Ruimt onderb Rielseweg 875 20240320 zonder bijl
Tekst van het document
over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van
De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 59 dB ter plaatse
deling.
de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid
van de zuid oostgevel op begane grond en 1e, 2e en 3e verdieping. De
van personen.
vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan 20 dB (standaard-
Voor de beoordeling van een goede inpassing wordt onderscheid gemaakt
eis uit het bouwbesluit). Nader onderzoek naar de geluidwering van de ge-
in twee omgevingstypes. De twee omgevingstypes die de VNG hanteert,
vels is niet nodig.
zijn enerzijds “rustige woonwijk en rustig buitengebied” en anderzijds “ge-
4.4.3
Conclusie
Het aspect ‘externe veiligheid’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.5
Geluid
4.5.1
Toetsingskader
Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:
de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
de aanleg van een nieuwe weg;
de reconstructie van een bestaande weg.
mengd gebied”. Voor beide omgevingstypen gelden verschillende richtafWoon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt bij het hotel wordt geclassificeerd als ‘Zeer Goed’ tot ‘Matig’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van het hotel wordt als
Rustige woonwijk en een rustig buitengebied
acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.2.1 en
Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe
0 kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer)
van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen
een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.
vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig versto-
4.5.3
Conclusie
Het aspect ‘geluid’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
ken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch on-
4.6.1
Toetsingskader
derzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een vol-
geldt buiten beschouwing worden gelaten.
doende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieu-
De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstro-
belastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals wonin4.5.2
Onderzoek
standen.
gen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met mili-
De beoogde functie betreft geen geluidgevoelig object op basis van de
euzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en
Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek naar omliggende wegverkeer
te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat
is om die reden dan ook niet noodzakelijk. Vanuit een goed woon- en leef-
zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen
klimaat is wel bekeken wat de geluidbelasting is van de omliggende we-
uitvoeren.
ring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
Het omgevingstype wordt bepaald door de omgeving waarin de planreali-
de werkplaats ligt op circa 70 meter op het dichtstbijzijnde punt. De logies-
satie plaatsvindt en niet door het plan zelf. Het vertrekpunt vormt in alge-
voorziening voor arbeidsmigranten ervaart dus geen hinder van het bedrijf
mene zin de afstand behorend bij een rustige woonwijk en een rustig bui-
P. Pijnenburg & zn. B.V.
tengebied. De richtafstanden die hierbij behoren, kunnen echter met één stap worden verkleind indien er sprake is van een gemengd gebied. Onderzoek
Het gebied rondom de planlocatie kan worden aangemerkt als gemengd
4.6.3
Conclusie
4.7
Verkeer en parkeren
4.7.1
Toetsingskader
gebied. Het plangebied ligt naast een bedrijventerrein redelijk dichtbij een grote weg die kan worden aangemerkt als hoofdinfrastructuur. Een logiesvoorzieningen voor arbeidsmigranten in een gemengd gebied heeft een richtafstand van 0 meter. De huisvesting heeft daarmee geen milieuzonering richting omliggende gevoelige objecten. De dichtstbijzijnde gevoelige object is de bedrijfswoning gelegen op de Rielseweg 828, de afstand tot de bedrijfswoning is circa 37 meter. Rielseweg 873 Ten noorden van de planlocatie is er een recreatiebestemming aanwezig. Binnen deze bestemming zijn er volkstuinen gerealiseerd. De functie volkstuinen wordt niet benoemd in de Brochure Bedrijven en Milieuzonering 2009 van de VNG. Een dergelijke functie kan qua activiteiten gelijk worden gesteld met een milieucategorie 1. Hiervoor gelden binnen een gemengd gebied geen richtafstanden. De volkstuinen en de logiesvoorziening voor arbeidsmigranten veroorzaken geen hinder bij elkaar, onevenredige overlast over en weer is niet aan de orde. Rielseweg 828 Ten zuidoosten van de planlocatie is het bedrijf P. Pijnenburg & zn. B.V. gelegen. Het is een bouwnijverheidsbedrijf dat zich onder andere richt op grondwerkzaamheden, transport, groenonderhoud en wegenonderhoud. Het bedrijf wordt vergelijkbaar geacht met een aannemersbedrijf met werkplaats groter dan 1000 m².
In een gemengd gebied is dan grootste richtafstand 30 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan,
Op eigen terrein zal een bushalte worden gerealiseerd, waardoor gebruik van openbaar vervoer wordt gestimuleerd;
Gezien de ligging van de toekomstige bebouwing nabij een bedrijventerHet aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.6.2
Met de realisatie van 366 woonplekken voor arbeidsmigranten verandert de verkeersintensiteit en dienen voldoende parkeerplaatsen te worden gerealiseerd, waarbij dient te worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. 4.7.2
van wegen, is te verwachten dat deze toename goed opgevangen kan worden door het omliggend wegennetwerk. Parkeren De parkeernormen van de gemeente Tilburg zijn vervat in het document ‘Parkeernormen Tilburg 2017’. De gemeente gaat bij het hanteren van de parkeernormen uit van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd.
