Raadsvoorstel Belastingverordeningen 2026
Tekst van het document
Voorblad Raadsvoorstel belastingverordeningen 2026 Datum college: Portefeuillehouder: Afdeling: Behandelend ambtenaar:
30 september 2025, nr. 5 Wethouder Van Asten Juridische zaken R. Onwijn
Samenvatting De raad stelt jaarlijks de belastingverordeningen voor het volgende belastingjaar vast. De actualisatie van de belastingverordeningen behelst aanpassing van de tarieven en redactionele wijzigingen. Voordat een belasting kan worden geheven, moet een belastingverordening worden vastgesteld door de raad. Aangezien de datum van ingang van de heffing 1 januari 2026 is, dienen de hierna genoemde belastingverordeningen vóór deze datum te worden vastgesteld door de raad: 1. de Verordening onroerende zaakbelastingen 2026 2. de Verordening afvalstoffenheffing 2026 3. de Verordening rioolheffing 2026 4. de Verordening hondenbelasting 2026 5. de Verordening precariobelasting 2026 met tarieventabel 6. de Verordening reclamebelasting Binnenstad 2026 met kaart 7. de Verordening reclamebelasting Linten 2026 met 2 kaarten 8. de Verordening reclamebelasting Bedrijventerreinen 2026 met 8 kaarten 9. De Verordening reclamebelasting Spoorzone 2026 met kaart 10. de Verordening toeristenbelasting 2026 11. de Verordening parkeerbelastingen 2026 met tarieventabel en 1 kaart 12. de Verordening begraafplaatsrechten 2026 met kaart 13. de Verordening scheepvaartrechten 2026 14. de Verordening liggelden Piushaven Tilburg 2026 met kaart 15. de Legesverordening 2026 met tarieventabel grondslag Legesberekening legesverordening
Collegebesluit Het college stelt de raad voor bijgevoegde belastingverordeningen voor belastingjaar 2026 vast te stellen.
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
1
Raadsvoorstel belastingverordening 2026 Aanleiding De raad stelt jaarlijks de belastingverordeningen voor het volgende belastingjaar vast. De actualisatie van de belastingverordeningen behelst aanpassing van de tarieven en redactionele wijzigingen. Voordat een belasting kan worden geheven, moet een belastingverordening worden vastgesteld door de raad. Aangezien de datum van ingang van de heffing 1 januari 2026 is, dienen de genoemde belastingverordeningen vóór deze datum te worden vastgesteld door de raad. De raad ontvangt ter besluitvorming het raadsvoorstel en de ontwerpbesluiten van de belastingverordeningen 2026. De tarieven in de belastingverordeningen voor 2026 zijn afgestemd op de voorstellen in de Programmabegroting 2026. In de meeste gevallen is sprake van een nominale indexering van 4,28% van de tarieven 2026 ten opzichte van de tarieven 2025 en in andere gevallen van een extra tariefsverhoging- of verlaging in verband met het streven naar kostendekkendheid.
Beoogd effect In het kader van de Programmabegroting 2026 dienen de tarieven van de belastingverordeningen te worden geactualiseerd. Bij het vaststellen van de tarieven is rekening gehouden met de uitgangspunten van de Programmabegroting 2026.
Voorstel De bijgevoegde 15 belastingverordeningen 2026 vaststellen.
Argumenten 1.1 Onroerende zaakbelasting In verband met de jaarlijkse herwaardering zijn de onroerende zaken voor het belastingjaar 2026 opnieuw getaxeerd en hiervoor is de waarde-peildatum 1 januari 2025 gehanteerd. Op basis van de huidige prognoses stijgingen de totale WOZ-waarden voor de woningen met 12,60% en voor de niet-woningen met 10,99%. Hierin is inbegrepen de waardestijging als gevolg van toename van het aantal woningen en niet-woningen (areaalontwikkeling). Voor de ontwikkeling van de WOZ-waarde geeft dit het volgende totaalbeeld: De totale WOZ-waarde 2025 is: € 44.047.214.000 De totale WOZ-waarde van woningen 2025 is: € 36.197.751.000 De totale WOZ-waarde van niet-woningen 2025 is: € 7.849.463.000 De totale WOZ-waarde 2026 is: De totale WOZ-waarde van woningen 2026 is: De totale WOZ-waarde van niet-woningen 2026 is:
€ 49.471.583.000 € 40.759.602.000 € 8.711.981.000
Voor het belastingjaar 2026 wordt een opbrengst geraamd van € 62.347.000,00. Hierbij is rekening gehouden met een correctie voor vrijstellingen, leegstand (voor gebruikers), afrondingen, bezwaarschriften en oninbare posten.
