[OUD] Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Tilburg 2024
Tekst van het document
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2024
Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken; b. algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; c. beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg; d. besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg, het door het college op grond van deze verordening vast te stellen Besluit maatschappelijk ondersteuning gemeente Tilburg (Besluit MO Tilburg) waarin nadere regels opgenomen worden over de uitvoering van deze verordening; e. bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet; f. budgetplan: door cliënt en/of zijn vertegenwoordiger opgesteld plan waarin is opgenomen hoe het persoonsgebonden budget wordt besteed en met een concrete invulling van de te verlenen ondersteuning; g. college: College van burgemeester en wethouders; h.
gebruikelijke hulp/zorg: hulp of zorg die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; i. gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; j. hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; k. ingezetene: cliënt die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Tilburg; l. mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; m. melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; n. onafhankelijke cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie en advies die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; o. onverwijld: in ieder geval binnen drie werkdagen; p.
persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; q. persoonsgebonden budget (pgb): bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; r. pgb vertegenwoordiger: een door de pgb-houder gemachtigde natuurlijke persoon of rechtspersoon dan wel een door de rechter benoemde wettelijke vertegenwoordiger die de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken op zich neemt. s. sociale netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; t. voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen; u. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; v. woonvoorziening: roerende zaak dan wel bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning of voorziening voor verhuis- en inrichtingskosten.
Artikel 1.2 Doelgroep van deze verordening 1. Deze verordening richt zich op personen: a. die hun woonplaats hebben in Tilburg, en b. die hun zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie willen behouden of verbeteren en daar ondersteuning bij nodig hebben, of c. die, al dan niet woonachtig in Tilburg, als mantelzorger ondersteuning aan een Tilburger bieden. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid richt de verordening zich wat betreft opvang en beschermd wonen met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.2.2. van de wet op ingezetenen van Nederland die in Tilburg ondersteuning zoeken.
Hoofdstuk 2 Toegang Artikel 2.1 Melding en vooronderzoek 1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en informeert de cliënt over de gang van zaken na de melding, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3. van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. 4. De cliënt of degene die namens hem de melding doet wordt gewezen op de mogelijkheid zich tijdens het onderzoek te laten bijstaan door iemand uit het eigen netwerk of een onafhankelijke cliëntondersteuner. 5. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 6. Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 7. Het college brengt de cliënt op hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Artikel 2.2 Gesprek 1. Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp/zorg of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f.
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;
i.
2.
3. 4.
5.
6.
welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. Als de aanvraag ziet op een verstrekking van een pgb waarbij cliënt een vertegenwoordiger heeft gemachtigd de aanvraag namens hem in te dienen, kan het college de gemachtigde bij het onderzoek betrekken en vragen bij het gesprek aan te sluiten. De gemachtigde/vertegenwoordiger mag niet de (beoogd) zorgaanbieder of medewerker van de (beoogd) zorgaanbieder zijn. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.1, zevende lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Het college informeert de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. Voor zover het college dat nodig acht om het onderzoek volledig en zorgvuldig uit te kunnen voeren, kan informatie ingewonnen worden bij derden, mits de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger daarvoor door ondertekening van een toestemmingsverklaring toestemming hebben gegeven.
Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger besluiten af te zien van het gesprek.
Artikel 2.3 Verslag van het onderzoek 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. 2. Binnen 10 werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek (plan van aanpak). 3. De cliënt en/of zijn vertegenwoordiger tekent het verslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen 10 werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon met wie hij het gesprek heeft gevoerd. 4. Als de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. 5. Als de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag. 6. Op aanvragen voor begeleiding, dagbesteding op Beschermd Wonen (Zorg in Natura) is een afwijkende procedure van toepassing. Deze staat beschreven in artikel 2.5 en artikel 2.6 van deze verordening. Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na ontvangst van de melding. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.2 lid 6. 2.
Een cliënt of zijn gemachtigde of (wettelijk) vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 3. Het college kan een ondertekend verslag aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven. Artikel 2.5 Aanvraag maatwerkvoorziening begeleiding, dagbesteding en persoonlijke verzorging zorg in natura 1. Bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening voor begeleiding, dagbesteding of persoonlijke verzorging wordt samengewerkt met de gecontracteerde partij (Siem (De Coalitie Wmo)) (begeleiding)) of (Kikmaat (dagbesteding)). De Toegangsprofessional voert het onderzoek uit zoals beschreven in artikel 2.1.2 van de Wmo2015. Zodra er sprake is van een noodzaak voor een maatwerkvoorziening wordt de cliënt overgedragen aan de gecontracteerde partij. Zij bepaalt in afstemming met de cliënt de aard en omvang van de maatwerkvoorziening. 2. De uitkomsten van dit onderzoek worden vastgelegd in een verslag (ondersteuningsplan). Het door de cliënt/diens vertegenwoordiger ondertekende verslag van het onderzoek (ondersteuningsplan) vormt tevens de beschikking. 3. Het college kan nadere regels stellen
Artikel 2.6 aanvraag maatwerkvoorziening voor Beschermd Wonen 1. Bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening voor Beschermd Wonen wordt samengewerkt met de gecontracteerde partij (Siem (De Coalitie Wmo)). De Toegangsprofessional voert het onderzoek uit zoals beschreven in artikel 2.1.2 van de Wmo2015. Zodra er sprake is van een noodzaak voor een maatwerkvoorziening wordt de cliënt overgedragen aan de gecontracteerde partij. Zij bepaalt in afstemming met de cliënt de aard en omvang van de maatwerkvoorziening. 2. De uitkomsten van dit onderzoek worden vastgelegd in een verslag (ondersteuningsplan). Het door de cliënt/diens vertegenwoordiger ondertekende verslag van het onderzoek (ondersteuningsplan) vormt tevens de beschikking. 3. Het college kan nadere regels stellen Artikel 2.7 Aanvraag persoonsgebonden budget In aanvulling op artikel 2.4 omvat een aanvraag voor een persoonsgebonden budget in elk geval: a. de motivering waarom een pgb gewenst wordt; b. de te treffen maatwerkvoorziening en het beoogde resultaat; c. de voorgenomen uitvoering daarvan en de kwalificaties van de uitvoering. Artikel 2.8 Aanvraag maatwerkvoorziening begeleiding, dagbesteding en persoonlijke verzorging persoonsgebonden budget 1.