Onderzoek
Verkeer De nieuwe functies zorgt voor andere verkeersbewegingen. Er zijn geen normen vastgesteld voor verkeersgeneratie voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Voor de berekening van de verkeersproductie is uitgegaan van de normen voor een 3* hotel van CROW publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Op basis van deze CROW kengetallen is de verkeersproductie van de toekomstige functie in beeld gebracht. Op basis van het programma is de verkeersgeneratie bepaald. Hieruit blijkt dat het plangebied 183 mvt/etmaal genereert. Dit is op basis van een verkeersgeneratienorm van 0,5 rit/bed (366 * 0,5 = 183). Dit zou neerkomen op ongeveer 92 vertrekkende en 92 aankomende motorvoertuigbewegingen. In de praktijk zal de verkeersbewegingen minder zijn dan de hierboven genoemde aantallen. Dit heeft onder meer betrekking op de feitelijke situatie dat:
rein, de ruime opbouw van het omliggende wegennetwerk, en de nabijheid
De arbeidsmigranten voor wat betreft werk zullen worden opgehaald en teruggebracht vanaf de huisvestingslocatie. Het gebruik van eigen vervoer zal hierdoor beperkt blijven;
De parkeereis die bij het planvoornemen hoort is 98 parkeerplaatsen. Er geldt een parkeernorm van 1,6 parkeerplaatsen per wooneenheid en er zijn 61 wooneenheden aanwezig binnen het initiatief (61x1.6= 97,6). Het plan voldoet aan de parkeernorm. Er worden 54 parkeerplaatsen gerealiseerd in de kelder en 45 parkeerplaatsen op eigen terrein. Dit brengt het totaal op 99 parkeerplaatsen, waarvan er vier parkeerplekken grote parkeerplaatsen betreffen voor personenbusjes. Ook wordt er een private bushalte aangelegd op eigen terrein. In de kelder worden hiernaast ook circa 144-174 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd, hiermee wordt voldaan aan de fietsparkeernorm op basis van de fietsparkeerkencijfers van het CROW. Een wooneenheid is gelijk te stellen aan een appartement met fietsenberging en dus geldt een fietsparkeernorm tussen de 2,0-3,0. Gemiddeld is de parkeernorm dan 2,5. De berekening is dan als volgt 61 x 2,5 = 153. Er zijn dus gemiddeld 153 fietsparkeerplaatsen nodig waarbij met de realisatie van circa 144-174 fietsparkeerplaatsen aan wordt voldaan. 4.7.3
Conclusie
Het aspect ‘verkeer en parkeren’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1
Toetsingskader
die onder de NIBM vallen, onderhavig project niet in betekenende mate
lingen) én voor Natura 2000-gebieden (de ge-biedenbeschermingsbepa-
bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
lingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan be-
Echter dient wel nagegaan te worden of er ter plaatse sprake is van een
schreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn
goed woon- en leefklimaat. Hiertoe worden de achtergrondwaarden van
Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel
grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke
stikstof en fijnstof inzichtelijk gemaakt. Dit gebeurt aan de hand van de
van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische
projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de be-
NSL monitor. De achtergrondwaarden van de dichtstbijzijnde meetpunt is
Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd ge-
langrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende
in onderstaande tabel weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achter-
zag.
voorwaarden wordt voldaan:
grondwaarden aan stikstof en fijnstof ruim onder de norm liggen. Er is dan
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van
ook sprake van een goed leef- en verblijfsklimaat in het kader van de
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming
een grenswaarde.
luchtkwaliteit.
De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebieds-bescherming,
Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwa-
betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er
liteit.
NO2
PM10
PM10 overschrij-
PM2.5
Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtver-
μg/m3
μg/m3
dingsdagen
μg/m3
12
18
x
9
2020
40
40
35
25
2020
ontreiniging.
Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Jaar
naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Norm
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken,
Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in
4.8.3
Conclusie
Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmeringen.
tats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een pas-
4.9
Ecologie en stikstof
twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:
moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habi-
sende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet
Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtin-
4.9.1
gen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Rege-
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescher-
de volgende drie voorwaarden:
ling NIBM.
ming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader
1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemid-
voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming.
2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang,
delde concentratie NO2 enPM10 (1,2μg/m3).