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
Tarieven 2026 OZB woningen OZB niet-woningen OZB niet-woningen
eigenaar eigenaar gebruiker
2
0,0729% 0,2156% 0,1730%
De OZB tarieven zijn berekend op basis van de nieuwe WOZ-waarden voor 2025 met inbegrip van de verwachte areaal- en waardeontwikkeling. 1.2 Afvalstoffenheffing Voor de afvalstoffenheffing wordt uitgegaan van 100% kostendekkendheid. Ten opzichte van 2025 zijn de totale netto kosten van het afvalbeheer € 1,8 miljoen hoger. Voor € 0,9 miljoen wordt dit veroorzaakt door de prijsontwikkeling. Verder nemen de afvalverwerkingskosten met € 0,6 miljoen toe, de kapitaallasten met € 0,1 miljoen en overige kosten met € 0,2 miljoen. 1.3 Rioolheffing Ten opzichte van 2025 stijgen de tarieven respectievelijk van € 87,02 en € 37,50 (tarief artikel 6, lid 2, onderdeel a, bij waterverbruik van 0 tot en met 250 m3) naar respectievelijk € 97,85 en € 42,17. Dit is een stijging van 12,51% ten opzichte van 2025 en dit geldt ook voor de overige tarieven zoals genoemd in artikel 6, lid 2. Voor de rioolheffing wordt uitgegaan van 100% kostendekkendheid. De toerekening aan de rioolheffing laat een stijging zien van € 2,6 miljoen ten opzichte van 2025. Dit wordt met name veroorzaakt door de toename van de kapitaallasten en door de stijging van de exploitatiekosten mede veroorzaakt door prijsstijgingen. 1.4 Hondenbelasting Ten opzichte van 2025 blijven de tarieven hondenbelasting voor 2026 gelijk. Voor 2026 wordt een totale opbrengst hondenbelasting verwacht van € 1.933.000.
Dit is inclusief een extra te realiseren opbrengst van € 220.000. Dit bedrag komt uit de begrotingen 2012 en 2015 waarbij in de Programmabegroting 2026 een verlaging van € 50.000 heeft plaatsgevonden als gevolg van een herijking van het aantal honden. De totale kosten bedragen naar verwachting € 1.713.000. 1.5 Precariobelasting De tarieven voor 2026 zijn bepaald door indexering van de tarieven 2025 met 2,86%. 1.6 Reclamebelasting Binnenstad De tarieven 2026 zijn door indexering gestegen met 4,23% ten opzichte van 2025. De opbrengst van de reclamebelasting wordt, na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten, overgemaakt aan het Ondernemersfonds Binnenstad Tilburg. Het ondernemersfonds is een initiatief van de samenwerkende partijen in de binnenstad, te weten: Binnenstad Management Tilburg (B.M.T.), Winkeliersvereniging Binnenstad Tilburg (W.B.T.) en Stichting Horeca Concentratiegebied Tilburg (H.C.G.). 1.7 Reclamebelasting Linten De tarieven 2026 zijn door indexering gestegen met 4,23% ten opzichte van 2025. De opbrengst van de reclamebelasting wordt, na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten, overgemaakt aan de Stichting de Tilburgse Linten. 1.8 Reclamebelasting Bedrijventerreinen Het heffingsgebied voor deze reclamebelasting omvat de bedrijventerreinen Het Laar, Kanaalzone Noord, Kanaalzone Zuid, Katsbogten, Kraaiven, Kreitenmolen, Loven en Vossenberg.
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
3
De tarieven 2026 zijn op verzoek van Stichting TOF op zeven bedrijventerreinen gestegen met 4,23% ten opzichte van 2025. Deze methodiek wordt niet toegepast voor het bedrijventerrein Kreitenmolen. Voor 2026 is met stichting TOF een tarief van € 157,30 overeengekomen inzake "Deelgebruik - geen WOZwaarde"(artikel 8, lid 2) voor de bedrijventerreinen Het Laar, Kanaalzone Noord, Kanaalzone Zuid, Katsbogten, Kraaiven, Loven & Vossenberg. De opbrengst van de reclamebelasting wordt, na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten, overgemaakt aan Stichting TOF. 1.9 Reclamebelasting Spoorzone De tarieven 2026 zijn door indexering gestegen met 4,23% ten opzichte van 2025. De opbrengst van de reclamebelasting wordt na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten overgemaakt aan het Ondernemersfonds Binnenstad Tilburg. Het ondernemersfonds is een initiatief van de samenwerkende partijen in de binnenstad, te weten: Binnenstad Management Tilburg (B.M.T.), Winkeliersvereniging Binnenstad Tilburg (W.B.T.) en Stichting Horeca Concentratiegebied Tilburg (H.C.G.). 1.10 Toeristenbelasting Ten opzichte van 2025 is het tarief van de toeristenbelasting ongewijzigd, namelijk 3,5%. De kosten zijn geraamd op € 30.000,00 en de opbrengsten op € 838.000,00. 1.11 Parkeerbelasting Het tarief voor de naheffingsaanslag parkeerbelasting bedraagt in 2026 € 56,94 (=excl.