Indien er een noodzaak bestaat voor een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding, dagbesteding of persoonlijke verzorging en de cliënt wenst deze te verzilveren in de vorm van een persoonsgebonden budget, stelt de Toegangsprofessional eerst vast of de cliënt (of diens vertegenwoordiger) voldoende regievaardig is voor het uitvoeren van de taken die behoren bij het persoonsbonden budget. Indien de cliënt voldoende regievaardig is, kan de gecontracteerde partij voor begeleiding (Siem (De Coalitie Wmo)) (begeleiding) of Kikmaat (dagbesteding)) gevraagd worden om een expertadvies voor de bepaling van de aard en omvang van de voorziening. In het ondersteuningsplan worden de te behalen resultaten, de aard en omvang van de benodigde zorg vastgelegd. 2. De cliënt en/of zijn vertegenwoordiger stellen samen een budgetplan op waarin ze aangegeven hoe de ondersteuning wordt verleend. De Toegangsprofessional beoordeelt of hiermee de doelen zoals beschreven in het Plan van Aanpak in voldoende mate behaald kunnen worden. 3. Zorgverlener en cliënt en/of zijn vertegenwoordiger ondertekenen het budgetplan. 4. Het ondertekende budgetplan samen met het ondertekende verslag van het onderzoek kunnen als aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden aangemerkt. 5. Het college kan nadere regels stellen. Artikel 2.9 Aanvraag voor maatwerkvoorziening voor Beschermd Wonen 1.
Indien er een noodzaak bestaat voor een maatwerkvoorziening in de vorm van Beschermd Wonen en de cliënt wenst deze te verzilveren in de vorm van een persoonsgebonden budget, stelt de Toegangsprofessional eerst vast of de cliënt (of diens vertegenwoordiger) voldoende regievaardig is voor het uitvoeren van de taken die behoren bij het persoonsbonden budget. Indien de cliënt voldoende regievaardig is, kan de gecontracteerde partij voor Beschermd Wonen (Siem (De Coalitie Wmo)) gevraagd worden om een expertadvies voor de bepaling van de aard en omvang van de voorziening. In een ondersteuningsplan worden de te behalen resultaten, de aard en omvang van de benodigde zorg vastgelegd. 2. De cliënt en/of zijn vertegenwoordiger stellen samen een budgetplan op waarin ze aangegeven hoe de ondersteuning wordt verleend. De Toegangsprofessional beoordeelt of hiermee de doelen zoals beschreven in het ondersteuningsplan in voldoende mate behaald kunnen worden. 3. Zorgverlener en cliënt en/of zijn vertegenwoordiger ondertekenen het budgetplan. 4. Het ondertekende budgetplan samen met het ondertekende verslag van het onderzoek kunnen als aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden aangemerkt. 5. Het college kan nadere regels stellen. Artikel 2.10 Inhoud beschikking 1.
In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening geeft het college in ieder geval aan of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en geeft het college tevens aan hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.
2.
3.
4. 5.
Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing, d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. Bij zowel Beschermd Wonen als Begeleiding (Zorg in Natura) wordt er geen separate beschikking afgegeven. Het ondertekende ondersteuningsplan (opgesteld door Toegang en/of gecontracteerde aanbieder) vormt de beschikking.
Artikel 2.11 Advisering 1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp/zorg diens relevante huisgenoten: a. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen. b. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip op een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: a. het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 2.2 is gevoerd. b. het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 2.2 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of soort van voorziening kunnen beïnvloeden. c. het college dat overigens gewenst vindt. 3. Indien het college advies gaat inwinnen als bedoeld in lid 1 en lid 2 wordt de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger hiervan op de hoogte gebracht.
Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen Artikel 3.1 Algemene voorziening 1. Een algemene voorziening kan ingericht zijn voor alle inwoners van Tilburg of voor een specifieke doelgroep, en is rechtstreeks toegankelijk zonder of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling. 2. Het college kan nadere regels stellen. Artikel 3.2 Waardering voor mantelzorgers Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers. Het college zal bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.
Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen Artikel 4.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp/zorg, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of b.
ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp/zorg, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 3. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening (zaak), wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of c.
de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 4. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening. Artikel 4.2 Regels voor pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 2. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 3. Het tarief voor een pgb: a. wordt vastgesteld op de soort voorziening, de omvang van de voorziening en een door de cliënt opgesteld budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige en doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot maatwerkvoorzieningen behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. 4.