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of
met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en
3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om
4.8.2
Onderzoek
Toetsingskader
is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan
gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is
te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-net-
Op grond van de categorieën van gevallen kan worden gemotiveerd dat
bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen
werk bewaard blijft.
luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de functiewijziging. De wijzi-
voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepa-
ging is dermate kleinschalig ten opzichte van vergelijkbare ontwikkelingen
Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn over-
Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur
artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn be-
tredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbre-
(EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen
schreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door
ken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een
natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuur-
het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die
vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening
ontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel na-
plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of
te worden gehouden met de algemene zorgplicht.
tuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te
ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
verbinden.
Met betrekking tot Natura 2000-gebieden wordt geadviseerd om vooraf4.9.2
Onderzoek
gaand aan de werkzaamheden een stikstofdepositieonderzoek uit te voe-
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde
Quickscan Flora en Fauna
ren. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland dient een effectenon-
staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding
Er is door Econsultancy een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De be-
derzoek Natuurnetwerk Brabant uitgevoerd te worden om (externe) effec-
van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuur-
langrijkste conclusies worden in deze paragraaf vermeld. De gehele
ten in kaart te brengen. Dit onderzoek is uitgevoerd en is hieronder verder
netwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die
quickscan is opgenomen in de bijlage.
beschreven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijla-
tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsre-
gen. Voor beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in
gimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de pro-
Op basis van onderhavige quickscan dient voor de uitvoering van de voor-
de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslo-
vinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
genomen werkzaamheden middels aanvullend ecologisch onderzoek
catie.
meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermings-regime. Activi-
van vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van gewone dwergvleermuis,
Effectenonderzoek NNB
teiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve ef-
ruige dwergvleermuis en laatvlieger.
Het effectenonderzoek Natuurnetwerk Brabant heeft als doel om de effec-
fecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
ten van het beoogd gebruik (wat mogelijk wordt gemaakt met deze verTen aanzien van foerageergebied en een potentiële vliegroute voor vleer-
gunning) op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het Natuurnet-
muizen dient er geen additionele verlichting te worden toegepast tijdens
werk Brabant (NNB) te onderzoeken.
Soortenbescherming
de bouwfase en de eindfase richting de bosschages ten noorden, oosten
De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soor-
en westen van de onderzoekslocatie. Indien verstoring door een toename
De voorgenomen ingreep vindt voor een klein gedeelte binnen het NNB
ten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die
van verlichting dreigt, zal een verlichtingsplan in samenwerking met een
plaats. Als gevolg van de voorgenomen ingreep zal een strook van 325
vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de
ter zake deskundige worden opgesteld om verstoring door verlichting te
m2 van het NNB binnen de onderzoekslocatie verloren gaan. In de toe-
Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie
voorkomen.
komstige situatie wordt in deze strook natuur gerealiseerd in de vorm van
soorten;
een wadi, grasland, heesters, bomen en struweel. Dit komt niet overeen
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden
met het beheer- en ambitietype voor deze strook (‘N16.04 Vochtig bos met
soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (ar-
voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedsei-
productie’). Echter, bestaat de strook in de huidige situatie enkel uit braak-
tikel 3.5);
zoen. Indien in het broedseizoen gewerkt gaat worden, dient voorafgaand
liggend terrein (met begroeiing van soorten die kenmerkend zijn voor ru-
andere soorten (artikel 3.10).
aan de start van de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd
derale terreinen), wat eveneens niet overeen komt met het beheer- en am-
te worden. Geadviseerd wordt om ook het snoeiafval buiten het broedsei-
bitietype. Mogelijk is er sprake van een verkeerde begrenzing van het na-
zoen te verwijderen.
tuurnetwerk. Overleg met de provincie Noord-Brabant is benodigd om te
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door
bekijken of dit inderdaad het geval is, waarna de omkadering aangepast
dient te worden, of dat de strook echt tot het natuurnetwerk behoort en
Het gebruik van verlichting op de onderzoekslocatie kan in de toekomstige
Voor Natura 2000-gebieden geldt een beschermingsregime om aantasting
compensatie van de strook van 325 m2 of een verandering van het be-
situatie leiden tot een afname in donkerte binnen het NNB. Dit kan beperkt
van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden te voorkomen. Middels
heertype voor deze strook benodigd is.
worden door het nemen van maatregelen. Aan de hand van een verlich-
instandhoudingsdoelstellingen is dit vastgelegd. In de Wet natuurbescher-
tingsplan dient bepaald te worden in welke mate het NNB verlicht wordt en
ming (verder Wnb) is de bescherming van deze gebieden geregeld. Het
Binnen de strook NNB die zal verdwijnen, zullen mogelijk graafwerkzaam-
of hiervoor extra maatregelen en/of compensatie van het NNB aan de
project dient daarom getoetst te worden op de mogelijke gevolgen voor
heden plaatsvinden, maar dit zal niet van invloed zijn op de geomorfolo-
orde zijn. Daarnaast wordt geadviseerd om tijdens de bouwwerkzaamhe-
Natura 2000-gebieden. De projectlocatie bevindt zich op circa 1 kilometer
gische processen en bodemkwaliteit binnen het te behouden NNB. Er
den geen additionele verlichting te gebruiken.