de kosten voor één uur parkeren) blijkens de kostenberekening (zie bijlage Kostprijs naheffingsaanslag bij de verordening Parkeerbelasting 2026). De tariefzonekaart geeft het uurtarief aan in de huidige gereguleerde gebieden. Zoals opgenomen in de tarieventabel (hoofdstuk 1) is tariefzone 3 van toepassing in wijken waar parkeerrayons worden uitgebreid. Verder hebben zich enkele tekstuele veranderingen voorgedaan. 1.12 Begraafplaatsrechten De tarieven voor 2026 zijn ten opzichte van 2025 gestegen met 2,86 %. De kosten zijn geraamd op € 326.000,00 en de opbrengsten geraamd op € 286.000,00. 1.13 Scheepvaartrechten Voor 2026 zijn de tarieven verhoogd met de nominale index van 2,86%. Voor de liggelden en de scheepvaartrechten zijn de kosten € 583.000,00 en de opbrengsten € 98.000,00. 1.14 Liggelden Piushaven Voor 2024 zijn de tarieven verhoogd met de nominale index van 2,86%. De tarieven zijn opgenomen exclusief BTW, voor de tarieven van artikel 6, lid 1, onderdelen a en b geldt een Btw-vrijstelling in verband met een wijziging van de Europese Uitvoeringsverordening per 1 juli 2011. Voor de liggelden en de scheepvaartrechten zijn de kosten € 579.000,00 en de opbrengsten € 98.000,00.
1.15 Leges Financiële uitgangspunten bij bepalen mate van kostendekking leges Omgevingswet: Gezien het uitgangspunt om de leges zoveel mogelijk kostendekkend te maken is de kostendekkendheid voor omgevingsvergunningen voor een bouwactiviteit verhoogd naar 94,10%. Samen met de jaarlijkse kostenindexering stijgen de leges naar verwachting met € 931.674,00 ten opzichte van de inschatting van belastingjaar 2025. De verwachte kostendekkendheid van geheel hoofdstuk 2 is gestegen van 85,4% in 2025 naar 90,2% in 2026. De overige tarieven (niet zijnde bouwactiviteiten) zijn ten opzichte van 2025 aangepast met een nominale verhoging van 2,86%, waarbij de geïndexeerde tarieven vervolgens zijn afgerond op € 0,05.
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
4
Kosten en baten De totale kostendekkendheid van de legesverordening mag maximaal 100% zijn. De totale lasten zijn € 17.867.262,00 en de totale baten zijn € 14.667.879,00. De totale kostendekkendheid van alle leges komt op 82,1%. Dit is een stijging van een kleine 4% ten opzichte van 2025.
Kanttekeningen en gewogen alternatieven Bij het niet tijdig vaststellen van de 15 verordeningen kan er met ingang van 1 januari 2026 geen belasting, rechten of leges geheven worden.
Niet beïnvloedbare risico’s Niet van toepassing.
Kosten en dekking Er zijn geen kosten verbonden aan de belastingverordeningen.
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
Uitvoering De verordeningen dienen te worden vastgesteld en bekend gemaakt voor 1 januari 2026 om rechtskracht te krijgen.
Participatie Niet van toepassing.
Communicatie Het raadsbesluit tot vaststelling van de 15 belastingverordeningen wordt bekendgemaakt in het elektronische Gemeenteblad. De belastingverordeningen zijn te downloaden via overheid.nl en via de gemeentewebsite.
Evaluatie De verantwoording van de geraamde opbrengsten en kosten vindt plaats middels de jaarrekening.
Bijlagen Het raadsvoorstel bevat 15 belastingverordeningen (ontwerpbesluiten).
Ter inzage gelegde stukken Geen.
Tilburg, 30 september 2025 Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg, de secretaris,
de burgemeester,
5
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
6
Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;
Besluit Vast te stellen de “Verordening op de heffing en invordering van onroerende zaakbelastingen 2026”. Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam "onroerende zaakbelastingen" worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. 2. Met betrekking tot de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; b.
het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 3. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel 2 Belastingobject 1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1. 2.
Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 4 Belastingtarieven 1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
2. 3.