De hoogte van een pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten. In hoofdstuk 5 is de opbouw van de pgb tarieven opgenomen alsmede de betreffende tarieven voor maatwerkvoorzieningen. 5. Het college bepaalt bij nadere regeling onder welke voorwaarden een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt de mogelijkheid heeft om diensten, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
6.
Een pgb wordt alleen verstrekt als tijdens het onderzoek naar aanleiding van de melding is vastgesteld dat cliënt en/of zijn pgb vertegenwoordiger voldoende in staat is regie te voeren over de kwaliteit en uitvoering van het budgetplan met het oog op de te behalen resultaten. 7. Als de cliënt een pgb vertegenwoordiger heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren, mag om belangenverstrengeling te voorkomen, deze vertegenwoordiger niet de uitvoerder als professioneel zorgaanbieder zijn van de diensten die met het pgb worden ingekocht. Voor informele zorgverleners, met uitzondering van een Particuliere dienstverlener vallend onder de Regeling Dienstverlening aan Huis, geldt dat deze wel vertegenwoordiger én uitvoerder van de zorg mogen zijn. 8. Het college kan nadere regels stellen aan de toegang tot en het gebruik van het persoonsgebonden budget. 9. Tussenpersonen en belangenbehartigers mogen niet uit het persoonsgebonden budget worden betaald. 10. Het is verplicht om de modelovereenkomsten van de Sociale Verzekeringsbank te gebruiken. 11.
De persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt voor een voorziening als bedoeld in artikel 5.16 of 5.17, danwel de vertegenwoordiger, mag met de zorgaanbieder geen afspraak maken op basis waarvan de SVB de zorgaanbieder uitbetaalt zonder dat de persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt de factuur heeft geaccordeerd. Dit betekent dat de zorgaanbieder maandelijks een factuur met daadwerkelijk gerealiseerde uren aan de persoon die het persoonsgebonden budget beheert ter accordering aanbiedt. Artikel 4.3 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen 1. Het college beoordeelt, in aanvulling op artikel 4.1, eerst of de cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning en die verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat. Deze beoordeling zal alleen plaatsvinden indien de aanpassing van de woning een bedrag zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg te boven gaat. 2. Het college stelt nadere regels. Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor vervoersvoorzieningen 1. Het college beoordeelt, in aanvulling op artikel 4.1, eerst of de cliënt gebruik kan maken van een aanwezige en bruikbare algemene voorziening of van collectief vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur die in de individuele situatie van de cliënt kan leiden tot het te bereiken resultaat. 2. Het college stelt nadere regels.
Artikel 4.5 Aanvullende criteria voor hulp bij het huishouden 1.
2. 3. 4.
5.
Bij de toekenning van ondersteuning bij het huishouden in de vorm van een maatwerkvoorziening richt het college zich op één of meerdere van de volgende resultaten: a. het schoon en leefbaar houden van de woning; b. het beschikken over schone en draagbare kleding. Het schoon en leefbaar houden van de woning heeft uitsluitend betrekking op woonruimten binnen de woning. Buitenruimten vallen hier niet onder. Het college beoordeelt, in aanvulling op artikel 4.1, of de cliënt één of meerdere huisgenoten heeft die beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen in het kader van gebruikelijke zorg. Een cliënt komt, in aanvulling op artikel 4.1, niet in aanmerking voor ondersteuning bij het huishouden als hij zelf, of met behulp van zijn partner/gezin of sociale netwerk de resultaten zoals genoemd in lid 1 kan behalen. Het college stelt nadere regels.
Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen 1. In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor opvang als hij: a. feitelijk of residentieel dakloos is, al dan niet voorgaand aan opname in een (psychiatrische) kliniek, of aan detentie, en b. beperkt zelfredzaam is op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden, en c. niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid op kunnen heffen.
2.
3.
4.
In aanvulling op artikel 4.1 kan een slachtoffer van huiselijk geweld in aanmerking komen voor opvang als deze: a. slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, en vanwege aspecten van veiligheid de thuissituatie moet verlaten, of indien sprake is van kindermishandeling en opvang van kind(eren) met de beschermende ouder/verzorger in de opvang noodzakelijk is, en b. 18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen, en c. geen mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige situatie te creëren, of in alternatieve huisvesting te voorziening. In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor beschermd wonen als: a. er sprake is van een beperkt psychisch/psychosociaal functioneren en/of beperkt intellectueel functioneren (al dan niet in combinatie met gedragsproblemen, een somatische aandoening, een lichamelijke handicap en/of verslavingskenmerken), en b. er behoefte is aan een beschermende woonomgeving om verslechtering van de situatie te voorkomen en/of verbetering te bereiken, en c. het voor de cliënt noodzakelijk is dat er een woonomgeving is waarbij toezicht en begeleiding aanwezig is, of in de nabijheid aanwezig is, en d. hij niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen.
Het college kan nadere regels stellen inzake toelating naar aanleiding van afspraken met andere gemeenten over wederzijdse overdracht van cliënten inzake prioritering van doelgroepen bij de toegang tot beschermd wonen.
Artikel 4.7 Weigeringsgronden en voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen 1. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening: a. als met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. als de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp/zorg, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen; c. als de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; d. als de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; e. als het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; f. als deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; g. indien er sprake is van voorzienbaarheid. 2. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie: a. als deze niet langdurig noodzakelijk is; b. als de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Tilburg. 3. Het college verstrekt geen woonvoorziening: a. als de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b.
ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; c. als het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingenbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; d. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; e. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijke toestemming is verleend door het college.
Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budgetten Hulpmiddelen Artikel 5.1 Opbouw van tarief van persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen 1. Het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst passende voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor instandhoudingskosten (onderhoudskosten) en een eventueel verplichte WA-verzekering. 2. Bij hulpmiddelen wordt een onderscheid gemaakt tussen hulpmiddelen die binnen het kernassortiment vallen en hulpmiddelen die buiten het kernassortiment vallen. Artikel 5.2 Persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen binnen het kernassortiment 1. Het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen, die binnen het kernassortiment van de gemeente Tilburg vallen, wordt per voorzieningencategorie vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst compenserende voorziening. 2. Deze bedragen zijn vastgelegd in bijlage 1. 3. Deze basisbedragen worden, indien van toepassing, verhoogd met een bedrag voor maatwerk en/of modulaire aanpassingen. 4. De noodzaak voor maatwerk en/of modulaire aanpassingen wordt vastgesteld op basis van een (medisch) advies en/of het selectierapport van de voorziening. 5. Het persoonsgebonden budget voor maatwerk en/of modulaire aanpassingen wordt bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte.
Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes te vragen. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen. 6. De PGB-bedragen bedoeld in dit artikel onder lid 1 en lid 3 vormen tezamen het totale persoonsgebonden budget voor de voorziening. Artikel 5.3 Persoonsgebonden voor hulpmiddelen buiten het kernassortiment 1. Het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen die buiten het kernassortiment van de gemeente Tilburg vallen, wordt bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes op te vragen. De offerte moet ook (indien van toepassing) een indicatie voor de onderhoudskosten gedurende de afschrijvingsduur bevatten. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen. 2. Indien een geschikt middel verkrijgbaar is bij een gecontracteerde leverancier kan het persoonsgebonden budget nooit hoger zijn dan de kosten die het college kwijt zou zijn bij deze gecontracteerde aanbieder. Sportvoorziening Artikel 5.4 Persoonsgebonden budget voor een sportvoorziening 1. Voor een sportvoorziening kan men in aanmerking komen als zonder deze voorziening sporten niet mogelijk is. 2. Voor een sportvoorziening wordt uitsluitend een gemaximeerd persoonsgebonden budget verstrekt.
De hoogte is, ongeacht het inkomen, gelijk aan de werkelijke kosten van de sportvoorziening tot een maximum van € 3.463,26. Tegelijk met de verstrekking van de aanschafkosten wordt een forfaitair bedrag verstrekt van € 770,03 waarmee voor een periode van drie jaar een sportvoorziening aangepast, verzekerd, gerepareerd en onderhouden dient te worden. De werkelijke kosten van de sportvoorziening worden bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes te vragen. De offerte moet ook bevatten een indicatie voor de onderhouds- en reparatiekosten gedurende de afschrijvingsduur. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen. Indien een geschikt middel verkrijgbaar is bij een gecontracteerde leverancier kan het persoonsgebonden budget nooit hoger zijn dan de kosten die het college kwijt zou zijn bij deze gecontracteerde leverancier 3. Als de cliënt nog steeds gebruikt maakt van de sportvoorziening, kan aansluitend aan de in het tweede lid bedoelde periode van drie jaar, jaarlijks een forfaitair bedrag in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt worden van € 533,56 in de kosten van aanpassing, verzekering, onderhoud en reparatie van de sportvoorziening.
Vervoersvoorzieningen Artikel 5.5 Persoonsgebonden budget voor vervoerskosten 1. Kan een persoon vanwege zijn specifieke situatie geen gebruik maken van het CVV (regiotaxi/regiovervoer), dan kan hij in aanmerking komen voor een gemaximeerd persoonsgebonden budget om zelf in het vervoer te voorzien. De onderstaande bedragen zijn per kalenderjaar. a. voor gebruik van een (eigen) auto: € 465,00; b. voor gebruik van een taxi: € 465,00; c. voor gebruikskosten bruikleenauto € 285,00; 2. De tarieven (lid 1 sub a en b) zijn gebaseerd op de voorziening in natura (regiotaxi/regiovervoer) waarbij maximaal 1500 kilometer per (kalender)jaar gereisd mag worden en een kilometertarief van € 0,31 per kilometer. Het tarief onder lid 1 sub c is gebaseerd op een kilometertarief van € 0,19 per kilometer. 3. Indien een cliënt geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, regiotaxi niet mogelijk is en eigen vervoer niet beschikbaar is, en op geen enkele andere manier een goedkopere passende vervoersvoorziening gegeven kan worden, wordt aan de cliënt een persoonsgebonden budget verstrekt om met een reguliere (rolstoel)taxi te reizen. Dit bedrag wordt vastgesteld op grond van het feitelijke vervoerspatroon van de cliënt, maar met een maximum van 1500 kilometer tegen een bedrag dat met het taxibedrijf wordt afgesproken, maar maximaal het goedkoopste tarief van de reguliere (rolstoel)taxi.
Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes te vragen. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen. Artikel 5.6 Persoonsgebonden budget voor weekendvervoer 1. Onder weekendvervoer wordt verstaan het vervoer van de instelling waar de cliënt woont naar het adres waar de te bezoeken relatie (bijv. ouder, broer) woonachtig is en vice versa. 2. Vervoer vanuit het woonadres van de relatie waar de cliënt gedurende het weekend verblijft wordt niet vergoed. 3. Het aantal bezoeken wordt in overleg met de cliënt en/of diens vertegenwoordiger bepaald. Per kalenderjaar wordt voor maximaal 26 bezoeken aan het weekendadres een persoonsgebonden budget verstrekt. 4. Per weekend wordt maximaal 2 maal de afstand tussen de instelling en het te bezoeken adres en de afstand van het te bezoeken adres terug naar de instelling vergoed. 5. De gemeente bepaalt de afstand van de instelling naar het te bezoeken adres met behulp van de ANWBrouteplanner. 6. Voor vergoeding komen alleen in aanmerking kilometers die binnen Nederland worden gereden. 7. De kilometerprijs bedraagt € 0,19 per kilometer. 8. De vergoeding per kalenderjaar is beperkt tot maximaal het bedrag dat verstrekt wordt op grond van artikel 5.5 lid 1 sub a van deze verordening. 9. Het persoonsgebonden budget wordt door de gemeente maandelijks uitbetaald.
Na afloop van het kalenderjaar vindt middels een steekproef controle plaats op het gebruik van de voorziening. Artikel 5.7 Tarieven voor cliënt met een toekenning voor vervoerskosten op grond van de Wmo 2007 (vóór 1 januari 2015). Voor cliënten aan wie een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget voor vervoer is toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 blijven de bedragen zoals toegekend van toepassing voor de duur dat de beschikking is afgegeven. De tarieven worden geïndexeerd zoals beschreven in artikel 5.30. Artikel 5.8 Persoonsgebonden budget voor een gehandicapten parkeerkaart / kosten parkeerplaats 1. Als een cliënt niet of onvoldoende gecompenseerd wordt met collectief vraagafhankelijk vervoer (regiotaxi/regiovervoer) en het gebruik van een auto wel voldoende compensatie biedt, kan hij, als een gehandicaptenparkeerkaart voor hem noodzakelijk is, in aanmerking komen voor een persoonsgebonden budget voor de kosten van een invalidenparkeerkaart en de kosten van de noodzakelijke medische keuring. 2. Als een cliënt niet of onvoldoende gecompenseerd wordt met collectief vraagafhankelijk vervoer en het gebruik van een auto wel voldoende compensatie biedt, kan hij, als een gehandicaptenparkeerplaats voor hem noodzakelijk is, in aanmerking komen voor een persoonsgebonden budget in verband met de aanleg van die parkeerplaats.
De hoogte van het persoonsgebonden budget is gelijk aan de kosten die de gemeente in rekening brengt voor het aanleggen van de parkeerplaats.
Artikel 5.9 Persoonsgebonden budget voor een autoaanpassing 1. Het persoonsgebonden budget voor een autoaanpassing wordt bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes op te vragen. De offerte moet ook (indien van toepassing) een indicatie voor de onderhoudskosten gedurende de afschrijvingsduur bevatten. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen. 2. Indien een geschikt middel verkrijgbaar is bij een gecontracteerde leverancier kan het persoonsgebonden budget nooit hoger zijn dan de kosten die het college kwijt zou zijn bij deze gecontracteerde aanbieder. Woonvoorzieningen Artikel 5.10 Persoonsgebonden budget voor woningaanpassingen 1. Het persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes op te vragen. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen. 2. Het is mogelijk een persoonsbonden budget te krijgen voor de kosten van het aanbouwen of uitbreiden van een vertrek bij een bestaande woning of de extra bouwkosten bij een nieuw te bouwen woning.
Voor de berekening van het persoonsgebonden budget wordt als richtlijn genomen een aantal extra m2 (conform de aanvullende criteria in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg), vermenigvuldigd met de verdiepingshoogte, met een maximum van 3.00m. De grondprijs wordt bepaald op grond van het "Kader Grondprijzen" dat jaarlijks door de gemeenteraad wordt vastgesteld Artikel 5.11 Persoonsgebonden budget voor verhuis-en inrichtingskosten en bezoekbaar maken van een woning 1. Een persoonsgebonden budget voor verhuis- en inrichtingskosten a. De hoofdbewoner van een woonruimte kan een gemaximeerd persoonsgebonden budget voor verhuis- en inrichtingskosten ontvangen van € 2.458,00. b. Een persoon, die op verzoek van de gemeente, ten behoeve van een gehandicapte een aangepaste woonruimte ontruimt, komt in aanmerking voor een gemaximeerd persoonsgebonden budget van € 4.497,64. 2. Een persoonsgebonden budget voor het bezoekbaar maken Het bedrag dat als maximum verstrekt wordt bij het bezoekbaar maken bedraagt € 6.452,40.