afstand van Natura 2000-gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’. Gezien deze
wordt geen grond verplaatst van en naar het te behouden NNB. Zolang
afstand en de omvang van het initiatief kunnen directe effecten, zoals
het te behouden NNB niet wordt aangetast, is compensatie niet aan de
De voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie hebben geen invloed
doorsnijding of oppervlakte-verlies, en indirecte effecten zoals licht- en ge-
orde.
op de landschapsstructuren ter plaatse van het NNB, los van de eerder
luidhinder en menselijke verstoring op voorhand worden uitgesloten, met
genoemde strook van 325 m2 braakliggend terrein waarover overleg
uitzonder van mogelijke verzurende en/of vermestende effecten door stik-
Bij de voorgenomen plannen zullen geen watergangen of poelen aange-
plaats dient te vinden met de provincie Noord-Brabant. De belevings-
stofdepositie als gevolg van het initiatief. Een onderzoek in de vorm van
tast worden. Het hemelwater binnen de onderzoekslocatie vanaf het dak-
waarde zal niet worden aangetast bij de voorgenomen plannen. Mogelijk
stikstofdepositieberekeningen is nodig om te controleren of sprake is van
oppervlak van het te realiseren pand wordt als schoon beschouwd. He-
zal de belevingswaarde zelfs omhoog gaan.
mogelijke significante gevolgen en daarmee een eventuele vergunnings-
melwater vanaf de rijbaan en de parkeerplaatsen kan echter vervuild wor-
plicht ingevolge de Wnb.
den door bijvoorbeeld olie en benzine van auto’s. Indien dit water niet af-
Vervolg vleermuisonderzoek
gevoerd wordt richting het NNB, zal er geen effect zijn op de waterhuis-
Door Ecolybrium is in 2021 een vervolgonderzoek uitgevoerd naar aanlei-
De totale stikstofemissie in de bouwfase bedraagt 10,3 kg NOx / jaar en
houding of de waterkwaliteit binnen het NNB. Indien het hemelwater vanaf
ding van de quickscan flora en fauna. De rapportage is als bijlage toege-
0,3 kg NH3 / jaar. De totale stikstofemissie in de gebruiksfase bedraagt
de rijbaan en de parkeerplaatsen wel wordt afgevoerd richting het NNB,
voegd aan de ruimtelijke onderbouwing. Hieronder zijn de belangrijkste
2,3 kg NOx / jaar en 0,2 kg NH3 / jaar. Zowel in de bouwfase als in de ge-
dienen maatregelen genomen te worden om dit water te zuiveren alvorens
conclusies weergegeven.
bruiksfase is er geen sprake van significante stikstofdepositie in stikstofge-
het water in het NNB terecht komt. Op deze manier kan voorkomen wor-
Uit het onderzoek is gebleken dat de sloop van de dancing geen in-
voelige habitats in Natura 2000-gebieden. Er geldt geen vergunningsplicht
vloed heeft op vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen.
in het kader van de Wet Natuurbescherming.
den dat de waterkwaliteit van het NNB achteruit gaat.
Er zijn geen vaste vliegroutes aanwezig boven en naast de beoogde ingreep locatie van vleermuizen.
Stadsnatuurkaart 2040
In het kader van de Wet natuurbescherming kan geconcludeerd wor-
Het gebied is weergegeven op de stadsnatuurkaart 2040 van de ge-
voor de toekomstige situatie een geluidscontour te laten maken om te be-
den dat de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden zonder onthef-
meente Tilburg. Hierop is te zien dat aangrenzend het projectgebied een
palen of het geluidsniveau dusdanig toeneemt dat compensatie aan de
fing. Het treffen van mitigerende maatregelen is niet noodzakelijk.
1e orde ecologische structuur aanwezig is, ook aangeduid als NNB.
De voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zullen mogelijk leiden tot een afname in rust en stilte binnen het NNB. Geadviseerd wordt om
Rondom alle ecologische gebieden en structuren ligt een ‘invloedsfeer-
orde is en om inzichtelijk te maken welk oppervlak van het NNB in dat geval gecompenseerd dient te worden. In de regel dient bij een geluidsbelas-
Stikstof
ting vanaf 45 dB(A) het NNB gecompenseerd te worden. Daarnaast wordt
Er is een stikstofnotitie opgesteld door De Essentie met daarbij behorende
geadviseerd om de bouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen (buiten
stikstofberekening voor zowel de bouw- als gebruiksfase. De belangrijkste
de periode februari t/m augustus) uit te voeren om verstoring van broedvo-
conclusies van de stikstofnotitie zijn opgenomen in deze paragraaf. De ge-
gels te voorkomen.
hele stikstofnotitie is opgenomen in de bijlage.
zone’ waarvoor geldt dat ontwikkelingen in deze zone geen negatieve ef-
fecten mogen hebben op het functioneren van deze gebieden en struc-
4.9.3
Conclusie
turen.