7
a. de gebruikersbelasting voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,1730 % b. de eigenarenbelasting voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen: 0,0729% c. de eigenarenbelasting voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,2156 % Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op hele euro's. Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende zaakbelasting of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 5 Vrijstellingen 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 3 wordt bij het bepalen van de maatstaf van heffing buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, worden beheerd; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, één en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; j. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; l. onroerende zaken, die worden gebruikt als pastorie of kosterswoning, indien het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht daarvan toekomt aan een kerkgenootschap of ander genootschap als in onderdeel c bedoeld; m. onroerende zaken met agrarische bestemming, voor zover deze ongebouwd zijn en al niet vrijgesteld zijn op grond van letter a voornoemd; n. onroerende zaken die worden gebruikt als sportterrein, één en ander met uitzondering van gebouwde eigendommen; o. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht daarvan toekomt, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
2.
8
In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden geheven bij wege van aanslag. Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2. De algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). 4. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid.
Tenzij de termijnen genoemd in het eerste lid inmiddels zijn verstreken, dan is het gehele openstaande bedrag direct invorderbaar. Artikel 8 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking, doch niet eerder dan 1 januari 2026. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 3. De "Verordening onroerendezaakbelastingen 2025" van 14 november 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening onroerendezaakbelastingen 2026".
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 6 november 2025
de griffier,
In overeenstemming met het ondertekeningsmandaat raadsstukken worden raadsbesluiten alleen door de griffier ondertekend.
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
9
Memorie van toelichting behorende bij de “Verordening onroerendezaakbelastingen 2026” WOZ-waarde In verband met de jaarlijkse herwaardering zijn de onroerende zaken voor het belastingjaar 2026 opnieuw getaxeerd en hiervoor is de waarde peildatum 1 januari 2025 gehanteerd. Op basis van de huidige prognoses stijgen de totale WOZ-waarden voor de woningen met 12,60% en voor de niet-woningen met 10,99%. Hierin is inbegrepen de waardestijging als gevolg van toename van het aantal woningen en niet-woningen (areaalontwikkeling). Voor de ontwikkeling van de WOZ-waarde geeft dit het volgende totaalbeeld: De totale WOZ-waarde 2025 is: € 44.047.214.000,00 De totale WOZ-waarde van woningen 2025 is: € 36.197.751.000,00 De totale WOZ-waarde van niet-woningen 2025 is: € 7.849.463.000,00 De totale WOZ-waarde 2026 is: De totale WOZ-waarde van woningen 2026 is: De totale WOZ-waarde van niet-woningen 2026 is:
€ 49.471.583.000,00 € 40.759.602.000,00 € 8.711.981.000,00
Voor het belastingjaar 2026 wordt een opbrengst geraamd van € 62.347.000,00. Hierbij is rekening gehouden met een correctie voor vrijstellingen, leegstand (voor gebruikers), afrondingen, bezwaarschriften en oninbare posten. Tarieven 2026 OZB woningen OZB niet-woningen OZB niet-woningen
eigenaar eigenaar gebruiker
0,0729% 0,2156% 0,1730%
De OZB tarieven zijn berekend op basis van de WOZ-waarden voor belastingjaar 2025 met inbegrip van de verwachte areaal- en waardeontwikkeling.
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
10
Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;
Besluit vast te stellen de ’Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing Tilburg 2026’. Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. perceel: een gebouwde onroerende zaak - of een gedeelte ervan - dat blijkens indeling en inrichting bestemd is om als afzonderlijk geheel door een particuliere huishouding te worden gebruikt en ook als zodanig wordt gebruikt. Met perceel wordt gelijkgesteld: een stacaravan, een woonboot, een woonwagen, een demontabel zomer- of vakantiehuisje en een wisselwoning, indien gebruikt door een particuliere huishouding; b. huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, afvalwater en autowrakken daaronder niet begrepen, behoudens voor zover het afgegeven of ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen; c. herbruikbare afvalstoffen: de als zodanig door het college van burgemeester en wethouders aangewezen afvalstoffen (o.a. oud papier, karton, glas, textiel, oud ijzer/metalen en elektrische en elektronische apparatuur); d. 'gebruik maken': gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer; e. aanbieding: de hoeveelheid en samenstelling van grof huisvuil zoals omschreven bij de aanmelding vooraf aan de inzameldienst. Artikel 2 Aard van belasting en belastbaar feit 1.
Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; 2. De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven voor het gebruikmaken van een perceel waarvoor krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel 3 Belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van: degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt; 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt: a. gebruikmaken van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruikmaken door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b.
gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, met dien verstande dat degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die het perceel ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie het
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
11
perceel ter beschikking is gesteld.
Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de belastingtarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel 5 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Wijze van heffing 1. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag. 2. De belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel wordt bij wege van voldoening op aangifte geheven door middel van een mondelinge dan wel een schriftelijke gedagtekende kennisgeving waarop het verschuldigde bedrag is vermeld. Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3.
Indien de belastingplicht als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt. 5. Bij de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel is de situatie aan het begin van het belastingjaar of zo dit later is, bij aanvang van de belastingplicht, bepalend voor de tariefstelling van een éénpersoons- of meerpersoonshuishouden. 6. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvraag tot ophalen van grof huisvuil, de aanvraag voor een vervangende toegangspas of bij aanvang van het gebruik van de ter beschikking gestelde plaats (milieustraat). Artikel 8 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). 4. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid. Tenzij de termijnen genoemd in het eerste lid inmiddels zijn verstreken, dan is het gehele openstaande bedrag direct invorderbaar. 5. De in hoofdstuk 2 van de tarieventabel opgenomen bedragen moeten direct per pinbetaling worden afgerekend op het moment van de kennisgeving als bedoeld in artikel 6, tweede lid. Artikel 9 Kwijtschelding Bij de invordering van de afvalstoffenheffing kan kwijtschelding worden verleend voor de in hoofdstuk 1 van de
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
12
tarieventabel opgenomen tarieven.
Artikel 10 Overgangsrecht 1. De 'Verordening Afvalstoffenheffing Tilburg 2025' vastgesteld bij raadsbesluit van 14 november 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 11, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt na de in artikel 11, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, blijft de in het eerste lid genoemde verordening gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voor zover de heffing van afvalstoffenheffing in die periode plaatsvindt. Artikel 11 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 3. De 'Verordening Afvalstoffenheffing Tilburg 2025' van 14 november 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 12 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening Afvalstoffenheffing Tilburg 2026'.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 6 november 2025 de griffier,
In overeenstemming met het ondertekeningsmandaat raadsstukken worden raadsbesluiten alleen door de griffier ondertekend.
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
13
Tarieventabel behorende bij de 'Verordening Afvalstoffenheffing Tilburg 2026' Deze bijlage omvat de in artikel 6 van genoemde verordening aangehaalde tarieventabel per 1 januari 2026.
Hoofdstuk 1 AFVALSTOFFENHEFFING 1.1
1.2
1.3
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar € 318,63 indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon. De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar € 354,03 indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door meer dan één persoon. Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen afvalstoffenheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Hoofdstuk 2 Overige maatstaven en tarieven afvalstoffenheffing 2.1
Het tarief voor het op de milieustraat van de gemeente Tilburg achterlaten van: a. grof huishoudelijk restafval € 0,25 per kg b. verbouwingsrestafval bedraagt € 0,25 per kg 2.2 De belasting genoemd onder 2.1 wordt niet geheven voor het achterlaten van: a. klein chemisch afval en asbesthoudend materiaal; b. per soort gescheiden aangeboden herbruikbare huishoudelijke afvalstoffen. 2.3 Het tarief voor het op aanvraag aan huis ophalen van grof huisvuil bedraagt € 25,00 per aanbieding. 2.4 Het tarief voor het bij vermissing of beschadiging aanvragen van een nieuwe toegangspas voor de ondergrondse afvalcontainer of voor de milieustraat bedraagt € 12,50 per aangevraagde toegangspas. Nadere regels met betrekking tot het achterlaten en laten ophalen van grof huishoudelijk afval zijn in het Gewijzigde Uitvoeringsbesluit 2024 behorende bij de Afvalstoffenverordening gemeente Tilburg 2019 opgenomen. Hierin zijn ook de omschrijvingen van diverse afvalsoorten opgenomen.
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
14
Memorie van toelichting behorende bij de 'Verordening afvalstoffenheffing Tilburg 2026' Voor de afvalstoffenheffing wordt uitgegaan van 100% kostendekking. Onderstaande, inclusief tabellen, is geheel aangepast t.o.v. 2025. Ten opzichte van 2025 zijn de totale netto kosten van het afvalbeheer € 1,8 miljoen hoger. Voor € 0,9 miljoen wordt dit veroorzaakt door de prijsontwikkeling. Verder nemen de afvalverwerkingskosten met € 0,6 miljoen toe, de kapitaallasten met € 0,1 miljoen en overige kosten met € 0,2 miljoen. -
Tariefontwikkeling afvalstoffenheffing Tarief
2024
2025
2026
- Eenpersoonshuishouden
€ 291,78
€ 303,32
€ 318,63
- Meerpersoonshuishouden
€ 324,20
€ 337,03
€ 354,03
- grof huishoudelijk restafval per kg.