Artikel 5.12 Persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen van niet bouwkundige of technische aard Indien de bedoelde voorziening een woningsanering betreft, die noodzakelijk is in verband met longaandoeningen en/of allergische aandoeningen, of de vervanging van tapijt dat niet geschikt is voor rolstoelgebruik, worden de maximale vergoedingsbedragen berekend op de wijze als aangegeven onder a en b. a. Voor gordijnen en vloerbedekking worden de volgende normbedragen per vierkante meter gehanteerd: • Overgordijnen woonkamer € 40,47 per m2 raamoppervlak • Overgordijnen slaapkamer € 28,99 per m2 raamoppervlak • Vitrage woon- en slaapkamer € 26,65 per m2 raamoppervlak • Vloerbedekking woonkamer € 21,60 per m2 vloeroppervlak • Vloerbedekking slaapkamer € 19,06 per m2 vloeroppervlak b. Bij het bepalen van het persoonsgebonden budget wordt rekening gehouden met afschrijving van de te vervangen gordijnen, vitrage en vloerbedekking in een periode van 8 jaar, op de volgende wijze: • Leeftijd tot 2 jaar: vergoeding van 100 % van het normbedrag; • Leeftijd tot 4 jaar: vergoeding van 75 % van het normbedrag; • Leeftijd tot 6 jaar: vergoeding van 50 % van het normbedrag; • Leeftijd tot 8 jaar: vergoeding van 25 % van het normbedrag; • Ouder dan 8 jaar: geen vergoeding meer omdat de artikelen economisch zijn afgeschreven
Reparatie/keuring/onderhoud Artikel 5.13 Persoonsgebonden budget voor reparatie en onderhoud van hulpmiddelen 1. Het persoonsgebonden budget voor onderhoud en reparatie wordt jaarlijks uitgekeerd. 2. Het persoonsgebonden budget voor onderhoud en reparatie is een vast bedrag op jaarbasis. De hoogte van het bedrag wordt jaarlijks gebaseerd op de vaste bedragen in bijlage 1. Artikel 5.14 Persoonsgebonden budget voor keuring, onderhoud en reparatie van woonvoorzieningen 1. Ten aanzien van de onder lid 2 genoemde voorzieningen komen de werkelijk gemaakte kosten voor reparatie in aanmerking voor vergoeding alsmede de kosten van de wettelijke verplichte keuringen en de onderhoudskosten (1 maal per jaar) in aanmerking voor vergoeding. De hoogte van het persoonsgebonden budget is dan gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten 2. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op de volgende voorzieningen; elektromechanisch openings- en sluitingsmechanisme van deuren; stoelliften, rolstoel- of sta plateauliften, woonhuisliften, hefplateauliften en balansliften. Dienstverlening Artikel 5.15 Persoonsgebonden budgetten voor diensten 1. Het persoonsgebonden budget voor diensten is afgeleid van de tarieven waarvoor het college deze diensten heeft gecontracteerd bij verstrekking in natura. 2. Er is sprake van gedifferentieerde tariefstelling.
We maken onderscheid tussen professionele zorgverleners en informele zorgverleners (informele zorgverleners kunnen uitsluitend worden ingezet voor begeleiding, en hulp bij het huishouden). Een pgb-houder die professionele zorgverleners inschakelt kan het maximale pgb-tarief ontvangen. Het maximale pgb-tarief voor deze professionele zorgverleners is bepaald op 85% van de prijs van zorg in natura. Ook bij inschakeling door de pgb-houder van iemand uit zijn sociale netwerk geldt een korting op het pgb-tarief. Voor een zorgverlener uit het sociale netwerk is het maximale tarief voor informele zorgverleners bepaald op 125% van het minimumloon. Verderop in dit hoofdstuk zijn de maximale pgb-bedragen per categorie opgenomen. 3. Onder een professionele zorgverlener verstaan we een onderneming als bedoeld in artikel 5, onderdelen a,b, c, d of e van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving van het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg die meerdere personeelsleden in dienst heeft of die toebehoort aan een zelfstandige zonder personeel. In artikel 5.18 staan de eisen waaraan een professionele aanbieder moet voldoen om voor het hoge tarief in aanmerking te komen. 4.
Informele zorgverleners uit het eigen sociale netwerk en overige niet-gekwalificeerde zorgverleners ontvangen het tarief voor informele zorg. Bij vaststelling of er sprake is van een formeel (geleverd door zorgaanbieder) of informeel (geleverd door informeel zorgverlener) tarief, geldt dat 1 e, 2e & 3e graads familiebanden voorgaan op de kwalificatie. 5. Indien een cliënt een persoonsgebonden budget wil verzilveren bij een door de gemeente Tilburg gecontracteerde aanbieder (Zorg in Natura) wordt het pgb budget gelijkgesteld aan het tarief dat de aanbieder bij Zorg in Natura zou ontvangen (ongeacht het aantal uren of dagdelen begeleiding dat nodig is voor het te behalen resultaat). Dit is conform de contractuele afspraken die met de aanbieders voor Zorg in Natura zijn gemaakt. Huishoudelijke Hulp Artikel 5.16 Persoonsbonden budget voor maatwerkvoorzieningen Hulp bij het huishouden 1. Cliënten die in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening kunnen kiezen om zelf ondersteuning in te kopen via een persoonsgebonden budget. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald op basis van het aantal benodigde uren/minuten vermenigvuldigd met het geldende tarief. 2. De maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden gaat uit van een modulair systeem met drie onderdelen.
Voor het bepalen van het aantal benodigde uren/minuten word gebruik gemaakt van het blokkenschema uit bijlage 3. 3. Het is aan de cliënt om samen met de zorgverlener afspraken te maken over het tarief per uur.De hoogte van het tarief hoeft niet te corresponderen met het tarief zoals verder in dit artikel beschreven. 4. Het is toegestaan om een lager tarief met de zorgverlener af te spreken mits dit tarief niet lager is dan het geldende minimumloon. 5. De toegangsprofessional beoordeelt op basis van het budgetplan of het resultaat zoals beschreven in het plan van aanpak, met het voorstel van de cliënt en zijn zorgverlener, redelijkerwijs kan worden behaald.