De aspecten ‘ecologie en stikstof’ vormen geen belemmeringen.
4.10
Geur
4.10.1
Toetsingskader
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om geurhinder veroorzaakt door het houden van dieren. Het aspect geur bestaat uit twee delen, namelijk de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting. Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) De Wgv is bedoeld om een goed woon- en leefklimaat te creëren op plekken waar gevoelige bestemmingen zijn gelegen. Met beleid kan sturing op de geuruitstoot bij veehouderijbedrijven worden gegeven. Dat betekent dat elke veehouderijbedrijf een afstand van 100 meter aangehouden dient te worden ten opzichte van geurgevoelige objecten in de bebouwde kom.
Figuur 8: Stadsnatuurkaart 2040
Figuur 9: Achtergrondbelasting geur
Voor een aantal diersoorten geldt ook nog een geurnorm. Een gemeente
Naast geurnormen stelt de Wgv ook eisen aan de (vaste) afstanden van
wil een acceptabel woon- en leefklimaat realiseren (achtergrondconcentra-
veehouderijen tot geurgevoelige objecten. De afstanden gelden voor die-
tie) en moet daardoor dus sturing geven op geurveroorzakende objecten Natuurinclusief bouwen
ren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals
(veehouderijbedrijven, voorgrondbelasting). De Wet geurhinder en vee-
Bij het ontwerp is waar mogelijk rekening gehouden met natuurinclusief
melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De minimaal aan te houden
houderij is bedoeld voor veehouderijbedrijven, maar omdat gesteld is dat
bouwen. Door het toepassen van natuurinclusieve ontwerpprincipes wordt
afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de be-
geurgevoelige objecten veehouderijbedrijven niet mogen belemmeren
de biodiversiteit van het gebied vergroot, maar ook de belevingssfeer en
bouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de be-
moet bekeken worden of de ligging van de te realiseren objecten voor een
woonkwaliteit van de bewoners. Groene ruimtes bieden rust en ontspan-
bouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er
belemmering zorgt.
ning, verminderen stress en verbeteren de luchtkwaliteit. Daarnaast kun-
gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissie-
Conform de Wgv dient een veehouderijbedrijf te voldoen aan een geurhin-
nen groene daken en gevels helpen bij het reguleren van de temperatuur
punt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden.
dercontour van maximaal 14 ouE/m³ (odeurunits). Dat betekent dat een in-
en het verminderen van het stedelijke hitte-eilandeffect.
dividueel veehouderijbedrijf niet meer dan 14 ouE/m³ op geurgevoelige
4.10.2
objecten mag uitstoten.
De meest dichtbij gelegen veehouderij ligt ten zuiden van het plangebied
In het ontwerp is rekening gehouden met groene gevels en groendaken. Het ontwerp is natuurinclusief tot stand gekomen en zal ook als zodanig worden gerealiseerd.
Onderzoek
op het adres Oude Spoorbaan 2. De afstand van de veehouderij tot het plangebied bedraagt circa 500 meter. Uit figuur 8 kan tevens worden herleid dat de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied als ‘zeer goed’ kan worden bestempeld. Gelet op de afstand tot het plangebied
worden de bedrijfsmatige activiteiten van de veehouderij niet belemmerd.
Stap 2: Emissies
Ook moet onderzocht worden of er varkenshouderijen en pluimveehoude-
Daarmee is geen sprake van een belemmering voor de belangen van de
Het plan leidt niet tot een relevante toename van geur-, ammoniak- en fijn-
rijen op een afstand van maximaal 100 meter van elkaar liggen en van in-
varkenshouderij en/of de toekomstige ontwikkeling en is er sprake van een
stofemissies. Plangebieden met woningbouw tot 1.500 woningen per ont-
vloed zijn op het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied
goed woon- en leefklimaat voor de woning.
sluitingsweg zijn conform de Regeling niet in betekenende mate (NIBM)
liggen geen veehouderijen met verschillende diersoorten op korte onder-
niet van invloed op de luchtkwaliteit (fijn stof in dit geval). Daarnaast blijkt
linge afstand van elkaar en op korte afstand van het plangebied. Stap 4
uit de kaarten bij de NSL-monitoringstool dat de luchtkwaliteit ter plaatse
vormt geen knelpunt.