€ 0,25
€ 0,25
€ 0,25
- verbouwingsrestafval per kg.
€ 0,25
€ 0,25
€ 0,25
Ophalen grof huisvuil
€ 25,00
€ 25,00
€ 25,00
Vervangende toegangspas milieustraat of ondergrondse container (bij beschadiging/vermissing)
€ 12,50
€ 12,50
€ 12,50
Rekening
Begroting
Begroting
2024
2025
2026
Afvalstoffenheffing Per perceel;
Afgifte Milieustraat;
Bedragen * € 1.000,Omschrijving Kosten taakveld(en) incl omslagrente
25.910
27.653
28.996
Inkomsten taakveld(en) incl. omslagrente
-4.564
-4.327
-4.429
Netto kosten taakveld
21.346
23.326
24.567
Overhead incl. omslagrente
7.269
7.374
7.841
BTW
2.857
3.003
3.071
Totale kosten
31.472
33.703
35.479
Opbrengst heffingen
31.956
33.703
35.479
Dekkingspercentage
102%
100%
100%
Reserve en/of voorziening Afvalstoffenheffing (onttrekking is +, storting is -)
-484
-
Dekkingspercentage incl. onttrekking reserve en/of voorziening Afvalstoffenheffing
100%
100%
Toe te rekenen kosten:
100%
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
15
Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;
Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2026’. Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; b. verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft; c. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater. Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: 1. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en 2. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belastingen worden geheven: a.
van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en b. van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel. 2. Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 3. Voor het gebruikersdeel wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
16
Artikel 4 Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel. Artikel 5 Maatstaf van heffing 1. Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel. 2. Het gebruikersdeel voor woningen wordt geheven naar een vast bedrag per perceel. 3. Het gebruikersdeel voor overige objecten wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. 4. Het aantal kubieke meters afvalwater, als bedoeld in het derde lid, wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt.
Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van 12 maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 5. Indien er geen sprake is van een voorafgaande verbruiksperiode wordt de hoeveelheid water bepaald naar het werkelijke verbruik (eventueel herleid naar een periode van 12 maanden) op het moment van aangifte of, indien daarover ook geen gegevens bekend zijn, door schatting. 6. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 7. De op voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water, of de op grond van het vierde lid bepaalde hoeveelheid water, wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd. Artikel 6 Belastingtarieven 1. Het tarief van het eigenarendeel bedraagt € 97,85. 2. Het tarief van het gebruikersdeel voor woningen bedraagt € 42,17 3.
Het tarief van het gebruikersdeel voor overige objecten bedraagt bij een hoeveelheid water van: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. m.
0 251 501 751 1.001 2.501 5.001 7.501 10.001 15.001 20.001 50.001 100.001
m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³
tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met
250 500 750 1.000 2.500 5.000 7.500 10.000 15.000 20.000 50.000 100.000 500.000
m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³
€ € € € € € € € € € € € €
42,17 386,24 715,32 1.096,79 2.050,52 5.174,03 8.583,63 12.875,42 16.976,54 22.889,71 38.054,12 64.377,24 75.345,26
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
n. 4.
500.001
m³
en meer
17
m³
€
96.327,45
Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende zaakbelasting of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing De rioolheffing wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belastingen zijn verschuldigd bij aanvang van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4.
Bij aanslagen, die opgelegd zijn op basis van de artikelen 3, eerste lid, onderdeel b, en 6, tweede lid, onderdeel a, is het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel niet van toepassing indien er sprake is van een verhuizing binnen de gemeente Tilburg, waarbij de belastingplichtige zowel op het nieuwe als op het oude adres als belastingplichtige kan worden aangemerkt. Artikel 10 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand).
Tenzij de termijnen genoemd in het eerste lid inmiddels zijn verstreken dan is het gehele openstaande bedrag direct invorderbaar. 4. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid. Tenzij de termijnen genoemd in het eerste lid inmiddels zijn verstreken, dan is het gehele openstaande bedrag direct invorderbaar. Artikel 11 Vrijstellingen 1. Vervallen. 2. De belastingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, worden niet geheven ter zake van afvalwater dat wordt geloosd op het gemeentelijke rioleringsstelsel en afkomstig is van saneringsprojecten in het kader van bodemverontreiniging. Artikel 12 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 3. De 'Verordening rioolheffing 2025' van 14 november 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in het
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
4.
18
tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening rioolheffing 2026'.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 6 november 2025 de griffier,
In overeenstemming met het ondertekeningsmandaat raadsstukken worden raadsbesluiten alleen door de griffier ondertekend.