6. 7. 8.
Indien de toegangsprofessional van mening is dat het resultaat niet kan worden behaald, wordt het budgetplan afgewezen. Indien het door de cliënt ingediende budgetplan lager is dan het maximale te verstrekken bedrag op basis van het aantal benodigde uren/minuten is het budgetplan leidend. Om in aanmerking te kunnen komen voor een persoonsgebonden budget moet er sprake zijn van boven gebruikelijke zorg. Het tarief voor het persoonsgebonden budget is € 16,48 per uur bij de maatwerkvoorziening Hulp bij het Huishouden en is afgeleid van de Regeling "Particuliere dienstverlening aan Huis".
Begeleiding individueel/dagbesteding/ kortdurend verblijf/persoonlijke verzorging Artikel 5.17 Persoonsgebonden budget voor begeleiding individueel, dagbesteding, kortdurend verblijf en/of persoonlijke verzorging 1. Cliënten die in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening kunnen kiezen om zelf ondersteuning in te kopen via een persoonsgebonden budget. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald op basis van het aantal benodigde uren/dagdelen vermenigvuldigd met het geldende tarief. 2. Het is aan de cliënt om samen met de zorgverlener afspraken te maken over het tarief per uur, dagdeel of etmaal en dit op te nemen in het budgetplan. De hoogte van het tarief hoeft niet te corresponderen met de tarieven zoals verder in dit hoofdstuk beschreven. 3. Het is toegestaan om een lager tarief met de zorgverlener af te spreken mits dit tarief niet lager is dan het geldende minimumloon. 4. Het is toegestaan om een hoger tarief met de zorgverlener af te spreken mits de resultaten zoals beschreven in het plan van aanpak worden behaald. Het afspreken van een hoger tarief dan de tarieven in dit hoofdstuk beschreven zal nooit leiden tot een verhoging van het persoonsgebonden budget of het toekennen van meer dagdelen of uren tegen dit hogere tarief. 5.
De toegangsprofessional beoordeelt op basis van het budgetplan of het resultaat zoals beschreven in het plan van aanpak, met het voorstel van de cliënt en zijn zorgverlener, redelijkerwijs kan worden behaald. Indien de toegangsprofessional van mening is dat het resultaat niet kan worden behaald, wordt het budgetplan afgewezen. 6. Indien het door de cliënt ingediende budgetplan lager is dan het maximale te verstrekken bedrag op basis van het aantal benodigde uren/dagdelen is het budgetplan leidend. 7. Om in aanmerking te kunnen komen voor een persoonsgebonden budget moet er sprake zijn van boven gebruikelijke zorg 8. Er kan alleen een persoonsgebonden budget worden toegekend voor begeleiding indien de zorgaanbieder voldoet aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg. Voldoet de beoogd zorgaanbieder niet aan de kwaliteitseisen dan wordt het persoonsgebonden budget niet verstrekt. De cliënt kan dan kiezen voor een andere pgb aanbieder of voor zorg in natura. Artikel 5.18 eisen ten aanzien van de zorgverlening 1. Om goede kwaliteit van zorgverlening te kunnen waarborgen stellen we eisen aan de kwaliteit van zorg(aanbieders). 2. Voor álle zorgverleners gelden de eisen zoals opgenomen in bijlage 4. Alleen indien aan deze eisen wordt voldaan kan zorg worden ingekocht bij de betreffende aanbieder/zorgverlener. 3.
Alleen voor professionele zorgverleners die voldoen aan de eisen zoals opgenomen in bijlage 5 kan het tarief voor een professionele zorgverlener worden toegekend. Zorgverleners die niet voldoen aan deze eisen ontvangen het tarief van de informeel zorgverlener. 4. Het college kan nadere regels stellen Artikel 5.19 Tarieven voor begeleiding 1. € 62,23 per uur indien geleverd door een professionele zorgverlener 2. € 16,48 per uur indien geleverd door een informeel zorgverlener
Artikel 5.20 Tarieven voor dagbesteding 1. € 28,03 per dagdeel indien geleverd door een professionele zorgverlener 2. € 8,24 per dagdeel indien geleverd door een informeel zorgverlener 3. De tarieven genoemd in lid 1 en lid 2 worden verhoogd met een bedrag van € 8,90 per dag als is vastgesteld dat vervoer van en naar de locatie van de dagbesteding noodzakelijk is.
4.
De tarieven genoemd in lid 1 en lid 2 worden verhoogd met een bedrag van € 33,80 per dag als is vastgesteld dat rolstoelvervoer van en naar de locatie van de dagbesteding noodzakelijk is.
Artikel 5.21 Logeeropvang op locatie met overnachting) 1. € 94,25 per etmaal (inclusief locatiekosten en 5 uur begeleiding) 2. € 124,45 per etmaal (inclusief locatiekosten en 9 uur begeleiding) 3. € 154,65 per etmaal (inclusief locatiekosten en 13 uur begeleiding) De bovenstaande tarieven zijn gebaseerd op opvang in een groep en gebaseerd op de daadwerkelijke aanwezigheid van begeleiding gedurende het verblijf. Voor locatiekosten is een bedrag van € 56,50 meegenomen in de bovenstaande tarieven en € 7,55 per uur voor begeleiding. Beschermd wonen Artikel 5.22 Persoonsgebonden budget voor Beschermd Wonen 1. Cliënten die in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening kunnen kiezen om zelf ondersteuning in te kopen via een persoonsgebonden budget. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald op basis van de soort benodigde zorg. De toegangsprofessional bepaalt welk soort zorg nodig is. 2. Het persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is uitsluitend in te zetten bij een professionele zorgaanbieder. 3. Een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is altijd exclusief de kosten voor huisvesting. 4. Er kan alleen een persoonsgebonden budget worden toegekend voor beschermd wonen indien de zorgaanbieder voldoet aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg.
Voldoet de beoogd zorgaanbieder niet aan de kwaliteitseisen dan wordt het persoonsgebonden budget niet verstrekt. De cliënt kan dan kiezen voor een andere pgb aanbieder of voor zorg in natura. 5. Indien het door de cliënt ingediende budgetplan lager is dan het maximale te verstrekken bedrag op basis van de soort zorg is het budgetplan leidend. 6. De tarieven zijn ingedeeld in arrangementen. De omschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 2 van deze verordening. Artikel 5.23 Tarieven voor Beschermd Wonen 1. Arrangement 1 (Begeleid (zelfstandig) wonen): € 417,62 per week (€ 59,66 per etmaal) 2. Arrangement 2 (Ondersteund wonen 1): € 626,43 per week (€ 89,49 per etmaal) 3. Arrangement 3 (Ondersteund wonen 2): € 835,24 per week (€ 119,32 per etmaal) 4. Arrangement 4: (Beschermd Wonen) : € 1.044,05 per week (€ 149,15 per etmaal) Indexatie Artikel 5.24 Indexering van tarieven Jaarlijks per 1 januari vindt indexering plaats van de door de gemeente verstrekte maatwerkvoorzieningen als volgt: 1. Persoonsgebonden budget voor dienstverlening: aangesloten wordt bij de prijs die de gemeente betaald voor de voorziening in natura. Is in het contract geen indexering voorzien, dan wordt ook het PGB niet verhoogd. 2. De overige persoonsgebonden budgetten worden verhoogd met de Consumenten Prijsindex (CPI). Dit CPIpercentage baseren we op de "nominale ontwikkelingen t.b.v.
actualisering" die het Rijk verstrekt in maart van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin gewijzigde bedragen gaan gelden. 3. De persoonsgebonden budgetten voor informele zorg zijn gebaseerd op de Wet minimumloon (Wml). Wij indexeren deze bedragen jaarlijks uitgaande van het indexeringspercentage van de Wml van 1 juli van het voorafgaande jaar. Er is een overgangsregeling voor de bestaande cliënten die gebruik maken van het pgb informeel begeleiding en informeel Hulp aan Huis. Dit houdt in dat voor hen de huidige pgb tarieven voor informele zorg blijven gelden tot afloop van de huidige indicatie.
Hoofdstuk 6 Bijdragen Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruikt maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb is verstrekt. 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. 2. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan te hoogste het landelijk vastgestelde bedrag per maand voor de ongehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is een cliënt een bijdrage verschuldigd in de kosten van het gebruik van collectief vervoer (regiovervoer/regiotaxi) ter hoogte van; a. Een opstaptarief en een bijdrage per kilometer op het niveau van het in de regio geldende standaardtarief van openbaar vervoer, of in afwijking daarvan; b. Een opstaptarief en een bijdrage per kilometer met een hoger tarief zodra de cliënt zijn jaarlijks te gebruiken kilometerbudget heeft verbruikt; c.
De bedragen, zoals bedoeld in lid 5 sub a, worden jaarlijks vastgesteld door de Provincie NoordBrabant & de Stuurgroep Regiovervoer Midden Brabant d. Voor het verstrekken van een Regiovervoerspas wordt éénmaal per vijf jaar een vergoeding op het niveau van de kosten van een OV chipkaart in rekening gebracht door Regiovervoer Midden-Brabant e. Voor ritten, zoals bedoeld in lid 3, is tijdens de door de Stuurgroep Regiovervoer Midden-Brabant vastgestelde piektijden het tarief per rit gelijk aan het vrije reizigerstarief van Regiovervoer. f. De bedragen, zoals bedoeld in lid 3 lid b, worden jaarlijks vastgesteld door de Stuurgroep Regiovervoer Midden Brabant. g. Het college stelt nadere regels 4. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening (eigendom, huur of bruikleen). c. Persoonsgebonden budget is gelijk aan de hoogte van het persoonsgebonden budget.
Hoofdstuk 7 Toezicht en handhaving Artikel 7.1 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen pgb's en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 1. Het college informeert cliënten of vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorzieningen of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet en/of een algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening. 3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet en/of een algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening is aangewezen; c.
de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening verbonden voorwaarden, of e. de cliënt de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening niet of voor een ander doel gebruikt.
4.
Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
5.
Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening, algemene voorziening of het ten onrechte genoten pgb. Als het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college deze voorziening terugvorderen. Als het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college deze voorziening terugvorderen. Teneinde uitvoering te geven aan de toezichthoudende taak als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wmo2015 verwerkt het college persoonsgegevens, waaronder mogelijk bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).