4.10.3
Conclusie
Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering.
4.11
Gezondheid
4.11.1
Toetsingskader
Er bestaat geen landelijk geldend toetsingskader voor het beoordelen van het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen. In de meeste gevallen wordt gebruik gemaakt van de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht d.d. 30 april 2018. Die handreiking bevat een stappenplan waarmee beoordeeld kan worden of volksgezondheid in relatie tot veehouderijen een dusdanig knelpunt vormt, waardoor advies bij de GGD moet worden opgevraagd. In deze notitie wordt het plan beoordeeld aan de hand van bovengenoemd stappenplan. 4.11.2
Onderzoek
Stap 1: Endotoxine Op basis van het endotoxine toetsingskader 1.0 kunnen voor de diercategorieën vleeskuikens, leghennen en varkens de aan te houden afstanden worden bepaald op basis van de totale jaarlijkse fijnstofemissie. Door deze afstanden aan te houden wordt een te hoge blootstelling aan endotoxine voorkomen. De endotoxine richtafstand voor varkens bedraag 200 meter. Zoals in paragraaf 4.10 is vermeld is de meest dichtbij gelegen veehouderij gelegen aan de Oude Spoorbaan op circa 500 meter afstand.
van het plangebied aanvaardbaar is. Stap 2 vormt geen knelpunt. Stap 5: Afstanden Stap 3: Geur, gezondheidskundige en milieukundige advieswaarden
Onderzocht moet worden of:
Onderzocht moet worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en
a. geitenhouderijen binnen 2 km van geurgevoelige objecten zijn gele-
leefklimaat aan de hand van de volgende milieukundige advieswaarden:
gen; b. pluimveebedrijven binnen 1 km van geurgevoelige objecten zijn gele-
Daarnaast moet onderzocht worden of voldaan wordt aan de afstandseis van 100 meter tussen een veehouderij en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en 50 meter tussen een veehouderij en een geurge-
gen; c.
overige veehouderijen binnen 250 m van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom zijn gelegen.
voelig object buiten de bebouwde kom. Er liggen geen geitenhouderijen, pluimveebedrijven of overige veehoudeHet plangebied ligt op de grens tussen stedelijk gebied en buitengebied.
rijen binnen de genoemde richtafstanden van de planlocatie. Stap 5 vormt
Het is niet aannemelijk dat de gezondheidskundige normen (in het buiten-
geen knelpunt.
gebied een voorgrondbelasting van maximaal 5 ouE /m3 en een achtergrondbelasting van 10 ouE /m3) worden overschreden. De achtergrondbe-
Stap 6: Mestbewerking of mestverwerking
lasting ligt tussen de 0-3 OUm³. Er wordt aan de milieukundige advies-
Onderzocht moet worden of in de directe omgeving sprake is van mestbe-
waarden voor de voor- en achtergrondbelasting voldaan. De achtergrond-
werking of mestverwerking als zelfstandige activiteit of als nevenactiviteit.
belasting is ook terug te zien in figuur 8. De afstand tot het bouwvlak van
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven waarbij
de dichtstbijzijnde veehouderij bedraagt meer dan 100 meter. Stap 3
sprake is van mestbewerking of mestverwerking.
vormt geen knelpunt.
Stap 7: Ongerustheid omwonenden In stap 7 van het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksge-
Stap 4: Meerdere dierensoorten
zondheid 2.0 wordt ingegaan op ongerustheid bij omwonenden. Vanuit de
Onderzocht moet worden of er veehouderijen van invloed zijn waar meer-
omgeving is verder niet naar voren gekomen dat er sprake is van onge-
dere diersoorten worden gehouden, namelijk
rustheid over de volksgezondheid.
a. varkens en pluimvee; of b. rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten); of
4.11.3
Conclusie
c. kleine herkauwers onderling
Het aspect ‘gezondheid’ vormt geen belemmering.
4.12
Vormvrije m.e.r.- beoordeling
4.12.1
Toetsingskader
Uit de aanmeldingsnotitie kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project;
In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene
2. de plaats van het project; en
maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen:
3. de kenmerken van het potentiële effect;
a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;
sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele
b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij be-
malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu,
langrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiele effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het
In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten
plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk
die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en
nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-
waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om
procedure noodzakelijk maken.
een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. wordt onder D.11.2 als activiteit de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject genoemd. Onderhavige ontwikkeling wordt op basis hiervan aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject. Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden.
De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage.
