uit jurisprudentie (ABRvS:ECLI:NL:RVS:2016:1075) blijkt dat een bestemmingsplan (tegenwoordig Omgevingsplan) dat ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, in beginsel niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling . Met voorgenomen ontwikkeling zal enkel de opslag van bedrijfsauto’s ten behoeve van de bedrijfsvoering mogelijk gemaakt worden.
Hierbij zal moeten worden afgeweken van de huidige functie ‘Sport’, aangezien het niet is toegestaan om op deze 19 functie bedrijfsmatig auto’s te stallen. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan geen stedelijke ontwikkeling is en dat de ladder niet van toepassing is. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op voorliggende ontwikkeling. Ook wanneer de ladder niet van toepassing is moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). 5.2 m.e.r.-beoordeling Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: • de EU-richtlijn mer (mer -richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten. • de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb -richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's. De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor.
Deze mer -procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan -mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: • De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34 lid 1 Ow). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen. • De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer - (beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Ow) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer - (beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer -plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan -mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1.
Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-merplichtig, maar er moet wel een plan -mer-beoordeling worden uitgevoer d. De mer -(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan -mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan -mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.
Beoordeling of het plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V | bij het Omgevingsbesluit. Dit project heeft betrekking op het afwijken van de gebruiksfunctie van een maatschappelijke voorziening, zodat deze regulier bewoond kan worden. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V | bij het Omgevingsbesluit, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'stedelijk ontwikkelingsproject met | inbegrip van | de bouw van winkelcentra en | de | aanleg van parkeerterreinen'. Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kant | oorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van | het | geval.
| Gelet | op | de | uitspraak | van | de | Raad | van | State | van | 31 | januari | 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken | de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: • | de aard en omvang van de ontwikkeling; • | de vormgeving en opzet; • | de schaalgrootte; • | de ligging; • | de voorgenomen functie(wijziging), en; • | de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan | -MER te maken( art. 16.36 lid 3 Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht. Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol.
Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant, waarbij de bestaande planologische mogelijkheden meegewogen mogen worden (ABRS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414). Voorgenomen ontwikkeling voorziet in het mogelijk maken van de opslag van bedrijfsauto’s ten behoeve van de bedrijfsvoering. Er wordt met het voorliggende plan geen nieuwe bebouwing toegevoegd. Uit jurisprudentie | (ABRvS | 20 | april | 2016; | ECLI:NL:RVS:2016:1075 | ) | blijkt | dat | bij | uitsluitend | een planologische wijziging in beginsel geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met voorliggend plan is er enkel sprake van een planologische wijziging binnen bestaande bebouwing, daarmee | is er geen | impact op de | omgeving. Hiermee | is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingstraject zoals bedoeld in kolom 1 van bijlage V van het OB (J11). Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project | dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
20 21 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Situatie plangebied verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer - en vervoerplan 201 9. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘toekomstig parkeren’ (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeerson veilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Verkeersgeneratie Voor het bepalen van het aantal verkeersbewegingen wordt gekeken naar de meest recente CROW - uitgave ‘Parkeerkencijfers 2024’ (uitgave 744). Gezien de ontwikkeling en dus het toekomstige gebruik van de projectlocatie niet in de CROW -uitgave vermeld wordt en ook nergens aan gekoppeld kan worden, is er een inschatting gemaakt. Door middel van deze inschatting is uitgegaan van een extra 35 verkeersbewegingen per week. Deze verkeersbewegingen kunnen makkelijk afgewikkeld worden aan de Ootmarsumseweg.
Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. Uitgangspunt is dat het parkeren op het eigen erf plaatsvindt. Als een aanvrager alle parkeergelegenheid voor het bouwplan op eigen erf realiseert, wordt er een positief parkeeradvies gegeven. Met voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van parkeerplekken ten behoeve van opslag voor de bedrijfsvoering van Dani Auto bedrijven BV mogelijk gemaakt. Deze beoogde parkeerplekken zijn bedoeld voor enkel de stalling/opslag van de bedrijfsauto’s. De initiatiefnemer heeft aangegeven ongeveer 80 parkeerplekken benodigd te hebben, waarbij dit aantal varieert per periode en ligt aan de doorstroomsnelheid. Realistisch gezien kan worden aangenomen dat er van de 106 parkeerplekken enkele parkeerplekken over zijn voor bezoekers en werknemers. Door het gebruik van het parkeerterrein voor de stalling/opslag van de bedrijfsauto’s zijn er minder parkeerplaatsen beschikbaar voor het sportcomplex. Aangetoond moet worden dat er voldoende parkeergelegenheid over blijft voor het sportcomplex. In de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' zijn voor sportvelden parkeernormen opgenomen , te weten 20,0 parkeerplaatsen per ha. (netto).
De oppervlakte van het sportcomplex (excl. de parkeerplaats) bedraagt 45.683 m2 . Dit komt neer op afgerond 4,57 ha. In totaal zijn er daarmee afgerond 92 parkeerplaatsen nodig voor het sportcomplex. Wanneer uitgegaan wordt van een standaard parkeeroplossing voor personen auto’s (rijbanen 6 m, haaksparkeren 5 m x 2,5m , incl. voldoende ruimte voor veilige ontsluiting ) is er nog ruimte voor circa 90-95 auto’s op het terrein dat beschikbaar blijft voor het sportcomplex . Daarnaast blijven de 35 parkeerplaatsen op het parkeerterrein aan de Kemnaweg beschikbaar voor het sportcomplex. In totaal zijn er 125 tot 130 parkeerplaatsen beschikbaar voor het sportcomplex. Daarmee is er sprake van voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het sportcomplex. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling. 22 5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
5.4.1 Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000 - gebieden (Vogelrichtlijn - en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000 -gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten.
De provincies stellen voor de Natura 2000 -gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000 -gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000 -gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of project en). Voor alle Natura 2000 -gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde Natura 2000 -gebied is ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’ en ligt op een afstand van circa 6,9 kilometer van het projectgebied.
De afstand tot de projectlocatie is weergegeven in figuur 5.1. De uitbreiding van de bedrijvigheid betreft een locatie van 4.410 m2. Gezien de ontwikkeling enkel voorziet in de afwijking van de functie, waarbij geen extra bebouwing wordt toegevoegd, zal voorgenomen ontwikkeling geen negatieve invloed hebben tot het Natura 2000-gebied. 23 Figuur 5.1 – Afstand tot Natura 2000-gebied (Bron: Atlas Leefomgeving) Conclusie Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000 -gebieden, geen Natura 2000 -activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000 - gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 5.4.2 Natuurnetwerk Nederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS w erd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit lee fomgeving (Bkl).