Memorie van toelichting behorende bij de ‘Verordening rioolheffing 2026’ Tarieven Ten opzichte van 2025 stijgen de tarieven respectievelijk van € 87,02 en € 37,50 (tarief artikel 6, lid 2, onderdeel a, bij waterverbruik van 0 tot en met 250 m3) naar respectievelijk € 97,85 en € 42,17. Dit is een stijging van 12,51% ten opzichte van 2025 en dit geldt ook voor de overige tarieven zoals genoemd in artikel 6, lid 2. Voor de rioolheffing wordt uitgegaan van 100% kostendekkendheid. De toerekening aan de rioolheffing laat een stijging zien van € 2,6 miljoen ten opzichte van 2025. Dit wordt met name veroorzaakt door de toename van de kapitaallasten en door de stijging van de exploitatiekosten mede veroorzaakt door prijsstijgingen.
Tariefontwikkeling rioolheffing:
Rioolheffing eigenaar Rioolheffing gebruiker (“basis” tarief)
bedragen * € 1.000,Kosten taakveld(en) inclusief omslagrente Inkomsten taakveld(en) inclusief omslagrente Netto kosten taakveld Toe te rekenen kosten: Overhead incl. omslagrente BTW
2024 € 79,83 € 34,41
2025 € 87,02 € 37,50
2026 € 97,85 € 42,17
Rekening Begroting 2024 2025 14.871 15.827 -489 -69 14.382 15.758
Begroting 2026 17.723 0 17.723
916 2.301
851 2.724
998 3.175
Totale kosten
17.599
19.333
21.896
Opbrengst heffingen
15.192
16.404
18.995
Dekkingspercentage
86%
85%
87%
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
Reserve en/of voorziening Afvalstoffenheffing (onttrekking is +, storting is -) Dekkingspercentage incl. reserve en/of voorziening Rioolheffing
19
2.408
2.929
2.900
100%
100%
100%
Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; - gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; - gelet op artikel 226 van de Gemeentewet;
Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van hondenbelasting 2026'. Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam 'hondenbelasting' wordt een directe belasting geheven ter zake van het houden van één of meer honden binnen de gemeente. Artikel 2 Belastingplicht 1. Belastingplichtig is de houder van één of meer honden. 2. Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook één of meer honden onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is. 3. Het houden van één of meer honden door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van één of meer honden door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden. Artikel 3 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden: Artikel 4 Belastingtarief 1. De belasting bedraagt per belastingjaar: a. voor een eerste hond € 132,28; b. voor een tweede hond € 187,60; c. voor iedere hond boven het aantal van twee € 222,85. 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor honden, gehouden in kennels, per kennel per belastingjaar € 417,54.
Voor de toepassing van de vorige volzin wordt onder kennel verstaan een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, bestemd en gebruikt voor het fokken van honden voor de verkoop of aflevering van nakomelingen.
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
20
Artikel 5 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of, indien dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar toeneemt, is de belasting respectievelijk de hogere belasting ter zake van het toegenomen aantal honden, verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belasting jaar eindigt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar vermindert, wordt geheel of gedeeltelijke ontheffing verleend voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden resteren. 4. Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd.
Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen hondenbelasting of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 8 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven ter zake van honden: 1. die zijn opgeleid tot en dienen als assistentiehond en als zodanig door een blind persoon of een persoon met een lichamelijke en/of geestelijke beperking worden gehouden of die verblijven bij een opleider van een hulp- of geleidehond organisatie om te worden opgeleid tot assistentiehond of die in opleiding zijn als assistentiehond en in opdracht van een opleidingsinstituut daartoe zijn geplaatst bij een gastgezin. Onder assistentiehonden wordt verstaan: - Een hulphond: opgeleid voor hulp aan mensen met een motorische beperking. - Een signaalhond: opgeleid voor hulp aan mensen met een auditieve beperking. - Een (blinde)geleidehond: opgeleid voor de begeleiding van blinden en mensen met een visuele beperking. - Een epilepsiehond: opgeleid om mensen met epilepsie bij te staan en alarm te slaan bij een aanval. - Een therapiehond: opgeleid voor hulp aan mensen met autisme. 2. die in een hondenasiel verblijven.