5 5.1
Afweging van belangen
de wijk wennen. Uit ervaringen van wijk- en dorpsraden en supermarktma-
men en incidenten te voorkomen. Tevens is er een huishoudelijk regle-
nagers in bijvoorbeeld Overloon, Budel, Breda en Eindhoven, waar sprake
ment dat ondertekend dient te worden door de bewoners en op zicht-loca-
Algemeen
is van vergelijkbare voorzieningen, is gebleken dat bewoners en onderne-
ties bij individuele en gezamenlijke ruimtes beschikbaar te zijn.
mers weinig veranderingen hebben ervaren. Problemen waren over het alOp basis van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuidwest’ is de realisa-
gemeen klein en gemakkelijk op te lossen. In de supermarkten is gebleken
Uit de paragraaf verkeer en parkeren in onderhavige motivering blijkt, dat
tie van het gebouw mogelijk, aangezien het gebouw binnen het bouwvlak
dat ook tijdelijke arbeidsmigranten moeiteloos opgaan in de bestaande
er geen extra risico bestaat op verkeersonveilige situaties.
is gepositioneerd en tevens voldoet aan de maatvoeringen zoals benoemd
klantenkring. In plaatsen waar veel verloop is onder arbeidsmigranten, zo-
in artikel 9.2. Het beoogde gebruik, namelijk huisvesting van arbeidsmi-
als in Overloon, probeert de ‘oude garde’ de nieuwe lichting wegwijs te
granten, is echter niet passend binnen de huidige horeca bestemming.
maken. Dorps- en wijkraden houden ook goed in de gaten of er problemen
Door het verlenen van een omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken
zijn.
5.5
Omgevingsdialoog
Het college van de gemeente Tilburg heeft de Rielseweg 875 – 879 aangewezen als kansrijk voor tijdelijke grootschalige huisvesting van internati-
van het bestemmingsplan onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, kan de ontwikkeling, bestaande uit de tijdelijke vestiging van circa
Een huisvestingsvoorziening voor arbeidsmigranten in of bij een dorp of
onale medewerkers. In maart is een informatiebijeenkomst geweest voor
366 arbeidsmigranten in nieuwe bebouwing aan de Rielseweg 875 moge-
wijk kan ook positieve gevolgen hebben. Zo zijn er voorbeelden bekend
omwonenden en geïnteresseerden waarbij de gemeente en ontwikkelaar
lijk worden gemaakt.
van dorpen met initiatieven om arbeidsmigranten die langere tijd verblijven
meer vertelden over de opgave en de locatie. In deze informatiebijeen-
of vaker terugkomen naar dezelfde plaats/werkgever, bij het verenigingsle-
komst is toegelicht waarom huisvestiging van arbeidsmigranten in Tilburg
ven te betrekken, waarmee een kans wordt gezien om de leefbaarheid en
noodzakelijk is en waarom de locatie aan de Rielseweg 875 als kansrijk
de voorzieningen op peil te houden.
wordt gezien. Ook is er aangegeven dat er een klankbordgroep opgestart
5.2
Noodzaak
ging worden. Daarnaast is er een toelichting gegeven op hoe het initiatief
Wanneer de regio niet direct investeert in voldoende verblijfsplaatsen voor arbeidsmigranten, dreigt de economische groei tot stilstand te komen en
5.4
Veiligheid
eruit gaat zien en zijn de vragen/opmerkingen van de aanwezige beantwoord. Voor de locatie Rielseweg is een klankbordgroep opgestart. Sa-
worden de inkomsten van arbeidsmigranten elders uitgegeven, waardoor de regio een fors bedrag aan consumptieve bestedingen misloopt en nau-
Bij de komst van een huisvestingsvoorziening voor arbeidsmigranten kan
men met de gemeente en de ontwikkelaar gaan zij in gesprek over deze
welijks profiteert. Het niet kunnen voorzien in voldoende geschikte huis-
er bij omwonenden/dorpsbewoners een gevoel van onveiligheid ontstaan.
ontwikkeling. Wensen en zorgen worden besproken. Het kan dan gaan over verkeer, afval of beheer. Op 8 november is er als uitkomst van de
vesting creëert op haar beurt weer nieuwe problemen; zo heeft het een negatief effect op het vestigingsklimaat voor nieuwe bedrijven en omzet
Incidenten die de veiligheid in het geding brengen, kunnen nooit volledig
klankboordgroep wederom een informatiebijeenkomst gehouden. De ver-
voor in de regio gevestigde bedrijven. Daarnaast zorgt het gebrek aan fat-
worden uitgesloten. Wel is het van belang dat zij zoveel mogelijk worden
slagen van de klankboordgroepen, de informatiebijeenkomst en een Q&A
soenlijke huisvesting dat sommige arbeidsmigranten onder onmenselijke
voorkomen en dat er adequaat wordt gehandeld, indien zij plaatsvinden.
betreffende het initiatief zijn terug te vinden op de website van de ge-
omstandigheden worden gehuisvest of wordt hen huisvesting aangeboden
Veiligheid en leefbaarheid zijn de basisvoorwaarden voor een omgeving
meente Tilburg.
ver weg van de werklocatie, wat onnodig woon-werk verkeer creëert.
waarin mensen met elkaar samenleven. Zeker wanneer die mensen uit allerlei verschillende culturen komen. Ten behoeve van de huisvestingvoor-
5.3
Maatschappelijke impact
5.6
Conclusie
ziening wordt een professionele begeleider aangesteld die zorgt voor ondersteuning, registratie en begeleiding van bewoners bij aankomst, tijdens
1. Aan de voorwaarden, die zowel het Rijks-, provinciaal als gemeentelijk
Als er in een dorp of wijk opeens honderden nieuwkomers komen wonen
en bij vertrek van hun verblijf, en die oog heeft voor het bovenstaande.
beleid stellen, wordt met de ontwikkeling voldaan, zoals blijkt uit
zoals tijdelijke arbeidsmigranten, is dat voor de inwoners van het dorp of
Daarmee wordt zoveel mogelijk getracht eventuele spanningen weg te ne-
hoofdstuk 3 van deze ruimtelijke onderbouwing.
2. Benodigde voorzieningen, zoals riolering en overige kabels en leidingen, zijn reeds in de nabijheid van het plangebied aanwezig. Bovendien zal geen schade worden toegebracht aan de omringende natuurof landschapselementen en -structuren. 3. Daarnaast wordt de ontwikkeling niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten. 4. Tegen het gewenste initiatief bestaan uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. De ontwikkeling past, mede gezien de bestaande situatie en juridisch-planologische mogelijkheden, ruimtelijk-functioneel in het gebied. 5. Qua maatschappelijke impact en veiligheid worden afdoende preventieve maatregelen getroffen door zorg te dragen voor adequaat toezicht door de beheerder en handhavingsinstanties en door goede communicatie door voornoemde partijen richting de lokale gemeenschap en directe omgeving. Ook in geval van mogelijke overlast of calamiteiten veroorzaakt door arbeidsmigranten zal door voornoemde partijen in nauw overleg samengewerkt worden. Hierbij geldt dat de maatregelen zoals genoemd in de beleidsnotitie uitgangspunten grootschalige huisvesting van de gemeente Tilburg zullen worden toegepast, zie paragraaf 3.4.2.
Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat het tijdelijk gebruik van de nieuwe bebouwing ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten niet bezwaarlijk is en dat met het initiatief sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
6
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
het vooroverleg en de consequenties voor het plan worden beschreven in deze paragraaf. 6.2.2
In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, dan kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar het kostenverhaal minimaal is, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). Onderhavig initiatief betreft een aangewezen bouwplan. De initiatiefnemer zal met de gemeente een anterieure overeenkomst afsluiten. Het kostenverhaal is daarmee gewaarborgd.
Omgevingsdialoog
In paragraaf 5.5 is uitgebreid ingegaan op de gevoerde omgevingsdialoog.
6.3
Procedure
Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet van het planologische regime worden afgeweken. De ontwikkeling kan door middel van een uitgebreide omgevingsvergunningprocedure op basis van art. 2.12 lid 1 onder a, sub 3 Wabo mogelijk gemaakt worden. In deze paragraaf wordt de procedure rondom de omgevingsvergunning toegelicht. 6.3.1
Tervisielegging
De ontwerp omgevingsvergunning wordt gedurende een periode van zes weken ter visie gelegd. De aanvraag, de bijlagen en de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing zijn onderdeel van de (ontwerp) omgevingsvergunning. Gedurende de termijn van de ter visie legging kan eenieder een zienswijze indienen. Op basis van de zienswijzen neemt het college van burgemeester en wethouders een definitief besluit over het al dan niet af-
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
geven van de omgevingsvergunning.
6.2.1
Vooroverleg
6.3.2
Beroep / hoger beroep
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester
Na verlening van de omgevingsvergunning wordt deze voor de tweede
en wethouders bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning overleg
maal voor een periode van zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze
plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en
periode kunnen belanghebbenden beroep instellen tegen de omgevings-
met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor
vergunning bij de rechtbank en later in hoger beroep bij de Afdeling be-
de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen
stuursrechtspraak van de Raad van State. Indien binnen de beroepster-
welke in het plan in het geding zijn.
mijn geen beroep wordt ingesteld, is de omgevingsvergunning na het verstrijken van de beroepstermijn onherroepelijk. Belanghebbenden kunnen
De instanties die in kennis gesteld moeten worden van deze omgevings-
eventueel ook een voorlopige voorziening vragen tegen de omgevingsver-
vergunning worden geïnformeerd. Te zijner tijd zullen de uitkomsten van
gunning.