Raadsvoorstel wijziging Algemene Plaatselijke Verordening 2021_2 def
Tekst van het document
raad 2021_1218 definitief
1
Raadsvoorstel tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2021.2 Aanleiding Er bestaat aanleiding tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna APV). De voorstellen hiertoe worden verzameld en periodiek aan de raad voorgelegd. De adviezen van de VNG ten aanzien van wijzigingen van de APV zijn hier ook bij betrokken en worden indien van toepassing overgenomen. Bij deze wijziging gaat het om de wijziging van de inleidende paragraaf, de wijziging van 7 artikelen en/of de toelichting op deze artikelen en de intrekking van 1 artikel. Het betreft de volgende onderwerpen. Artikel 21 sneeuwruimen laten vervallen In onze huidige APV is opgenomen dat bewoners, gebruikers en eigenaren verplicht zijn om sneeuw en ijs in het openbaar gebied langs hun gebouw of grondstuk binnen twee dagen weg te vegen en dat gebied vervolgens te bestrooien. Met het artikel doen we een beroep op Tilburgers om hun burgerplicht te vervullen en het voor elkaar leefbaar, veilig en aangenaam te houden. Tegelijkertijd zijn er situaties waarin het niet van mensen kan worden gevergd om onmiddellijk de sneeuw op te ruimen, bijvoorbeeld door ziekte, vakantie of afwezigheid vanwege hun werk. Handhaving op dit artikel is in de praktijk onmogelijk. Het opnemen van niet handhaafbare artikelen levert strijd op met de beginselplicht tot handhaving.
Om deze redenen heeft de VNG de sneeuwruimplicht in 1986 geschrapt uit de Model-APV. Voorgesteld wordt om dit artikel te laten vervallen. Dit laat onverlet dat wij onze burgers zullen blijven oproepen om sneeuw te ruimen. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 9. Artikel 74 overlast door straatartiesten Straatartiesten zorgen voor levendigheid in de stad. Zij maken daarbij gebruik van de openbare ruimte van winkel- en horecagebieden. Desalniettemin ontvangt de gemeente regelmatig klachten over straatartiesten van bedrijven en omwonenden. In de huidige APV is al een artikel opgenomen waarin het straatartiesten wordt verboden overlast te veroorzaken voor voorbijgangers, omwonenden of bezoekers van een terras. Wat overlast is, kan in de praktijk echter lastig te bepalen zijn. Bovendien komt het de daadkracht niet ten goede als alleen handhavend wordt opgetreden op basis van meldingen. Voorgesteld wordt om de bestaande bepaling te vervangen, waarbij in plaats van het subjectieve begrip overlast een aantal concrete overlastcriteria wordt gehanteerd, aan de hand waarvan op objectieve wijze kan worden vastgesteld dat sprake is van een overtreding. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 10. Inleidende paragraaf Op dit moment is als grondslag voor de APV alleen artikel 149 van de Gemeentewet in de inleidende paragraaf opgenomen.
Dit artikel regelt in het algemeen de bevoegdheid van de gemeenteraad om verordeningen vast te stellen. Aan veel artikelen die in de APV zijn opgenomen liggen echter één of meerdere specifieke wettelijke bepalingen ten grondslag. Voorgesteld wordt om deze bepalingen op te nemen in de inleidende paragraaf. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 3. Artikel 1 aanpassen definities In de huidige APV zit een verschrijving in de definitie van voertuigen. Ook laat de definitie enige ruimte voor interpretatie. De definitie van parkeren is nu opgenomen in artikel 116 van hoofdstuk 5, terwijl het begrip ook voorkomt artikel 90 van hoofdstuk 2. Het is derhalve wenselijk om het definitie van parkeren te verplaatsen naar artikel 1. De APV bevat meerdere verboden die gericht zijn op bromfietsen. Dit terwijl een definitie van bromfiets ontbreekt. Voorgesteld wordt om de definitie van bromfiets toe te voegen aan artikel 1. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 3.
Portefeuillehouder: Burgemeester Behandelend ambtenaar: Juridische Zaken, Gertruud Dellevoet
raad 2021_1218 definitief
2
Artikel 5 Afleververgunning consumentenvuurwerk niet persoonsgebonden In de bestemmingsplannen van Tilburg is aangegeven op welke locaties in Tilburg vuurwerkverkoop aan consumenten is toegestaan. Om daadwerkelijk consumentenvuurwerk te mogen verkopen op één van die locaties is tevens een vergunning nodig op grond van artikel 92 APV. Deze vergunning kan worden beschouwd als locatiegebonden en daarom als een zakelijke vergunning. In artikel 5 van de APV staat echter dat alle vergunningen of ontheffingen op grond van de APV persoonsgebonden zijn, tenzij anders is bepaald. Voor de vergunning op grond van artikel 92 APV is verzuimd een uitzondering op te nemen. Voorgesteld wordt om deze omissie te herstellen. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 8. Artikel 76 overlast fietsen De introductie van deelvoertuigen heeft geleid tot een toename van meldingen over hinderlijk geplaatste (snor/brom)fietsen. Voorgesteld worden enkele tekstuele wijzigingen om handhaving in situaties waarin fietsen gevaar of hinder vormen voor de overige verkeersdeelnemers te vergemakkelijken. Daarnaast wordt voorgesteld om een nieuw lid aan het artikel toe te voegen die het mogelijk maakt te handhaven op (brom)fietsen die tegen de uitdrukkelijk verklaarde wil van de eigenaar tegen een gebouw aan worden geplaatst, en (brom)fietsen die zodanig worden geplaatst dat ingangen van gebouwen worden versperd.
Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 11. Artikel 83 Voederverbod In de toelichting bij dit artikel is opgenomen dat het college nog geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om gebieden aan te wijzen waar het voederverbod van toepassing is. Begin 2017 is echter al een gebied aangewezen waar het voederverbod van kracht is. Voorgesteld wordt om de betreffende passage te schrappen uit de toelichting. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 13. Artikel 111 Natuurlijke behoefte doen Op dit moment geldt binnen de bebouwde kom een wildplasverbod. Bij de formulering van dit verbod is geen rekening gehouden met voorzieningen zoals uriliften of mobiele toiletten die worden geplaatst bij evenementen. Een tekstuele wijziging van dit artikel wordt voorgesteld, zodat het gebruikmaken van toiletvoorzieningen in de openlucht niet langer onder het bereik van de bepaling valt. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 13. Artikel 116 definitie parkeren verplaatsen naar artikel 1 In artikel 116 is een definitie van parkeren opgenomen. Voorgesteld wordt om deze definitie te verplaatsen naar artikel 1, zodat deze op de gehele APV van toepassing is. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 13. In de uitwerking van de wijzigingsvoorstellen is in de nieuwe tekst van de artikelen steeds schuingedrukt en in rood aangegeven wat er wordt gewijzigd.
Beoogd effect/ bestuurlijk kader Dit voorstel beoogt de APV te actualiseren.
Voorstel De bijgevoegde Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2021.2 vaststellen, met de volgende wijzigingen voor de APV: • • • • •
De inleidende paragraaf van de APV aanvullen; Artikel 1 en de toelichting op dit artikel wijzigen; Artikel 5 en de toelichting op dit artikel wijzigen; Artikel 21 intrekken; Artikel 74 en de toelichting wijzigen;
raad 2021_1218 definitief
• • • •
3
Artikel 76 en de toelichting op dit artikel wijzigen; De toelichting van artikel 83 wijzigen; Artikel 111 wijzigen; Artikel 116 wijzigen;
Argumenten 1. Aanvulling inleidende paragraaf Op dit moment is als wettelijke grondslag van de Algemene Plaatselijke Verordening uitsluitend artikel 149 van de Gemeentewet opgenomen. Dit artikel regelt in het algemeen de bevoegdheid van de gemeenteraad om verordeningen vast te stellen. Veel artikelen in de APV zijn echter gebaseerd op één of meer specifieke wettelijke grondslagen. Deze artikelen ontbreken echter in de inleidende paragraaf. Voorgesteld wordt om deze artikelen aan de inleidende paragraaf toe te voegen. Oude tekst inleidende paragraaf De raad van de gemeente Tilburg; - gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; - gelet op artikel 149 Gemeentewet; •
2.
Nieuwe tekst inleidende paragraaf De raad van de gemeente Tilburg; - gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; - gelet op artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a Gemeentewet, artikelen 3 en 4 Wet openbare manifestaties, artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d Alcoholwet, artikel 5.13 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 30c tweede lid Wet op de kansspelen, artikel 2a Wegenverkeerswet 1994,
Wijziging definities artikel 1
Bij de definitie van voertuigen wordt in artikel 1 aanhef en onder C verwezen naar het niet bestaande artikel 1 onder a1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Dit betreft een verschrijving. Ook laat het begrip onder b. “kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen” enige ruimte voor interpretatie. Voorgesteld wordt om de definitie uit de model-APV over te nemen. Treinen worden niet meer genoemd in de definitie van voertuigen in het RVV 1990. Deze hoeven dus ook niet meer als uitgezonderde categorie in deze definitie te worden opgenomen. De definitie van parkeren is nu opgenomen in artikel 116. Voorgesteld wordt om deze definitie te verplaatsen naar de begripsbepalingen, zodat de definitie eenduidig is voor de volledige APV. Voor de betekenis van het begrip wordt verwezen naar artikel 1 van het RVV 1990. Van het begrip bromfiets is geen definitie opgenomen in de APV. Dit terwijl de APV meerdere verbodsbepalingen bevat die specifiek van toepassing zijn op bromfietsen. Voorgesteld wordt om het begrip bromfiets toe te voegen aan de begripsbepalingen, en voor de betekenis te verwijzen naar artikel 1 van het RVV 1990. Het voorgestelde gewijzigde artikel 1 APV en de toelichting daarop komen dan als volgt te luiden: •
Oude tekst + toelichting artikel 1 APV
Nieuwe tekst + toelichting artikel 1 APV
Artikel 1.
Artikel 1.
Begripsomschrijvingen.
Begripsomschrijvingen.
raad 2021_1218 definitief
4
In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: A.
In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: • •
A.
Weg:
Weg:
1. de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994;
1. de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994;
2. de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; 3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; 4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.
2. de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; 3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; 4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.
• • Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.
B.
C.
C.
B.
1. 2.
Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.
Voertuigen: alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder a 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van: a. treinen en trams; b. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine • voertuigen. • • D. •
Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van trams en kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen.
Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd. • • E. •
Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd.
Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de
D.
E. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de
raad 2021_1218 definitief
5
plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. • • F. • Gebouw: elke bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. • • G. •
plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
Vee: eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens.
Vee: eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens.
H. Pluimvee: klein- en pluimvee, eenden en ganzen. I.
• • •
Gebouw: elke bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. G.
H. Pluimvee: klein- en pluimvee, eenden en ganzen.
• • •
Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen en diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. • J.
F.
• •
Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten bij hun desbetreffende besluit de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenwet. • • K. • Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.
I. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen en diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. J. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten bij hun desbetreffende besluit de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenwet. K. Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. L. Parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; M. Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.
•
Toelichting Artikel 1 Begripsomschrijvingen
•
Toelichting Artikel 1 Begripsomschrijvingen
raad 2021_1218 definitief
6
A. Weg
A. Weg
Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen, heeft betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De omschrijving van "weg" is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de Wegenverkeerswet 1994 (en die van de verschillende provinciale wegenreglementen). Te onderscheiden zijn de volgende definities van het begrip "weg":
Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen, heeft betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De omschrijving van "weg" is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de Wegenverkeerswet 1994 (en die van de verschillende provinciale wegenreglementen). Te onderscheiden zijn de volgende definities van het begrip "weg":
De "(Openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte;
De "(Openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte;
de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg, in te grijpen;
de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg, in te grijpen;
de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder uiteenlopende formuleringenvoorkomt in verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen. De volgorde is die van eng naar ruim: "openbare wegen" zijn ook "wegen die voor het openbaar verkeer open staan", maar niet alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen zijn openbaar. Tot de "voor het publiek toegankelijke plaatsen" kunnen de "openbare wegen" en de overige" voor het openbaar verkeer openstaande wegen" gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput.
de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder uiteenlopende formuleringenvoorkomt in verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen. De volgorde is die van eng naar ruim: "openbare wegen" zijn ook "wegen die voor het openbaar verkeer open staan", maar niet alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen zijn openbaar. Tot de "voor het publiek toegankelijke plaatsen" kunnen de "openbare wegen" en de overige" voor het openbaar verkeer openstaande wegen" gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput.
Het begrip “weg” in de APV komt het meest overeen met het hiervoor onder c beschreven begrip, zij het dat het nog iets ruimer is. Daaronder vallen ook voor het publiek toegankelijke trappen, portieken e.d. die toegang geven tot voor bewoning bestemde ruimten, voor zover deze trappen etc. niet afsluitbaar zijn. Andere trappen, portieken, galerijen e.d. vallen ook onder het begrip weg, ongeacht of deze afsluitbaar zijn, maar alleen op het moment dat ze niet afgesloten zijn. Daarbij moet b.v. gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. Gedurende de tijd, dat deze niet daadwerkelijk afgesloten zijn, maken zij deel uit van de weg als bedoeld in de APV en zijn dus tal van bepalingen uit de APV van toepassing.
Het begrip “weg” in de APV komt het meest overeen met het hiervoor onder c beschreven begrip, zij het dat het nog iets ruimer is. Daaronder vallen ook voor het publiek toegankelijke trappen, portieken e.d. die toegang geven tot voor bewoning bestemde ruimten, voor zover deze trappen etc. niet afsluitbaar zijn. Andere trappen, portieken, galerijen e.d. vallen ook onder het begrip weg, ongeacht of deze afsluitbaar zijn, maar alleen op het moment dat ze niet afgesloten zijn. Daarbij moet b.v. gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. Gedurende de tijd, dat deze niet daadwerkelijk afgesloten zijn, maken zij deel uit van de weg als bedoeld in de APV en zijn dus tal van bepalingen uit de APV van toepassing.
raad 2021_1218 definitief
7
B. Rechthebbende
B. Rechthebbende
Het gaat hier om de rechthebbende naar burgerlijk recht. Veelal is dat de eigenaar en/of huurder van een goed.
Het gaat hier om de rechthebbende naar burgerlijk recht. Veelal is dat de eigenaar en/of huurder van een goed.
C. Voertuigen
C. Voertuig
In artikel 1 onder a en onder a 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV) worden als voertuigen genoemd: fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, aanhangwagens, trams en wagens. De APV zondert van deze voertuigen uit a. treinen en trams en b. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.
In artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV 1990) worden als voertuigen genoemd: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.
E. Bouwwerk
E. Bouwwerk
Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de (Model)Bouwverordening.
Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de (Model)Bouwverordening.
F. Gebouw
F. Gebouw
Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1, onder c, van de Woningwet.
Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1, onder c, van de Woningwet.
I. Handelsreclame
I. Handelsreclame
Dit begrip is van belang, omdat artikel 7 van de Grondwet, dat de vrijheid van meningsuiting garandeert, niet van toepassing is op handelsreclame. Het begrip komt o.a. terug in artikel 114 APV.
Dit begrip is van belang, omdat artikel 7 van de Grondwet, dat de vrijheid van meningsuiting garandeert, niet van toepassing is op handelsreclame. Het begrip komt o.a. terug in artikel 114 APV.
K. Openbare plaats
K. Openbare plaats
Hiervoor is aangehaakt bij de Wom. Artikel 1, eerste lid, van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de MvT zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het
Hiervoor is aangehaakt bij de Wom. Artikel 1, eerste lid, van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de MvT zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het
raad 2021_1218 definitief
8
gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de MvT (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 16).
gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de MvT (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 16).
Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip ‘openbare plaats’ ook een aantal ’besloten plaatsen’ als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 5, p. 11-13 en nr. 6).
Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip ‘openbare plaats’ ook een aantal ’besloten plaatsen’ als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 5, p. 11-13 en nr. 6).
•
3.
Afleververgunning vuurwerk niet persoonsgebonden
In de bestemmingsplannen van Tilburg is aangegeven op welke locaties in Tilburg vuurwerkverkoop aan consumenten is toegestaan. Om daadwerkelijk consumentenvuurwerk te mogen verkopen op één van die locaties is tevens een vergunning nodig op grond van artikel 92 APV. Deze vergunning kan worden beschouwd als locatiegebonden en is daarom een zakelijke vergunning. Er zijn geen persoonsgebonden toetsingscriteria voor aanvragen om een vergunning op grond van artikel 92 APV. In artikel 5 van de APV staat echter dat alle vergunningen of ontheffingen op grond van de APV persoonsgebonden zijn, tenzij anders is bepaald. Naar aanleiding van een bezwaarschrift tegen de overschrijving van een bestaande artikel 92 APV-vergunning op een andere naam is geconstateerd dat verzuimd is voor deze categorie vergunningen te bepalen dat deze niet persoonsgebonden zijn. Voorgesteld wordt om deze omissie te herstellen door artikel 5 lid 2 van de APV te wijzigen.
raad 2021_1218 definitief
9
Het voorgestelde gewijzigde artikel 5 APV en de toelichting daarop komen dan als volgt te luiden: Oude tekst + toelichting artikel 5 APV
Nieuwe tekst + toelichting artikel 5 APV
Artikel 5. Persoonlijke karakter van vergunning of ontheffing. 1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 114a is niet persoonsgebonden.
Artikel 5. Persoonlijke karakter van vergunning of ontheffing. 1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. De volgende vergunningen zijn niet persoonsgebonden: • een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 114a; • een vergunning als bedoeld in artikel 92.
Toelichting De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning of ontheffing. Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt. Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde. Het kan ook een andere hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer enz. Uitgangspunt in de APV is de persoonsgebondenheid van de vergunning.
Overigens kan een vergunning wel degelijk een zakelijk karakter hebben, ook al staat de vergunning op naam van een persoon. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de Omgevingsvergunning van artikel 114a APV een zakelijk karakter heeft.
Toelichting De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning of ontheffing. Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt. Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde. Het kan ook een andere hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer enz. Uitgangspunt in de APV is de persoonsgebondenheid van de vergunning.
Overigens kan een vergunning wel degelijk een zakelijk karakter hebben, ook al staat de vergunning op naam van een persoon. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de Omgevingsvergunning van artikel 114a APV en de aflevergunning consumentenvuurwerk uit artikel 92 APV een zakelijk karakter heeft.
raad 2021_1218 definitief
4.
10
Intrekken artikel 21 APV Sneeuwruimen
Artikel 21 verplicht de eigenaar, bewoner of gebruiker van een gebouw of een grondstuk om het deel van het trottoir dat aan het gebouw of grond grenst sneeuw- en ijsvrij te maken. Wij verwachten van Tilburgers dat zij deze morele plicht vervullen om de buurt voor elkaar leefbaar, veilig en aangenaam te houden. Tegelijkertijd zijn er mensen die, bijvoorbeeld door ziekte, vakantie of afwezigheid vanwege hun werk, niet in staat zijn de sneeuw binnen twee dagen op te ruimen. In dat verband heeft de Rechtbank Amsterdam reeds in 1993 bepaald dat van bewoners niet kan worden gevergd dat zij bij sneeuwval hun trottoir voortdurend sneeuwvrij houden. Handhaving op dit artikel is onmogelijk gebleken. In de praktijk is een groot aantal inwoners twee dagen na de sneeuwval in overtreding. De onmogelijkheid van handhaving enerzijds en de beginselplicht tot handhaving anderzijds brengt de handhavers in een moeilijke positie. Een eventueel handhavingsverzoek van een burger zal moeten worden gehonoreerd, waarbij in dat enkele geval wel zal moeten worden gehandhaafd. Dit staat op gespannen voet met het gelijkheidsbeginsel. Om deze redenen heeft de VNG de sneeuwruimplicht in 1986 geschrapt uit de Model-APV. Voorgesteld wordt om dit artikel in te trekken. Dit laat onverlet dat wij in het kader van Tilburgerschap een beroep op onze burgers zullen blijven doen om sneeuw te ruimen.
Oude tekst + toelichting artikel 21 APV
Nieuwe tekst + toelichting artikel 21 APV
Artikel 21. Sneeuwruimen. De hoofdbewoner of hoofdgebruiker, en bij gebreke van deze, de eigenaar van een binnen de bebouwde kom gelegen gebouw of grondstuk - een erf daaronder begrepen - is verplicht de sneeuw en het ijs weg te ruimen van het openbaar voetpad, gelegen langs het bij hem in gebruik zijnde of aan hem toebehorende gebouw of grondstuk, binnen twee dagen nadat die sneeuw en/of dat ijs zich op het voetpad bevinden, alsmede dat weggedeelte op voldoende en doelmatige wijze bestrooid te hebben en te houden met een middel, dat geschikt is voor een doelmatige bestrijding van gladheid.
Vervallen
Toelichting In de praktijk blijkt behoefte te bestaan aan handhaving van de verplichting tot sneeuwruimen, zodat in voorkomende gevallen ook een optreden mogelijk is tegen nalatige burgers. Een vergelijkbare bepaling komt in de model APV van de VNG overigens niet (meer) voor. 5. Overlast door straatartiesten beperken Straatartiesten (veelal muzikanten) zorgen voor levendigheid in de stad. Desalniettemin ontvangt de gemeente regelmatig klachten over straatartiesten van bedrijven en omwonenden. De overlast die ervaren wordt gaat in de praktijk over: - Muzikanten die in een (half) overdekte ruimte spelen. Daardoor resoneert het geluid zodanig dat dit als ondraaglijke overlast wordt ervaren. -Straatartiesten die gebruikmaken van geluidsversterkende apparatuur. Dergelijke versterking verstoort de rust in de openbare ruimte. Met name voor omwonenden kan dit een ondraaglijke overlast geven.
raad 2021_1218 definitief
11
-Straatartiesten die hele dagdelen op dezelfde plek blijven staan. Dit is erg overlastgevend voor winkeliers. In de huidige APV is al een artikel opgenomen waarin het straatartiesten wordt verboden overlast te veroorzaken voor voorbijgangers, omwonenden of bezoekers van een terras. Wat overlast is, kan in de praktijk echter lastig te bepalen zijn. Het subjectieve begrip overlast wordt in de voorgestelde bepaling ingevuld aan de hand van een aantal concrete criteria. Op die manier kan op objectieve wijze worden vastgesteld dat sprake is van een overtreding. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat veel uitingen van straatartiesten grondwettelijke bescherming genieten onder de vrijheid van meningsuiting (artikel 7, derde lid, van de Grondwet). Een algeheel verbod of een vergaande beperking kan niet bij verordening worden geregeld. Met het formuleren van criteria ter voorkoming van overlast wordt een balans gevonden tussen de belangen van straatartiesten, het algemeen belang van een levendige binnenstad en de belangen van bedrijven en omwonenden. Daarbij is van belang dat de criteria niet gaan over de inhoud en dat het recht op vrijheid van meningsuiting nog steeds betekenisvol kan worden uitgeoefend. Zo is het mogelijk om de tijdsduur van een optreden te maximaliseren. De straatartiest dient zich vervolgens over een grotere afstand te verplaatsen.
Ook wordt voorgesteld om muziek van straatartiesten te verbieden op tijden dat de winkels niet geopend zijn, omdat het geluid door omwonenden van winkelgebieden op die tijden sneller als overlastgevend wordt ervaren. Dit is vanuit het oogpunt van de straatartiesten slechts een kleine beperking, omdat op die tijdstippen het publiek sowieso erg gering zal zijn. Winkeltijden zijn echter niet meer verordend in de gemeente Tilburg. Daarom dient een tijdsspanne apart benoemd te worden. Deze sluit aan bij de gebruikelijke openingstijden van de winkels. De binnenstad van Tilburg is voor 11.00 uur nog open voor bevoorradend verkeer. De ruimte dient dan zoveel mogelijk aan dit verkeer gegeven te worden. In afwijking van het voorgaande mogen straatartiesten in het horecaconcentratiegebied ook op zaterdag- en zondagavond tussen 18.00 en 21.00 optreden. Straatmuzikanten maken gebruik van de openbare ruimte. De voorwerpen die zij gebruiken bij hun optredens mogen echter niet de bruikbaarheid van de ruimte grof teniet doen. Daarbij valt te denken aan het versperren van de voetpaden. In sommige gevallen kan het wenselijk zijn om een gebied en/of tijd aan te wijzen waarbij straatmuzikanten, ter bescherming van de openbare orde, geheel niet toegestaan zijn. Daarbij valt te denken aan een herdenkingsplechtigheid.
Het voorgestelde gewijzigde artikel 74 APV en de toelichting daarop komen dan als volgt te luiden: Oude tekst + toelichting artikel 74 APV
Nieuwe tekst + toelichting artikel 74 APV
Artikel 74. Straatartiesten 1. Het is verboden op de openbare weg als straatartiest overlast te veroorzaken voor voorbijgangers, omwonenden of bezoekers van een terras. 2. Een ieder, die overlast veroorzaakt als bedoeld in het eerste lid dient zich op daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie dan wel een buitengewoon opsporingsambtenaar in een door deze aangegeven richting te verwijderen.
Artikel 74. Straatartiesten 1. Het is verboden op een door de burgemeester aangewezen openbare plaats en tijd als straatartiest op te treden. 2. Het is verboden op een andere dan de bij het eerste lid aangewezen openbare plaats en tijd voor het publiek als straatartiest op te treden als: a. dit optreden plaatsvindt tussen 18.00 uur en 11.00 uur. b. dit optreden langer duurt dan een half uur op dezelfde plaats; c. dit optreden plaatsvindt in geheel of gedeeltelijk overdekte ruimten;
raad 2021_1218 definitief
12
d.
3.
Toelichting Voor het optreden als straatartiest is geen vergunning vereist. Het komt in de praktijk echter regelmatig voor dat er (groepen) straatartiesten zijn die irritant en opdringerig gedrag vertonen bij met name terrassen en in het winkelgebied. Dit kan leiden tot problemen met de openbare orde. Dit artikel beoogt de politie en buitengewoon opsporingsambtenaren een handvat te bieden om op te treden in situaties, waarin er sprake is van overlast.
tijdens het optreden voorwerpen worden geplaatst waardoor het verkeer wordt gehinderd; e. binnen vierentwintig uur meer dan twee keer binnen een cirkel met een straal van vijftig meter wordt opgetreden. In afwijking van het tweede lid aanhef en sub a geldt het verbod niet op donderdag en vrijdag tussen 18.00 uur en 21.00 uur. Daarnaast geldt het verbod niet in het horecaconcentratiegebied als bedoeld in artikel 31, eerste lid, sub c van deze verordening op zaterdag en zondag tussen 18.00 en 21.00.
Toelichting Het optreden als straatartiest is in beginsel toegestaan. Omwille van de leefbaarheid en functionaliteit van winkelgebieden is er een aantal beperkende regels (lid 2 en lid 3) voor de straatartiesten. Deze regels beperken datgene dat objectief als overlast wordt ervaren. In lid 1 is een bevoegdheid aan de burgemeester gegeven om een plaats aan te wijzen of tijd vast te stellen dat het optreden als straatartiest niet is toegestaan.
6. Overlast fietsen Het eerste lid van artikel 76 verbiedt het plaatsen van een (brom)fiets als daarmee overlast veroorzaakt kan worden. Het is wenselijk om gevaarzetting of hinder voor de overige verkeersdeelnemers aan dit lid toe te voegen. Voor het derde lid van artikel 76 is een wijziging gewenst. Het schrijft nu een cumulatie voor om van een overtreding te kunnen spreken. Fietsen moeten namelijk rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud zijn én in verwaarloosde toestand verkeren. Er bestaan echter situaties dat een voertuig in verwaarloosde toestand verkeert, maar rijtechnisch nog in voldoende mate deugdelijk is. Er is dan volgens de huidige bepaling geen sprake van een overtreding, terwijl handhaving wel geboden is. De introductie van deelvoertuigen heeft geleid tot een toename van het aantal meldingen over (snor/brom)fietsen die voor voordeuren en poorten worden geplaatst, waardoor bewoners niet gemakkelijk hun erf kunnen betreden. Deze uitgangen komen veelal uit op een trottoir. Buiten de aangewezen plaatsen (als bedoeld in lid 2) wordt niet opgetreden tegen (brom)fietsen die op het trottoir staan. Dat is onwenselijk. Voorgesteld wordt om een nieuw vierde lid aan artikel 76 toe te voegen, die voorziet in een delictsomschrijving die specifiek is gericht op de toegangen van erven. Dit lid komt overeen met de bepaling uit de model-APV van de VNG.
raad 2021_1218 definitief
13
Het voorgestelde gewijzigde artikel 76 APV en de toelichting daarop komen dan als volgt te luiden: Oude tekst + toelichting artikel 76 APV
Nieuwe tekst + toelichting artikel 76 APV
Artikel 76. Neerzetten van fietsen en dergelijke. 1. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan, indien daardoor overlast veroorzaakt kan worden. 2. Het is verboden fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen. 3. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren op de weg te laten staan
Artikel 76. Neerzetten van fietsen en dergelijke. 1. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan, indien daarmee hinder of gevaar voor het verkeer ontstaat of als daardoor anderszins overlast veroorzaakt kan worden. 2. Het is verboden fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen. 3. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud zijn of die in een verwaarloosde toestand verkeren op de weg te laten staan. 4. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen of voor een deur, tegen de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.
Toelichting. Het eerste lid verbiedt het hinderlijk neerzetten van fietsen.
Toelichting Het eerste lid verbiedt het neerzetten van fietsen wanneer daardoor hinder of gevaar ontstaat ten aanzien van het overige verkeer of als daardoor overlast kan ontstaan. De overlast is niet alleen gericht tegen een verkeersdeelnemer. Op grond van het tweede lid kan het college plaatsen aanwijzen, waar het verboden is fietsen te stallen buiten de aanwezige stallingsvoorzieningen. Reden voor een dergelijke aanwijzing kan o.a. gelegen zijn in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente en/of het voorkomen van overlast. Het college heeft delen van de stad aangewezen als een gebied in de zin van het tweede lid. Het vierde lid verbiedt het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden, terwijl de eigenaar heeft aangegeven dat dit niet gewenst is of waardoor de toegang tot het gebouw wordt gehinderd. Dit geeft vaak aanleiding tot klachten.
Op grond van het tweede lid kan het college plaatsen aanwijzen, waar het verboden is fietsen te stallen buiten de aanwezige stallingsvoorzieningen. Reden voor een dergelijke aanwijzing kan o.a. gelegen zijn het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente en/of het voorkomen van overlast. Het college heeft een deel van de binnenstad aangewezen als een gebied in de zin van het tweede lid. In het bestaande tweede lid was geregeld, dat het college plaatsen kon aanwijzen, waar het verboden was fietsen e.d. buiten de stallingsvoorzieningen te plaatsen. De rechtbank in den Haag heeft geoordeeld, dat nu in deze formulering geen expliciet door de raad vastgesteld verbod was opgenomen om op die plaatsen fietsen te stallen, de overtreder van dit artikel niet strafbaar was. Om die
raad 2021_1218 definitief
14
reden is artikel 76, tweede lid nu opnieuw geformuleerd, zodat buiten kijf staat, dat overtreding van dit nieuw geformuleerde artikel wel een strafbaar feit oplevert. Het artikel bevat nu een expliciet verbod. 7. Voederverbod In artikel 83 is het voederverbod opgenomen. In de toelichting staat dat het college nog geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om plaatsen aan te wijzen. Dat is niet meer actueel. Er is in 2017 een gebied aangewezen waar het voederverbod van kracht is. De voorgestelde gewijzigde toelichting op artikel 83 APV komt dan als volgt te luiden: Oude tekst toelichting artikel 83 APV
Nieuwe tekst toelichting artikel 83 APV
Een van de oorzaken van overlast van duiven of watervogels is het grote voedselaanbod dat voor deze vogels beschikbaar is. Dit aanbod wordt nog vergroot doordat burgers deze vogels regelmatig voederen. Het gevolg hiervan is de toename van het aantal vogels in een bepaald gebied en een verstoring van het biologisch evenwicht in dat gebied met alle gevolgen van dien.
Een van de oorzaken van overlast van duiven of watervogels is het grote voedselaanbod dat voor deze vogels beschikbaar is. Dit aanbod wordt nog vergroot doordat burgers deze vogels regelmatig voederen. Het gevolg hiervan is de toename van het aantal vogels in een bepaald gebied en een verstoring van het biologisch evenwicht in dat gebied met alle gevolgen van dien.
Vermeld kan nog worden dat dit artikel bij raadsbesluit van 20 januari 2003 in de APV is opgenomen. Van de mogelijkheid om plaatsen aan te wijzen, waarvoor het voederverbod geldt, heeft het college overigens nog geen gebruik gemaakt. 8. Natuurlijke behoefte doen Op dit moment geldt binnen de bebouwde kom van Tilburg een wildplasverbod. Bij de formulering van dit verbod is geen rekening gehouden met voorzieningen zoals uriliften of mobiele toiletten die worden geplaatst bij evenementen. Ook het gebruikmaken van deze voorzieningen is volgens de bepaling verboden, terwijl dit niet wenselijk is. Het voorgestelde gewijzigde artikel 111 APV daarop komt dan als volgt te luiden: Oude tekst artikel 111 APV
Nieuwe tekst artikel 111 APV
Artikel 111. Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen.
Artikel 111. Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
9. Definitie parkeren uit artikel 116 verwijderen Voorgesteld wordt om de definitie van het begrip ‘parkeren’ te verplaatsen naar artikel 1. De definitie dient dan uit artikel 116 te worden verwijderd. Het voorgestelde gewijzigde artikel 116 APV komt dan als volgt te luiden: Oude tekst artikel 116 APV
Nieuwe tekst artikel 116 APV
Artikel 116.
Artikel 116.
raad 2021_1218 definitief
15
Begripsomschrijvingen. In deze afdeling wordt verstaan onder:
Begripsomschrijvingen. In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
a. weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
b. voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:
b. voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:
1. treinen en trams;
1. treinen en trams;
2. fietsen en bromfietsen;
2. fietsen en bromfietsen;
3. invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
3. invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
4. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, rolstoelen;
4. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, rolstoelen;
c. parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.
c. deelvoertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van personenauto's, die op een openbare plaats ter beschikking worden gesteld om, al dan niet tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden, herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruikt te worden op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke en rechtspersonen en/of een of meerdere aanbieder(s).
d. deelvoertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van personenauto's, die op een openbare plaats ter beschikking worden gesteld om, al dan niet tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden, herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruikt te worden op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke en rechtspersonen en/of een of meerdere aanbieder(s). Toelichting Voor in de begripsomschrijving opgenomen definities van “weg”, “voertuigen” en “parkeren” is aansluiting gezocht bij de in de verkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities.
Tilburg, 7 september 2021 Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg, de secretaris, de burgemeester,
raad 2021_1218 definitief
16
Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 149 Gemeentewet; gelet op het door de raad aanvaarde amendement 8.2.
Besluit de volgende verordening vast te stellen:
Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2021.2 Artikel I De Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg wordt als volgt gewijzigd:
A. De inleidende paragraaf komt te luiden: De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a Gemeentewet, artikelen 3 en 4 Wet openbare manifestaties, artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d Alcoholwet, artikel 5.13 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 30c tweede lid Wet op de kansspelen, artikel 2a Wegenverkeerswet 1994,
B. Artikel 1 en de toelichting op dit artikel komen te luiden: Artikel 1. Begripsomschrijvingen. In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: A. Weg: 1. de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994; 2. de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; 3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; 4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.
raad 2021_1218 definitief
17
B. Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. C. Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van trams en kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen. D. Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd. E. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. F. Gebouw: elke bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. G. Vee: eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens. H. Pluimvee: klein- en pluimvee, eenden en ganzen. I. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen en diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. J. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten bij hun desbetreffende besluit de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenwet. K. Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. L.
Parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; M. Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994. Toelichting Artikel 1 Begripsomschrijvingen A. Weg Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen, heeft betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De omschrijving van "weg" is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de Wegenverkeerswet 1994 (en die van de verschillende provinciale wegenreglementen). Te onderscheiden zijn de volgende definities van het begrip "weg": De "(Openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte; de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg, in te grijpen;
raad 2021_1218 definitief
18
de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder uiteenlopende formuleringenvoorkomt in verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen. De volgorde is die van eng naar ruim: "openbare wegen" zijn ook "wegen die voor het openbaar verkeer open staan", maar niet alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen zijn openbaar. Tot de "voor het publiek toegankelijke plaatsen" kunnen de "openbare wegen" en de overige" voor het openbaar verkeer openstaande wegen" gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput. Het begrip “weg” in de APV komt het meest overeen met het hiervoor onder c beschreven begrip, zij het dat het nog iets ruimer is. Daaronder vallen ook voor het publiek toegankelijke trappen, portieken e.d. die toegang geven tot voor bewoning bestemde ruimten, voor zover deze trappen etc. niet afsluitbaar zijn. Andere trappen, portieken, galerijen e.d. vallen ook onder het begrip weg, ongeacht of deze afsluitbaar zijn, maar alleen op het moment dat ze niet afgesloten zijn. Daarbij moet b.v. gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. Gedurende de tijd, dat deze niet daadwerkelijk afgesloten zijn, maken zij deel uit van de weg als bedoeld in de APV en zijn dus tal van bepalingen uit de APV van toepassing. B. Rechthebbende Het gaat hier om de rechthebbende naar burgerlijk recht.
Veelal is dat de eigenaar en/of huurder van een goed. C. Voertuig In artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV 1990) worden als voertuigen genoemd: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. E. Bouwwerk Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de (Model)Bouwverordening. F. Gebouw Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1, onder c, van de Woningwet. I. Handelsreclame Dit begrip is van belang, omdat artikel 7 van de Grondwet, dat de vrijheid van meningsuiting garandeert, niet van toepassing is op handelsreclame. Het begrip komt o.a. terug in artikel 114 APV. K. Openbare plaats Hiervoor is aangehaakt bij de Wom. Artikel 1, eerste lid, van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de MvT zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”.
Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de MvT (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 16).
raad 2021_1218 definitief
19
Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip ‘openbare plaats’ ook een aantal ’besloten plaatsen’ als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 5, p. 11-13 en nr. 6). C.
Artikel 5 en de toelichting op dit artikel komen te luiden: Artikel 5. Persoonlijke karakter van vergunning of ontheffing. 1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. De volgende vergunningen zijn niet persoonsgebonden: • een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 114a; • een vergunning als bedoeld in artikel 92. Toelichting De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning of ontheffing. Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt. Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde.
Het kan ook een andere hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer enz. Uitgangspunt in de APV is de persoonsgebondenheid van de vergunning. Overigens kan een vergunning wel degelijk een zakelijk karakter hebben, ook al staat de vergunning op naam van een persoon. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de Omgevingsvergunning van artikel 114a APV en de aflevergunning consumentenvuurwerk uit artikel 92 APV van een zakelijk karakter heeft.
D. Artikel 21 wordt ingetrokken. E.
Artikel 74 en de toelichting op dit artikel komen te luiden: Artikel 74. Straatartiesten 1. Het is verboden op een door de burgemeester aangewezen openbare plaats en tijd als straatartiest op te treden. 2. Het is verboden op een andere dan de bij het eerste lid aangewezen openbare plaats en tijd voor het publiek als straatartiest op te treden als: a. dit optreden plaatsvindt tussen 18.00 uur en 11.00 uur. b. dit optreden langer duurt dan een half uur op dezelfde plaats; c. dit optreden plaatsvindt in geheel of gedeeltelijk overdekte ruimten; d. tijdens het optreden voorwerpen worden geplaatst waardoor het verkeer wordt gehinderd; e. binnen vierentwintig uur meer dan twee keer binnen een cirkel met een straal van vijftig meter wordt opgetreden. 3. In afwijking van het tweede lid aanhef en sub a geldt het verbod niet op donderdag en vrijdag tussen 18.00 uur en 21.00 uur. Daarnaast geldt het verbod niet in het horecaconcentratiegebied als bedoeld in artikel 31, eerste lid, sub c van deze verordening op zaterdag en zondag tussen 18.00 en 21.00.
raad 2021_1218 definitief
4. 5.
20
Het verbod uit het tweede lid aanhef en sub b, c en e geldt niet als sprake is van individuen of groepen van maximaal vijf personen die in stilte of met onversterkt stemgeluid optreden. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.
Toelichting Het optreden als straatartiest is in beginsel toegestaan. Omwille van de leefbaarheid en functionaliteit van winkelgebieden is er een aantal beperkende regels (lid 2 en lid 3) voor de straatartiesten. Deze regels beperken datgene dat objectief als overlast wordt ervaren. Als sprake is van een optreden van individuen of groepen van maximaal 5 personen die in stilte of met uitsluitend menselijk (natuurlijk) stemgeluid hun kunsten vertonen, zijn sommige van deze beperkende regels niet van toepassing (lid 4). In lid 5 is een bevoegdheid aan het college gegeven om in bijzondere gevallen ontheffing te verlenen. In lid 1 is een bevoegdheid aan de burgemeester gegeven om een plaats aan te wijzen waar, of tijd vast te stellen waarop, het optreden als straatartiest, ter bescherming van de openbare orde, in het geheel niet is toegestaan. Deze bevoegdheid wordt terughoudend toegepast en kan bijvoorbeeld worden gebruikt in het geval van een herdenkingsplechtigheid.