Onder hondenasiel wordt verstaan: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervend zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan, welke locatie als inrichting is aangemeld overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren; 3. die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid van het Besluit houders van dieren; 4. die jonger zijn dan drie maanden, voor zover ze tezamen met de moederhond worden gehouden; 5. waarvan de houder een geldig certificaat 'politiehond' van de Koninklijke Nederlandse Politiehondenvereniging kan tonen, die gehoorzamen naar de bevelen van zijn begeleider en waarvoor de houder zich heeft verbonden om hond en begeleider op aanvraag aan de politie ter beschikking te stellen; 6. die door de 'Stichting Hulphond Nederland' of een daarmee gelijk te stellen erkende instantie als gehandicaptenhond aan een lichamelijk of auditief gehandicapte persoon of een persoon met epilepsie of autisme ter beschikking zijn gesteld.
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
21
Artikel 9 Termijn van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). 4. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnenworden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid. Tenzij de termijnen genoemd in het eerste lid inmiddels zijn verstreken, dan is het gehele openstaande bedrag direct invorderbaar.
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
22
Artikel 10 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 3. De 'Verordening hondenbelasting 2025' van 14 november 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening hondenbelasting 2026'.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 6 november 2025 de griffier,
In overeenstemming met het ondertekeningsmandaat raadsstukken worden raadsbesluiten alleen door de griffier ondertekend.
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
23
Memorie van toelichting behorende bij de “Verordening hondenbelasting 2026" Tarieven Ten opzichte van 2025 blijven de tarieven hondenbelasting voor 2026 gelijk. Voor 2026 wordt een totale opbrengst hondenbelasting verwacht van € 1.933.000,00. Dit is inclusief een extra te realiseren opbrengst van € 220.000. Dit bedrag komt uit de begrotingen 2012 en 2015 waarbij in de Programmabegroting 2026 een verlaging van € 50.000,00 heeft plaatsgevonden als gevolg van een herijking van het aantal honden. De totale kosten bedragen naar verwachting € 1.713.000,00. Tariefontwikkeling Hondenbelasting
Kosten en opbrengsten (x € 1.000) Omschrijving
Rekening Begroting Begroting 2024 2025 2026 1.174
1.216
1.275
Afvalverwijdering
359
409
350
Heffing en invordering
105
94
88
Totaal kosten
1.639
1.719
1.713
Totaal opbrengsten
1.888
1.989
1.933
250
270
220
Handhaving/dierenopvangcentrum
Saldo
bedragen * € 1.000,Kosten taakveld(en) incl. omslagrente
Rekening Begroting Begroting 2024 2025 2026 1.434
1.467
1.476
193
170
181
1.241
1.297
1.295
Overhead incl. omslagrente
166
190
182
BTW
232
232
236
Totale kosten
1.638
1.719
1.713
Opbrengst heffingen
1.888
1.989
1.933
Inkomsten taakveld(en) incl. omslagrente Netto kosten taakveld Toe te rekenen kosten:
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
24
Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 228 van de Gemeentewet;
Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2026'. Artikel 1 Definities 1. Voor de toepassing van deze verordening wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: a. jaar: een kalenderjaar; b. maand: een kalendermaand; c. week: een periode van zeven achtereenvolgende dagen; d. dag: een periode van 24 uur, aanvangende te 0.00 uur, of een gedeelte daarvan. e. dag bij hoofdstuk 6 (nr. 60 en nr. 62) van de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel: een periode van 24 aaneengesloten uren; f. vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon één of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben. Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Artikel 3 Belastingplicht 1.
De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn. 2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft. Artikel 4 Belastingtijdvak 1. Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. 2. Indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het kalenderjaar, bedraagt de belasting zoveel twaalfden van het over een jaar verschuldigde bedrag als er na aanvang van de belastingplicht nog volle maanden van het kalenderjaar resteren. 3.
In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaar overschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar. Artikel 5 Ontheffing Indien het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar en de belastingplicht eindigt voor het verstrijken van het belastingtijdvak, wordt op verzoek van de belastingplichtige ontheffing verleend over zoveel twaalfde gedeelten van het over een jaar verschuldigde bedrag als er na het tijdstip van beëindiging van de
Raadsvoorstel.belastingverordeningen.2026.met.verordeningen
25
belastingplicht nog volle kalendermaanden van het belastingtijdvak resteren. Artikel 6 Maatstaf van heffing, belastingtarief en berekening van de precariobelasting 1. De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, voorkomende in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde. 2. Bij de berekening van de belasting worden gedeelten van in de tarieventabel genoemde eenheden van tijd, lengte-, oppervlakte- of inhoudsmaat, waarover de tarieven worden berekend, als een volle eenheid aangemerkt. 3. Bij de toepassing van tarieven waarbij de oppervlakte bepalend is voor de hoogte van de belasting, wordt deze oppervlakte, tenzij anders bepaald, berekend naar de horizontale projectie van het belastbaar object. 4. De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek. 5. Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de berekening van de precariobelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan.